CConstaterende datSúdwest-Fryslân
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 10 - Bijlage bij toelichting BGB-II - Historisch- geografische inventarisatie en waardering

Raadsvergadering 28 september 2023, gemeente Súdwest-FryslânBij agendapunt: Bestimmingsplan ‘Buitengebied Súdwest-Fryslân II’36.026 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

17 alinea's met “grondgebied”: 20 22 24 26 29 44 66 67 236 281 428 635 1030 1041 1056 1129 1139

Gemeente Súdwest-Fryslân

Historisch-geografische inventarisatie en waardering van het buitengebied

Rapportnummer 1353

Colofon Titel:

M. Horst (2014). Gemeente Súdwest-Fryslân. Historisch-geografische inventarisatie en waardering van het buitengebied. Wapenveld.

Opdrachtgever:

Postbus 10.000 8600 HA Sneek drs. Dorien Haagsma (Beleidsadviseur Cultureel Erfgoed)

Opdrachtnemer:

Postbus 20 8180 AA Heerde drs. Martijn Horst (Projectleider Cultuurhistorie)

Projectcode: Versie: Datum:

CA1353 1.0 4 augustus 2014

Tweede lezers:

prof.dr.ir. Th. Spek (Rijksuniversiteit Groningen) heeft deel A becommentarieerd. drs. D. Haagsma (gemeente Súdwest-Fryslân) heeft deel A en B becommentarieerd.

Publicatierechten:

Deze rapportage is een intern document van de gemeente Súdwest-Fryslân. Op basis daarvan is beeldmateriaal opgenomen, waarvoor geen publicatierechten zijn betaald. Wanneer de gemeente besluit om over te gaan tot een publiekspublicatie, zowel digitaal als analoog, moeten vooraf de publicatierechten nog bij de desbetreffende archieven worden aangekocht.

2

3

4

Voorwoord Wanneer je als bewoner, bestuurder of toerist het landschap van de gemeente Súdwest-Fryslân doorkruist vallen twee dingen je waarschijnlijk op. In de eerste plaats hoe weids en open het landschap is en dat je een typisch Nederlandse landschapsbeleving hebt met dijken, weilanden, water, kerktorens en koeien in de wei. In de tweede plaats lijk je een gebied te doorkruisen dat door haar vlakheid en prachtige, eindeloze groene vlakten een eenvoudige ontstaansgeschiedenis achter de rug heeft. Dat laatste is echter geenszins het geval. Voor wie het weet ligt er een wereld van geschiedenis voor zich. Middeleeuwse moederpolders, oude zeeboezems, verdwenen hoogvenen, ingepolderde meren en buitendijkse landaanwinningen liggen ten grondslag aan het landschap dat wij nu kennen en dat door velen als bijzonder waardevol wordt ervaren. En net al met zoveel dingen ga je de dimensies in het landschap pas echt goed zien als je voorkennis hebt. Al fietsend over de voormalige dijken kun je dan zo aanwijzen waar vroeger de Marneslenk heeft gelopen, op welk punt de Middelzee is afgedamd, hoe hoog het veen heeft gelegen en waarom er in het ene gebied wel eendenkooien waren en in het andere niet. Het zo vlak ogende landschap heeft dan ineens een behoorlijke historische gelaagdheid, die in enkele gevallen bovenop elkaar liggen, maar in nog meer gevallen gewoon naast elkaar beleefbaar zijn.

Een logisch gevolg van meer kennis is dat er vaak nog meer waardering voor het landschap ontstaat. Daarom hebben we deze rapportage op laten stellen. Met een landschapsbiografie wordt niet alleen inzicht gegeven in de landschappelijke diversiteit, die we binnen onze gemeentegrenzen hebben, maar ook in alle historisch-geografische elementen die daarbij horen. Zo lezen we bijvoorbeeld dat de gemeente SúdwestFryslân ongeveer alle landschapstypen omvat die de provincie Friesland kent, dat negentig procent van de Hempolders op het grondgebied van de gemeente Súdwest-Fryslân liggen en dat er nog een intacte verkaveling van de Middelzeepolder aanwezig is. Iets wat wij nog niet wisten, maar dat bij het maken van beleid en het uitdragen van de landschapsbeleving voor bewoners en toeristen van wezenlijk belang is. Wij gaan hard werken om de gegevens van deze rapportage op te nemen in onze nieuwe bestemmingsplannen voor het buitengebied en in de tussentijd wensen wij jullie veel leesplezier toe!

Mirjam Bakker Wethouder Gemeente Súdwest-Fryslân

<< In 1706 tekende cartograaf Petrus Schenk de kaart Frisiae Dominium waarop Friesland ingedeeld werd in de drie eenheden Oostergo, Westergo en Zevenwouden. De huidige gemeente Súdwest-Fryslân ligt in zijn geheel in het zuiden van de eenheid van Westergo. Juist in dat gedeelte is het opvallend hoeveel meren en plassen daar in die periode voorkomen. Het is echter een momentopname in de lange geschiedenis van het grondgebied van de gemeente Súdwest-Fryslân. Zevenhonderd jaar eerder was er namelijk op dezelfde plek sprake van een groot en hoog veenlandschap, tweehonderd jaar later zijn veel meren alweer ingepolderd en in gebruik als weidegrond. Hoe het grondgebied van de gemeente Súdwest-Fryslân zich in al die jaren landschappelijk heeft ontwikkeld wordt in deze landschapsbiografie op lokaal niveau uiteengezet.

