Bijlage 2-3 - SOL012348 Quickscan ecologie Hichtum
Tekst van het document
ZELDENRUST VROM ADVIES & PROJECTMANAGEMENT
QUICKSCAN ECOLOGIE SCHWARTZENBERGWEG (ONG.) TE HICHTUM
4 MEI 2021
WSP NEDERLAND B.V. ORIONWEG 28 8938 AH LEEUWARDEN
PROJECTNUMMER SOL012348 DOCUMENTNUMMER SOL012348.RAP001. versie 1.0
wsp.com
Quickscan Eecolgie Schwartenzenbergweg te Hichtum SOL012348, versie 2.0 Zeldenrust VROM advies & projectmanagement
WSP 4 mei 2021 pagina 1
COLOFON OPDRACHTGEVER Zeldenrust VROM advies & projectmanagement Fûgelleane 18 8702 CD Bolsward CONTACTPERSOON OPDRACHTGEVER De heer Zeldenrust PROJECTNUMMER OPDRACHTGEVER CONTACTPERSOON WSP NEDERLAND B.V. De heer ing. W.H. Lemstra Tel: +31 6 212 683 07 Email: Walter.Lemstra@wsp.com
AUTORISATIE PROJECTNUMMER
DOCUMENTNUMMER
VERSIE
STATUS
SOL012348
SOL012348.RAP001.
2.0
Definitief
OPGESTELD DOOR
FUNCTIE
DATUM
PARAAF
De heer L. Westenbroek
Junior Adviseur
4 mei 2021
GEVERIFIEERD EN GOEDGEKEURD DOOR
FUNCTIE
DATUM
De heer ing. W.H. Lemstra
Ecoloog
4 mei 2021
Quickscan Eecolgie Schwartenzenbergweg te Hichtum SOL012348, versie 1.0 Zeldenrust VROM advies & projectmanagement
PARAAF
WSP 4 mei 2021 pagina 2
INHOUDSOPGAVE
1
INLEIDING
5
2
PLANGEBIED
6
2.1
Beschrijving plangebied
6
2.2
Plan ontwikkeling
9
3
WETTELIJK KADER
10
3.1
Soortenbescherming
10
3.2
Gebiedenbescherming
11
4
ONDERZOEKSOPZET
12
4.1
Beschikbare gegevens
12
4.2
Veldbezoek
12
4.3
Effectenbeoordeling
12
5
BESCHERMDE SOORTEN
13
5.1
planten
13
5.2
Grondgebonden zoogdieren
13
5.3
Reptielen
13
5.4
Amfibieën
13
5.5
Vissen
14
5.6
Libellen, dagvlinders en overige ongewervelden
14
5.7
Vleermuizen
14
5.8
Vogels
14
6
BESCHERMDE GEBIEDEN
16
6.1
Natura 2000-gebieden
16
6.2
Natuurnetwerk Nederland
17
6.3
Ganzenfoerageergebied
18
7
EFFECTBEOORDELING
19
7.1
Toetsing beschermde soorten
19
7.2
Toetsing beschermde gebieden
20
7.3
Conclusie
20
7.4
Geldigheid onderzoeksgegevens
21
Quickscan Eecolgie Schwartenzenbergweg te Hichtum SOL012348, versie 1.0 Zeldenrust VROM advies & projectmanagement
WSP 4 mei 2021 pagina 3
OVERZICHT BIJLAGE(N) Bijlage 1
— Regionale ligging Bijlage 2
— Literatuurlijst Bijlage 3
— Wetgeving en beleid Bijlage 4
— Fotobijlage
Quickscan Eecolgie Schwartenzenbergweg te Hichtum SOL012348, versie 1.0 Zeldenrust VROM advies & projectmanagement
WSP 4 mei 2021 pagina 4
1
INLEIDING
WSP Nederland B.V. heeft een quickscan ecologie uitgevoerd ter plaatse van het plangebied aan de Schwartzenbergweg te Hichtum. Aanleiding voor deze quickscan is de voorgenomen nieuwbouwplannen. De opdrachtgever is voornemens een tweetal woningen met bijgebouw (garage/paardenboxen) en een paardenbak te realiseren. De quickscan ecologie vormt de eerste fase in het kader van de procedure van de Wet natuurbescherming (hierna Wnb) en Natuurnetwerk Nederland (hierna NNN). In bijlage 1 wordt de natuurwetgeving en het natuurbeleid nader toegelicht. De voorliggende toets leent zich niet direct voor een eventueel noodzakelijke ontheffingsaanvraag voor de geplande planontwikkeling.
Het doel van de quickscan is, om op basis van een literatuuronderzoek en een veldonderzoek, een inschatting te maken of: Beschermde planten- en diersoorten in het plangebied of directe omgeving (binnen een straal van maximaal 5 kilometer) van het plangebied kunnen voorkomen; De planontwikkeling mogelijk effect(en) heeft op de al dan niet aanwezige beschermde planten- en diersoorten en daarmee mogelijk strijdig is met de soortenbescherming conform de Wnb; Een noodzaak aanwezig is voor het uitvoeren van een nader onderzoek naar de mogelijk voorkomende beschermde planten- en diersoorten, door een gerichte veldinventarisatie volgens de geldende protocollen; De planontwikkeling plaatsvindt in of nabij een beschermd natuurgebied (Natura 2000-gebied) of het NNN en of daarbij sprake is van de noodzaak voor nadere toetsing en vergunning in het kader van gebiedsbescherming conform de Wnb, inclusief externe werking en/of het provinciale beleid omtrent het NNN. Zowel bij mogelijke effecten als bij onvoldoende gegevens over de mogelijke aanwezige beschermde soorten of gebieden, volgt doorgaans het advies voor het uitvoeren van een nader onderzoek en/of toetsing. Op basis daarvan kan een vergunning en/of ontheffing bij het bevoegd gezag aangevraagd worden.
