CConstaterende datSudwest Fryslan
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 10 - Bijlage bij toelichting BGB-II - PlanMER aanvulling voor BGB-II Sudwest-Fryslan

Raadsvergadering 28 september 2023, gemeente Sudwest FryslanBij agendapunt: Bestimmingsplan ‘Buitengebied Súdwest-Fryslân II’5.885 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

PlanMER voor het Buitengebied SúdwestFryslân-II een aanvulling 21 augustus 2023

Kenmerk

R003-1272479LBE-V01-kzo-NL

Verantwoording Titel

PlanMER voor het Buitengebied Súdwest-Fryslân-II

Opdrachtgever

Gemeente Súdwest-Fryslân

Projectleider

Martijn Gerritsen

Auteur(s)

Lex Bekker

Tweede lezer

Martijn Gerritsen

Kenmerk

R003-1272479LBE-V01-kzo-NL

Aantal pagina’s

17 (exclusief bijlagen)

Datum

21 augustus 2023

Handtekening

Ontbreekt in verband met digitale verwerking. Dit rapport is aantoonbaar vrijgegeven.

Colofon TAUW bv Handelskade 37 Postbus 133 7400 AC Deventer T +31 57 06 99 91 1 E info.deventer@tauw.com

2/17

Kenmerk

R003-1272479LBE-V01-kzo-NL

Inhoud 1

Inleiding ..................................................................................................................................... 4 1.1

1.1.1

Het advies van de commissie voor de m.e.r. .............................................................. 4

1.1.2

Geconstateerde tekortkomingen en leeswijzer ........................................................... 4

1.2 2

3

5

Ingebrachte zienswijzen ..................................................................................................... 4

Van de gemeentelijke omgevingsvisie naar een omgevingsplan .............................................. 6 2.1

Gekozen is voor een gefaseerde aanpak .......................................................................... 6

2.2

Het harmoniseren van de planregels als tussenstap (2023) .............................................. 6

2.3

Klimaat, duurzaamheid en energie (2029) ......................................................................... 7

2.4

Conclusies .......................................................................................................................... 9

De referentiesituatie ................................................................................................................ 10 3.1

4

Aanbevelingen van de commissie voor de m.e.r. .............................................................. 4

Aantal dierplaatsen en PAS-melders ............................................................................... 10

3.1.1

Aantal dieren in de huidige situatie ........................................................................... 10

3.1.2

Ontwikkelingen in de tijd ........................................................................................... 10

3.1.3

PAS-melders ............................................................................................................. 10

3.2

Vigerende planregels ....................................................................................................... 11

3.3

Gemeentelijk beleid .......................................................................................................... 12

Effectbeoordeling op landschap en natuur .............................................................................. 13 4.1

Effecten van grotere bouwvlakken op landschap ............................................................. 13

4.2

Effecten van grotere bouwvlakken op natuur ................................................................... 14

4.3

Integrale visualisatie ......................................................................................................... 16

Conclusie ................................................................................................................................. 17

Bijlage 1

Zienswijze BGB-II Provincie

3/17

Kenmerk

R003-1272479LBE-V01-kzo-NL

1 Inleiding Op 20 april 2023 is het planMER behorende bij het Buitengebied Súdwest-Fryslân-II uitgebracht. Dit planMER is gelijktijdig met het ontwerp bestemmingsplan ter visie gelegd zodat iedereen in de gelegenheid is geweest zienswijzen in te brengen. Over het planMER is op 31 juli 2023 door de commissie voor de m.e.r. een advies uitgebracht. Ook is er door de provincie een zienswijze ingediend die (mede) betrekking heeft op het planMER.

1.1

Aanbevelingen van de commissie voor de m.e.r.

In deze paragraaf worden de aanbevelingen van de commissie voor de m.e.r. kort samengevat. 1.1.1 Het advies van de commissie voor de m.e.r. Het planMER is ter toetsing voorgelegd aan de Commissie voor de milieueffectrapportage (hierna: Commissie m.e.r.). Op 31 juli 2023 is het toetsingsadvies door de Commissie m.e.r. gepubliceerd1. In het advies van de Commissie m.e.r. wordt aangegeven dat het MER op een aantal punten niet alle informatie bevat die nodig is om het milieubelang volwaardig te kunnen meenemen bij de besluitvorming over het bestemmingsplan. In de voorliggende aanvulling op het planMER wordt hier op in gegaan zodat de gemeenteraad het milieubelang wel volwaardig kan meenemen bij haar besluit over het bestemmingsplan. 1.1.2 Geconstateerde tekortkomingen en leeswijzer In deze paragraaf wordt kort samengevat welke tekortkomingen door de Commissie m.e.r. zijn benoemd in haar advies aan de gemeente. De door de commissie benoemde tekortkomingen hebben betrekking op:  De spanning die er zou bestaan tussen de ambities die de gemeente in haar omgevingsvisie uit 2021 beschrijft en de mogelijke milieugevolgen van het bestemmingsplan omdat er een integrale analyse van de opgaven voor het buitengebied ontbreekt. Dit wordt verder uitgewerkt en toegelicht in hoofdstuk 2 van deze aanvulling De door de commissie-m.e.r. beschreven tekortkomingen in de beschrijving van de referentie

situatie worden toegelicht en aangevuld in hoofdstuk 3 De beschrijving van mogelijke gevolgen van het toestaan van bouwvlakken van 2 hectare op landschap en natuur wordt toegelicht en aangevuld in hoofdstuk 4

1.2

Ingebrachte zienswijzen

De door de provincie ingebrachte zienswijze heeft met name betrekking op de manier waarop voorkomen kan worden dat er ongewenste effecten op het weidevogelgebied op zullen treden. Deze uitleg van de provincie plaatst een deel van het advies van de commissie-m.e.r. in een pragmatisch perspectief dat in hoofdstuk 4 van de voorliggende aanvulling verder zal worden uitgewerkt en toegelicht. 1

projectnummer 3745

4/17

Kenmerk

R003-1272479LBE-V01-kzo-NL

Opgemerkt wordt dat er in de procedure weliswaar een groot aantal zienswijzen zijn ingediend maar dat deze met name betrekking hebben op het bestemmingsplan zelf. Daarom wordt daar in deze rapportage niet verder op in gegaan. Deze zienswijzen worden behandeld door de gemeente in een afzonderlijke Nota.