5

Samenvatting Inleiding De gemeente Súdwest-Fryslân staat voor de opgave om de bestemmingsplannen van het buitengebied te actualiseren. Dit geldt voor het grondgebied van de voormalige gemeenten Wonseradeel, Nijefurd en Sneek. Bij actualisatie van deze bestemmingsplannen wil de gemeente de historisch-geografische waarden van haar grondgebied een volwaardige rol geven. De gemeente heeft Cultuurland Advies gevraagd om met behulp van de methodiek van de landschapsbiografie de historisch-geografische waarden inzichtelijk te maken. Deel A: Landschapsbiografie De basis voor het huidige landschap in de gemeente Súdwest-Fryslân is gelegd in de voorlaatste ijstijd toen een grote gletsjer vanuit Scandinavië over Noord- en Midden-Nederland trok. Bij Koudum, Hemelum, Scharl en Roode Klif zijn de overblijfselen van deze ijstijd nog in het landschap te zien in de vorm van opgestuwde keileemlagen. In de geologische periode van het Holoceen deden water, veen en zeeklei hun intrede en zorgden dat de gemeente Súdwest-Fryslân een bijzonder gevarieerd landschap kreeg met naast stuwwallandschappen ook kwelderlandschappen, zeeboezemlandschappen, zeekleilandschappen, klei-opveenlandschappen, veenlandschappen en open waterlandschappen. Het kwelderlandschap was al in de zesde eeuw voor Christus een aantrekkelijk landschap voor mensen om zich te vestigen. In meer dan 1600 jaar – vanaf 500 v. Chr.

tot ongeveer 1100 n. Chr. – gaven deze nieuwe bewoners het natuurlijke kwelderlandschap een compleet nieuw gezicht door terpen op te werpen. Binnen de opdrachtbegrenzing zijn nog 82 van deze terpen bewaard gebleven. In de volle middeleeuwen konden de bewoners van het terpengebied het kwelder- en veenlandschap steeds meer naar hun hand zetten, onder meer door bedijking en ontwatering. De moederpolder Hartwerd-Witmarsum was één van de vier moederpolders in Friesland en lag precies op de scheiding van de Marneslenkboezem en de Middelzeeboezem. Voor de beveiliging van de gebieden in de Marneslenk gingen de bewoners in de elfde eeuw over tot de aanleg van een onregelmatig gevormde ringdijk, de zogeheten Pingjumer Gulden Halsband, die in vier fasen werd aangelegd. Het afzwakken van de getijdeninvloed zorgde ervoor dat de Middelzee tussen Bolsward en Sneek begon te verlandden. Het duurde niet lang voordat de Marneslenk en de Middelzee ook werden ingepolderd. Sinds de late negende en tiende eeuw kwamen tevens uitgebreide veenontginningen op gang. Binnen de opdrachtbegrenzing zijn de randen van drie van deze grote ontginningsgebieden te herkennen, namelijk één ten zuidoosten van Workum, één ten noordoosten van Workum en één ten zuiden van Sneek. Het veenlandschap kreeg door de ontginning een volstrekt andere structuur.

Van een nauwelijks bewoond, zacht glooiend natuurlandschap met hoogteverschillen van enkele meters werd het een tamelijk vlak cultuurlandschap. Om ook het binnenwater onder controle te krijgen werd wederom een stelsel van dijken aangelegd, ditmaal van binnendijken. Beschermd door de Middelzeedijken in het noorden en de nieuwe dijken in het zuiden ontstonden zo – langs de voormalige begrenzing van de Marneslenk en de Middelzee – een reeks afzonderlijke binnenpolders, die ook wel de hempolders worden genoemd. De gemeente Súdwest-Fryslân heeft negen van de tien Hempolders binnen haar grondgebied liggen. Om de afwatering te verbeteren werden talloze vaarten gegraven en natuurlijke waterlopen aangepast. De hoogste delen en de hellingen van de stuwwallen waren, door hun waterhuishouding en zandondergrond, uitermate geschikt voor akkerbouw. In een eeuwenlang proces van ophoging met humushoudend materiaal konden daardoor op de stuwwallen grote akkercomplexen ontstaan. Binnen de opdrachtbegrenzing liggen de akkercomplexen van Scharl, Warns, Roode Klif, Hemelum en Koudum. Behalve dat er op bepaalde plekken hele gedeelten van de kust werden weggeslagen kon er ook aanslibbing voorkomen. De aanslibbing van de zee-inham tussen Hindeloopen en Workum was in het midden van de zestiende eeuw zover gevorderd dat plannen voor indijking werden gemaakt.

De inpoldering van het Workumer Nieuwland kwam in 1621 tot stand en was de eerste buitendijkse inpolderingsfase. Dit is tevens de periode dat de eerste binnenlandse inpolderingfase plaatsvind. In 1620 werd het eerste Friese meer drooggemalen, het Staverse Meer. In twee binnenlandse inpolderingsfasen werden in totaal 43 meren drooggemalen. Het aantal Friese droogmakerijen bleef in de rest van de zeventiende eeuw en achttiende eeuw zeer beperkt. Het overgrote deel van de droogmakerijen in de gemeente Súdwest-Fryslân dateert dan ook uit de negentiende en twintigste eeuw. Het waterrijke, dun bevolkte gebied van het Lage Midden leende zich daarnaast bij uitstek voor het aanleggen van eendenkooien, waarmee met een waterplas en in grote vangpijpen eenden werden gelokt en gevangen. Binnen de opdrachtbegrenzing hebben maar liefst veertien