Als in het plangebied geen beschermde soorten of functies (onder andere verblijfplaatsen) aanwezig zijn, en het plangebied geen functie heeft voor deze soorten is het aanvragen van een ontheffing en het nemen van soortgerichte maatregelen niet noodzakelijk. Bij het voorkomen van algemene (niet strikt beschermde) soorten geldt wel de zorgplicht (artikel 1.11 van de Wnb). WSP Nederland B.V. is door Kiwa gecertificeerd voor de ISO 9001- en de 14001-normen en heeft een eigen kwaliteitssysteem. De medewerkers van WSP Nederland B.V. voor de uitvoer van flora- en faunaonderzoeken zijn allen VCA gecertificeerd. Daarnaast is WSP actief lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB).
Quickscan Eecolgie Schwartenzenbergweg te Hichtum SOL012348, versie 1.0 Zeldenrust VROM advies & projectmanagement
WSP 4 mei 2021 pagina 5
2 2.1
PLANGEBIED BESCHRIJVING PLANGEBIED
Het plangebied ligt in het centrum van Hichtum. Het plangebied bestaat uit een weiland dat wordt omsloten door watergangen (zie figuur 2.1).
Figuur 2.1: Plangebied (rood omlijnd).
Het plangebied bestaat uit een grasland omkaderd met watergangen. De oevers van de watergangen waren tijdens de veldinspectie onbegroeid met oevervegetatie. Binnen het plangebied zelf zijn geen bomen, struiken, gebouwen of watergangen aanwezig. Direct ten noordoosten van het plangebied bevindt zich een transformator gebouwtje. Het transformator huisje bevat ventilatieroosters in de schoorsteen. De noordoost grens van het plangebied wordt begrensd door een watergang. Deze watergang betreft een hoogwatercircuit die doormiddel van een stuw (figuur 2.4) ten oosten van het plangebied op peil wordt gehouden. Aan de wegzijde van deze watergang bevindt zich een bomenlaan van zwarte elzen. De watergang aan de zuidwestzijde is van geringe diepte (+/- 20 centimeter water tijdens het veldbezoek) en loopt vanaf de stuw achter het transformator gebouw tot aan de dam aan de noordoostzijde van het plangebied. Het plangebied wordt begrensd door deze dam. Onder de dam bevindt zich een kleine buis die de watergang verbindt met de grotere watergang ten noordoosten van het plangebied. Figuren 2.2 t/m 2.5 geven een impressie van het plangebied. Voor een volledig opname van het plangebied wordt verwezen naar de fotobijlage (bijlage 4).
Quickscan Eecolgie Schwartenzenbergweg te Hichtum SOL012348, versie 2.0 Zeldenrust VROM advies & projectmanagement
WSP 4 mei 2021 pagina 6
Figuur 2.2: Het plangebied.
Figuur 2.3: Inrit plangebied.
Quickscan Eecolgie Schwartenzenbergweg te Hichtum SOL012348, versie 1.0 Zeldenrust VROM advies & projectmanagement
WSP 4 mei 2021 pagina 7
Figuur 2.4: Stuw ten zuidwesten van het plangebied, achter transformator gebouw.
Figuur 2.5: Transformator gebouw ten noordoosten van plangebied.
Quickscan Eecolgie Schwartenzenbergweg te Hichtum SOL012348, versie 2.0 Zeldenrust VROM advies & projectmanagement
WSP 4 mei 2021 pagina 8
2.2 PLAN ONTWIKKELING De planontwikkeling betreft het bouwen van twee woningen, bijgebouw en het realiseren van een paardenbak. Daarnaast zal het plangebied opnieuw worden ingericht. Er zal onder andere verharding en struikgewas worden aangebracht. In figuur 2.6 is de planontwikkeling ingetekend op een luchtfoto. Op basis van de aangeleverde plannen en informatie van de opdrachtgever is aangegeven dat er geen werkzaamheden zijn voorzien in de watergangen met uitzondering van twee kleine dempingen ter plaatse van de toekomstige toegangsdammen (noordoost- en noordwest zijde plangebied). Ook de bomenlaan, langs de openbare weg, blijft ongemoeid.
Figuur 2.6: Plan ontwikkeling (bron: opdrachtgever).
Quickscan Eecolgie Schwartenzenbergweg te Hichtum SOL012348, versie 2.0 Zeldenrust VROM advies & projectmanagement
WSP 4 mei 2021 pagina 9
3 WETTELIJK KADER De Wet Natuurbescherming (Wnb) voorziet in de bescherming van Natura 2000-gebieden, planten- en diersoorten (zie bijlage 3). De basis wordt gevormd door de zorgplicht (artikel 1.11; zie box 1). Box 1: Zorgplicht Een belangrijk overkoepelend instrument is de zorgplicht (artikel 1.11), waarin gesteld wordt dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Deze zorg houdt in elk geval in dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor alle in het wild levende dieren en planten: Dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel; De noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of; Voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zo veel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. Het nalaten van de zorgplicht (voor alle in het wild levende dieren) is een overtreding van de Wnb en kan gevolgen hebben.