5/17

Kenmerk

R003-1272479LBE-V01-kzo-NL

2 Van de gemeentelijke omgevingsvisie naar een omgevingsplan In dit hoofdstuk wordt beschreven welke stappen de gemeente voorziet om, na het van kracht worden van de Omgevingswet in 2024, gebruik gemaakt zal worden van het overgangsrecht uit de Omgevingswet om uiterlijk in 2029 een volwaardig en volledig Omgevingsplan gerealiseerd te hebben.

2.1

Gekozen is voor een gefaseerde aanpak

Begin 2024 treedt (naar verwachting) de Omgevingswet in werking. Op dat moment zal voor het gehele grondgebied van de gemeente een omgevingsplan gaan gelden. De gemeente heeft er voor gekozen gebruik te maken van het overgangsrecht van de Omgevingswet en het voorliggende bestemmingsplan te zien als een 'tussenstop' op weg naar een volwaardig omgevingsplan in (uiterlijk) 2029:  Een bestemmingsplan dat is vastgesteld voor 1 januari 2024 geldt “bij recht” als een Omgevingsplan zodra de Omgevingswet van kracht is geworden  

De gemeente is dus niet verplicht om begin 2024 alle bestemmingsplannen conform de nieuwe systematiek te hebben vastgesteld De gekozen route stelt de gemeente in staat om nog in 2023 de ontwikkelruimte voor agrarische ondernemers in de hele gemeente te harmoniseren en de verschillen die er nu nog zijn (die voortkomen uit de recente gemeentelijke fusies) nog voor het in werking treden van de Omgevingswet weg te nemen

2.2

Het verhinderen van verdere uitbreiding van geitenhouderij vraagt om een definitief bestemmingsplan voor de datum van 3 oktober 2023 zodat de gezondheidsrisico's voor de inwoners beheersbaar blijven.

Het harmoniseren van de planregels als tussenstap (2023)

Bij het opstellen van het nu voorliggende bestemmingsplan voor het oostelijk deel van de gemeente is daarom aangesloten bij de plansystematiek van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Súdwest-Fryslân-I’ dat ruwweg de westelijke helft van de gemeente beslaat. Door beide regelingen te harmoniseren gaat, na vaststelling, in de hele gemeente eenzelfde regeling gelden: beide bestemmingsplannen bieden agrarische bedrijven bij recht een bouwvlak van 1,5 ha met voor grondgebonden bedrijven een afwijkingsbevoegdheid om het bouwvlak uit te breiden naar 2 ha onder voorwaarden:  

Er mag geen toename zijn van stikstofemissie/depositie vanuit de betreffende inrichting Ten behoeve van de landschappelijke inpassing van de uitbreiding moet een Nije Pleats sessie of vergelijkbaar worden doorlopen

De gemeente constateert dat het uitvoeren van de door de commissie-m.e.r. geadviseerde integrale afweging van de verschillende ambities die zijn beschreven in de gemeentelijke omgevingsvisie uit 2021 zo veel tijd zal vragen dat hierdoor het spoor van het voorkomen van het uitbreiden van de gemeentelijke geitenhouderijen niet gerealiseerd zal kunnen worden. Een

6/17

Kenmerk

R003-1272479LBE-V01-kzo-NL

dergelijke ongewenste ontwikkeling wordt voorkomen door in dit stadium met name de ambitie uit de gemeentelijke omgevingsvisie die betrekking heeft op 'een veilige en gezonde leefomgeving' aan de orde te stellen in de te doorlopen ruimtelijke procedure en te benoemen in het planMER. Daarom richt het bestemmingsplan zich in eerste instantie op het voorkomen van een toename van stikstofemissie om rechtstreeks te kunnen voldoen aan de eisen zoals die daaraan worden gesteld in de nu gangbare jurisprudentie. Daarnaast is in paragraaf 4.4.4 van het planMER wel specifiek onderzoek gedaan naar de technische mogelijkheden om (door een verdergaande inzet van interne saldering) de gebiedsemissie terug te brengen tot de provinciale en/of de nationale ambities. Zolang de provinciale/nationale ambities nog niet zijn vastgelegd in concrete instructies2 vanuit de hogere overheden volstaat deze aanpak. De resultaten van het hierboven aangehaalde onderzoek zorgen er voor dat er in dit stadium al wel inzicht is in de haalbaarheid van een dergelijke verdergaande emissiereductie.

