Bijlage 10. - Quickscan Flora en Fauna
Tekst van het document
2021 1
Quickscan Wet natuurbescherming Realisatie nieuwbouwwoningen te Makkum
++
1
COLOFON BUREAU FAUNAX Tijnjedyk 89 8936 AC Leeuwarden 0683772548 info@faunax.nl www.faunax.nl Lid van Netwerk Groene Bureaus
Quickscan Wet natuurbescherming Realisatie nieuwbouwwoningen te Makkum Leeuwarden, september 2021 In opdracht van: Dhr. B. Lemstra Uitvoering: Bureau FaunaX Veldwerk en rapportage: Dhr. R. Fokker Autorisatie: Dhr. J. Groen Foto’s voorpagina: Impressie van het plangebied © Bureau FaunaX. Gebruik en overname van gegevens alleen toegestaan met volledige bronvermelding: Bureau FaunaX (2021). Quickscan Wet natuurbescherming/Realisatie Nieuwbouwwoningen te Makkum Rapport 21183. Bureau FaunaX, Leeuwarden. Disclaimer: In deze rapportage worden de resultaten van een onafhankelijk onderzoek behandeld. Bureau FaunaX heeft een adviserende rol en spreekt zich niet uit over de wenselijkheid van het plan waarop dit onderzoek betrekking heeft. Dit onderzoek is zo zorgvuldig en nauwkeurig mogelijk uitgevoerd. Het voorkomen van beschermde soorten is echter onvoorspelbaar. Aan dit rapport kunnen geen rechten worden ontleend. Wanneer deze rapportage, op wat voor manier dan ook, wordt aangepast en/of aangevuld door een partij anders dan Bureau FaunaX, verliest deze rapportage zijn validiteit en geldigheid. Op dit onderzoek zijn onze algemene voorwaarden van toepassing, zoals gedeponeerd bij de Kamer van Koophandel te Leeuwarden.
2
INHOUDSOPGAVE 1.
2
INLEIDING .....................................................................................................................4 1.1
Aanleiding .................................................................................................................... 4
1.2
Doel ............................................................................................................................... 5
1.3
Onderzoeksopzet .......................................................................................................... 5
1.4
Karakteristiek plangebied en planvoornemen ............................................................ 6
RESULTATEN QUICKSCAN ........................................................................................... 7 2.1
Flora ............................................................................................................................... 7
2.2
Vogels ........................................................................................................................... 8 Jaarrond beschermde vogelnesten ................................................................................ 8
2.3
Zoogdieren ................................................................................................................... 9 Vleermuizen .................................................................................................................. 9 Overige zoogdieren ....................................................................................................... 9
2.4
Reptielen ......................................................................................................................13
2.5
Amfibieën .................................................................................................................... 14
2.6
Vissen .......................................................................................................................... 15
2.7
Ongewervelden ........................................................................................................... 16
2.8
Gebiedsbescherming................................................................................................... 16 Stikstofgevoeligheid ..................................................................................................... 17
2.9 3
4
Houtopstanden ........................................................................................................... 18
SAMENVATTING EN CONCLUSIES ............................................................................. 19 3.1
Overzicht beschermde soorten .................................................................................. 19
3.2
Effectbespreking en aanbevelingen............................................................................ 19
3.3
Overzicht vervolgstappen ...........................................................................................20
LITERATUUR EN BRONNEN ....................................................................................... 21
BIJLAGE I WET- EN REGELGEVING ................................................................................. - 1 Wnb Soortbescherming......................................................................................................- 1 Wnb Gebiedsbescherming ................................................................................................ - 3 Wnb Houtopstanden ......................................................................................................... - 3 NatuurNetwerk Nederland / Ecologische HoofdStructuur ............................................. - 4 -
3
1. INLEIDING 1.1 Aanleiding Men is voornemens nieuwbouwwoningen te realiseren in een gebied met een huidige agrarische invulling. Ruimtelijke plannen zoals deze dienen te worden beoordeeld op uitvoerbaarheid, onder meer in relatie tot de natuurwetgeving. Voor meer informatie over de Wet natuurbescherming (Wnb) en de handelswijze wordt verwezen naar Bijlage I. Zo dient te worden onderzocht of als gevolg van de uitvoering van het plan sprake is van effecten op wettelijk beschermde soorten flora en fauna en/of natuurgebieden (Natura 2000), alsook in het kader van houtopstanden. Om hierin inzicht te krijgen wordt in eerste instantie een ecologische Quickscan uitgevoerd. Bij dit onderzoek wordt een inschatting gemaakt van de (mogelijk) binnen de invloedssfeer van het project aanwezige beschermde natuurwaarden en de effecten van de voorgenomen plannen op deze waarden.
Figuur 1.1. Een overzicht van het plangebied te Makkum.
4
1.2 Doel Deze ecologische beoordeling geeft, voor zover mogelijk, antwoord op de volgende vragen: 1. 2. 3. 4. 5.
Komen binnen het plangebied (biotopen van) onder de Wet natuurbescherming beschermde soorten voor? Komen binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden beschermde natuurgebieden voor? Wat zijn de mogelijke effecten van de werkzaamheden op deze beschermde natuurwaarden en -gebieden, zowel tijdens de realisatie als na afloop hiervan? Voor welke soorten en hun leefgebied wordt de wet mogelijk overtreden en in hoeverre kunnen overtredingen vermeden, dan wel verzacht worden? Wat zijn de te ondernemen vervolgstappen met betrekking tot het voorkomen van schade aan beschermde soorten binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden?