3.1
SOORTENBESCHERMING
In de Wnb onderdeel soortenbescherming zijn, op basis van internationale afspraken, drie beschermingsregimes opgesteld voor strikt beschermde soorten (zie tabel 3.1). Tabel 3.1: verboden uit de Wet natuurbescherming SOORTEN ARTIKEL VERBODEN Vogelrichtlijn-soorten
3.1
Lid 1. Opzettelijk doden/vangen Lid 2. Opzettelijk vernielen, wegnemen of beschadigen van nesten/eieren Lid 3. Eieren rapen/onder zich hebben Lid 4 en 5. Opzettelijk verstoren (indien van wezenlijke invloed op de staat van instandhouding)
Habitatrichtlijn-soorten, soorten uit bijlage I en II van de Bern conventie en bijlage I van de Bonn conventie
3.5
Lid 1. Opzettelijk doden/vangen Lid 2. Opzettelijk verstoren Lid 3. Eieren te rapen of vernielen Lid 4. Beschadigen of vernielen van rust- en voortplantingsplaatsen Lid 5. Opzettelijk plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten
Andere beschermde soorten
3.10
Lid 1 a. Opzettelijk doden/vangen van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen en ongewervelden (vernoemd in onderdeel A) Lid 1 b. Beschadigen of vernielen van rust- en voortplantingsplaatsen van soorten (als bedoeld in onderdeel A) Lid 1 c. Opzettelijk plukken, verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van planten (als bedoeld in onderdeel B)
Voor de eerste twee beschermingsregimes sluiten deze nauw aan bij de verboden en uitzonderingen uit respectievelijk de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Voor de andere soorten geldt een minder strikt regime. Elk van de drie beschermingsregimes kent zijn eigen soortenlijsten met daarbij eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffingsverlening. Quickscan Eecolgie Schwartenzenbergweg te Hichtum SOL012348, versie 2.0 Zeldenrust VROM advies & projectmanagement
WSP 4 mei 2021 pagina 10
3.2 GEBIEDENBESCHERMING De Wnb onderdeel ‘Gebieden’ voorziet in de bescherming van natuurgebieden van Europees belang welke behoren tot het Natura 2000-netwerk. Deze gebieden worden beschermd om de gunstige staat van instandhouding van vogelsoorten, habitattypen en andere planten- en diersoorten te behouden en waar nodig te herstellen. Naast de wettelijke bescherming van de Natura 2000-gebieden heeft Nederland de bescherming van andere gebieden planologische vastgelegd. Onder de planologische bescherming vallen onder andere weidevogelgebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De bescherming van het NNN vindt plaats door toetsing van de bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen aan het NNN-beleid. De gedeputeerde staten heeft op 17 juni 2014 een ganzenbeleid vastgesteld voor de gehele provincie Fryslân (Provinsje Fryslân, 2016). In dit beleid wordt rust geboden aan inheemse ganzen gedurende de winterrustperiode in de gehele provincie. In 2018 is een nieuwe kaart uitgebracht met daarop aangewezen ganzenfoerageergebieden. In de speciaal aangewezen gebieden geldt een langere rustperiode voor (trek)ganzen. Binnen deze gebieden mogen geen (trek)ganzen worden verjaagd of worden geschoten gedurende de periode van 1 november tot 1 april (in soort specifieke gebieden tot uiterlijk 1 juni).
Indien de ganzen gedurende de rustperiode opzettelijk worden verstoord, dan wordt het verbod uit de Wet natuurbescherming overtreden (artikel 3.1, vierde lid).
Quickscan Eecolgie Schwartenzenbergweg te Hichtum SOL012348, versie 1.0 Zeldenrust VROM advies & projectmanagement
WSP 4 mei 2021 pagina 11
4 ONDERZOEKSOPZET Het voorliggende onderzoek bestaat uit het raadplegen van beschikbare gegevens (paragraaf 4.1), gevolgd door een veldbezoek (paragraaf 4.2) en tot slot een effectenbeoordeling (paragraaf 4.3) van de beschikbare gegevens en het veldbezoek. Hieruit worden conclusies getrokken en advies gegeven met betrekking tot de Wet natuurbescherming en globale toetsing van het provinciaal beleid.
4.1
BESCHIKBARE GEGEVENS
Grote delen van Nederland zijn in de afgelopen jaren reeds onderzocht op aanwezige beschermde soorten. De gegevens afkomstig van deze onderzoeken worden grotendeels gepubliceerd in boeken (soortverspreidingsatlassen), rapportages of zijn op internet te raadplegen. De geraadpleegde literatuur en internetbronnen staan weergegeven in de literatuurlijst. Tevens is gebruik gemaakt van de informatie uit de Nationale Databank Flora en Fauna van 2011 tot en met 2021 (NDFF, 2021). De beschikbare gegevens over het voorkomen van beschermde natuurwaarden in en binnen de invloedsfeer (binnen een straal van maximaal twee kilometer) van het plangebied zijn voorafgaand aan het veldbezoek geanalyseerd en in het veld geverifieerd.
4.2 VELDBEZOEK Inzicht in het voorkomen van beschermde soorten wordt verkregen door het uitvoeren van een oriënterend veldbezoek. Met dit veldbezoek kan beoordeeld worden of de soorten die in de bestaande gegevens zijn genoemd, ook daadwerkelijk in het gebied voorkomen of verwacht kunnen worden. Daarnaast wordt beoordeeld of ook andere beschermde soorten voorkomen of te verwachten zijn op basis van de aanwezige terreinkenmerken en het beheer. Het veldonderzoek is door WSP Nederland B.V. op 24 maart 2021 uitgevoerd door de heer L. Westenbroek. Ten tijde van de inspectie was het gemiddeld 10 oC, bewolkt, droog weer met een matige noordooster wind (3 Bft).
4.3 EFFECTENBEOORDELING De omvang van de werkzaamheden en de veranderingen die worden aangebracht in het plangebied vormen de basis voor de effectenbeoordeling (zie paragraaf 2.2). De effectenbeoordeling houdt rekening met tijdelijke effecten (gedurende de uitvoering van de werkzaamheden) en langdurige effecten (na de uitvoering). In hoeverre het mogelijk is om een complete effectenanalyse te maken, is afhankelijk van de volledigheid en bruikbaarheid van de beschikbare verspreidingsgegevens en duidelijkheid over de uit te voeren werkzaamheden en uitvoeringsplanning. In de effectenbeoordeling wordt ervan uitgegaan dat de werkzaamheden gedurende de daglichtperiode worden uitgevoerd. Omdat de exacte werkzaamheden en uitvoeringsperiode en -duur nog niet bekend zijn, wordt in de effectenbeoordeling aangegeven in welke periode veel dan wel weinig (of geen) effecten worden verwacht. Wanneer aanvullend onderzoek noodzakelijk blijkt, is dat beschreven.