Overigens wordt opgemerkt dat er in het planMER ook aandacht is besteed aan aspecten zoals biodiversiteit, (reductie van) CO2-emissies, (verbeteren van) waterkwaliteit, gezondheid en gezondheidsbevordering waarmee ook invulling wordt gegeven aan de verbreding van de scope van het ruimtelijk onderzoek zoals uiteindelijk verwacht wordt vanuit de Omgevingswet. Tot slot wordt opgemerkt dat er (ook) in het buitengebied door de gemeente alvast een voorschot wordt genomen op het realiseren van een veerkrachtige en leefbare woonomgeving. In de gemeentelijke omgevingsvisie wordt deze ambitie met name gepresenteerd in de context van de ontwikkeling van wijken, dorpen en steden. Maar dat laat onverlet dat ook de inrichting van het buitengebied bijdraagt aan een veerkrachtige en leefbare woonomgeving. Voor een gezonde, groene en fraaie omgeving is het daarom belangrijk om zorgvuldige keuzes te maken voor het herbestemmen van gebouwen die vrijkomen na het beëindigen van hun agrarische functie. De planregels zijn hier op gericht, de manier waarop dit gaat functioneren wordt uitgelegd in paragraaf 3.1.2 en 3.1.3 van de toelichting op het bestemmingsplan.

Bij het toedelen van de functies op de nieuwe plankaart is hier ook al concreet invulling aan gegeven: op 75-80 locaties in het buitengebied is de agrarische functie “buiten gebruik gesteld” door aan deze locaties een woonfunctie toe te kennen. De planregels borgen dat dit gebeurt met in acht neming van een veerkrachtige en leefbare woonomgeving.

2.3

Klimaat, duurzaamheid en energie (2029)

Uiterlijk in 2029 wordt van de gemeente verwacht om voor het Buitengebied Súdwest-Fryslân-II het omgevingsplan dusdanig aan te passen dat dit volledig voldoet aan de instructieregels die in het kader van de Omgevingswet zijn opgesteld. Dit zal ook aandacht vragen voor thema’s als klimaat en duurzaamheid. Deze thema’s zullen uiterlijk in 2029 een plaats krijgen in het Omgevingsplan.

2

Als belangrijkste en meest concrete instructie aan de gemeente die al wel is aangekondigd maar die nog niet is vastgesteld geldt op dit moment het Fries Plan Landelijk Gebied (FPLG). De besluitvorming hierover is onder andere in afwachting van het formeel tot stand komen van het Landelijk Programma Landelijk Gebied (NPLG). Gezien de politieke impasse die is ontstaan met de val van het kabinet is vooralsnog niet duidelijk welke gevolgen deze plannen zullen hebben voor de instructieregels waaraan de gemeente zich zal dienen te conformeren bij het vaststellen van nieuwe plannen voor het buitengebied.

7/17

Kenmerk

R003-1272479LBE-V01-kzo-NL

Om hier alvast in zekere zin op vooruit te lopen is in paragraaf 6.13 van het MER onderzocht in hoeverre het plan voor het Buitengebied Súdwest-Fryslân-II bij kan dragen aan de klimaatambities die de gemeente heeft geformuleerd3. Deze klimaatparagraaf in het MER wordt afgesloten met een aantal suggesties voor door de gemeente te nemen mitigerende maatregelen: 

  

Om wateroverlast tegen te gaan is de berging van hemelwater in de openbare ruimte mogelijk, het toepassen van waterdoorlatende verharding, aanleg van extra groenstroken inclusief wadi’s, waterberging op daken van bedrijfsgebouwen en kassen, dimensionering van het watersysteem en riolering op een bui van minstens 60 mm, bij voorkeur meer Zorgen voor schaduw. Dit werkt het beste door het plaatsen van bomen Laat de straten oost-west lopen, zodat er altijd aan 1 kant schaduw is voor fietsers of voetgangers Zorgen voor schaduw bij laden en lossen. Dit kan door een afdak, door een slimme inrichting van de gebouwen in de ruimte. Ook is het slim om de laden en lossen plekken zo te situeren dat zij rond het middaguur in de schaduw vallen, zodat de hittestress voor werknemers beperkt blijft Aanleg van zonnepanelen. Dit heeft een koelende werking voor de gebouwen

Aanleg van witte daken (in plaats van zwart bitumen). Dit is een simpele en kostenefficiënte maatregel, waardoor er minder koeling/airconditioning nodig is en het binnenklimaat prettiger is.

Aanleg van groene daken. Dit is ook een kosten efficiënte maatregel, die de natuur in de omgeving ten goede komt. Ook mogelijk om voor de werknemers een groen dak als lunchplek ter beschikking te stellen

Rode of witte bestrating, in plaats van asfalt. Dit vermindert de warmte-uitstraling aanzienlijk

Daarnaast geldt in het algemeen dat ruimtelijke ontwikkelingen kansen bieden om zaken aan te pakken. Het kan dan gaan om hoe nieuwe bebouwing wordt aangelegd en ingepast, of bestaande situaties kunnen aangepast worden. Denk bijvoorbeeld aan het aanplanten van meer groen om hittestress te beperken wanneer een weg wordt aangepakt. Dit is alleen niet als hard uitgangspunt opgenomen in het plan, maar biedt zeker mogelijkheden. Deze aanbevelingen kunnen worden gezien als een eerste aanzet voor adequate klimaatmaatregelen die uiterlijk 2029, in de volgende planologische stap, geregeld kunnen worden in het Omgevingsplan, gebruik makend van het overgangsrecht uit de Omgevingswet. In paragraaf 6.14 is vervolgens onderzocht in hoeverre het plan voor het Buitengebied SúdwestFryslân-II bijdraagt aan het behalen van de gemeentelijke en regionale ambities op het gebied van duurzame energieopwekking. Daarbij wordt zowel gekeken naar het energieverbruik als de energieopwekking in de huidige situatie en autonome ontwikkeling van de gemeente en plangebied van het bestemmingsplan buitengebied.