Voor het beantwoorden van deze vragen zijn, naast de verzamelde gegevens tijdens het veldonderzoek, ook andere bronnen geraadpleegd. Zie hiervoor de bronnenlijst in hoofdstuk 4.
1.3 Onderzoeksopzet Soorten In opdracht van de heer B. Lemstra heeft Bureau FaunaX het planvoornemen door middel van een ecologische Quickscan getoetst aan de natuurwetgeving. Deze Quickscan heeft bestaan uit een bureaustudie en een veldbezoek gebaseerd op ecologisch inzicht (expert judgement). Een ecologische Quickscan of beoordeling is meestal de eerste stap van ecologisch onderzoek en is bedoeld om een inschatting te maken van de mogelijke effecten op eventueel aanwezige beschermde flora en fauna en/of natuurgebieden binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden. Het veldonderzoek voor deze Quickscan is uitgevoerd op donderdag 2 september 2021 en vond plaats onder zachte weersomstandigheden (16°C, windkracht 2, licht bewolkt). Dit onderzoek bestond uit een visuele inspectie van het plangebied, waarbij is gelet op de aanwezigheid van (of sporen van) beschermde soorten en op de eventuele aanwezigheid van geschikt leefgebied van deze soorten. Gebieden - Natura 2000 Behalve dat onderzocht wordt welke soorten binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden kunnen voorkomen, wordt ook gecontroleerd of er sprake kan zijn van negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Dit gebeurt middels een grove analyse op basis van de geplande werkzaamheden en de relevante afstand tot de meest nabij gelegen Natura 2000-gebieden.
Houtopstanden Onder de Wet natuurbescherming worden ook houtopstanden beschermd. Er wordt gecontroleerd in welke mate er sprake is van kap en of hier een meld- en/of herplantingsplicht aan de orde kan zijn. Overige gebiedsbescherming Naast de Wet natuurbescherming zijn er nog meer regelgevingen die ingaan op het beschermen van de natuur in Nederland. Dit zijn veelal provinciale stukken, al dan niet als uitvoeringsorgaan vanuit rijksbeleid. Het gaat hierbij om regelgeving omtrent de Ecologische Hoofdstructuur, ganzengedooggebieden en weidevogelgebieden. Deze toetsing stipt kort aan of er sprake kan zijn van een conflict tussen de provinciale regelgevingen en het geplande initiatief.
5
1.4 Karakteristiek plangebied en planvoornemen Het plangebied bevindt zich noordoostelijk op de grens van de bebouwde kom van Makkum en bestaat uit een gebied wat ten tijde van dit schrijven een agrarische invulling heeft. Binnen het plangebied loopt een sloot evenals een waterhoudende ontwateringsgreppel met een moerassige structuur. Rond het plangebied lopen verschillende vaarten, waaronder de Molkfeart en de Alde Molkfeart. Het planvoornemen bestaat uit het realiseren van nieuwbouwwoningen binnen het plangebied. Zowel de sloot als de moerassige, waterhoudende greppel worden hierbij gedempt. De vaarten rond het plangebied worden binnen het planvoornemen niet aangetast.
Figuur 1.2. Een impressie van het plangebied
6
2 RESULTATEN QUICKSCAN 2.1 Flora De vegetatie in het plangebied bestaat voornamelijk uit gecultiveerde gewassen. Hiernaast werden soorten als Engels raaibras, hondsdraf, zilverschoon, rode klaver en grote brandnetel aangetroffen. Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen, noch is het geschikte biotoop hiervoor aanwezig. De onder de Wnb beschermde plantensoorten stellen veelal kritische eisen aan hun standplaatsen. Aan deze eisen wordt binnen het plangebied niet voldaan. De omstandigheden zijn te voedselrijk.
Figuur 2.1. Impressie van de flora in het plangebied met v.l.b.n.r.o.: hondsdraf, zilverschoon, rode klaver en grote brandnetel.
De aanwezigheid van beschermde plantensoorten kan uitgesloten worden op basis van habitateigenschappen.
7
2.2 Vogels Jaarrond beschermde vogelnesten Roofvogels en uilen Nesten van vogelsoorten die jaarrond beschermd zijn bevinden zich over het algemeen in volgroeide bomen en/of bossen, zoals ooievaarsnesten en horsten van roofvogels. Vaak worden oude kraaien- of eksternesten gebruikt door roofvogels en uilen. Binnen het plangebied staan geen bomen, noch kunstmatige bouwwerken. Binnen het planvoornemen zijn geen andere nesten aangetroffen. De aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten kan derhalve naar ons inzien op voorhand worden uitgesloten.
De aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten binnen de invloedsfeer van de voorgenomen werkzaamheden kan naar ons inzicht op voorhand worden uitgesloten.
Overige (broed)vogelsoorten Naast de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten is het plangebied ook beoordeeld op waarden voor broedvogels waarvan de nesten niet jaarrond beschermd zijn. De nesten van deze soorten zijn uitsluitend beschermd tijdens het broedproces. Het plangebied biedt mogelijkheden voor bepaalde soorten broedvogels. Zo kunnen watervogels als wilde eend en meerkoet tot broeden komen in de oevervegetatie langs de sloten en vaarten binnen en langs het plangebied.