Quickscan Eecolgie Schwartenzenbergweg te Hichtum SOL012348, versie 2.0 Zeldenrust VROM advies & projectmanagement
WSP 4 mei 2021 pagina 12
5 BESCHERMDE SOORTEN 5.1
PLANTEN
Uit de verspreidingsgegevens (NDFF, 2021) blijkt dat er is in een straal van twee kilometer rondom het plangebied de afgelopen tien jaar geen waarnemingen zijn gedaan van beschermde plantsoorten. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Op basis van de terreinkenmerken (dicht grasland), habitateisen en recente verspreidingsgegevens wordt het voorkomen van beschermde plantensoorten binnen het plangebied en binnen de invloedsfeer van het plangebied uitgesloten.
5.2 GRONDGEBONDEN ZOOGDIEREN De verspreidingsgegevens van grondgebonden zoogdieren (NDFF, 2021) geven aan dat in de directe omgeving van het plangebied diverse grondgebonden zoogdierensoorten kunnen worden aangetroffen. Voor de binnen de omgeving (tot twee kilometer) van het plangebied voorkomende soorten; bosmuis, steenmater, dwergspitsmuis, egel, haas, huisspitsmuis, ree en veldmuis geldt een vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkeling (provincie Friesland, 2016). De vrijstelling geldt niet voor in de verspreidingsgegevens vermelde otter. Het habitat van de otter bevindt zich op oevers met dichte vegetatie en de soort foerageert in aangelegen watergang op zoek naar vissen, amfibieën, kleine zoogdieren, watervogels of insecten. De sloten rondom het plangebied voldoen niet aan de eisen die de otter stelt aan zijn leefgebied. Daarnaast zijn binnen en direct rondom het plangebied geen vraatsporen, looproutes, uitwerpselen of andere sporen waargenomen waaruit moet blijken dat de voornoemde soort het plangebied gebruikt. De aanwezigheid van de otter wordt uitgesloten. Het voorkomen van andere strikt beschermde grondgebonden zoogdieren wordt uitgesloten vanwege het ontbreken van geschikt habitat.
5.3 REPTIELEN De verspreidingsgegevens van reptielen (NDFF, 2021) geven aan dat in de omgeving van het plangebied (tot vijf kilometer) geen beschermde reptielensoorten zijn waargenomen. De aanwezigheid van strikt beschermde reptielensoorten wordt op basis van het geboden habitat (zoals geschikte waterrijke habitats, hoge zandgronden) en de verspreidingsgegevens uitgesloten.
5.4 AMFIBIEËN De verspreidingsgegevens van amfibieën (NDFF, 2021) geven aan dat in de omgeving van het plangebied (tot twee kilometer) de bruine kikker, gewone pad en de bastaard kikker zijn waargenomen. Voor deze soorten geldt een vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkeling (provincie Friesland, 2016). Er zijn geen waarnemingen bekend van strikt beschermde amfibieën soorten.
Quickscan Eecolgie Schwartenzenbergweg te Hichtum SOL012348, versie 2.0 Zeldenrust VROM advies & projectmanagement
WSP 4 mei 2021 pagina 13
De aanwezigheid van strikt beschermde amfibieënsoorten wordt op basis van verspreidingsgegevens en vanwege het ontbreken van geschikt habitat (ontbreken van oever- en onderwatervegetatie) uitgesloten.
5.5 VISSEN De verspreidingsgegevens van vissen (NDFF, 2021) geven aan dat in de omgeving (tot twee kilometer) van het plangebied de beschermde grote modderkruiper is waargenomen. De grote modderkuiper komt voor in kleinere, ondiepe stilstaande of langzaam stromende wateren. De gebieden hebben in het algemeen een rijke oever- en onderwatervegetatie (BIJ12; 2017). De watergangen rondom het plangebied bieden in de vorm van onbegroeide watergangen geen geschikt habitat. De aanwezigheid van strikt beschermde vissoorten wordt op basis van verspreidingsgegevens en vanwege het ontbreken van geschikt habitat (ontbreken van ondiepe zon beschenen delen met oever- en onderwatervegetatie) uitgesloten.
5.6 LIBELLEN, DAGVLINDERS EN OVERIGE ONGEWERVELDEN De verspreidingsgegevens van libellen, dagvlinders en overige ongewervelden geven aan dat in de omgeving (tot twee kilometer) van het plangebied geen beschermde soorten voorkomen (NDFF, 2020). De aanwezigheid van strikt beschermde soorten wordt op basis van verspreidingsgegevens, het geboden habitat (ontbreken waterrijke habitats met rijke oever- en onderwatervegetatie) en de veldinspectie uitgesloten
5.7 VLEERMUIZEN Vanuit de verspreidingsgegevens (NDFF, 2021) zijn in de omgeving van het plangebied verschillende soorten vleermuizen waargenomen. Dit betreft de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger en de watervleermuis. Binnen het plangebied zijn geen gebouwen en/of bomen aanwezig met holtes. Het voorkomen van verblijfplaatsen van gebouw- en boombewonende vleermuizen wordt uitgesloten. Mogelijk biedt het transformator gebouw met het ventilatierooster, ten zuidwesten van het plangebied, wel geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen. Het plangebied biedt voldoende plekken waar vleermuizen kunnen foerageren, mogelijk gebruiken de in de omgeving van het plangebied waargenomen vleermuissoorten het plangebied als onderdeel van het niet essentiële foerageergebied. Door het ontbreken van lijnvormige elementen (watergangen, bomenlanen en/of houtwallen) maakt het plangebied geen onderdeel uit van een vliegroute. De bomenlaan ten zuiden van het plangebied fungeert mogelijk wel als vliegroute. Deze bomenlaan valt buiten de ontwikkelingslocatie.