3

De gemeentelijke klimaatambities staan onder andere in het Omgevingsprogramma klimaatadaptatie Súdwest Fryslân en de klimaatagenda van de gemeente.

8/17

Kenmerk

2.4

R003-1272479LBE-V01-kzo-NL

Conclusies

In bovenstaande twee paragrafen is het planologisch proces geschetst zoals de gemeente dat nu globaal voor ogen heeft. Met het vaststellen van het bestemmingsplan voor het Buitengebied Súdwest-Fryslân-II wordt in 2023 een eerste stap gezet, ondersteund door het onderzoek zoals dat in het planMER staat beschreven. De gemeente streeft ernaar om de tijd die geboden wordt door het overgangsrecht van de Omgevingswet optimaal te benutten zodat uiterlijk in 2029 het Omgevingsplan voor het buitengebied (en de rest van de gemeente) aangepast kan worden aan de eisen die daaraan worden gesteld in de Omgevingswet (en het FPLG).

9/17

Kenmerk

R003-1272479LBE-V01-kzo-NL

3 De referentiesituatie De commissie-m.e.r. adviseert om de beschrijving van de referentiesituatie uit te breiden zodat de effectbeoordeling beter navolgbaar wordt. In dit hoofdstuk staat beschreven hoe gevolg is gegeven aan dit deel van het advies van de commissie-m.e.r.

3.1

Aantal dierplaatsen en PAS-melders

3.1.1 Aantal dieren in de huidige situatie In bijlage 6 van het MER wordt, op basis van de door de gemeente verstrekte gegevens, het aantal dieren per RAV-code weergegeven. De dossierkennis van de afdeling handhaving is hierin verwerkt zodat zo veel als mogelijk wordt aangesloten bij de huidige feitelijke situatie. In het MER is, per abuis, nagelaten om de huidige feitelijke situatie te corrigeren voor de PAS-melders. Vanwege de uitspraak van de Raad van State uit 2019 dienen de dierplaatsen die zijn gerealiseerd op basis van een PAS-melding als illegaal te worden aangemerkt. 3.1.2 Ontwikkelingen in de tijd Ten opzichte van de hierboven beschreven dieraantallen in de huidige situatie zijn er (nog) geen autonome ontwikkelingen voldoende concreet (zie ook paragraaf 3.3 van deze aanvulling). Daarom zijn er ook geen ontwikkelingen in de tijd te benoemen ten opzichte van de in bijlage 6 geïnventariseerde Huidige Situatie. 3.1.3 PAS-melders Zoals beschreven in paragraaf 3.1.1 is in het MER nagelaten om de huidige situatie te corrigeren voor de PAS-melders. Op verzoek van de gemeente heeft de provincie een overzicht verstrekt van de bedrijven – gelegen binnen de gemeente Súdwest-Fryslân – waarvoor een PAS-melding is ingediend en die zijn aangemeld voor het legalisatieprogramma. In de hele gemeente blijken dit er 38 te zijn.

Het aantal veehouderijen bedraagt ongeveer 750 in het totale buitengebied van de gemeente. De omvang van de populatie met PAS-melders is dus ongeveer 5 % van de totale populatie veehouderijen. Opgemerkt wordt dat niet het volledige veebestand dat wordt gehouden op een PAS-melder als illegaal aangemerkt kan worden. Het illegale deel betreft alleen de uitbreiding die is gerealiseerd door het indienen van de PAS-melding. Dat betekent dat er sprake is van een overschatting van minder dan 5 %, op gebiedsniveau, van de in bijlage 6 gepresenteerde emissies vanuit de huidige situatie. Een dergelijke onnauwkeurigheid past binnen de onzekerheidsmarge van het beschikbare gebiedsmodel. Het rekening houden met de PAS-melders in het gebiedsmodel zou de nauwkeurigheid van de modelleringen, zoals die voor het plangebied in het MER zijn gepresenteerd, niet aanwijsbaar vergroten. Wellicht ten overvloede wordt opgemerkt dat het MER erop is gericht om, op basis van algemene uitgangspunten, de effecten op gebiedsniveau vast te stellen. Zoals te lezen valt in paragraaf 4.1.5 van het MER zijn de gegevens zoals die in bijlage 6 gepresenteerd worden niet geschikt om

10/17

Kenmerk

R003-1272479LBE-V01-kzo-NL

te worden gebruikt voor het uitvoeren van een emissie/depositie berekening voor een individuele casus. Dat betekent dat, als een ondernemer gebruik wil maken van de gebruiksregeling uit het bestemmingsplan, de referentie emissies/depositie in de aanvraag aannemelijk gemaakt zullen moeten worden.

3.2

Vigerende planregels

De commissie adviseert om een overzicht te geven van de bestaande planregels met betrekking tot bouwvlakgroottes, uitbreidingsmogelijkheden en de daarvoor geldende randvoorwaardes in de vier nu vigerende bestemmingsplannen. In de onderstaande tabel wordt het gevraagde overzicht gepresenteerd als de huidige situatie, in samenhang met de plansituatie. Tabel 3.1 Overzicht van de planregels voor de omvang van de bouwvlakken Situatie

Naam

Bij recht toegestaan

bestemmingsplan Huidige situatie

Huidige situatie

Huidige situatie

Extra

Randvoorwaarde

mogelijkheden

Buitengebied

Denkbeeldige

Binnenplanse

Boansterhim 2008

rechthoek van

afwijking naar 2 ha toelichting op de

Zie voetnoot voor een

maximaal 1 ha

randvoorwaarde4

Bolsward

Bouwvlak van

Geen afwijking

n.v.t.

