Bijlage 2 - Algemene subsidieverordening 2026 (was-wordt versie)
Tekst van het document
ALGEMENE SUBSIDIEVERORDENING gemeente Súdwest-Fryslân 2026 (versie met wijzigingen) Rood = verwijderd Groen = toegevoegd
Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a.
activiteitenplan: een beschrijving van de geplande activiteiten van de subsidieontvanger, voor zover mogelijk vertaald naar meetbare resultaten;
b. activiteitensubsidie: subsidie voor activiteiten die bijdragen aan de beleidsdoelen en uitgevoerd worden door rechtspersonen of natuurlijke (groepen van) personen. c.
Asv: Algemene Subsidieverordening Súdwest-Fryslân 2019 2026;
d. Awb: Algemene wet bestuursrecht; e.
budgetsubsidie: subsidie voor activiteiten die de gemeente laat uitvoeren door een professionele instelling;
f.
circulair: het blijven hergebruiken van bepaalde grondstoffen, op de manier waarop ze het meest waardevol zijn voor de economie;
g. college: college van burgemeester en wethouders; h. controleverklaring: accountantsverklaring opgesteld door een onafhankelijke accountant als bedoeld in Artikel 1 van de Wet op het accountantsberoep; i.
de gemeente: de gemeente Súdwest-Fryslân;
j.
duurzaam: het creëren van economische en sociale waarde zonder toekomstige generaties te benadelen. Hierbij het milieu zo min mogelijk belasten door rekening te houden met aspecten zoals afval, energie en mobiliteit;
k. egalisatiereserve: een reserve als bedoeld in artikel 4:72 Awb, bedoeld om aannemelijk gemaakte toekomstige schommelingen in lasten op te kunnen vangen; l.
het Verdrag: het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;
m. incidentele subsidie: subsidie ten behoeve voor van bijzondere projecten eenmalige of tijdelijke activiteiten waarvoor het college maximaal vier jaar subsidie wil verstrekken; n. inclusie: is dat iedereen verschillend is, dezelfde kansen krijgt om op een gelijkwaardige manier mee te doen in de samenleving; o. investeringsplan: overzicht van de geplande investeringen van de subsidieontvanger, op basis van een meerjarenonderhoudsplanning en/of exploitatieplan; p. investeringssubsidie: eenmalige subsidie ten behoeve van instandhouding, vervangingsinvesteringen, aankoop of eerste stichting van kapitaalswerken en/of eerste inrichting van een accommodatie eenmalige subsidie voor het stichten, aankopen, behouden of vervangen, van kapitaalswerken en/of eerste inrichting van een accommodatie; q. jaarlijkse subsidie: subsidie die per (boek)jaar of voor een aantal boekjaren aan een instelling voor maximaal vier jaar wordt verstrekt; subsidie voor activiteiten die ieder jaar opnieuw plaatsvinden of zich verspreiden over meerdere jaren waarbij de subsidie voor maximaal vier jaar wordt verstrekt;
r.
niet-subsidiabele kosten: verrekenbare of compensabele btw en kosten die op een andere manier zijn of worden gedekt. Ook kosten van gerechtelijke procedures, boetes of sancties zijn nietsubsidiabel;
s.
prestatie-indicator: indicator om te meten of de gestelde doelen van de subsidieontvanger behaald worden. Dit kan tussentijds en/of achteraf;
t.
projectplan: een overzicht van de voorgenomen activiteiten van de subsidieontvanger, vertaald in een plan met doel(en), beoogde resultaten, middelen en termijnen;
u. projectsubsidie: eenmalige subsidie aan rechtspersonen voor de een geheel van vooraf gedefinieerde in een projectplan gedefinieerde activiteiten die in een bepaalde tijd voor een vastgesteld bedrag worden gerealiseerd; v.
schooljaar: het tijdvak van 1 augustus tot en met 31 juli;
w. subsidiabele kosten: rechtstreeks en redelijke aan de uitvoering van de activiteit c.q. het project toe te rekenen en door de subsidieontvanger gemaakte en betaalde kosten. Ook afschrijvingskosten of kosten voor eigen arbeid kunnen subsidiabel zijn; x. subsidie-verklaring: een accountantsverklaring, opgesteld door een onafhankelijke accountant als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het accountantsberoep, waarin wordt verklaard of de subsidieontvanger heeft voldaan aan de voorwaarden die aan de subsidie gesteld worden; y.
Social return: het leveren van een maatschappelijke bijdrage, door mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt kansen te bieden. Bij voorkeur worden mensen concreet begeleid naar werk of sociaal geactiveerd zoals bedoeld in de Participatiewet; subsidie: de aanspraak op financiële middelen, door een bestuursorgaan verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten;
z.
subsidieregeling: nadere regeling als bedoeld in artikel 3 van deze verordening;
aa. subsidievaststelling: besluit van het college het bedrag van de subsidie definitief vast te stellen; bb. subsidieverlening: voorlopig besluit van het college om op een aanvraag subsidie te verlenen. Het besluit gaat vooraf aan de subsidievaststelling; cc. subsidieplafond: het bedrag (of budget) dat gedurende een bepaald tijdvak ten hoogste beschikbaar is voor de verstrekking van subsidies krachtens een wettelijk voorschrift; dd. staatssteun: steun zoals bedoeld in artikel 107 lid 1 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; ee. toegankelijkheid: de mogelijkheid om op een eenvoudige manier volledig, onafhankelijk en gelijkwaardig overal aan mee te doen; ff. voorliggende voorziening: een andere regeling of wijze op basis waarvan de subsidiabele kosten kunnen worden vergoed; gg. waarderingssubsidie: een subsidie die als blijk van waardering wordt verstrekt voor activiteiten die de inwoners van de gemeente ten goede komen. De activiteiten worden doorgaans uitgevoerd door vrijwilligers, zonder directe koppeling tussen de kosten van de activiteiten en de hoogte van de subsidie.