5.8 VOGELS Algemene broedvogels
Vanuit de verspreidingsgegevens (NDFF, 2021) zijn verschillende waarnemingen bekend van algemene broedvogels in de omgeving van het plangebied. Dit betreft onder andere knobbelzwaan, wilde eend, tortelduif, merel en ekster. Het
Quickscan Eecolgie Schwartenzenbergweg te Hichtum SOL012348, versie 1.0 Zeldenrust VROM advies & projectmanagement
WSP 4 mei 2021 pagina 14
plangebied en de directe omgeving biedt in de vorm van een grasland, watergangen en een bomenlaan diverse mogelijkheden als broedlocatie en foerageergebied voor deze vogelsoorten. De ekster betreft een vogel met een jaarrond beschermd nest als er sprake is van een zwaarwegende reden (wanneer er bijvoorbeeld geen alternatieve broedlocatie in de buurt is n.a.v. de planontwikkeling). Vogels met een jaar rond beschermde nestplaats
Vanuit de verspreidingsgegevens (NDFF, 2021) zijn verschillende waarnemingen van jaarrond beschermde nesten bekend. Dit betreft de boomvalk, buizerd, gierzwaluw, huismus, ransuil, roek en sperwer. Gezien het ontbreken van bomen met nesten en gebouwen binnen het plangebied wordt het voorkomen van de huismus, gierzwaluw, boomvalk, buizerd, ransuil, roek en sperwer uitgesloten binnen het plangebied of in de directe omgeving ervan. Wel zijn in de omgeving (westelijk gelegen woning) van het plangebied huismussen waargenomen. Deze hadden geen binding met het plangebied.
Quickscan Eecolgie Schwartenzenbergweg te Hichtum SOL012348, versie 1.0 Zeldenrust VROM advies & projectmanagement
WSP 4 mei 2021 pagina 15
6 BESCHERMDE GEBIEDEN Binnen dit hoofdstuk wordt de status van het plangebied beschreven als Natura 2000-gebied (paragraaf 6.1), NNN-gebied (paragraaf 6.2) en ganzenfoerageergebied (paragraaf 6.3).
6.1
NATURA 2000-GEBIEDEN
Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is het ‘IJsselmeergebied’ op circa 8 kilometer, ten westen van het plangebied. In figuur 6.1 is het Natura 2000-gebied ten opzichte van het plangebied weergegeven.
Figuur 6.1: Ligging plangebied (rood omcirkeld) t.o.v. het Natura 2000-gebied (groen gearceerd) (Bron: www.natura2000.nl/gebieden).
Quickscan Eecolgie Schwartenzenbergweg te Hichtum SOL012348, versie 1.0 Zeldenrust VROM advies & projectmanagement
WSP 4 mei 2021 pagina 16
6.2 NATUURNETWERK NEDERLAND Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het NNN (zie figuur 6.2). Het dichtstbijzijnde NNN-gebied ligt op circa 6 kilometer ten noordoosten van het plangebied.
Figuur 6.2: Ligging plangebied (rood omcirkeld) t.o.v. NNN-gebied (groen gearceerd) (Bron: fryslan.maps.arcgis.com).
Quickscan Eecolgie Schwartenzenbergweg te Hichtum SOL012348, versie 1.0 Zeldenrust VROM advies & projectmanagement
WSP 4 mei 2021 pagina 17
6.3 GANZENFOERAGEERGEBIED Het dichtstbijzijnde ganzenfoerageergebied bevindt zich op circa 6 kilometer ten zuidwesten van het plangebied (zie figuur 6.3). Hier geldt de ganzenbescherming tot 1 april.
Figuur 6.3: Ligging plangebied (rood omcirkeld) t.o.v. ganzenfoerageergebied (paars gearceerd) (Bron: fryslan.maps.arcgis.com).
Quickscan Eecolgie Schwartenzenbergweg te Hichtum SOL012348, versie 1.0 Zeldenrust VROM advies & projectmanagement
WSP 4 mei 2021 pagina 18
7 EFFECTBEOORDELING In dit hoofdstuk worden de effecten op de verwachte natuurwaarden besproken op basis van de in hoofdstuk 2 omschreven planontwikkeling. Op basis van de verwachte effecten wordt inzicht gegeven over de kans dat de werkzaamheden leiden tot een overtreding van de Wnb (tabel 3.1). Waar een overtreding niet zonder meer kan worden uitgesloten wordt, waar mogelijk, een praktisch advies gegeven om de werkzaamheden alsnog zonder ontheffing (en overtreding) te kunnen laten doorgaan. Deze informatie wordt overzichtelijk gepresenteerd in de conclusie (paragraaf 7.3).
7.1
TOETSING BESCHERMDE SOORTEN
Op basis van het literatuuronderzoek, het veldbezoek en de planontwikkeling wordt geconcludeerd dat er algemeen beschermde grondgebonden zoogdieren, amfibieën, vleermuizen en algemene broedvogels verwacht worden binnen het plangebied. Algemeen beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën In het plangebied komen naar verwachting algemeen beschermde amfibieën en grondgebonden zoogdieren voor waarvoor een vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkeling (Provincie Friesland, 2016). Dit wil zeggen dat voor de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling geen ontheffing van de Wnb hoeft te worden aangevraagd. Voor deze soorten geldt echter, net als voor niet beschermde soorten, te allen tijde de zorgplicht. Omdat deze soorten jaarrond actief zijn kan geen voorkeursperiode worden aangegeven. Tijdens werkzaamheden de zorgplicht in acht houden waarbij gedacht wordt aan o.a. het volgende: Indien individuen van dieren worden aangetroffen, dienen deze de gelegenheid te krijgen om te kunnen vluchten; Aanvullend op bovenstaande maatregel kan ervoor worden gekozen om minder mobiele dieren, zoals egel en gewone pad te verplaatsen tot buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden. Vleermuizen Het plangebied biedt plekken waar vleermuizen kunnen foerageren.