Buitengebied

ongeveer 1 ha

mogelijk

Buitengebied

Bouwvlak van

Voor silo’s geldt het

Littenseradiel

ongeveer 1 ha

'Werkboek De Nije Pleats' in Fryslân

Huidige situatie

Plan situatie6

Buitengebied

Denkbeeldige

Binnenplanse

Wymbritseradiel

rechthoek van

afwijking naar 2 ha toelichting op de

Zie voetnoot voor een

maximaal 1 ha

randvoorwaarde 5

Buitengebied

denkbeeldige

Binnenplanse

Bij afwijking tot 2 ha

Súdwest-Fryslân-I

rechthoek van 1,5 ha

afwijking naar 2 ha geldt het 'Werkboek De Nije Pleats' in Fryslân

Plan situatie7

Buitengebied

denkbeeldige

Binnenplanse

Bij afwijking tot 2 ha

Súdwest-Fryslân-II

rechthoek van 1,5 ha

afwijking naar 2 ha geldt het 'Werkboek De Nije Pleats' in Fryslân

4

Wordt uitsluitend verleend nadat de initiatiefnemer een beplantingsplan heeft overlegd aan B&W dat in overeenstemming is met het bepaalde in de handleiding aanleg en onderhoud van bossingels rond bedrijven in het buitengebied van Boarnsterhim die als bijlage 4 bij deze voorschriften is opgenomen. 5 Alvorens de bedoelde ontheffing wordt verleend, overlegt de initiatiefnemer een beplantingsplan aan burgemeester en wethouders, waarin wordt voorzien in afscherming van het bedrijfsgedeelte door toepassing van een algehele of gedeeltelijke afschermende beplantingsstrook, waarbij een beplantingsstrook met een breedte van 5 m in ieder geval als afschermend wordt aangemerkt. 6 Dit betreft de situatie in het westelijk deel van het buitengebied waarvoor eerder al een MER is opgesteld. 7 Dit betreft de situatie in het oostelijk deel van het plangebied waarvoor nu een MER wordt opgesteld.

11/17

Kenmerk

R003-1272479LBE-V01-kzo-NL

De reden voor de gemeente om de planregels op deze manier te harmoniseren is niet voortgekomen uit impliciet of expliciet kenbaar gemaakte wensen uit de verschillende voormalige deelgemeenten. De belangrijkste drijfveer was, en is, het streven naar gelijke rechten binnen de hele gemeente en hiermee de eerste stap te zetten naar een nieuw Omgevingsplan waarbij de uitgangspunten voor het buitengebied gelijk zijn

3.3

Gemeentelijk beleid

De commissie-m.e.r. geeft in haar advies aan dat een aantal onderdelen van het “gemeentelijk beleid” onvoldoende zijn beschreven om de planeffecten vast te kunnen stellen ten opzichte van de autonome ontwikkeling van het plangebied. Daarvoor geldt dat in eerste instantie de huidige situatie in het referentiejaar 2021/2022 beschreven moet worden en vervolgens de te verwachte autonome ontwikkelingen. Het gaat daarbij om de ontwikkelingen die voortkomen uit autonoom (reeds vastgesteld) beleid. Uit de jurisprudentie hierover blijkt echter dat er randvoorwaarden gesteld worden aan het “beleid” voordat dit onderdeel uit kan maken van de autonome ontwikkeling:  Alleen voldoende voorzienbare en concrete ontwikkelingen moeten worden meegenomen 

(ABRvS 200603203/1, 19 december 2007) Er hoeft geen rekening gehouden te worden met ontwikkelingen waarover weliswaar enige besluitvorming had plaatsgevonden, maar die nog onvoldoende concreet zijn om een representatief beeld te geven van de gevolgen (ABRvS 200600614/1, 25 april 2007)

De commissie adviseert om ten minste de volgende vier beleidsstukken onderdeel uit te laten maken van de autonome ontwikkeling, en dus van de referentiesituatie:  Omgevingsprogramma vitaal landschap  Regiodeal Natuurinclusieve Landbouw  Veenweideprogramma 2021 – 2030  Omgevingsprogramma klimaatadaptatie Opgemerkt wordt dat in geen van deze beleidsstukken sprake is van ‘concrete ontwikkelingen’. Een verdere uitwerking van de referentiesituatie is daarom niet nodig. De opmerking in het planMER dat er vanuit het ruimtelijk spoor geen sprake is relevante autonome ontwikkelingen waar rekening mee gehouden moet worden, anders dan het benutten van de latent aanwezige stalruimte, blijft dan ook overeind. Een aanvullende omschrijving van de te verwachten resultaten van het gemeentelijk beleid in uitvoering draagt dan ook niet bij aan de voor het planMER benodigde essentiële informatie die nodig is om een goed onderbouwd besluit te kunnen nemen over het voorliggende bestemmingsplan. Voor wat betreft het Veenweidevogelgebied wordt nog opgemerkt dat er in het bestemmingsplan (op basis van de zienswijze van de provincie) een afwegingskader en overleg met de provincie is opgenomen als onderdeel van de toetsing of er inbreuk wordt gepleegd op het veenweidevogelgebied en dus of er wel of niet medewerking kan worden verleend aan een ontwikkeling buiten de bestaande bebouwing.

12/17

Kenmerk

R003-1272479LBE-V01-kzo-NL

4 Effectbeoordeling op landschap en natuur De commissie adviseert om de gevolgen van grotere bouwvlakken (te bebouwen rechthoeken) op het landschap en op natuur beter inzichtelijk te maken, waar nodig ondersteund door visualisaties. In dit hoofdstuk wordt op dit advies in gegaan.