6

eendenkooien gelegen, waar er nog drie van over zijn. Binnen de opdrachtbegrenzing komen in het noorden op lichte zavelgronden zogenaamde ‘kruinige percelen’ of ‘bolle akkers’ voor. Naast de winning van terpaarde werd op veel plaatsen in Westergo klei gewonnen voor de fabricage van bakstenen en dakpannen. Tot ver in de negentiende eeuw vormden waterwegen de belangrijkste transportroutes op het grondgebied van de gemeente Súdwest-Fryslân. Verkeer over land beperkte zich – door een te drassige ondergrond – tot wegen over dijken, jaagpaden en de hoger gelegen kwelderwallen. Halverwege de negentiende eeuw werd echter de kwaliteit van de bestaande landwegen sterk verbeterd en nieuwe verharde wegen aangelegd. Naast de landwegen kwam er eind negentiende eeuw een nieuwe manier van vervoer over land toen de spoorwegen werden aangelegd. In de negentiende eeuw groeide het idee om de Zuiderzee te temmen en in 1932 werd daarom de Afsluitdijk aangelegd. Door de aanleg van de Afsluitdijk werd Noord-Holland ook vanuit het noorden over land bereikbaar en militair gezien vormde dit een bedreiging. De Stelling van Kornwerderzand en de Wonsstelling moesten hiervoor bescherming bieden. Daarnaast zorgde de Afsluitdijk ervoor dat er opnieuw sprake was van landaanwas langs de westkust. Bij de tweede buitendijkse inpolderingsfase werden de Polder Geele Strand en de Makkumer Waard omkaad.

In de twintigste eeuw liep een groot gedeelte van de Nederlandse landbouw tegen haar grenzen aan. Dit kwam door een slechte ontsluiting van het gebied, versnippering van het grondeigendom en de slechte waterhuishouding. Om deze problemen het hoofd te bieden werd daarom overgegaan op ruilverkavelingen. In de gemeente Súdwest-Fryslân zijn in de twintigste eeuw negen ruilverkavelingen geweest, die ook allemaal binnen de opdrachtbegrenzing vallen. Deel B: Conclusie en waardering Binnen het cultuurlandschap is alles van waarde, maar niet alles is even waardevol. Dit geldt niet alleen bij een wetenschappelijke waardering, maar ook bij de ontwikkelingspotentie van de afzonderlijke elementen, en bij de waardering door bewoners. Alle drie kunnen ze invloed hebben op het politieke standpunt om historisch-geografische waarden al dan niet in het bestemmingsplan op te nemen. Met deze opdracht wordt de eerste stap naar een historisch-geografische waardenkaart gezet door een wetenschappelijke waardering toe te passen. Het is vervolgens aan de gemeente om – optioneel – met ontwikkelingspotentie en bewonerswaardering een drietrapsraket te maken en dat om te zetten in een politiek standpunt. Aardkundig van ‘zeer hoge’ waarde zijn de stuwwallen, de voormalige getijdengeulen van de Marneslenk en Middelzee, de voormalige meeroevers en de voormalige veenriviertjes.

Tevens krijgen alle terpen een historisch-geografische waardering van ‘zeer hoog’. De bedijking van de moederpolder en hempolders krijgen – net als de Pingjumer Gulden Halsband – een historisch-geografische waardering van ‘zeer hoog’. Bijzonder is dat negentig procent van de hempolders binnen de begrenzing van de gemeente Súdwest– Fryslân ligt. De hempolderverkavelingen, die binnen de opdrachtbegrenzing vallen hebben meer dan 75% van hun oorspronkelijke verkaveling behouden en krijgen een historisch-geografische waardering van ‘zeer hoog’. Dit geld echter niet voor de verkaveling van de Schraarderhem. De typerende blokverkaveling van de Middelzee valt grotendeels buiten de gemeentegrens. Uitzondering hierop is de blokverkaveling ten noorden van Sneek en IJsbrechtum met een waardering van ‘zeer hoog’. Net als de Middelzeedijk zelf. De oorspronkelijke veenontginningsloten krijgen ook een historisch-geografische waarde van ‘zeer hoog’. De Nieuwe Zeedijk heeft een ‘zeer hoge’ historisch-geografische waarde. Net als alle kolken en de verkaveling in het Workumer Nieuwland. Datzelfde geldt voor de bijbehorende polderwegen. De drie overgebleven eendenkooien krijgen ook een historisch-geografische waarde van ‘zeer hoog’. Opvaarten , die zorgden voor de ontsluiting van dorpen en boerderijen, hebben ook een ‘zeer hoge’ waarde.

Bij de polders uit de tweede binnenlandse inpolderingsfase zijn het de verkaveling van de Makkumermeerpolder en de polderwegen van de Workumermeer- en Parregaastermeerpolder, die een ‘zeer hoge’ waardering krijgen. Verder krijgt de verkaveling van de buitendijkse Polder Geele Strand een ‘zeer hoge’ waardering. Ondanks het uitblijven van een waarde voor gaafheid krijgen de kruinige percelen een ‘zeer hoge’ historischgeografische waardering. Net als de oudste wegen binnen de opdrachtbegrenzing. De Afsluitdijk en de Stelling van Kornwerderzand krijgen deze waardering ook. Aanbevelingen De rapportage sluit af met een drietal procesaanbevelingen, namelijk advies voor het opzetten van een drietrapsraket, opname in bestemmingsplannen en het opstellen van een onderzoeksagenda, en achttien onderzoeksaanbevelingen. De laatste zijn per hoofdstuk uiteengezet.

7

Inhoudsopgave

Voorwoord _____________________________________________________________________________ 5 Samenvatting ___________________________________________________________________________ 6 1. Inleiding_____________________________________________________________________________ 10

Deel A: Landschapsbiografie 2. Súdwest-Fryslân, gevormd met water, veen, zeeklei en keileem _____________________________ 14 Overzichtskaart _______________________________________________________________________ 20 3. Terpenlân van Súdwest-Fryslân (IJzertijd-850) ____________________________________________ 21 Overzichtskaart _______________________________________________________________________ 24 4. Huidig Súdwest-Fryslân krijgt vorm (850-1150) ___________________________________________ 25 4.1 Ringdijken om de moederpolders ______________________________________________________ 25 4.2 Inpoldering van de Marneslenk en de Middelzee __________________________________________ 27 4.3 Ontginning van de veengebieden in het Lage Midden _____________________________________ 32 4.4 Ontstaan van de meren ______________________________________________________________ 37 Overzichtskaart _______________________________________________________________________ 39 5.