De werkzaamheden en het toekomstig gebruik van het plangebied zorgen (mogelijk) voor een minimaal verlies aan foerageergebied, echter zijn er in de omgeving voldoende uitwijkmogelijkheden. Omdat de werkzaamheden tevens overdag plaatsvinden ondervinden de vleermuizen geen hinder van de werkzaamheden. De gunstige staat van instandhouding van de soorten komt hiermee niet in gevaar. Voor vleermuizen (en andere nacht actieve-/lichtgevoelige dieren zoals uilen) dient rekening te worden gehouden met mogelijk lichtverstoring. Door uitsluitend overdag te werken of vleermuisvriendelijke verlichting te gebruiken wordt verstoring van deze soorten voorkomen. Ook wordt aanbevolen in de toekomstige situatie gebruik te maken van vleermuisvriendelijke verlichting. Vogels (Algemene broedvogels) Het plangebied biedt voldoende mogelijkheden als broedlocatie voor diverse algemene vogelsoorten (zoals wilde eend en knobbelzwaan). Verstoring van nesten met eieren of kuikens is niet toegestaan en hier wordt geen ontheffing voor verleend. Buiten het broedseizoen zijn onbezette nesten niet beschermd, behalve als het nesten van vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest betreft (zie bijlage 2). Tijdens de veldinventarisatie zijn geen nesten aangetroffen die in gebruik zijn door jaarrond beschermde broedvogels.
Gezien de locatie (ontbreken van gebouwen en bomen met grote nesten en bijbehorend leefgebied), de eisen van deze vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest en het gebruik van plangebied worden deze ook niet verwacht binnen het plangebied.
Quickscan Eecolgie Schwartenzenbergweg te Hichtum SOL012348, versie 1.0 Zeldenrust VROM advies & projectmanagement
WSP 4 mei 2021 pagina 19
7.2 TOETSING BESCHERMDE GEBIEDEN Het plangebied heeft geen status als Natura-2000 gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (IJsselmeer) ligt op minimaal 8 kilometer ten westen van het plangebied. Gezien de aard van de ingreep en de ruime afstand van het plangebied tot de Natura 2000-gebieden worden externe effecten zoals trillingen, verstoring door geluid en mechanische effecten niet verwacht, deze rijken doorgaans tot enkele honderden meters. Gezien de locatie van het plangebied en de aard van de ingreep doet het voornemen naar verwachting geen afbreuk aan de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied. Om met zekerheid vast te stellen dat er geen stikstofdepositie optreedt op het Natura 2000-gebied wordt aanbevolen een stikstofberekening uit te voeren. Het plangebied heeft geen status in het kader van Natuurnetwerk Nederland (NNN) of als ganzenfoerageergebied. Het dichtstbijzijnde NNN-gebied is aanwezig op circa 6 kilometer ten noordoosten van het plangebied. Het voornemen heeft door zijn locatie, aard en omvang geen negatieve invloed op de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN en het overige provinciaal beleid (ganzenfoerageergebied). Vanuit het provinciale natuurbeleid is er daarom geen bezwaar tegen de voorgenomen ingreep. Een nadere beoordeling (‘nee, tenzij’-toetsing) is niet nodig.
7.3 CONCLUSIE De verspreidingsgegevens en het oriënterend veldbezoek geven een voldoende duidelijk beeld van het (mogelijk) voorkomen van beschermde diersoorten. Op basis van het bureauonderzoek en het oriënterend veldbezoek kunnen de volgende conclusies met betrekking tot beschermde natuurwaarden worden getrokken: Tabel 7.1: Samenvatting aanwezige natuurwaarden in het plangebied SOORTGROEP/Gebied
(NEGATIEVE) EFFECTEN VAN DE WERKZAAMHEDEN
ADVIES
ONTHEFFING NOODZAKELIJK?
Soortenbescherming (Wet Natuurbescherming) Grondgebonden zoogdieren
Verstoring-/doden algemene soorten
Zorgplicht
Nee
Reptielen
Geen
Nee
Nee
Amfibieën
Verstoring-/doden algemene soorten
Zorgplicht
Nee
Vissen
Geen
Nee
Nee
Ongewervelden
Geen
Nee
Nee
Mogelijk verstoring wanneer werkzaamheden ’s nachts worden uitgevoerd
Werken overdag-/ met vleermuisvriendelijke verlichting
Nee
Vleermuizen
Vogels (algemeen)
Mogelijke verstoring van een vastgestelde broedplaats door de werkzaamheden
Werken buiten broedseizoen-/ broedvogelcheck door ecoloog
Nee
Vogels (jaarrond)
Geen
Geen
Nee
Gebiedsbescherming (Wet Natuurbescherming, NNN en ganzenfoerageergebied) Natura 2000-gebieden
Toename stikstofdepositie
Quickscan Eecolgie Schwartenzenbergweg te Hichtum SOL012348, versie 1.0 Zeldenrust VROM advies & projectmanagement
Stikstofberekening
Mogelijk
WSP 4 mei 2021 pagina 20
SOORTGROEP/Gebied
(NEGATIEVE) EFFECTEN VAN DE WERKZAAMHEDEN
ADVIES
ONTHEFFING NOODZAKELIJK?
NNN-gebieden
Geen; op geruime afstand
Geen
Nee
Ganzenfoerageergebied
Geen; op geruime afstand
Geen
Nee
Geen vervolgonderzoek/ acties noodzakelijk voor de geplande werkzaamheden De geplande werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd mits het gegeven advies wordt opgevolgd Vervolgonderzoek: er is onvoldoende inzicht verkregen om de effecten van de werkzaamheden te bepalen Ontheffing is noodzakelijk. De werkzaamheden zullen leiden tot een negatief effect
7.4 GELDIGHEID ONDERZOEKSGEGEVENS Dit onderzoek is uitgevoerd conform de landelijk geldende richtlijnen. Het bevoegd gezag hanteert over het algemeen de volgende definitie voor de geldigheid van onderzoeken naar beschermde soorten: “Onderzoeksgegevens mogen maximaal 3 jaar oud zijn in gebieden waar weinig of geen ruimtelijke of kwalitatieve veranderingen zijn opgetreden in de afgelopen drie jaar. In gebieden waar dit niet voor geldt, moeten de gegevens recenter zijn.”