Artikel 2. Reikwijdte De raad stelt vast dat voor de volgende programma`s subsidie kan worden verstrekt: a. Sociaal; b. Ruimte; c. Bestuur. Deze verordening is van toepassing op de verstrekking van subsidies die bijdragen aan de doelen op de beleidsterreinen die in de programmabegroting zijn opgenomen.
Artikel 3. Subsidieregelingen
Het college kan voor de beleidsterreinen die onder de programma’s in artikel 2 vallen bij nadere regeling(hierna te noemen: subsidieregeling) vaststellen welke activiteiten in aanmerking kunnen komen voorsubsidie.
Artikel 4 3. Bevoegdheid college 1. Het college is bevoegd te besluiten subsidie te verstrekken met in achtneming van de in de programmabegroting opgenomen financiële middelen of het subsidieplafond. 2. Het college is bevoegd subsidie te indexeren. Bij indexatie wordt het door de gemeenteraad vastgestelde percentage gehanteerd. 3. Het college kan in een subsidieregeling nadere regels vaststellen welke activiteiten in aanmerking kunnen komen voor subsidie. 4. Het college is bevoegd voorwaarden aan de subsidieverlening te verbinden.
Artikel 5 4. Subsidieplafond en begrotingsvoorbehoud 1. Het college kan een subsidieplafond vaststellen. In dat geval bepalen zij bij subsidieregeling de wijze van verdeling. In dat geval wordt in een subsidieregeling bepaald, hoe het beschikbare bedrag wordt verdeeld. 2. Het college kan een subsidieplafond verlagen of indexeren verhogen. Bij indexatie wordt het door de gemeenteraad bepaalde percentage gehanteerd. 3. Het subsidieplafond wordt bekendgemaakt voor de aanvang van de periode waarvoor het is vastgesteld. 4. Indien het subsidieplafond of een verlaging daarvan later wordt bekendgemaakt, heeft deze bekendmaking geen gevolgen voor ingediende aanvragen. 5. Een subsidie ten laste van de gemeentebegroting die nog niet is vastgesteld of goedgekeurd, wordt verleend onder de voorwaarde dat voldoende middelen op de begroting beschikbaar zullen worden gesteld. Bij de verleningsbeschikking wordt daarop gewezen.
Artikel 5. Begrotingsvoorbehoud Een subsidie ten laste van de programmabegroting die nog niet is vastgesteld of goedgekeurd, wordt verleend onder de voorwaarde dat voldoende middelen op de begroting beschikbaar zullen worden gesteld. Bij de verleningsbeschikking wordt daarop gewezen.
Hoofdstuk 2 Subsidieverlening Artikel 6. De aanvraag 1. Een aanvraag om subsidie wordt digitaal of schriftelijk ingediend bij het college. Als hiervoor een aanvraagformulier is vastgesteld geschiedt dit met gebruikmaking daarvan. Het college kan het gebruik van een (digitaal) formulier voorschrijven. 2. Bij de aanvraag overlegt de aanvrager kan het college de aanvrager verplichten de volgende gegevens te overleggen: a.
een beschrijving van de activiteiten waarvoor de subsidie wordt aangevraagd een activiteitenplan, investeringsplan of projectplan;
b. de doelen en resultaten die daarmee worden nagestreefd, en hoe de activiteiten aan dat doel bijdragen. In bijzonder ook in welke mate de activiteiten gericht zijn op de gemeente of haar ingezetenen; het bedrag dat gevraagd wordt als subsidie; c.
een begroting van en een dekkingsplan voor de kosten van deze activiteiten. Het dekkingsplan bevat een opgave van bij anderen aangevraagde subsidies of vergoedingen ten behoeve van dezelfde activiteiten, onder vermelding van de stand van zaken daarvan; een begroting van en een dekkingsplan de aan de activiteiten verbonden uitgaven en inkomsten.
d. Indien andere subsidies zijn aangevraagd, een opgave van bij anderen aangevraagde subsidies of vergoedingen voor dezelfde activiteiten en de stand van zaken daarvan. indien van toepassing bij een jaarlijkse subsidie, de stand van de egalisatiereserve op het moment van de aanvraag. 3.