Figuur 2.2. Soorten als wilde eend en meerkoet kunnen tot broeden komen in de sloten en vaarten in en rond het plangebied.
Binnen en vlak buiten het plangebied, maar binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden kunnen (algemene) vogels tot broeden komen waarvan de nesten geen jaarronde bescherming genieten, maar wel beschermd zijn tijdens het broedproces (grofweg 15 maart - 15 juli).
8
2.3 Zoogdieren Vleermuizen Verblijfplaatsen Vleermuizen verblijven in Nederland over het algemeen in bomen, in gebouwen of in andere kunstmatige bouwwerken. In bomen verblijven vleermuizen vaak in oude spechtengaten of gaten die binnen in een boom zijn doorgerot als het gevolg van bijvoorbeeld het afbreken van takken. Binnen het plangebied staan geen bomen, noch kunstmatige bouwwerken. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen kan derhalve op voorhand worden uitgesloten. Foerageergebieden en vliegroutes Naast verblijfplaatsen kunnen ook foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen bescherming genieten onder de Wet natuurbescherming, wanneer deze van essentieel belang zijn voor de instandhouding van lokale populaties. Dergelijke essentiële foerageergebieden en vliegroutes worden doorgaans gevormd door bossen, bosschages, waterlichamen en lijnvormige landschapselementen, zoals watergangen, huizenrijen en bomenlanen. Langs het plangebied lopen enkele vaarten, waaronder de Molkfeart en de Alde Molkfeart. Deze vaarten kunnen (onderdeel van) een vliegroute van vleermuizen vormen. Zo vormen deze vaarten een verbinding tussen de oostzijde van Makkum en het IJsselmeer. De omgeving van het plangebied biedt naar ons inzicht echter diverse alternatieven. Zo lopen er meer watergangen in de omgeving van het plangebied in de richting van het IJsselmeer.
Hiernaast biedt ook de bebouwde kom van Makkum alternatieve vliegroutes, zoals huizenrijen en bomenlanen. Negatieve effecten op essentiële vliegroutes als gevolg van het planvoornemen kunnen derhalve naar ons inzicht op voorhand worden uitgesloten. Ook negatieve effecten op essentiële foerageergebieden van vleermuizen kunnen op voorhand worden uitgesloten. Hoewel de watergangen binnen en vlak buiten het plangebied mogelijk onderdeel vormen van een groter foerageergebied van verschillende (soorten) vleermuizen, is er is naar ons inzicht geen sprake van een essentieel foerageergebied. Zo biedt de omgeving verschillende alternatieven in de vorm van vergelijkbare watergangen.
De aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen binnen het plangebied kan op voorhand worden uitgesloten. Negatieve effecten op essentiële vliegroutes en foerageergebieden van vleermuizen binnen de invloedsfeer van de voorgenomen werkzaamheden kunnen op voorhand worden uitgesloten.
Overige zoogdieren Het plangebied is tevens gecontroleerd op de aanwezigheid van (geschikt habitat van) overige beschermde soorten zoogdieren.
9
Waterspitsmuis De waterspitsmuis is een soort die voorkomt in waterrijke omgevingen (open landschap) met voldoende en geschikte dekking, zoals ontwikkelde oevervegetatie, bijvoorbeeld in de vorm van rietkragen. Uit de Makkumernoordwaard, westelijk gelegen op ongeveer 1 km afstand van het plangebied zijn diverse waarnemingen van de waterspitsmuis bekend (figuur 2.3). Daarnaast zijn er ook historische gegevens van het vaste land bekend. De soort kan hier naar ons inzicht in agrarisch gebied hebben standgehouden, maar onder de radar zijn gebleven. De sloten en de waterhoudende greppel binnen het plangebied beschikken over relatief goed ontwikkelde oevervegetatie, waaronder een brede rietkraag, welke genoeg dekking biedt voor de waterspitsmuis (figuur 2.4). De aanwezigheid van de waterspitsmuis in de (oeverzones van de) watergangen binnen het plangebied kan derhalve niet op voorhand worden uitgesloten.
Figuur 2.3. Uit de Makkumernoordwaard, op korte afstand van het plangebied (rood omlijnd) zijn waarnemingen van waterspitsmuizen (groene stippen) bekend (bron: NDFF).
10
Figuur 2.4. De watergangen binnen het plangebied beschikken over ontwikkelde oevervegetatie, welke geschikte dekking vormt voor de waterspitsmuis.