4.1

Effecten van grotere bouwvlakken op landschap

Het MER dat nu voor ligt, en dat betrekking heeft op, grosso modo, het oostelijk deel van het buitengebied van de gemeente, heeft inzicht gegeven in de gevolgen op (de openheid van) het landschap, rekening houdend met een afwijkingsbevoegd die het mogelijk maakt om agrarische bebouwing te realiseren tot in een rechthoekig vlak van maximaal 2 hectare. De in het MER gebruikte methodiek sluit 1 op 1 aan bij de manier waarop eerder de landschappelijke effecten zijn beoordeeld in het westelijke deel van de gemeente. Dat MER (uit 2017) is destijds goed ontvangen door de commissie-m.e.r., wat onder andere blijkt uit het positieve toetsingsadvies van de commissie-m.e.r. dat is uitgebracht op 20 juli 2017. De reden om in het nu voorliggende MER 1 op 1 vast te houden aan die (beproefde) methode uit 2017 is het uitgangspunt geweest om de planregels binnen de gemeente te gaan harmoniseren, ook voor het aspect landschap. De commissie-m.e.r. adviseert in haar advies van 31 juli 2023 om (ook) rekening te houden met onder andere de volgende (aanvullende) landschappelijke toetsingscriteria:   

De nu bestaande karakteristieken van de boerenerven De maatvoering van gebouwen, anders dan de maximale hoogte De opslag van biomassa en kuilopslag.

Echter, een onderzoek dat in het kader van een MER wordt uitgevoerd en beschreven dient aan te sluiten bij het plan waarvoor het wordt opgesteld. Duidelijk moge zijn dat de landschappelijke regeling in het oostelijk deel van de gemeente hetzelfde zal zijn als de landschappelijke regeling in het westelijk deel van de gemeente. Gezien het uitgangspunt van harmonisatie kunnen er in het oostelijk deel van de gemeente geen nieuwe landschappelijke toetsingscriteria worden toegevoegd ten opzichte van de regeling in het westelijk deel van de gemeente. Terwijl daar in het advies van de commissie-m.e.r. wel om wordt gevraagd: de afwezigheid van het onderzoek naar deze toetsingscriteria wordt aangemerkt als een essentiële tekortkoming. Gezien vanuit het uitgangspunt van harmonisatie is het ongewenst om de regeling, die de erop is gericht om ongewenste effecten op het landschap te voorkomen, uit te breiden. Onderzoek naar de door de commissie-m.e.r. geadviseerde extra toetsingscriteria voegt dan ook in dit stadium onvoldoende toe. Wel is het zo dat deze extra toetsingscriteria kunnen passen in de door de gemeente beoogde fasering om te komen tot een volwaardig Omgevingsplan in 2029. Het uitbreiden van de landschappelijke regeling met extra toetsingscriteria kan dus beter worden uitgesteld, gebruik makend van het overgangsrecht van de Omgevingswet.

13/17

Kenmerk

R003-1272479LBE-V01-kzo-NL

Overigens kan in alle redelijkheid worden aangenomen, zoals ook blijkt uit het planMER, dat de nu opgenomen regelgeving (onder andere door het gebruik van de werkwijze De Nije Pleats) voldoende bescherming geeft van de bestaande landschappelijke waarden.

4.2

Effecten van grotere bouwvlakken op natuur

Zowel in het advies van de commissie-m.e.r., als in de zienswijze die door de provincie is ingediend, wordt in gegaan op de mogelijke extra verstoring van weidevogels door het uitbreiden van (agrarische) activiteiten. De commissie-m.e.r. geeft aan dat het effect op de verstoring van weidevogels door het uitbreiden van de boerenerven ten onrechte niet in het MER beschreven is. Weidevogels houden voor hun broedgebied een afstand tot de bebouwing aan van ten minste 200 m (bron: voetnoot 8 van het advies van de commissie-m.e.r. ). In de zienswijze van de provincie op het ontwerpbestemmingsplan Buitengebied Súdwest-Fryslân II (integraal opgenomen als bijlage 1 bij deze aanvulling) wordt in de paragraaf die betrekking heeft op het weidevogelkansgebied onder andere melding gemaakt van het volgende: “Alle ontwikkelingen die op het bestaande perceel plaatsvinden zullen geen extra verstoring van (..) rust tot gevolg hebben. Deze ontwikkelingen kunt u derhalve zonder meer toestaan. (..) Voor ontwikkelingen in het landelijk gebied die niet aansluiten op het bestaand stedelijk gebied mag u een (verstorings)afstand van 200 meter aanhouden.” Invulling gevend aan deze twee adviezen is, in aanvulling op het MER, onderzocht op hoeveel extra plaatsen er sprake zou kunnen zijn van verstoring van weidevogels doordat de planregels extra agrarische activiteiten toestaan op bestaande bedrijven.