Bij een aanvraag van een rechtspersoon die voor de eerste maal een jaarlijkse subsidie aanvraagt, kan het college de aanvrager verplichten een exemplaar van de oprichtingsakte of de statuten, het jaarverslag, de jaarrekening en de balans van het voorgaande jaar als bijlagen toe te voegen aan de aanvraag. Indien een rechtspersoon voor de eerste keer een jaarlijkse subsidie aanvraagt dient daarnaast de volgende gegevens te worden overlegd: a.
een exemplaar van de oprichtingsakte met eventuele wijzigingen of de laatste versie van de statuten;
b. 4.
het jaarverslag en de jaarrekening van het voorgaande jaar.
Bij een aanvraag om een budgetsubsidie kan het college aanvullend op de gegevens in lid 2 de aanvrager ook verplichten de volgende gegevens te overleggen: a.
een beschrijving van de doelen en resultaten die daarmee worden nagestreefd en hoe de activiteiten aan dat doel bijdragen. In bijzonder ook in welke mate de activiteiten gericht zijn op de gemeente of haar inwoners. Bij een subsidieaanvraag van meer dan € 150.000 worden de doelen ook weergegeven in kwantitatieve prestatie-indicatoren. De prestatie-indicatoren worden in overleg met de gemeente bepaald;
b. een balans en een overzicht van de inkomsten en uitgaven met een toelichting daarop van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de aanvraag wordt gedaan; c.
voor zover van toepassing, een opgave van de toegestane reserves en voorzieningen als bedoeld in de artikelen 14 en 15.
5.
Lid 2 sub a, c en d is niet van toepassing op subsidies die (in de programmabegroting) als waarderingssubsidie worden aangemerkt.
6.
Het college is bevoegd ook andere dan, of slechts enkele van de gegevens, in het tweede, derde en
7.
Het college kan bij subsidieregeling van voorgaande leden afwijken.
vierde lid te verlangen.
Artikel 7. De aanvraagtermijn 1. Een aanvraag voor een jaarlijkse budgetsubsidie of activiteitensubsidie wordt ingediend uiterlijk1 november in het jaar voorafgaand aan het jaar of de jaren waarop de aanvraag betrekking heeft. 1. Een subsidie wordt uiterlijk vier weken voor aanvang van het boekjaar of start van de activiteit aangevraagd. 2. In afwijking van lid 1 wordt een aanvraag voor jaarlijkse subsidie, die per kalenderjaar wordt verstrekt, uiterlijk op 1 november in het jaar voorafgaand aan het jaar waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft ingediend. 3. Een aanvraag voor een project- of investeringssubsidie wordt ingediend uiterlijk 4 weken vooraanvang van de periode waarvoor subsidie wordt aangevraagd. In afwijking van lid 1 wordt een aanvraag voor een jaarlijkse subsidie, die per schooljaar wordt verstrekt, uiterlijk op 1 juli voorafgaand aan het schooljaar waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft ingediend. Dit onder overlegging van de verantwoording over het lopende schooljaar. 4. Het college kan eenmalig de aanvraagtermijn verlengen met maximaal 6 weken. De aanvrager dient hiertoe een verzoek in. 5. Het college kan bij subsidieregeling andere termijnen stellen voor het indienen van een aanvraag. 6. Het college kan aanvragen die na de indieningstermijn gedaan worden alsnog in behandeling nemen als de omstandigheden daarvoor als redelijk kunnen worden aangemerkt.
Artikel 8. Beslistermijn 1. Het college beslist uiterlijk vóór 31 december op een aanvraag voor een jaarlijkse subsidie.
2. In afwijking van lid 1 beslist het college op een aanvraag voor de jaarlijkse subsidie die per schooljaar wordt verstrekt uiterlijk op 31 augustus; 3. Het college beslist op een aanvraag om een incidentele subsidie binnen 13 weken na ontvangst van de volledige aanvraag, dan wel, indien het college hiertoe regels heeft opgesteld, 13 weken gerekend vanaf de uiterste indieningtermijn voor het aanvragen van de subsidie. Het college kan deze termijn eenmalig met 13 weken verlengen. 4. Het college kan bij subsidieregeling andere termijnen vaststellen. 5. Indien naar het oordeel van het college de subsidieverlening als staatssteun kan worden aangemerkt dan wel het risico met zich meebrengt dat de subsidieverlening als staatssteun kan worden aangemerkt, is de beslistermijn op de aanvraag maximaal drie maanden na ontvangst van de volledige aanvraag ten behoeve van onderzoek naar de ongeoorloofdheid van de steun. 6. Bij aanvragen om een subsidie die overeenkomstig artikel 108, derde lid van het Verdrag worden aangemeld bij de Europese Commissie wordt de termijn verdaagd totdat de Europese Commissie een eindbeslissing heeft genomen. Binnen vier weken na het oordeel van de Europese Commissie beslist het college definitief op de aanvraag.
Artikel 9 Weigering subsidie 1.