Noordse woelmuis Tevens zijn uit de Makkumernoordwaard diverse waarnemingen van noordse woelmuizen bekend (bron: NDFF). Deze zoogdiersoort is eveneens gebonden aan waterrijke omgevingen met geschikte dekking. Dergelijke dekking bestaat doorgaans uit uitgestrekte rietkragen of moerasvegetatie. Hoewel er binnen het plangebied sprake is van ontwikkelde rietkragen en moerassige structuren, biedt dit naar ons inzicht niet genoeg oppervlakte aan geschikt leefgebied voor een soort als noordse woelmuis. We achten het hierdoor niet realistisch om met deze soort rekening te houden voor de voortgang van het project. De aanwezigheid hiervan kan naar ons inzicht op voorhand worden uitgesloten. Otter Binnen het plangebied zijn sporen aangetroffen welke mogelijk van een otter zijn (figuur 2.5). Dit komt overeen met waarnemingen van de otter uit de omgeving van het plangebied (figuur 2.6). De otter is gebonden aan rustige, waterrijke omgevingen met voldoende dekking langs de oever, zoals moerasvegetatie of rietkragen. Vooral de aanwezigheid van vegetatiestructuren als struwelen zijn belangrijk als verblijfplaatsen voor otters. Hoewel binnen het plangebied rietkragen aanwezig zijn, bieden deze naar ons inzien te weinig dekking om otters van verblijfplaatsen te voorzien. Ook zijn in het plangebied geen struwelen en dergelijke aanwezig die genoeg dekking kunnen bieden.
Het kan naar ons inzien op voorhand worden uitgesloten dat er binnen het plangebied verblijfplaatsen van otters aanwezig zijn. Waarschijnlijk vormt het plangebied een klein onderdeel van een groot foerageergebied. Tevens is het aannemelijk dat de waterlichamen in en om het plangebied dienen als verbinding met andere waterlichamen.
11
Buiten het plangebied, langs de oevers van de Molkfeart, zijn de rietkragen beter ontwikkeld en zou een otter kunnen verblijven. Feit is echter dat de otter niet zo zeer gebruik maakt van vaste rust- en verblijfplaatsen en er in dit geval alleen verstoring op zou kunnen treden. Naar ons inzicht is de kans dat de otter vlak buiten het plangebied verblijft klein en zijn er veel uitwijkmogelijkheden in delen waar minder menselijke activiteit is, die waarschijnlijk de voorkeur hebben. Wij zijn op basis van bovenstaande van mening dat het niet realistisch is om met deze soort rekening te houden.
Figuur 2.5. Mogelijke sporen van een otter binnen het plangebied.
12
Figuur 2.6. Uit de directe omgeving van het plangebied (rood omlijnd) zijn waarnemingen van otters bekend (groene stippen) (bron: NDFF).
De aanwezigheid van andere beschermde zoogdiersoorten binnen de invloedsfeer van de voorgenomen werkzaamheden kan op voorhand worden uitgesloten op basis van verspreidingsgegevens en habitateigenschappen. Zo zijn binnen de invloedsfeer van de werkzaamheden geen geschikte boomholtes voor boommarters, nesten van eekhoorns, of geschikt habitat van de grote bosmuis aanwezig. Hiernaast zijn soorten als steenmarter, egel en de drie kleine marterachtigen bunzing, wezel en hermelijn in de Provincie Fryslân vrijgesteld voor ruimtelijke ingrepen. Hoewel deze soorten zijn vrijgesteld voor ruimtelijke ingrepen, dient men zich wel te houden aan de zorgplicht (zie bijlage I).
Negatieve effecten op de waterspitsmuis kunnen niet op voorhand worden uitgesloten. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van overige beschermde zoogdiersoorten, zoals de otter en de noordse woelmuis binnen het plangebied kan op voorhand worden uitgesloten. In het plangebied kunnen wel andere licht beschermde soorten voorkomen. Voor deze soorten geldt een provinciale vrijstelling in het geval van ruimtelijke ontwikkelingen, maar geldt wel de zorgplicht (zie Bijlage I).
2.4 Reptielen Het plangebied is tevens gecontroleerd op waarden voor beschermde reptielen. De aanwezigheid van alle in Nederland voorkomende beschermde reptielen binnen de invloedsfeer van de voorgenomen werkzaamheden kan echter op voorhand worden uitgesloten op basis van verspreidingsgegevens (NDFF) en habitateigenschappen.
De aanwezigheid van beschermde reptielen binnen het plangebied kan op voorhand worden uitgesloten.
13
2.5 Amfibieën Het plangebied is gecontroleerd op waarden voor beschermde amfibieën. Uit een bureaustudie is gebleken dat het plangebied zich buiten het verspreidingsgebied van de meeste in Nederland beschermde amfibieënsoorten als poelkikker en knoflookpad bevindt (bron: NDFF). Ook de aanwezigheid van andere soorten amfibieën, zoals heikikker kan op voorhand worden uitgesloten. Hoewel er uit de Makkumer Noordwaard waarnemingen van deze soort bekend zijn, is de meest recente waarneming afkomstig uit 2003 (bron: NDFF). De kans lijkt groot dat deze soort hier geen stand heeft weten te houden. Op basis hiervan achten we de kans dat de soort op het vaste land voorkomt dusdanig klein dat we het niet realistisch achten om hier rekening mee te houden. Op het vaste land zijn de dichtstbijzijnde waarnemingen namelijk gedaan op meer dan tien kilometer afstand. Ook de aanwezigheid van de rugstreeppad kan op voorhand worden uitgesloten op basis van verspreidingsgegevens. Binnen het plangebied kunnen andere, lichter beschermde amfibieën voorkomen, zoals gewone pad en bruine kikker. Hoewel deze soorten zijn vrijgesteld voor ruimtelijke ingrepen, dient men zich wel te houden aan de zorgplicht (zie bijlage I).