Ordening en strijd (1150-1550) _________________________________________________________ 41 5.1 Hemdijken tegen het binnenwater uit het Lage Midden ____________________________________ 41 5.2 De Slachtedijk als binnendijk __________________________________________________________ 43 5.3 Van buiten- naar binnenwaterhuishouding ______________________________________________ 44 5.4 Akkercomplexen op de stuwwallen ____________________________________________________ 45 Overzichtskaart _______________________________________________________________________ 48 6. Voortvarend en welvarend (1550-1800) __________________________________________________ 49 6.1 De Nieuwe Zeedijk en slaperdijken worden opgeworpen ___________________________________ 49 6.2 Buitendijkse landaanwinning: fase 1 ____________________________________________________ 51 6.3 Inpoldering van grote meren: fase 1 ____________________________________________________ 52 6.4 Aanleg van eendenkooien ____________________________________________________________ 54 6.5 Aanleg van trekvaarten en opvaarten ___________________________________________________ 55 Overzichtskaart _______________________________________________________________________ 58 7.

Landbouw, straatwegen en spoorlijnen (1800-1900) _______________________________________ 59 7.1 Inpoldering van grote meren: fase 2 ____________________________________________________ 59 7.2 Kruinige percelen ___________________________________________________________________ 62 7.3 Van waterwegen naar landwegen, tram- en spoorlijnen ____________________________________ 63 7.4 Terpafgravingen ____________________________________________________________________ 66 7.5 Kleiwinning ________________________________________________________________________ 67 7.6 Moderne kanalen worden aangelegd ___________________________________________________ 68 Overzichtskaart _______________________________________________________________________ 69

8

8. Bestemming Súdwest-Fryslân (1900-1965) _______________________________________________ 70 8.1 De Afsluitdijk komt gereed ___________________________________________________________ 70 8.2 Landsverdediging met de Stelling van Kornwerderzand en de Wonsstelling ____________________ 70 8.3 Buitendijkse landaanwinning: fase 2 ____________________________________________________ 72 8.4 Ruilverkaveling helpt de landbouw vooruit ______________________________________________ 74 Overzichtskaart _______________________________________________________________________ 82

Deel B: Conclusie en waardering 9. Conclusies en waardering ______________________________________________________________ 86 9.1 Samenvatting met onderbouwing van de historisch-geografische waardering __________________ 86 9.2 Kaartenreeks met waardering per hoofdstuk _____________________________________________ 94 9.3 Aanbevelingen ____________________________________________________________________ 102 Historisch-geografische inventarisatiekaart ________________________________________________ 107 Historisch-geografische waardenkaart ____________________________________________________ 108

Literatuurlijst _________________________________________________________________________ 109

9

1. Inleiding Aanleiding Per 1 januari 2012 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd naar aanleiding van de Modernisering Monumentenwet (MoMo). De wijziging in het Bro bepaalt dat cultuurhistorische waarden uitdrukkelijk moeten worden meegewogen in ruimtelijke plannen. De gemeente Súdwest-Fryslân staat in 2014 voor de opgave om de bestemmingsplannen van het buitengebied te actualiseren. Dit geldt voor het grondgebied van de voormalige gemeenten Wonseradeel, Nijefurd en Sneek. Bij actualisatie van deze bestemmingsplannen wil de gemeente de historisch-geografische waarden van haar grondgebied een volwaardige rol geven. Opdracht De gemeente heeft Cultuurland Advies gevraagd om met behulp van de methodiek van de landschapsbiografie de historisch-geografische waarden inzichtelijk te maken. De chronologische indeling van de landschapsbiografie is identiek aan de indeling van het beleidsstuk ‘De Wordingsgeschiedenis van Fryslân’ van de provincie Friesland.1 Het doel van de opdracht is om de historisch-geografische elementen op basis van bestaande literatuur op perceelsniveau te inventariseren en te waarderen, zodat deze opgenomen kunnen worden in het bestemmingsplan buitengebied.

Het gebouwde en archeologisch erfgoed maken geen deel uit van deze inventarisatie (omdat het een andere discipline betreft), evenals hekken en bijzondere groene structuren (omdat het een andere, intensievere manier van inventariseren vereist). Daarnaast vallen aanbevelingen over de opname van cultuurhistorische waarden in het bestemmingsplan niet binnen deze opdracht. Gebiedsafbakening

1

Provincie Frielsand, 2009, 15.

10

Processchema De uitwerking van de rapportage gebeurde aan de hand van twee stappen, die in het volgende processchema uiteen zijn gezet en tevens chronologisch in de tijd staat. De opdracht is uitgevoerd in de eerste helft van 2014. 1. Beoordelen inhoudsopgave en aanleveren relevante informatie

Stap A

Tweede lezer van de gemeente of historische vereniging 2. Beoordelen conceptrapport

1ste overlegmoment met de gemeente

Historisch‐geografische inventarisatie 1. Beoordelen inhoudsopgave

prof.dr.ir. Theo Spek 2. Beoordelen conceptrapport

Stap B

2de overlegmoment met de gemeente

Historisch‐geografische waardering

Leeswijzer De rapportage is voor de vraagstelling van de gemeente en de leesbaarheid opgedeeld in twee delen. In Deel A wordt de historisch-geografische inventarisatie behandeld. Dit deel kan tevens zelfstandig worden gelezen. Vervolgens wordt in Deel B de historisch-geografische waardering gepresenteerd. Voor iemand die bekend is met de lokale situatie is dit deel zelfstandig te lezen, maar voor de buitenstaander wordt aanbevolen om eerst Deel A te lezen.