Quickscan Eecolgie Schwartenzenbergweg te Hichtum SOL012348, versie 1.0 Zeldenrust VROM advies & projectmanagement
WSP 4 mei 2021 pagina 21
OVERZICHT BIJLAGE(N) Bijlage 1
— Regionale ligging Bijlage 2
— Literatuurlijst Bijlage 3
— Wetgeving en beleid Bijlage 4
— Fotobijlage
BIJLAGE
1
REGIONALE LIGGING
Opdrachtgever:
LEGENDA
Zeldenrust VROM advies & projectmanagement Titel:
Ligging onderzoekslocatie
Regionale ligging Kaartblad(en):
10E Adres:
Schwartzenbergweg te Hichtum Projectnummer:
SOL012348
Tekenaar:
Documentnaam:
SOL012348.dwg
Gezien door: L. Westenbroek
Bijlage:
1
Datum:
15 april 2021
Formaat:
A4
Schaal:
1: 25.000
Orionweg 28 8938 AH Leeuwarden +3188 910 2000 www.wsp.com
0
250
E.P. van Hunnik
500
750
1.000
1.250m
Ondergronden zijn afkomstig van het Kadaster
BIJLAGE
2
LITERATUURLIJST
LITERATUURLIJST NDFF (2010-2021). Bekende verspreidingsgegevens van soorten ten opzichte van het plangebied, levering vanuit https://ndff-ecogrid.nl/ Provinsje Fryslân, 2016, Besluit van Gedeputeerde Staten van Fryslân van 27 september 2016, inzake het vaststellen van de Verordening Wet natuurbescherming Fryslân 2017. 23 november 2016, Leeuwarden. Websites: www.pdok.nl/viewer www.telmee.nl www.fryslan.maps.arcgis.com www.natura2000.nl/gebieden
BIJLAGE
3
WETGEVING EN BELEID
Wetgeving en beleid WET NATUURBESCHERMING De Wet natuurbescherming (hierna Wnb) vervangt vanaf 1 januari 2017 de Natuurbeschermingswet 1998, Flora- en faunawet en de Boswet en voorziet hiermee in een gemoderniseerd wettelijk kader voor de bescherming van natuurgebieden, dier- en plantensoorten en houtopstanden. Een belangrijk deel van de in de wet opgenomen regels bestaat uit de omzetting van de internationale verplichtingen op het vlak van bescherming van de biologische diversiteit, in het bijzonder de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De Wnb richt zich in basis op: - het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde, en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit, - het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de natuur ter vervulling van maatschappelijke functies, en - het verzekeren van een samenhangend beleid gericht op het behoud en beheer van waardevolle landschappen, vanwege hun bijdrage aan de biologische diversiteit en hun cultuurhistorische betekenis, mede ter vervulling van maatschappelijke functies. De wet geeft ook invulling aan de in het bestuursakkoord natuur gemaakte afspraken over decentralisatie van taken en verantwoordelijkheden van het Rijk naar de provincies.
De instrumenten en begrippenkaders van de Wnb zijn zo goed mogelijk afgestemd op andere onderdelen van het omgevingsrecht, in het bijzonder de toekomstige Omgevingswet. In de Wnb zijn, behalve meer algemene bepalingen over bevoegdheden, natuur- en landschapsbeleid, beleidsmonitoring en instrumenten ter bescherming van natuur en landschap ook specifieke regels opgenomen ter bescherming van bijzonder natuurwaarden. Het gaat dan in het bijzonder om de bescherming van natuurgebieden van Europees belang (Natura 2000-gebieden) en de bescherming van soorten die van nature in Nederland in het wild voorkomen die een specifieke bescherming behoeven. Deze onderwerpen zullen hieronder worden toegelicht. ZORGPLICHT Een belangrijk overkoepelend instrument is de zorgplicht (artikel 1.11) waarin gesteld wordt dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor alle in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving.
Deze zorg houdt in elk geval in dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor in het wild levende dieren en planten: dergelijke handelingen achterwege laat dan wel indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zo veel mogelijk beperkt of ongedaan maakt (mitigatie). GEBIEDSBESCHERMING In de Wnb zijn regels opgenomen die de bescherming van natuurgebieden van Europees belang die behoren tot het Natura 2000-netwerk. Deze gebieden worden beschermd om de gunstige staat van instandhouding van vogelsoorten, habitattypen en andere planten- en diersoorten te behouden en waar nodig te herstellen. Voor plannen of projecten met mogelijke schadelijke handelingen is in de Wnb een vergunningensysteem opgenomen. Hier aan gekoppeld kan het bevoegd gezag preventieve dwingende maatregelen opleggen om schadelijke effecten te voorkomen. Op basis van de Wnb wordt alleen nog bescherming geboden aan de zogenaamde Natura 2000-gebieden, welke onderdeel zijn van het Europese netwerk van natuurgebieden. De eerder nationaal beschermde natuurmonumenten worden niet meer beschermd op grond van nationale wetgeving.
Wel kunnen provincies ‘bijzondere provinciale natuurgebieden’ en bijzondere provinciale landschappen’ aanwijzen. Provincies kunnen eventueel zelf regelgeving opstellen voor deze gebieden.