De aanwezigheid van de heikikker en overige beschermde amfibieënsoorten binnen het plangebied kan op voorhand worden uitgesloten. Voor andere, licht beschermde, vrijgestelde soorten, zoals gewone pad en bruine kikker geldt de zorgplicht (zie Bijlage I).
14
2.6 Vissen De deelgebieden zijn gecontroleerd op waarden voor de in Nederland voorkomende groep beschermde zoetwatervissen. De aanwezigheid van vrijwel alle beschermde zoetwatervissen binnen de invloedsfeer van de voorgenomen werkzaamheden kan op voorhand worden uitgesloten op basis van de afwezigheid van waarnemingen (bron: NDFF) en geschikte habitateigenschappen. Uitzondering hierop wordt gevormd door de grote modderkruiper. Grote modderkruiper In Nederland staat de grote modderkruiper bekend als poldervis, welke voornamelijk voorkomt in matig voedselrijke wateren met een goed ontwikkelde sliblaag en watervegetatiestructuur. Hierbij heeft de soort een voorkeur voor veengebieden. Watergangen op klei- en zandgrond worden doorgaans niet gekoloniseerd door de soort. In het plangebied komt kwel uit de grond, wat in deze situatie gepaard gaat met matig voedselrijke omstandigheden (figuur 2.7). Desondanks is de aanwezigheid van deze soort in het plangebied erg onwaarschijnlijk. Het plangebied bevindt zich namelijk buiten het verspreidingsgebied van de grote modderkruiper (bronnen: NDFF & RAVON). Op basis hiervan achten wij het onrealistisch om met deze soort rekening te houden bij de voortgang van dit project en kan de aanwezigheid hiervan op voorhand worden uitgesloten.
Figuur 2.7. De waterhoudende greppel binnen het plangebied wordt gevoerd met kwel.
De aanwezigheid van de grote modderkruiper binnen het plangebied kan naar ons inzicht op voorhand worden uitgesloten.
15
2.7 Ongewervelden De meeste onder de Wnb beschermde soorten ongewervelden, zoals dagvlinders, libellen, mollusken of (water)kevers hebben zeer specifieke habitateisen die in specifieke biotopen worden aangetroffen. Deze kenmerken zijn binnen het plangebied niet aanwezig. Zo is er geen geschikt habitat voor waardplanten van beschermde vlinders aanwezig en vormen de sloten geen geschikt (voortplantings)habitat voor beschermde libellen en waterkevers. Negatieve effecten op beschermde ongewervelden ten gevolge van de voorgenomen werkzaamheden kunnen derhalve op voorhand worden uitgesloten.
De aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van beschermde ongewervelden kan op voorhand worden uitgesloten.
2.8 Gebiedsbescherming Tijdens de bureaustudie is een vorm van gebiedsbescherming naar voren gekomen die betrekking heeft op het plangebied. Het plangebied is geen onderdeel van het NatuurNetwerk Nederland (NNN, voormalige EHS) of Natura2000. Tevens is het plangebied niet aangewezen als weidevogelkansgebied of ganzenfoerageergebied. Het plangebied bevindt zich echter vlak naast een ganzenfoerageergebied (figuur 2.8). Hoewel dit gebied niet binnen het planvoornemen wordt aangetast, kan het planvoornemen gepaard gaan met negatieve effecten op het gebied. Zo kunnen foeragerende ganzen worden verstoord door de voorgenomen bouwactiviteiten. Het betreffende ganzenfoerageergebied is echter van dusdanig grote omvang dat er naar ons inzicht voldoende uitwijkmogelijkheden zijn voor foeragerende ganzen. De doelstellingen van het gebied komen hierdoor tijdens de uitvoering van het planvoornemen niet in geding. Negatieve effecten op dit ganzenfoerageergebied kunnen derhalve naar ons inzicht op voorhand worden uitgesloten. De provincie Fryslân is echter bevoegd gezag in dezen en bepaalt of er vervolgstappen benodigd zijn op het gebied van gebiedsbescherming voor de voortgang van dit project.
16
Figuur 2.8. Het plangebied (rood omlijnd) bevindt zich op de grens van een ganzenfoerageergebied (roze vlakken) (Bron: Kaartenkijkdoos Provincie Fryslân).
Stikstofgevoeligheid Binnen een straal van 15 km ligt het plangebied hemelsbreed op circa 1 km, 4,3 km en 9,3 km afstand van de Natura2000-gebieden IJsselmeer, Waddenzee en Oudegaasterbrekken, Fluessen en Omgeving (bron: Kaartenkijkdoos Provincie Fryslân). Tijdens de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden ten behoeve van de woningbouw komt naar alle waarschijnlijkheid extra stikstof vrij, bijvoorbeeld door het inzetten van mobiele werktuigen, zoals graafmachines. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige habitattype ten opzichte van het plangebied wordt gevormd door “H7140A – Overgangs- en trilvenen (trilvenen)” in de Makkumernoordwaard op ongeveer 2 km afstand van het plangebied (bron: AERIUS Calculator). De Kritische DepositieWaarde (KDW) van dit habitattype is 1214 mol/ha/jaar. De huidige depositiewaarde in de dichtstbijzijnde hexagoon ten opzichte van het plangebied is 825,85 mol/ha/jaar. Het kan naar ons inzien op voorhand worden uitgesloten dat de KDWs van de bovengenoemde en andere habitattypen worden overschreden als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden. Provincie Fryslân is echter bevoegd gezag in dezen, en bepaalt of een AERIUS berekening benodigd is voor de voortgang van het project.