<< Het plangebied beslaat ongeveer 30.000 ha en betreft het buitengebied van de voormalige gemeenten Wunseradiel, Nijefurd en Sneek. De bestemmingsplannen voor het buitengebied van Wymbritseradiel en Bolsward zijn reeds voor de fusie van de gemeenten geactualiseerd en maken geen deel uit van deze inventarisatie.

11

Deel A

12

Landschapsbiografie

13

2. Súdwest-Fryslân, gevormd met water, veen, zeeklei en keileem De basis voor het huidige landschap in de gemeente Súdwest-Fryslân is gelegd in de voorlaatste ijstijd toen een grote gletsjer vanuit Scandinavië over Noord- en Midden-Nederland trok. Op sommige plaatsen zijn de overblijfselen van deze ijstijd nog in het landschap te zien in de vorm van keileemlagen en stuwwallen. Het overgrote deel van het landschap is echter na de periode van de ijstijden overdekt met jongere lagen, die dateren uit de laatste 10.000 jaar. In de geologische periode van het holoceen deden water, veen en zeeklei hun intrede en zorgden dat de gemeente Súdwest-Fryslân een bijzonder gevarieerd landschap kreeg. Stuwwal- en dekzandlandschappen Tijdens het grootste deel van de voorlaatste ijstijd lag Friesland dus onder het landijs. Toch zijn er duidelijk verschillende perioden binnen de voorlaatste ijstijd te onderscheiden. In iedere periode lag de grens van het landijs ergens anders in Nederland. De meest zuidelijke uitbreiding was ongeveer op de plaats waar nu de Rijn en Maas stromen. In een eerder stadium, zo rond 170.000 v. Chr., lag het landijsfront ter hoogte van Gaasterland. Aan de voor- en zijkanten van dit landijsfront werden lokale afzettingen opgestuwd. Bij Gaasterland werden niet alleen de oudere rivierafzettingen opgestuwd, maar ook de keileemlaag die onder het landijs lag.

Keileem bestaat uit klei, zand en stenen en vormt een dichte, ondoorlaatbare laag. In de meeste delen van de provincie Friesland bevindt zich dat meer dan twee meter onder het maaiveld, maar in de omgeving van Gaasterland komt de keileemlaag aan het oppervlak.2 De stuwwalophogingen van Koudum, Hemelum, Warns Skarl, Roode Klif en Oude Mirdumerklif zijn daarmee een uitwerking van het landijs uit de voorlaatste ijstijd. Al deze stuwwallen tezamen vormen een halfronde boog. In het midden van die boog lag indertijd een grote ijslob. Tegenwoordig zijn deze stuwwalophogingen – met een hoogte van 3,7 m bij Skarl, 6,8 m bij Hemelum en 10,0 m bij Roode Klif –de hoogste punten van de gemeente. In de laatste ijstijd (Weichselien, 115.000-10.000 jaar geleden) bereikte het landijs de provincie Friesland niet meer. Wel heerste er tot ongeveer 10.000 jaar geleden een zeer koud klimaat en zag de provincie er als een toendra uit. Tijdens deze laatste ijstijd werd het zwak golvende toendralandschap aangetast door erosie.3 Grote pakketten met zand werden door de wind verplaatst en weer afgezet. Het gehele grondgebied van de gemeente Súdwest-Fryslân kwam daardoor onder een dikke laag fijn zand te liggen: het zogenoemde dekzand.

Aan het einde van de geologische tijdsperiode van het pleistoceen (10.000 jaar geleden) kon het grondgebied van de gemeente Súdwest-Fryslân dan ook in twee onderdelen worden opgedeeld: de stuwwallen van Gaasterland in het zuiden met daaromheen een uitgestrekt dekzandlandschap.4 Kwelderlandschap In de millennia hierna stonden grote landschappelijke veranderingen op stapel. Langzamerhand ontstond een milder klimaat. De zeespiegel steeg en aan de kustzijde van de provincie Friesland werd een kwelderlandschap gevormd. Ongeveer 2600 jaar geleden kwamen de kwelders boven gemiddeld hoog water kwam te liggen. In de gemeente Súdwest-Fryslân betekende dit dat in die periode het kwelderlandschap zich uitstrekte van de noordgrens tot aan de lijn van het huidige Bolsward en Sneek. Het natuurlijke kwelderlandschap bestond uit verschillende onderdelen, waarin vijf zones te onderscheiden waren: een pionierzone, een lage kwelderwal, een middenkwelderwal, een hoge kwelderwal en daartussenin lagen de kwelderbekkens. De pionierzone was het gebied tussen het wad en gemiddeld hoogwater en kende een vegetatie die voor het belangrijkste deel bestaat uit zeekraal en schorrekruid. Als ook kweldergras zich vestigde, ontstond vrij snel een dichte vegetatie die de sedimentatie van slib, zavel en zand bevorderde. Op die manier ontstond een lage kwelderwal.5

>> Op het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) zijn enkele landschappen goed te onderscheiden, waaronder de hogere oeverwallen (groen) in de Marneslenk uit het zeeboezemlandschap, de opgestuwde gronden (geel) van de stuwwallen in het zuiden en de diepe meren (donkerblauw) tussen Makkum, Bolsward en Workum. Andere landschappen zijn minder goed uit elkaar te halen en dat betreft voornamelijk het veen- en het klei-opveenlandschap. Oorspronkelijk hadden deze twee landschappen een hoogteverschil van soms wel drie meter, maar door latere afgraving van het veenlandschap zijn de verschillen geminimaliseerd. 2

Provincie Fryslân, 2009, 15. Zie ook H.J. Pierik, E. Bregman en K.M. Cohen (2011). New GIS and iterated phase model of the Saalian glaciation in the Netherlands and NW-Germany. Utrecht. 3 Provincie Fryslân, 2009, 15. 4 Vos et al., 2011. 5 Jongmans et al., 2013, 812-813. Vos et al., 2011.