Het college kan weigert naast de weigeringsgronden van artikel 4:25 en 4:35 Awb een aanvraag voor subsidie in ieder geval weigeren indien: a.
in de bij de betrokken subsidieregeling bepaalde gevallen de betrokken subsidieregeling dit bepaalt;
b. de uitgaven van de activiteit hoger zijn dan de inkomsten; 2. Onverminderd het vorige lid kan het college de subsidie ook weigeren Het college kan de subsidie ook weigeren indien naar oordeel van het college: a.
de activiteiten van de aanvrager niet of niet in overwegende mate onvoldoende gericht zijn op de gemeente of haar ingezetenen inwoners of als ze onvoldoende niet of nauwelijks ten goede komen aan de gemeente of haar ingezetenen inwoners;
b. de activiteit al is gestart, is afgelopen of al kosten zijn gemaakt voordat de gemeente de aanvraag heeft ontvangen; c.
de aanvrager geen rechtspersoon is, behalve als in de subsidieregeling staat dat dit wel kan;
d. de aanvrager reden bestaat aan te nemen dat de aanvrager ook zonder subsidieverlening over voldoende gelden kan beschikken om de kosten van de activiteiten te dekken de aanvrager ook zonder subsidieverlening over voldoende gelden kan beschikken om de kosten van de activiteit te dekken; e.
de aanvrager gebruik kan maken van een voorliggende voorziening;
f.
de aanvrager winst wil maken;
g. de subsidieverlening niet past binnen het beleid van de gemeente Súdwest-Fryslân; h. de aanvraag niet voldoet aan regels die zijn gesteld om voor subsidie in aanmerking te komen; i.
de subsidieverstrekking in strijd zou zijn met een wettelijk voorschrift;
j.
het onduidelijk is of de activiteit op de langere termijn ook uitgevoerd of betaald kan worden;
k. de aanvrager in verhouding tot de subsidie zelf geen grote bijdrage levert aan het uitvoeren van de activiteiten; l.
de gemeente voor de activiteit al subsidie heeft gegeven;
m. de kosten te hoog zijn in verhouding tot de activiteit of het verwachte resultaat; n. er al genoeg vergelijkbare activiteiten worden uitgevoerd die bijdragen het doel te halen; o. als de activiteit naar oordeel van het college niet genoeg toegankelijk is de activiteit onvoldoende een openbaar karakter heeft p. in de bij de betrokken subsidieregeling bepaalde gevallen; q. als de subsidie minder dan € 100 bedraagt;
Artikel 9a Staatssteun Onverminderd het vorige artikel weigert het college de subsidie in ieder geval: a. als de Europese Commissie overeenkomstig artikel 108, derde lid, van het Verdrag heeft vastgesteld dat de subsidie onverenigbaar is met de interne markt; of b. als het betreft een aanvrager tegen wie een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerdere beschikking van de Europese Commissie waarin de steun van Nederlandonrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard. 3. De subsidieverlening kan voorts worden geweigerd indien naar het oordeel van het college de subsidieverlening als ongeoorloofde staatssteun kan worden aangemerkt dan wel het risico met zich meebrengt dat de subsidieverlening als staatssteun wordt aangemerkt. 4. Het college trekt beschikkingen tot subsidieverlening of -vaststelling in of wijzigt deze ten nadele van de ontvanger indien de subsidieverlening of –vaststelling in strijd is met de artikelen 107, 108en 109 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie betreffende staatssteun, daaruit voortvloeiende richtlijnen, of met een verplichting ingevolge een ander door de staatgesloten verdrag.
Artikel 10 Verantwoording Verlening subsidie Voor zover dit niet is bepaald bij subsidieregeling, wordt overeenkomstig het bepaalde in de artikelen14 en 15 bij de verleningsbeschikking vermeld op welke wijze de subsidieontvanger de besteding van de subsidie dient te verantwoorden. 1. Bij het besluit tot verlenen van subsidie geeft het college, overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 19, 20 en 21, aan op welke wijze de verantwoording van de subsidie plaatsvindt. 2. Indien het college subsidie verleent in de vorm van een renteloze lening kan daaraan de voorwaarde worden verbonden dat de subsidieontvanger meewerkt aan de totstandkoming van een uitvoeringsovereenkomst, zoals bedoeld in artikel 4:36 van de Awb. 3. Het college kan bij subsidieregeling afwijken van het bepaalde in artikel 19, 20 en 21.
Artikel 11 Voorschotten 1. Het college kan bij verleningsbeschikking een voorschot verstrekken. 2. Het voorschot bedraagt een percentage van het verleende subsidiebedrag. 3. Bij verleningsbeschikking worden de hoogte en termijnen van de voorschotten bepaald.
Hoofdstuk 3 Verplichtingen van de subsidieontvanger Artikel 11 12 Algemene verplichtingen van de subsidieontvanger 1. Als aannemelijk is dat een of meer van de activiteiten waarvoor de subsidie is verleend niet, niet tijdig of niet geheel zullen worden verricht of dat niet, niet tijdig of niet geheel aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen zal worden voldaan, meldt de subsidieontvanger dat direct schriftelijk aan het college. 2. Een subsidieontvanger informeert het college onverwijld direct schriftelijk over: a.
beslissingen of procedures die zijn gericht op de beëindiging van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, of tot ontbinding van de rechtspersoon;
b. relevante wijzigingen in de financiële en organisatorische verhouding met derden; c.
ontwikkelingen die ertoe kunnen leiden dat de subsidieontvanger de aan de subsidie verbonden verplichtingen niet, niet tijdig of niet geheel zal kunnen nakomen;
d. wijziging van de statuten voor zover het betreft de vorm van de gesubsidieerde rechtspersoon en het doel van de rechtspersoon. 3.