Om dit effect globaal te kunnen benaderen is in GIS het volgende inzichtelijk gemaakt:  Waar ligt het plangebied  Waar liggen de veehouderijen binnen het plangebied 

Waar liggen de grenzen van het weidevogelgebied zoals weergegeven op kaart 7 van de verordening ruimte van de provincie met daar omheen een zone van 200-400 m

Daarbij is het advies van de provincie aangehouden dat nieuwe ontwikkelingen in het buitengebied die op een afstand van minder dan 200 meter plaatsvinden geen extra verstoring tot gevolg zullen hebben: bedrijven die zich tussen 0-200 m afstand bevinden tot het weidevogelgebied veroorzaken geen extra verstoring door uit te breiden. Op een afstand van maximaal 400 m tot het weidevogelgebied kan er nog sprake zijn van nieuwe verstoring als daar ter plekke een al bestaande (maar kleine) veehouderij tot een nieuwe denkbeeldige rechthoek van 200 m * 100 m wordt ontwikkeld. Rekening houdend met de verstoringsafstand van 200 m vanuit de agrarische bebouwing kan een bedrijf op een afstand van 200 m plus 200 m = 400 m nog verstorend werken op het weidevogelgebied. In figuur 4.1 is het resultaat van de uitgevoerde GIS-analyse weergegeven. Binnen de 200-400 m zone rondom de weidevogelgebieden in het plangebied bevinden zich 15 veehouderijen die, als

14/17

Kenmerk

R003-1272479LBE-V01-kzo-NL

de activiteiten worden uitgebreid, voor extra verstoring zouden kunnen zorgen in het weidevogelgebied. Dat betreft ongeveer 4 % van het totaal aantal bedrijven in het plangebied. Dat betekent dat een zekere kans op extra verstoring niet op voorhand uitgesloten kan worden maar dat de omvang van de verstoring beperkt zal blijven. Verwacht mag worden dat de geharmoniseerde planregels, die erop gericht zijn om een ongerechtvaardigde inbreuk op de weidevogelbeschermingsgebieden te voorkomen, voldoende bescherming zullen bieden.

Figuur 4.1 Analyse van de nieuw mogelijke verstoringsbronnen rondom het weidevogelgebied 15/17

Kenmerk

4.3

R003-1272479LBE-V01-kzo-NL

Integrale visualisatie

De Commissie-m.e.r. geeft aan dat in het MER een integraal visueel totaalbeeld ontbreekt van alle nieuwe mogelijkheden die met het bestemmingsplan ontstaan. Dan gaat het om een visualisatie die laat zien hoe het buitengebied eruit zal komen te zien als de uitbreiding van de agrarische bebouwing tot 2 hectare per melkveehouderij, het oprichten van kleine windturbines, de uitbreiding van kleinschalige recreatie en de ontwikkeling van natuur tegelijk, en tot de maximale mogelijkheden die er in het plan zijn, gerealiseerd zou worden. In haar advies gaat de commissie-m.e.r. er aan voorbij dat het vervullen van al deze (landschappelijke) ingrepen tot de maximale mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt nooit gerealiseerd zal kunnen worden omdat de fysieke ruimte daartoe ontbreekt en omdat er andere krachten (zoals bijvoorbeeld de capaciteit van het elektriciteitsnet) een remmende factor zullen zijn die zullen voorkomen dat de maximale gevolgen zich zullen kunnen manifesteren. Het visueel toetsen van een dergelijk worst case scenario voor alle uitbreidingsmogelijkheden tegelijk gaat voorbij aan wat redelijkerwijs mogelijk is. Opgemerkt wordt dat het MER dusdanig is opgebouwd dat er inzicht wordt gegeven in de maximale gevolgen van het bestemmingsplan vanuit de ontwikkelingsmogelijkheden die aan de agrarische sector wordt geboden.

Om het optreden van significante effecten op de instandhoudingsdoelstellingen uit te kunnen sluiten is vervolgens een planregel geformuleerd welke voortvloeit uit de jurisprudentie. Dat is nodig omdat er voor het toetsen van de effecten vanuit de landbouw een afwijkend (i.c. veel strenger) toetsingskader geldt dan voor het toetsen van landschappelijke effecten, namelijk de Natura2000 jurisprudentie. Vanuit die jurisprudentie zijn in het MER voor elk toetsingscriterium de effecten bepaald die voortkomen uit het realiseren van de maximale agrarische mogelijkheden. Omdat in alle gevallen de effecten nihil zijn (zie tabel 7.1 uit het MER) kan er ook geen sprake zijn van een cumulatief effect. Deze methodiek is identiek aan de werkwijze die in 2017 is gevolgd voor het westelijk deel van het buitengebied van de gemeente. Een verbreding van de toetsing zoals wordt geadviseerd door de commissie-m.e.r. past niet in het streven naar harmonisatie. Net als betoogd in paragraaf 4.1 van deze aanvulling kan de geadviseerde verbreding van de toetsing, indien zou blijken dat dit van toegevoegde waarde is, beter worden uitgesteld, gebruik makend van het overgangsrecht van de Omgevingswet.

16/17

Kenmerk

R003-1272479LBE-V01-kzo-NL

5 Conclusie Op basis van het toetsingsadvies dat op 31 juli 2023 is uitgebracht over het planMER behorende bij het Buitengebied Súdwest-Fryslân-II is het MER gedeeltelijk aangevuld. Daarbij is rekening gehouden met de aspecten die de Commissie m.e.r. heeft benoemd in haar advies. Ook is in deze aanvulling ingegaan op de door de provincie ingediende zienswijze voor zover deze betrekking heeft op het planMER. In de voorliggende aanvulling op het planMER is beschreven dat, als de gemeenteraad deze aanvulling op het MER mee weegt, samen met het eerder uitgebrachte MER over het Buitengebied Súdwest-Fryslân-II, de gemeenteraad het milieubelang volwaardig meeneemt bij haar besluit over het bestemmingsplan. Daartoe is er vanuit de milieu effecten zoals beschreven niet nodig om wijzigingen aan te brengen in de planregels en of de toelichting daarop. In deze aanvulling op het MER is ook globaal aangegeven en beschreven langs welke stappen de gemeente, na het van kracht worden van de Omgevingswet in 2024, gebruik zou kunnen maken van het overgangsrecht uit de Omgevingswet om uiterlijk in 2029 een volwaardig en volledig Omgevingsplan gerealiseerd te hebben waarbij dan ook rekening kan worden gehouden met concrete beleidsstukken en/of wet- en regelgeving inclusief mogelijke maatregelen die landelijk of provinciaal zijn opgelegd.