14

Kwelderlandschap

Marneslenkboezem Middelzeeboezem Bolsward

!

Makkum

!

Sneek

!

Klei-op-veenlandschap Workum

!

Veenlandschap

Balk

!

Stavoren

!

Stuwwallandschap Lemmer

!

Hoogtekaart van de gemeente Súdwest-Fryslân

Opdrachtinformatie

Hoogte in centimeter +NAP

Begrenzing

-1000 - -500

-300 - -200

-100 - -50

0 - 50

100 - 150

200 - 300

400 - 600

1000 - 1500

-500 - -300

-200 - -100

-50 - 0

50 - 100

150 - 200

300 - 400

600 - 1000

Raai

Súdwest-Fryslân

Schaal 0

Bronmateriaal Opdracht

1:135.000 op A4-formaat 3.00 0 m

AHN 1, Rijkswaterstaat (1:10.000)

Cartograaf Martijn Horst, C ultuurland Advies, 2014.

Een lage kwelderwal lag tot ongeveer vijftig centimeter hoger dan gemiddeld hoog water en kenmerkte zich door een vegetatie van kweldergras. Een dergelijke kwelderwal werd niet meer bij elke vloed overstroomd, maar liep nog wel onder bij springvloed en bij sterke aanlandse wind. Een middenkwelder was al zover ‘aangegroeid’ dat ook bij springvloed de kwelder niet altijd meer overstroomde. Dat betekende een overspoelingsfrequentie van minder dan vijftig dagen per jaar. De hoogste delen van de middenkwelder lagen hoger dan tachtig centimeter boven gemiddeld hoog water en overspoelden nog veel minder vaak. Bij een continuerende aangroeiing van de kwelderwal ontstond uiteindelijk een hoge kwelderwal, die nog maar sporadisch overstroomde, bijvoorbeeld tijdens een bijzonder hoge spring- of stormvloed. Het hoogste deel van een hoge kwelderwal wordt kwelderzoom genoemd.6 De oudste kwelderwallen liggen het meest landinwaarts, doordat de kust zich naar de zeezijde toe uitbreidde met jongere, telkens iets hoger gelegen, kwelderwallen. Tussen de kwelderwallen lagen laagten, die kwelderbekkens worden genoemd. Deze zijn met meer kleiig materiaal opgevuld.7

max. hoogte van het veen

Deze dwarsdoorsnede laat de ondergrond van de bodem tussen Bakhuizen en Harlingen zien. In het oranje-rood zijn nog de stuwingen uit de voorlaatste ijstijd te zien. In het geel ligt daar het dekzand uit de laatste ijstijd bovenop. Na deze periode werd het warmer en kon zich een uitgestrekt veengebied vormen. Dit veengebied is – op het klei-op-veendek na – echter niet meer te herkennen. De maximale hoogte van het oorspronkelijke veen is met een stippellijn aangegeven. In het groen zijn de klei-afzettingen uit de laatste millennia te herkennen. De zee kreeg als eerste in het noorden (de rechterkant van de dwarsdoorsnede) voet aan wal en vormde daar kwelders. Langzaam spreidde de kwelder zich naar het zuiden (de linkerkant van de dwarsdoorsnede) uit en ruimde daarbij het oorspronkelijke veengebied – dat vaak al door de mens was afgegraven – op.

Veen- en klei-op-veenlandschappen Door de kustuitbouw van de kwelders stagneerde de afwatering van het achterland en kon er landinwaarts uitgestrekte laag- en hoogveenmoerassen ontstaan. Laagveen ontwikkelde zich onder invloed van voedselrijk oppervlakte en grondwater, hoogveen uitsluitend door voedselarm regenwater. In grote gedeeltes van het achterland ontwikkelde zich laagveen met rietveen, later overgaand in rietzeggeveen en 6

Bazelmans, Groenendijk en De Langen, 2005, 12-13. Jongmans et al., 2013, 812-813. De kwelderwallen, de kwelderbekkens, de knipklei en het klei-op-veen worden het ‘oudland’ of het ‘kernland’ genoemd. In tegenstelling tot het Nederlandse zuidwestelijke zeekleilandschap is er in het noordelijk zeekleilandschap weinig ‘nieuwland’ ontwikkeld. Dit heeft te maken met de geringere getijdenverschillen, het ontbreken van een estuariumkust en de positie van de kust ten opzichte van de Noordzee. 7

16

zeggeveen, en uiteindelijk soms zelfs veenmosveen. Dit laatste gebeurde uitsluitend als de bovenste laag van het veen niet meer met voedselrijk oppervlaktewater werd gevoed, maar slechts met voedselarm regenwater in aanraking kwam. Het veen nam landinwaarts op deze manier zeer geleidelijk in hoogte toe en ging daarbij in toenemende mate over van laagveen naar hoogveen.8 Uiteindelijk resulteerde dit alles in een zeer uitgestrekt veenlandschap dat dichtbij getijdegeulen en riviertjes vooral uit rietmoerassen bestond, in de zone daarachter geleidelijk overging in open zeggenmoerassen en uiteindelijk in een enkele meters hoger gelegen hoogveenlandschap. Deze hoogvenen hadden vaak een koepelvormig uiterlijk met een doorsnede van enkele kilometers en een hoogte van enkele meters. Veenvorming kwam in meerdere periodes voor in de provincie Friesland en is dan ook in verschillende ondergrondslagen nog terug te vinden. Voor het huidige landschap van de gemeente Súdwest-Fryslân is vooral de laatste grote veenvorming van laag- en hoogveen van belang. Deze uitgestrekte veengebieden besloegen een groot deel van het laaggelegen Nederland en binnen de gemeente Súdwest-Fryslân voornamelijk het gebied dat nu als het Lage Midden bekend staat. Het strekte zich uit van grofweg de lijn Bolsward en Sneek – waar het kwelderlandschap begon – tot ver ten zuiden van de stuwwallen van Gaasterland.