Een subsidieontvanger houdt een deugdelijke en doelmatige administratie bij over de voortgang van de subsidiabele activiteiten en de bijbehorende kosten en inkomsten. De subsidieontvanger moet deze administratie minimaal 7 jaar na vaststelling van de subsidie bewaren.
Artikel 12 Aan een subsidie te verbinden bijzondere verplichtingen 1. Bij subsidies hoger dan € 50.000, verleend voor activiteiten die meer dan een jaar in beslag nemen, kan de verplichting worden opgelegd tot het tussentijds afleggen van rekening en verantwoording over de tot dan verrichte activiteiten en de daaraan verbonden uitgaven en inkomsten. 2. Bij subsidieregeling of verleningsbeschikking kunnen aan de subsidieontvanger ook andere verplichtingen dan genoemd in artikel 4:37, eerste lid, van de wet worden opgelegd, voor zover deze strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie. In de toelichting bij de subsidieregeling wordt uiteengezet waarom daartoe wordt overgegaan. 3. Bij subsidieregeling of verleningsbeschikking kunnen verplichtingen die niet strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie aan de subsidie worden verbonden, voor zover deze verplichtingen betrekking hebben op de wijze waarop of de middelen waarmee de gesubsidieerdeactiviteit wordt verricht. In de toelichting bij de subsidieregeling wordt uiteengezet waarom daartoe wordt overgegaan. 4.
Bij subsidieregeling of verleningsbeschikking kan worden bepaald dat de subsidieontvanger, voor zover het verstrekken van de subsidie heeft geleid tot vermogensvorming, daarvoor aan het college een vergoeding verschuldigd is als zich een gebeurtenis voordoet als bedoeld in artikel4:41, tweede lid, van de wet. Daarbij wordt tevens aangegeven hoe de hoogte van de vergoeding wordt bepaald.
Artikel 13 Tussentijdse rapportage Bij subsidies die verleend worden voor activiteiten die minstens een jaar in beslag nemen, kan het college de verplichting opleggen tussentijds verantwoording af te leggen over de verrichte activiteiten en de daarbij horende uitgaven en inkomsten.
Artikel 12a 14 Egalisatiereserve 1. Bij verleningsbeschikking kan worden bepaald dat de subsidieontvanger van een per kalender-of boekjaar verstrekte subsidie die meer dan € 50.000 bedraagt een egalisatiereserve als bedoeld in artikel 4:72, eerste lid, van de wet vormt. 2. De ontvanger van een andere subsidie dan bedoeld in het eerste lid kan het college verzoeken een egalisatiereserve te mogen vormen. In dat geval is artikel 4:72 van de Algemene wetbestuursrecht van overeenkomstige toepassing. 1.
Het college kan de subsidieontvanger bij verleningsbeschikking verplichten een egalisatiereserve
2.
De subsidieontvanger kan het college verzoeken om een egalisatiereserve te mogen vormen. In dat
als bedoeld in 4:72 Awb te vormen. geval is artikel 4:72 Awb van toepassing. 3. In het geval er sprake is van een egalisatiereserve, die is gevormd en/of gevoed met gemeentelijke middelen ten behoeve van gesubsidieerde activiteiten, kan het college besluiten deze middelen in mindering te brengen op de te verlenen subsidie voor een volgend tijdvak.
Artikel 12b 15 Voorzieningen 1. Het college kan de subsidieontvanger bij verleningsbeschikking verplichten een (onderhouds)voorziening te vormen. 2. Mutaties De subsidieontvanger is verplicht mutaties van de (onderhouds)voorziening worden opgenomen op te nemen in de begroting, de exploitatierekening en de balans van de subsidieontvanger. 3. Wanneer de subsidieontvanger op eigen initiatief een (onderhouds)voorziening met subsidie van de gemeente vormt en voedt stelt zij de gemeente hiervan in kennis. Wanneer de subsidieontvanger op eigen initiatief een (onderhouds)voorziening met subsidie van de gemeente wil vormen, verzoekt de subsidieontvanger verplichten hiervoor schriftelijk toestemming om toestemming. Een verzoek hiertoe gaat vergezeld van: a.
het doel van de (onderhouds)voorziening
b. een bestedingsplan
Artikel 16 Aan een subsidie te verbinden doelgebonden verplichtingen 1. Bij subsidieregeling of verleningsbeschikking kunnen aan de subsidieontvanger ook andere verplichtingen dan genoemd in artikel 4:37, eerste lid, van de Awb worden opgelegd, voor zover deze strekken tot verwezenlijking van het doel van de subsidie. 2.
Bij jaarlijkse subsidies, hoger dan € 150.000, kan het college de verplichting opleggen te rapporteren over de kwantitatieve prestatie-indicatoren.
3. Het college kan bij subsidieregeling of verleningsbeschikking instandhoudingsverplichting opleggen.
Artikel 17 Aan een subsidie te verbinden andere verplichtingen 1.
Het college kan bij subsidieregeling of verleningsbeschikking verplichtingen aan de subsidie verbinden over de wijze waarop of de middelen waarmee de gesubsidieerde activiteit wordt verricht.