Negatieve effecten op ganzenfoerageergebieden als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden kunnen naar ons inzicht op voorhand worden uitgesloten. De provincie Fryslân is echter bevoegd gezag in dezen. Negatieve effecten op Natura2000-gebieden als gevolg van extra stikstofuitstoot kan naar ons inzien op voorhand worden uitgesloten.
17
2.9 Houtopstanden Als er een (deel van een) houtareaal wordt gekapt van meer dan 10 are (1000 m2) of een (deel van een) bomenrij van minimaal 20 bomen buiten de bebouwde kom kan er sprake zijn van een meld- en/of herplantingsplicht. Binnen het planvoornemen is geen sprake van dergelijke omstandigheden. Er is derhalve geen sprake van een meld- en/of herplantingsplicht.
Er is geen sprake van een meld- en/of herplantingsplicht.
18
3 SAMENVATTING EN CONCLUSIES 3.1 Overzicht beschermde soorten In onderstaand overzicht worden de aangetroffen en potentieel aanwezige beschermde soorten en hun beschermingsstatus binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden samengevat. In de Wet natuurbescherming zijn vooral vaste verblijfsplaatsen (voortplantingslocaties zoals nesten, holen, kraamkolonies etc.) van belang, maar ook de functionele leefomgeving die vaste verblijfplaatsen in stand houdt. In dit overzicht zijn alleen die soorten opgenomen, waarvoor het plangebied onderdeel vormt van hun leefgebied en/of levenscyclus en waarop eventueel in de toekomst geplande werkzaamheden van negatieve invloed kunnen zijn. Tabel 3.1 Overzicht van aangetroffen en potentieel voorkomende beschermde flora en fauna in en rond het plangebied. Soortgroep
Soort
Aanwezigheid
Vogels
Algemene broedvogels
Mogelijk
Zoogdieren
Waterspitsmuis
Mogelijk
Divers
Divers
Ja
Art. 3.1
Art. 3.5
Art. 3.10
Vrijgesteld
X
Advies Werken buiten broedseizoen.
X
Nader onderzoek X
Zorgplicht.
3.2 Effectbespreking en aanbevelingen Algemene broedvogels Binnen de invloedssfeer van de werkzaamheden kunnen vogels tot broeden komen waarvan de nesten alleen tijdens de broedtijd beschermd zijn. We adviseren om de voorgenomen werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Voor het broedseizoen wordt over het algemeen de periode van 15 maart-15 juli aangehouden. Afhankelijk van de soort en klimatologische omstandigheden kunnen soorten echter eerder of later in het jaar tot broeden komen. Wat voor deze soorten van belang is, is of er sprake is van een broedgeval. Zo ja, dan is deze altijd beschermd. Waterspitsmuis De aanwezigheid van leefgebied van de waterspitsmuis in de sloot en de waterhoudende greppel binnen het plangebied kan niet op voorhand worden uitgesloten. We adviseren nader onderzoek uit te voeren om de aanwezigheid van deze soort in deze watergangen vast te stellen, dan wel uit te sluiten. Dit onderzoek dient uitgevoerd te worden aan de hand van het plaatsen van inloopvallen in het najaar, welke gedurende drie dagen in het najaar, vijf maal worden gecontroleerd op waterspitsmuizen. Indien er gedurende deze dagen waterspitsmuizen worden aangetroffen, dient er voor deze soort een ontheffing te worden aangevraagd, welke in de regel wordt afgegeven onder de voorwaarde dat er mitigerende en compenserende maatregelen worden uitgevoerd.
Zorgplicht Er kunnen enkele soorten voorkomen in het plangebied waarvoor een vrijstelling geldt in het geval van schade aan deze soorten (bijvoorbeeld bruine kikker, egel, enz.). De zorgplicht van de Wnb (art. 1.11) schrijft echter voor dat men verplicht is om alles wat redelijkerwijze mogelijk is, te doen of juist te laten om schade aan wilde planten en dieren zo veel mogelijk te voorkomen. Dit kan bijvoorbeeld tot uiting worden gebracht door altijd zo te werken, dat dieren kunnen ontsnappen en/of deze te verplaatsen naar een geschikt biotoop in de directe omgeving. Deze algemene zorgplicht geldt voor elke soort en elk individu in Nederland. Mits eventueel aangetroffen dieren de kans krijgen om te vluchten of eventueel aangetroffen dieren worden verplaatst naar een plek in de omgeving die niet onder invloed staat van werkzaamheden, wordt naar ons inzien voldaan aan de zorgplicht.
19
Voor de voorwaarden waaraan de vrijstellingen moeten voldoen in het kader van de soorten waarvoor een vrijstelling geldt, wordt verwezen naar Bijlage I.
3.3 Overzicht vervolgstappen Het planvoornemen kan zonder bezwaren doorgang vinden binnen de kaders van de vigerende natuurwetgeving, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
Broedvogels: Werken buiten het broedseizoen (grofweg 15 maart – juli). Waterspitsmuis: Nader onderzoek. Zorgplicht: Naleven van de zorgplicht.