Tegenwoordig komt binnen de opdrachtbegrenzing alleen bij It Heidenskip, de Rijsterpolder bij Bakhuizen en ten zuiden van Sneek nog veen aan de oppervlakte voor. Het deel van de gemeente SúdwestFryslân dat buiten de opdrachtbegrenzing valt bestaat wel grotendeels uit veenlandschap en behoort tot het Lage Midden. Het gebied dat tegenwoordig bekend staat als het Lage Midden kon in de oorspronkelijke natuurlijke toestand overigens beter worden aangeduid als het ‘Hoge Midden’, omdat daar toen nog uitgestrekte hoogveenkoepels lagen die meters boven de omgeving uitstaken.9 Niet alleen in het kwelderlandschap, maar ook in het veenlandschap werd met enige regelmaat zeeklei afgezet. In eerste instantie alleen bij bijzonder hoog water, maar door het voortdurend stijgen van de zeespiegel nam de frequentie van de overstromingen in het binnenland steeds verder toe. De kust was destijds grotendeels gesloten en natuurlijke ontwatering van het veen was nog maar beperkt mogelijk. Dit was vooral in de winter het geval wanneer er een neerslagoverschot heerste. Tegelijkertijd werd zo nu en dan vanuit de grote getijdengeulen zout water aangevoerd. Met name bij hoog tij en aanlandige wind werden grote hoeveelheden zout water ingelaten. Gedurende de winter kwamen daardoor grote delen van de lage kwelder en het laagveen dat het dichtst bij de kust lag langdurig onder water te staan.

Onder rustige omstandigheden konden daardoor fijne kleideeltjes op het veen worden afgezet en ontstond een klei-opveenbodem. In sommige gevallen bestond deze klei uit zware tot zeer zware en meestal kalkloze klei zonder gelaagdheid en met een lichte olijfgroene kleur. Deze zeer zware klei wordt met ‘knipklei’ aangeduid en komt zowel in het kwelderlandschap als in het klei-op-veenlandschap voor.10 Binnen de opdrachtbegrenzing ligt langs de gehele westkust een strook met klei-op-veen. Deze begint al in de driehoek van de stuwwallen van Bakhuizen, Warns en Koudum en gaat dan noordwaarts ten westen van de stuwwal van Koudum richting Workum en Nijhuizum. Het klei-op-veenlandschap eindigt bij de Workumermeerpolder en de Parregaastermeerpolder. Buiten de opdrachtbegrenzing, maar binnen de gemeente Súdwest-Fryslân gaat ten zuiden van de lijn Bolsward-Sneek het klei-op-veenlandschap verder.11 Door het dynamische landschap van de kwelders, het veengebied en de inbraken van de zee konden er op plekken in de directe nabijheid van de Middelzee vier lagen boven elkaar ontstaan. Onderop ligt dan het veen, in het midden wordt het veen allereerst afgedekt door ‘gewone’ klei en in tweede instantie met de kleizandafzettingen van de kwelders en bovenop ligt een laag kalkarme knipklei. Het gehele pakket varieert in dikte tussen 110 en 160 cm.

Op grotere afstand van de Middelzee ontbreekt het middelste gedeelte en is alleen nog sprake van een afdekkende laag knipklei met een dikte van veertig tot zestig centimeter.12 Zeeboezemlandschap De Middelzee en de Marneslenk zijn beiden getijdengeulen uit het kwelderlandschap die uitgroeiden tot brede zeeboezems. De getijdengeulen en de zeeboezems volgden elkaar daarmee chronologisch op, maar 8

Gerrets, 2010, 26. Vos, et al, 2011. Zie daarvoor ook De Langen (2011). 10 Gerrets, 2010, 27. Gerrets geeft aan dat in sommige literatuur onnauwkeurig wordt omgesprongen met de term ‘knipklei’, waardoor de suggestie wordt gewekt, dat alle klei-afzettingen bovenop het veen knipklei zouden zijn. Dit is echter niet altijd het geval. 11 De klei-op-veenlandschappen hebben lang niet allemaal een natuurlijke genese. Er zijn ook veel middeleeuwse veenontginningslandschappen, die als gevolg van klink en oxidatie sterk zijn gedaald en vervolgens door de zee zijn overstroomd. 12 Gerrets, 2010, 28. Zie voor een uitgebreide beschrijving van de bodemkundige kartering ook de publicaties van de Stichting voor Bodemkartering (1965, 1970 en 1974). 9

17

de overgangsgrens is niet duidelijk aan te geven. Het lijkt erop dat de Middelzee zich pas in de loop van de achtste en negende eeuw tot zeeboezem ontwikkelde vanuit een diepe, scherpbegrensde getijdengeul, die het oostelijk Boornebekken wordt genoemd. In de loop van de tiende eeuw kwam de Middelzee in contact met de andere uitgegroeide getijdengeul; de Marneslenk. Deze Marneslenk had op het hoogtepunt een breedte van vijf tot zes kilometer, van noord naar zuid gemeten. Landinwaarts strekte de Marneslenk via allerlei geulen zich twaalf kilometer uit, totdat het ten westen van Bolsward in contact kwam met het water van de Middelzee. De waterscheiding zal daar niet breder dan enkele tientallen meters zijn geweest. De Middelzee was in alles een maatje groter. Ten noorden van Sneek had deze waterboezem een breedte van zeven kilometer en vanaf het contact met de Marneslenk was het veertig kilometer tot aan de Waddenzee. Dit moet overigens ook de periode zijn geweest waarin de kenmerkende trechtervorm van de Middelzee in het noorden tot stand kwam.13 Bij de uitbreidingen van beide zeeboezems ontstonden– door klei- en zandafzettingen – oeverwallen. Deze oeverwallen lagen iets hoger in het landschap dan de reguliere klei-afzettingen en waren daardoor beter ontwaterd. Bij Bolsward kwamen vier bovenlopen van de Marne samen.