2.
Deze verplichtingen kunnen onder meer betrekking hebben op het uitvoeren van de actviteiten op
3.
Indien dit naar het oordeel van het college noodzakelijk is, kunnen concrete aanvullende
een duurzame, circulaire, toegankelijke en/of inclusieve wijze. doelstellingen aan de subsidieverlening worden verbonden met het oog op de belangen genoemd in lid 2. 4.
Het college kan bij subsidieregeling of verleningsbeschikking een (inspannings)verplichting opleggen ten aanzien van inzet voor Social return. Het gaat hierbij om jaarlijkse of incidentele subsidies van meer dan € 250.000. De subsidieontvanger moet in dat geval minimaal 2% van de totale subsidie aanwenden om Social return te bevorderen. De inzet wordt door de subsidieontvanger geregistreerd op een in de verleningsbeschikking voorgeschreven wijze.
5.
Het college kan van lid 3 afwijken en de activiteiten voortkomen uit een wettelijke taak of gefinancierd worden vanuit rijksgelden, provinciale gelden of als het gaat om het doorgeven van subsidie. Mocht het subsidiebedrag voor een deel uit niet gemeentelijke gelden bestaan, dan telt dit deel niet mee bij het bepalen of er een (inspannings)verplichting opgelegd kan worden.
6.
Het college kan verplichten dat in communicatie-uitingen over de gesubsidieerde activiteit vermeld wordt dat de activiteit mede mogelijk wordt gemaakt door de gemeente.
Hoofdstuk 4 Verantwoording en vaststelling van de subsidie Artikel 18 De verantwoordingstermijn 1. De subsidieontvanger dient een aanvraag tot vaststelling in bij het college: a.
bij een incidentele subsidie binnen 13 weken na het verrichten van de activiteiten;
b. bij een jaarlijkse subsidie, die per kalenderjaar wordt verstrekt, uiterlijk vóór 1 juni in het jaar dat volgt op het betrokken kalenderjaar; c.
bij een jaarlijkse subsidie, die per schooljaar wordt verstrekt, binnen drie maanden na afloop van het betrokken schooljaar;
d. het college kan afwijken van de termijnen in lid 1. 2. Als de verantwoording niet voor de gestelde termijn is ingediend kan het college de subsidieontvanger schriftelijk een nieuwe termijn stellen. Als de verantwoording niet binnen deze termijn wordt ingediend kan het college overgaan tot ambtshalve vaststelling.
Artikel 19 Verantwoording subsidie tot en met € 25.000
Artikel 13 Wijze van verstrekking en eindverantwoording subsidies tot en met € 10.000
1. Subsidies tot en met € 10.000 kan het college direct vaststellen of verlenen en – tenzij toepassing wordt gegeven aan het volgende lid – binnen 13 weken nadat de activiteiten uiterlijk moeten zijn verricht, ambtshalve vaststellen. 2. Als bij verleningsbeschikking de subsidieaanvrager wordt verplicht op de daarbij aangegeven wijze aan te tonen dat de activiteiten waarvoor de subsidie wordt verstrekt zijn verricht en dat is voldaan aan de aan de subsidie verbonden verplichtingen, vindt de vaststelling plaats binnen 13weken nadat de gevraagde inlichtingen zijn verstrekt. 3. In geval van verlening van een subsidie van ten hoogste € 10.000 is het regel een voorschot te verstrekken ter hoogte van de verleende subsidie. Het college kan een lager voorschot verstrekken. 1. Subsidies tot en met € 25.000 kan het college direct vaststellen. 2. Indien de subsidie niet direct wordt vastgesteld dan dient de subsidieontvanger binnen 13 weken na het uitvoeren van de activiteiten een aanvraag tot vaststelling in bij het college. 3. De aanvraag tot vaststelling bevat een inhoudelijk en financieel verslag, waaruit blijkt dat de activiteiten, waarvoor de subsidie is verleend, zijn verricht. 4. Het college kan bepalen dat: a.
(ook) andere dan de documenten in lid 3 worden overlegd, indien dit van belang is voor de vaststelling van de subsidie;
b.
minder dan de documenten in lid 3 kunnen worden overlegd, indien dit toereikend is voor de vaststelling van de subsidie.
Artikel 20 Verantwoording subsidie tussen € 10.000 € 25.000 en € 50.000 € 150.000
1. Bij subsidies van meer dan € 10.000 doch ten hoogste € 50.000 dient de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling in: a. in geval van een subsidie die per kalenderjaar wordt verstrekt, uiterlijk voor 1 juni van het jaar dat volgt op het betrokken kalenderjaar; b. in geval van een subsidie die per boekjaar wordt verstrekt, uiterlijk 13 weken na afloop van het betrokken boekjaar; c. in andere gevallen uiterlijk 13 weken nadat de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht. 2. De aanvraag bevat een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteitenzijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan. 3. Het college kan bepalen dat op een andere manier wordt aangetoond in hoeverre de activiteitenzijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan. 1.
De aanvraag tot vaststelling bevat: a.
een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen is voldaan;
b. een overzicht van de gesubsidieerde activiteiten en de hieraan verbonden uitgaven en inkomsten (financieel verslag of jaarrekening) c. 2.
een balans van het afgelopen subsidietijdvak met een toelichting daarop.