20
4 LITERATUUR EN BRONNEN Bronnen internet Google maps www.google.com/maps Natura2000 gebieden Nederland www.natura2000.nl Kaarten provinciale natuurbeheerplannen Bij12 https://flamingo.bij12.nl/pnl-viewer/app/PNLNatuurbeheerplan NationaleDatabank Flora en Fauna (NDFF) https://ndff-ecogrid.nl/uitvoerportaal Kaartenkijkdoos Provincie Fryslân https://www.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=14fdb7eae5844c479140f89c88abdd d3 Ravon http://www.ravon.nl/Soorten/Soortinformatie Sovon https://www.sovon.nl/nl Verspreidingsatlas planten FLORON http://www.verspreidingsatlas.nl/planten Zoogdiervereniging www.zoogdiervereniging.nl
21
BIJLAGE I WET- EN REGELGEVING De wettelijke bescherming van natuurwaarden valt in grote lijnen uiteen in drie delen: soortbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden.
Wnb Soortbescherming De Wet natuurbescherming draagt onder andere zorg voor de bescherming van in het wild voorkomende dier- en plantensoorten. De wet bevat een aantal verbodsbepalingen die ervoor moeten zorgen dat de gunstige staat van instandhouding van alle in het wild levende dier- en plantensoorten zal blijven gewaarborgd. De Wet natuurbescherming verdeelt beschermde soorten in twee groepen, de Europees beschermde soorten en de nationaal beschermde soorten. De eerste groep bestaat uit strikt beschermde soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn (art. 3.1 en 3.5). De Vogel- en Habitatrichtlijn zijn richtlijnen van de Europese Unie waarin wordt aangegeven welke diersoorten en welke typen natuurgebieden door de lidstaten dienen te worden beschermd. In de tweede categorie staan de overige (nationaal) beschermde soorten (art. 3.10). Binnen de Wet natuurbescherming vullen Europese en nationale wetgeving elkaar aan. De Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) genieten een iets zwaardere bescherming dan de nationaal beschermde soorten (art. 3.10). Zo geldt voor de nationale soorten geen verbod op het verstoren, iets wat wel het geval is bij de Habitatrichtlijnsoorten. Ook zijn de belangen waaronder ontheffing aangevraagd mag worden, voor de nationaal beschermde soorten uitgebreider dan voor de habitatrichtlijnsoorten.
Vogels en verstoring Voor alle inheemse vogelsoorten geldt dat het verboden is om in het wild levende vogels te doden of te vangen, opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels te vernielen, te beschadigen, te rapen of nesten van vogels weg te nemen. Ook is het verboden om vogels opzettelijk te storen. Dit is echter niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Dit kan dus ook tijdens het broedseizoen het geval zijn, als kan worden aangetoond of beargumenteerd dat de verstoring geen negatieve effecten heeft op (de kansen van) het broedsucces. Of dit van toepassing is hangt af van meerdere factoren, zoals de biologie van een soort, de fase van de broedtijd waarin het broedpaar zich op dat moment bevindt (zoals balts, nestbouw, eieren of jongen) en de mate van verstoring. Een ter zake kundige ecoloog kan in voorkomende gevallen bepalen wat wel of niet geldt als wezenlijke verstoring. In aanvulling op bovenstaande wordt er door de provincies een lijst met vogelsoorten gehanteerd, waarvan de nesten jaarrond bescherming genieten. Binnen deze categorie wordt onderscheid gemaakt in soorten met jaarrond beschermde nesten (categorie 1 tot en met 4) en vogels met mogelijk jaarrond beschermde nesten (categorie 5).
Vrijgestelde soorten Provincie Fryslân Hoewel de Wet natuurbescherming een nationale wet is, kunnen de provincies (als de bevoegde gezagen) soorten aanwijzen die vrijgesteld kunnen worden van de beschermde status, als het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen. Tabel 2.1 geeft een overzicht van de via de Verordening Wet natuurbescherming door de Provincie Fryslân vrijgestelde soorten (zoogdieren en amfibieën). De verordening van de Provinciale Staten van Fryslân is te vinden op https://zoek.officielebekendmakingen.nl/prb-2016-6515.html.
-1-
Tabel 1. Vrijgestelde soorten Verordening Wet natuurbescherming Provincie Fryslân.
Zoogdieren Aardmuis Bosmuis Bunzing Dwergmuis Dwergspitsmuis Egel Gewone bosspitsmuis Haas Hermelijn Huisspitsmuis Konijn Ree Rosse woelmuis Steenmarter Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos Wezel Woelrat
Amfibieën Bastaardkikker Bruine kikker Gewone pad Kleine watersalamander Meerkikker
Voorwaarden vrijstellingen Zoals gezegd zijn de vrijstellingen onder het bevoegd gezag van de Provincie Fryslân, en zijn hiermee geen onderdeel van de Wet natuurbescherming zelf. De provincie heeft de soorten zoals die genoemd zijn in bovenstaande tabel niet zonder meer vrijgesteld, hier zijn voorwaarden aan verbonden. Ten eerste is het van belang dat er geen andere bevredigende oplossing voorhanden is. Ten tweede gelden de vrijstellingen niet in alle situaties. Deze zijn alleen van toepassing als de geplande werkzaamheden onder één van de volgende noemers vallen: a. in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; c. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; d. in het kader van bestendig beheer en onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied. Ten derde is een aantal specifieke voorwaarden opgesteld (Bijlage I van de Verordening). Hierbij geldt dat indien sprake is van vangen of doden, alleen gebruik mag worden gemaakt van de in de verordening genoemde middelen en methoden.