De gebiedsbescherming is gericht op de bescherming van aangewezen habitats en soorten binnen de gebieden. Significant negatieve effecten op het beschermde gebied zijn niet toegestaan, tenzij sprake is van dwingende redenen van groot openbaar belang, er geen alternatieven voorhanden zijn en alle schade wordt gecompenseerd. De wet voorziet eveneens in het beschermen van het gebied tegen handelingen buiten het Natura 2000-gebied met een mogelijk negatief effect op de beschermde habitats en hieraan gekoppelde soorten. Dit is geregeld op basis van de zogenaamde externe werking. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden komen de uitvoeringsbevoegdheden voor het overgrote deel bij de provincies te liggen, met uitzondering van het aanwijzen van Natura 2000-gebieden en het vaststellen van de instandhoudingsdoelstellingen. Ten aanzien van de uitvoering is de provincie waarin een ingreep plaatsvindt, bevoegd. Voor rijkswateren blijft de rijksoverheid bevoegd. SOORTENBESCHERMING De in de Wnb gestelde regels ter bescherming van soorten voorzien in voorschriften ter bescherming van de van nature in het wild levende planten- en diersoorten. In dit deel staan de verplichte instrumenten van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern, Bonn en het biodiversiteitsverdrag centraal.
Het is er op gericht om voor de beschermde soorten een gunstige staat van instandhouding te bereiken of te herstellen. VERBODSBEPALINGEN De verboden, afwijkingsmogelijkheden en andere beschermingsmiddelen zijn direct overgenomen uit deze richtlijnen en verdragen en worden in de Wnb opgedeeld in drie beschermingsregimes. Elk van de drie beschermingsregimes kent zijn eigen soortenlijsten met daarbij eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffingsverlening. Voor de eerste twee beschermingsregimes sluiten deze nauw aan bij de verboden en uitzonderingen uit respectievelijk de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Voor de andere soorten geldt een minder strikt regime. Vogelrichtlijnsoorten: De bescherming van alle natuurlijk in het wild levende vogels van soorten die voorkomen in de EU als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn en de niet in die bijlage genoemde geregeld voorkomende trekvogelsoorten (artikel 3.1; zie bijlage 1). Voor deze soorten gelden de volgende verboden: Habitatrichtlijnsoorten: De bescherming van in het wild levende dieren en planten van soorten die voorkomen in de EU (zie bijlage 1) op grond van de Habitatrichtlijn (bijlagen I, II, IV en V) en soorten van de Conventie van Bern Appendix II en de Conventie van Bonn Appendix I (art. 3.5; zie bijlage 1).
Voor deze soorten zijn in de Wnb de volgende verboden opgenomen: Lid 1: Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Lid 2: Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. Lid 3: Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Lid 4: Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. Lid 5: Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere soorten: De bescherming van niet onder de bovenstaande twee categorieën vallende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland, vermeld in de bijlage van de Wnb (art. 3.10; zie bijlage 2). Voor deze soorten is onverminderd artikel 3.5 eerste, vierde en vijfde lid het verboden om:
Lid 1a: in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen. Lid 1b: de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel A opzettelijk te beschadigen of te vernielen. Lid 1c: vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Voor de zoogdier-, amfibie- en reptielsoorten opgenomen in de bijlage van artikel 3.10 geldt geen Europese verplichting tot bescherming. Deze soorten worden beschermd vanwege ecologische redenen of de breed in de maatschappij levende overtuiging dat deze dieren een bescherming behoeven. Hiermee geeft Nederland uitvoering aan de algemene verplichting van het Biodiversiteitsverdrag om kwetsbare en bedreigde dier- en plantsoorten te beschermen. NESTEN De Wnb kent geen standaardperiode voor het broedseizoen van vogels. Het gaat erom of er een broedgeval is. Verblijfplaatsen van vogels die hun verblijfplaats het hele jaar gebruiken, zijn jaarrond beschermd. Slechts een beperkt aantal soorten bewoont het nest permanent of keert elk jaar terug naar hetzelfde nest.
De meeste vogels maken elk broedseizoen een nieuw nest of zijn in staat om een nieuw nest te maken. Deze vogelnesten voor eenmalig gebruik vallen alleen tijdens het broedseizoen onder de bescherming van artikel 1.3 lid 2 van de Wnb. U heeft voor deze soorten geen ontheffing nodig voor werkzaamheden buiten het broedseizoen. En ook niet als u maatregelen treft die voorkomen dat deze soorten zich op de bouwplaats vestigen tijdens het broedseizoen. U mag dus buiten het broedseizoen nesten verplaatsen of verwijderen, maar daar zijn uitzonderingen op. Nesten die het hele jaar door zijn beschermd Op de volgende categorieën gelden de verbodsbepalingen van artikel 1.3 lid 2 van de Wnb het gehele seizoen: 1. nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats (voorbeeld: steenuil). 2. nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: roek, gierzwaluw en huismus). 3. nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing.
De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: ooievaar, kerkuil en slechtvalk). 4. vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (voorbeeld: boomvalk, buizerd en ransuil). Deze categorieën zijn terug te vinden in de ‘Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten’. Nesten die niet het hele jaar door zijn beschermd In de ‘Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten’ worden de volgende soorten aangegeven als categorie 5. Deze zijn buiten het broedseizoen niet beschermd. 5. nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen.
Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten De aangepaste lijst met jaarrond beschermde nesten is indicatief en niet uitputtend. Als aanvulling op de vorige lijst zijn ook vogelsoorten opgenomen met niet jaarrond beschermde nesten. De soorten uit bovenstaande categorie 5 vragen extra onderzoek, ook al zijn hun nesten niet jaarrond beschermd. Categorie 5-soorten zijn namelijk wel jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen.
BIJLAGE
4
FOTOBIJLAGE
FOTOBIJLAGE
Quickscan Schwartzenbergweg Hichtum
Foto 1 : Noordoostgrens plangebied (geen werkzaamheden voorzien)
wsp.com
SOL012348
FOTOBIJLAGE
Quickscan Schwartzenbergweg Hichtum
Foto 2 : Voorzijde plangebied
wsp.com
SOL012348
FOTOBIJLAGE
Quickscan Schwartzenbergweg Hichtum
Foto 3: watergang, zuidgrens plangebied
wsp.com
SOL012348
FOTOBIJLAGE
Quickscan Schwartzenbergweg Hichtum
Foto 4: watergang, zuidgrens plangebied
wsp.com
SOL012348