Het college kan bepalen dat: a.
(ook) andere dan de documenten in lid 1 worden overlegd, indien dit van belang is voor de vaststelling van de subsidie;
b.
minder dan de documenten in lid 1 kunnen worden overlegd, indien dit toereikend is voor de vaststelling van de subsidie.
Artikel 21 Verantwoording subsidie van meer dan € 50.000 € 150.000
1. Bij subsidies van meer dan € 50.000 dient de subsidieontvanger een aanvraag tot vaststelling in: a.
in geval van een subsidie die per kalenderjaar wordt verstrekt, uiterlijk voor 1 juni van het jaar dat volgt op het betrokken kalenderjaar;
b.
in geval van een subsidie die per boekjaar wordt verstrekt, uiterlijk 13 weken na afloop van het betrokken boekjaar;
c.
in andere gevallen uiterlijk 13 weken nadat de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht.
2. Het college kan ook andere termijnen stellen. 2. De aanvraag tot vaststelling bevat: a.
een inhoudelijk verslag waaruit blijkt in hoeverre de gesubsidieerde activiteiten zijn verricht en aan de verplichtingen, inclusief prestatie-indicatoren, is voldaan;
b. een overzicht van de gesubsidieerde activiteiten en de hieraan verbonden uitgaven en inkomsten (financieel verslag of jaarrekening) c.
een balans van het afgelopen subsidietijdvak met een toelichting daarop; en
d. een controleverklaring, opgesteld door een onafhankelijk accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. 2. Het college kan andere of minder gegevens verlangen als die voor de vaststelling van de subsidievan belang of toereikend zijn. bepalen dat: a.
(ook) andere dan de documenten in lid 1 worden overlegd, indien dit van belang is voor de
b.
minder dan de documenten in lid 1kunnen worden overlegd, indien dit toereikend is voor de
vaststelling van de subsidie; vaststelling van de subsidie. c.
in plaats van een controleverklaring, volstaan kan worden met een subsidieverklaring indien deze toereikend is als financiële verantwoording voor de vaststelling van de subsidie
Artikel 16 22 Subsidievaststelling subsidies van meer dan € 10.000 Vaststelling
1. Het college stelt een subsidie van meer dan € 10.000 vast binnen 13 weken na de ontvangst van een aanvraag tot subsidievaststelling de verantwoording, tenzij bij subsidieregeling anders is bepaald. 2. Deze termijn kan eenmaal, voor ten hoogste 13 weken worden verdaagd. Het college kan de termijn eenmaal met 13 weken verlengen. 3. Bij subsidieregeling kunnen categorieën subsidieontvangers worden aangewezen waarvoor de subsidie direct wordt vastgesteld zonder dat een aanvraag tot subsidievaststelling hoeft te worden ingediend. Het college kan categorieën van subsidies of subsidieontvangers aanwijzen, waarvoor de subsidie ambtshalve wordt vastgesteld zonder dat de subsidieontvanger een aanvraag voor subsidievaststelling hoeft in te dienen.
Artikel 17 Berekening van uurtarieven, uniforme kostenbegrippen 1. Als bij de bepaling van de subsidiabele kosten gebruik wordt gemaakt van uurtarieven, worden deze door de subsidieaanvrager berekend met gebruikmaking van een bij subsidieregeling voorgeschreven berekeningswijze. 2. Bij het hanteren van kostenbegrippen bij de berekening van uurtarieven wordt uitgegaan van de bij subsidieregeling voorgeschreven definities.
Hoofdstuk 5 Staatssteun Artikel 23 Begripsbepalingen In dit hoofdstuk en daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. de-minimisverordening: verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag op de-minimissteun (PbEU L 352), verordening (EU) nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag op de-minimissteun in de landbouwproductiesector (PbEU L 352/9) en verordening (EU) nr. 717/2014 van de Commissie van 27 juni 2014 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag op de-minimissteun in de visserij- en aquacultuursector (PbEU L 190/45), dan wel later daarvoor in de plaats tredende Europese regelgeving;
b.
het Verdrag: het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;
c.
Europees steunkader: een mededeling, richtsnoer, kaderregeling, besluit of vrijstellingsverordening op het gebied van staatssteun die de Europese Commissie of de Raad van de Europese Unie, gelet op de artikelen 106 lid 3, 107, 108 of 109 van het Verdrag heeft vastgesteld;
d.
onderneming: iedere eenheid, ongeacht haar rechtsvorm of wijze van financiering, die een economische activiteit uitoefent;
e.
staatssteun: steun zoals bedoeld in artikel 107 lid 1 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;
Artikel 24 Staatssteunregels 1. Voor zover dat ten behoeve van het voldoen aan een Europees steunkader noodzakelijk is, kan het college bij subsidieregeling of verleningsbeschikking afwijken van deze verordening. 2. Bij subsidies en subsidieregelingen waarbij is bepaald dat toepassing kan worden gegeven aan een Europees steunkader, verwijst de subsidieregeling of verleningsbeschikking naar het desbetreffende steunkader. 3. Wanneer een Europees steunkader van toepassing is, komen alleen de activiteiten, doelstellingen, resultaten en kosten in aanmerking voor zover de subsidieverstrekking voldoet aan de eisen van het desbetreffende steunkader. 4. Wanneer een Europees steunkader van toepassing is, komen ondernemingen alleen in aanmerking voor zover de subsidieverstrekking voldoet aan de voorwaarden van het desbetreffende steunkader. 5. Aanvullend op artikel 6 lid 2 overlegt de aanvrager, indien deze een onderneming is, een verklaring als bedoeld in de de-minimisverordening (de-minimisverklaring).