Dit is vooral van toepassing bij de vrijgestelde zoogdieren. Indien deze in winterslaap zijn en ze worden gevangen, dan moet alles er aan gedaan worden om ervoor te zorgen dat de overlevingskansen niet worden verminderd als gevolg van het vangen en verplaatsen. Voor amfibieën is het belangrijk te vernemen dat indien deze in winterslaap zijn, het niet is toegestaan ze te vangen (en verplaatsen). Indien bovengenoemde soorten voorkomen binnen een plangebied, is een ontheffing voor deze soort dus niet nodig.
-2-
Zorgplicht art 1.11 Wnb Echter, dit is niet nodig omdat nog steeds een inspanning wordt geleverd om deze soorten zo min mogelijk schade te doen, zoals is omschreven in artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming, meer algemeen bekend als de zorgplicht. Hoewel overtredingen niet strafbaar zijn gesteld, kan het uitvoeren van de zorgplicht wel worden gehandhaafd door toepassing van een bestuursdwang. Dat betekent dat de uitvoerende gedwongen kan worden herstelacties uit te voeren.
Wnb Gebiedsbescherming Gebiedsbescherming houdt in dat gebieden met belangrijke natuurwaarden wettelijk zijn beschermd. Het gaat hierbij om het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen de Ecologische Hoofdstructuur of EHS) en Natura 2000-gebieden. Natura 2000-gebieden Projecten of activiteiten die niet noodzakelijk zijn voor, of verband houden met, het beheer van de natuurwaarden van Natura 2000-gebieden (Vogel- en/of Habitatrichtlijngebieden) en mogelijk negatieve effecten hebben op deze waarden, dienen vanuit de Wet natuurbescherming getoetst te worden. Deze toetsing vindt enkel plaats in het geval de uitvoering van een project plaatsvindt binnen de invloedssfeer van een N2000-gebied en verwacht wordt dat deze uitvoering (mogelijk) negatieve effecten heeft op soorten of habitattypen waarvoor het N2000-gebied is aangewezen.
Wnb Houtopstanden De Boswet is in 2015 gewijzigd en per 1 januari 2017 opgenomen in de nieuwe Wet Natuurbescherming. Die wet zal op den duur weer (beleidsneutraal) in de Omgevingswet opgenomen worden. De, voor gemeenten, belangrijkste wijziging van de wet is de beperking in het stellen van regels ten aanzien van houtopstanden buiten de begrenzing zoals aangegeven op de kaart Begrenzing Bebouwde kom Boswet. Dit heeft effect op o.a. gemeentelijk kapbeleid. De provincie heeft, als bevoegd gezag, een provinciale verordening opgesteld voor de uitvoering van de Wet Natuurbescherming. Dat is in overleg met de Friese gemeenten gedaan. De APV, afd. 3 Het bewaren van houtopstanden, oftewel de kapverordening, vormt de basis voor het nader uitgewerkte kapbeleid. Tevens zijn in de APV regels opgenomen ten aanzien van de Bomenlijst. De bescherming van arealen bos en houtopstanden valt dus onder de Wnb, mochten deze groter zijn dan 10 are (1000 m2) of bestaan uit een bomenrij van minimaal 20 bomen buiten de bebouwde kom. De gemeente hanteert soms voor ‘buiten de bebouwde kom’ een andere begrenzing dan voor de Weg- en verkeerswet. Bij twijfel kan hierover bij de gemeente informatie worden aangevraagd.
Als de houtopstand groter dan 10 are is of bestaat uit een bomenrij van minimaal 20 bomen buiten de bebouwde kom, dan is er een meld- en herplantingsplicht van hetzelfde areaal bos binnen drie jaar na het kappen hiervan. Niet alle boomsoorten vallen onder deze wetgeving. Populieren, wilgen, essen of elzen die zijn bedoeld voor de productie als biomassa zijn uitgezonderd, indien tenminste een keer per tien jaar wordt geoogst, de beplanting na 1 januari 2013 is aangelegd en aan een aantal beplantingseisen is voldaan. Ook kerstbomen die niet ouder zijn dan twintig jaar, kweekgoed, fruitbomen en windschermen om boomgaarden zijn uitgezonderd.
-3-
NatuurNetwerk Nederland / Ecologische HoofdStructuur Strikt genomen valt de EHS/NNN niet onder de Wet natuurbescherming aangezien dit bepaald wordt door de provincies en niet door het Rijk. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen de Ecologische Hoofdstructuur of EHS) maakt onderdeel uit van het rijksbeleid voor het creëren en vormgeven van een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen natuurgebieden in Nederland. De provincies krijgen echter zelf de gelegenheid om dit naar eigen inzicht zo goed mogelijk aan te wijzen, inrichten en beheren. Indien een ruimtelijke ingreep binnen de begrenzing van het NNN plaatsvindt moet een 'nee, tenzij' procedure worden doorlopen en zal bij doorgang van de ingreep in de regel compensatie en mitigatie noodzakelijk zijn.
-4-