Te denken valt dan bijvoorbeeld aan het FPLG en een Landbouwakkoord, als dat alsnog zou zijn afgesloten.

17/17

Kenmerk

Bijlage 1

R003-1272479LBE-V01-kzo-NL

Zienswijze BGB-II Provincie

123.010100

provinsje fryslân provincie fryslân

postbus 20120 8900 hm leeuwarden tweebaksmarkt 52 (058) 292 59 25

Aan de raad van de Gemeente SúdwestFryslân Postbus 10000 8600 HA SNEEK

www.fryslan.frl provincie@fryslan.frl www.twitter.com/provfryslan

Leeuwarden, 5 juli 2023 Verzonden, jjg jļjjj 2023 Ons kenmerk Afd./Opgave Behandeld door Uw kenmerk Bijlage(n)

02128838 Omgevingszaken Omgevingszaken t (058) 292 59 25 of romte@fryslan.frl

Onderwerp

: PF-2022/246188: zienswijze ontwerpbestemmingsplan Buitengebied Súdwest-Fryslân II

Geachte gemeenteraad, Op 23 mei 2023 hebben wij het ontwerpbestemmingsplan Buitengebied Súdwest-Fryslân II ontvangen. Graag maken wij van de gelegenheid gebruik om een zienswijze in te dienen. Vooraf willen wij u complimenteren met het ontwerpplan dat nu voorligt. Voor het overgrote deel passen de ontwikkeimogelijkheden die u in het plan biedt prima binnen de provinciale (beleids)regels. Wij hebben echter nog enkele punten die aandacht behoeven. Deze punten zijn op 4 juli 2023 al ambtelijk met u besproken. Hieronder een weergave van het besprokene. Weidevogelkansgebied In weidevogelkansgebieden is op grond van artikel 7.2.2 van de Verordening Romte (VRF) alleen ruimte voor niet-agrarische ontwikkelingen indien deze ontwikkelingen geen extra verstoring van het gebied van openheid en rust tot gevolg hebben. Alle ontwikkelingen die op het bestaande perceel plaatsvinden zullen geen extra verstoring van openheid en rust tot gevolg hebben. Deze ontwikkelingen kunt u derhalve zonder meer toestaan. Als een niet-agrarisch bouwperceel wordt uitgebreid of als u een niet-agrarische ontwikkeling (bv. baggeren, aanleggen van voet- en fietspaden, rijbakken bij woningen en het aanleggen van recreatieve voorzieningen) wilt toestaan in het landelijk gebied dan is een nadere beoordeling nodig.

Wij adviseren u een algemene regel in het bestemmingsplan op te nemen, zodat bij nieuwe niet-agrarische ontwikkelingen in of nabij het weidevogelkansgebied een afweging op basis van de regels in 7.2.2 en 7.2.4 VRF wordt

-1/2-

Ons kenmerk:

02128838

rovinsje fryslân

ONTVANGEN 1 O JUL 2023

geborgd. Wij vervullen hierin graag een adviserende rol. Voor de volledigheid merken wij op dat de verstoringsafstand bij ontwikkelingen die aansluiten op het bestaand stedelijk gebied 300 meter is. Voor ontwikkelingen in het landelijk gebied die niet aansluiten op het bestaand stedelijk gebied mag u een afstand van 200 meter aanhouden. Kleinschalige kampeerterreinen - standplaatsen De vastgestelde Omgevingsverordening, welke ruimte biedt voor 35 standplaatsen, is nog niet in werking getreden. Vooruitlopend hierop was een wijziging van de Verordening Romte 2014 voorzien. Deze wijziging is echter niet doorgevoerd, zodat van de verruimde regels nog geen gebruik kan worden gemaakt. Bovendien zal over de kleinschalige recreatie nog een discussie in de Staten plaatsvinden. Voor nu zal het aantal standplaatsen dan ook naar 25 moeten worden teruggebracht. Vrijwaringszone - dijk Wij merken op dat de uitbreiding van een bestaande woning, een bestaande recreatiewoning of een bestaand niet aan het beheer, onderhoud of productievermogen van het landelijk gebied gebonden bedrijf binnen de reserveringszone op grond van artikel 8.1.1 Verordening Romte niet groter mag zijn dan 1007o van het bestaand bebouwde oppervlak. In geval er uitbreidingen zijn toegestaan dient hiermee rekening te worden gehouden. Eventuele uitbreidingen van genoemde functies zijn dus beperkt toegestaan.

Ook nieuwbouw in de vrijwaringszone is in beginsel niet toegestaan. Wij vragen u om het bestemmingsplan na de vaststelling onverwijld naar ons toe te sturen. U ontvangt dan zo snel mogelijk bericht of het plan gepubliceerd kan worden.

Hoogachtend, Namens het college van Gedeputeerde Staten,

ValidSigned by A.J. van der Woude on 06-07-2023

mevr. A.J. van der Woude teamleider Groene Regelgeving

-2/2-

Ons kenmerk:

02128838

provinsje fryslân

provinsje fryslân provincie fryslân

3 W«

Business Post Leeuwrfrte

□ūoo

—

postbus 20120 8900 hm leeuwarden

Port betaalc

06.07.23

provinsįe fryslân

provinsje fryslân provincie fryslân ^

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13086298/4