Artikel 25 Beslistermijn staatssteun 1. Indien naar het oordeel van het college de subsidieverlening als staatssteun kan worden aangemerkt dan wel het risico met zich meebrengt dat de subsidieverlening als staatssteun kan worden aangemerkt, is de beslistermijn op de aanvraag maximaal drie maanden na ontvangst van de volledige aanvraag ten behoeve van onderzoek naar de ongeoorloofdheid van de steun. 2. Bij aanvragen om een subsidie die overeenkomstig artikel 108, lid 3 van het Verdrag worden aangemeld bij de Europese Commissie wordt de termijn verdaagd totdat de Europese Commissie een eindbeslissing heeft genomen. Binnen vier weken na het oordeel van de Europese Commissie beslist het college definitief op de aanvraag.
Artikel 26 Weigering subsidie staatssteun 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 9 weigert het college de subsidie in ieder geval als: a.
de Europese Commissie overeenkomstig artikel 108, lid 3, van het Verdrag heeft vastgesteld dat de subsidie onverenigbaar is met de interne markt; of
b. het betreft een aanvrager tegen wie een bevel tot terugvordering uitstaat ingevolge een eerdere beschikking van de Europese Commissie waarin de steun van Nederland onrechtmatig en onverenigbaar met de interne markt is verklaard. 2. Onverminderd het vorige lid weigert het college de subsidie in ieder geval als: a.
de aanvrager een onderneming drijft die in moeilijkheden verkeert als bedoeld in het desbetreffende Europese steunkader, of
b. de subsidie geen stimulerend effect heeft als bedoeld in het desbetreffende Europese steunkader. 3. De subsidieverlening kan voorts worden geweigerd indien naar het oordeel van het college de subsidieverlening als ongeoorloofde staatssteun kan worden aangemerkt dan wel het risico met zich meebrengt dat de subsidieverlening als staatssteun wordt aangemerkt.
4. Het college trekt beschikkingen tot subsidieverlening of -vaststelling in of wijzigt deze ten nadele van de ontvanger indien de subsidieverlening of –vaststelling in strijd is met de artikelen 107, 108 en 109 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie betreffende staatssteun, daaruit voortvloeiende richtlijnen, of met een verplichting ingevolge een ander door de staat gesloten verdrag.
Artikel 27 Verplichtingen staatsteun Als de subsidieontvanger een redelijk vermoeden heeft dat de van de gemeente ontvangen subsidie als ongeoorloofde staatssteun aangemerkt kan worden, stelt zij het college onmiddellijk van dit risico in kennis.
Hoofdstuk 6 Slotbepalingen Artikel 27 Hardheidsclausule 1. Het college kan van een of meer artikelen of artikelleden van deze verordening of een subsidieregeling afwijken als daaraan vasthouden voor een subsidieaanvrager of -ontvanger gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zouden zijn tot de daarmee te dienen belangen. 2. Toepassing van het vorige lid wordt gemotiveerd in het besluit.
Artikel 28 Geen evaluatieverslag De werking van artikel 4:24 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing wordt uitgesloten voor subsidies die op basis van bepalingen uit deze verordening zijn verleend.
Artikel 29 Overgangsrecht 1. 1.
De Algemene Subsidieverordening gemeente 2020 Súdwest-Fryslân blijft van toepassing op
alle subsidies die zijn verleend op grond van de Algemene Subsidieverordening 2020 gemeente Súdwest-Fryslân en die nog moeten worden vastgesteld, met uitzondering van het bepaalde in lid 2 2. Het overgangsrecht is niet van toepassing op artikel 15, lid 3, onder d, van de Algemene Subsidieverordening 2020 gemeente Súdwest-Fryslân. De grens voor het aanleveren van een controleverklaring wordt met de inwerkingtreding van de nieuwe Algemene Subsidieverordening gemeente Súdwest-Fryslân 2026 ook verruimd van € 50.000 tot € 150.000 voor subsidies die zijn verleend op grond van Algemene Subsidieverordening 2020 gemeente Súdwest-Fryslân en nog moeten worden vastgesteld.
Artikel 30 Citeertitel, inwerkingtreding 1. De Algemene subsidieverordening gemeente Súdwest-Fryslân van 19 december 2019 wordt met ingang van 1 januari 2026 ingetrokken. 2. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2026. 3.
Subsidieregelingen die zijn vastgesteld op grond van de Algemene Subsidieverordening 2020 gemeente Súdwest-Fryslân berusten vanaf 1 januari 2026 op artikel 3 van deze verordening.
4. Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene subsidieverordening 2026 gemeente SúdwestFryslân.