Eén daarvan is de Ee, waarvan de trekvaart van Workum naar Bolsward nog grotendeels het overblijfsel is. Een tweede tak ving aan ten noordwesten van Oosthem om eveneens ter hoogte van Bolsward in de Marne uit te stromen.14

Kwelderwal

Voormalige Marneslenk

De zware zeekleigronden uit de voormalige zeeboezem van de Marneslenk zijn in het landschap goed te herkennen wanneer de akkers worden omgeploegd. Zowel in de Middelzeeboezem als in de Marneslenkboezem zijn deze zeekleigronden afgezet. Op de achtergrond ligt het dorp Arum, dat op een kwelderwal is aangelegd.

>> Op de paleografische kaarten van Vos (2011) is het ontstaan van het Friese landschap tussen 3850 v. Chr. en 800 n. Chr. op een duidelijke manier inzichtelijk gemaakt. Bovenop het pleistocene dekzandlandschap komt vanaf 2750 v. Chr. in het noorden een uitgestrekt kwelderlandschap en in het zuiden een omvangrijk veenlandschap te liggen. In de eeuwen daarna breidt het kwelderlandschap zich uit naar het zuiden. Alleen de stuwwallen van Gaasterland blijven ongeschonden van een kleidek of een veenbedekking. 13

Gerrets, 2010, 28-31 en 34 en eigen kaartvergelijking voor de afstanden. Zie ook Jongmans et al., 2013, 837 en Bazelmans, Groenendijk en De Langen, 2005, 10. 14 Gerrets, 2010, 35.

18

Oostergo

Oostergo

Westergo

Westergo

Lage Midden

Lage Midden

Gaasterland

Gaasterland

3850 v. Chr.

2750 v. Chr.

Oostergo

Oostergo

Westergo

Westergo

Lage Midden

Lage Midden

Gaasterland

Gaasterland

1500 v. Chr.

500 v. Chr.

Súdwest-Fryslân, gevormd met water, veen, zeeklei en keileem Paleogeografische kaarten tussen 3850 v. Chr. en 800 n. Chr.

Oostergo Westergo

Legenda Pleistoceen Roze = dekzand < NAP Lichtgeel = dekzand > NAP Donkergeel = stuwwal

Lage Midden

Holoceen Groen = getijdengebied Bruin = stuwwal en keileem

Gaasterland

Bron: P.C. Vos, et al. (2011)

800 n. Chr.

Harl inge rvaa

rt

Westergo

art erva jum Ping

Witmars ume r Va art

Bedelaarsvaart

Marneslenkboezem

er erm e kum k a M

Bolsward

ee r

!

To otm

Makkum

Sn ee ke rO ud va art

Middelzeeboezem

Ou de Ri et

!

Sneek

!

De Ho rsa

es It G

Parregaastermeer

Ou de Rij n

e

W or k

um er me er

rE me slu e i H

Workum

Wij de

Lar ts

!

Haa nme er

Lage Midden

n ze ron G De

ilar Ku De

!

!

t

r ee rm de or No

Stavoren

Balk

r rmee Zuide

Gaasterland

Lemmer

!

H2. Súdwest-Fryslân, gevormd met water, veen, zeeklei en keileem Natuurlijke landschap

Stuwwallandschap

Zeekleilandschap

Verdwenen land

Natuurlijke waterloop

Veenlandschap

Zeeboezemlandschap

Water

Meeroever

Kwelderlandschap

Klei-op-veenlandschap

Zuiderzee

Opdrachtinformatie Bronmateriaal

Begrenzing Súdwest-Fryslân

Schaal 0

Opdracht

1:67.500 op A2-formaat 1

2

3 km

Bodemkaart, Alterra (1:50.000) Geomorfologische kaart, Alterra (1:50.000) AHN1, Rijkswaterstaat (1:10.000)

Cartograaf Martijn Horst, Cultuurland Advies, 2014.

3. Terpenlân van Súdwest-Fryslân (IJzertijd-850) Het kwelder- en veenlandschap van de gemeente Súdwest-Fryslân was rond 500 v. Chr. vrijwel boomloos en bij helder weer kon de wijde omgeving over een afstand van vele kilometers worden overzien. Alleen de stuwwallen van Gaasterland zullen met bomen begroeid zijn geweest.15 Toch was het kwelderlandschap al in de zesde eeuw voor Christus een aantrekkelijk landschap voor mensen om zich te vestigen. De eerste immigranten moeten vooral op zoek zijn geweest naar weidegronden. De herkomst van deze nieuwkomers is nog onzeker. Mogelijk waren ze afkomstig van de Drentse zandgronden, maar er zijn ook onderzoekers die beweren dat de eerste bewoners uit het kweldergebied van Duitsland kwamen.16 Hoe het ook zij: in meer dan 1600 jaar – vanaf 500 v. Chr. tot ongeveer 1100 n. Chr. – gaven deze nieuwe bewoners het natuurlijke kwelderlandschap een compleet nieuw gezicht door terpen op te werpen. In heel Friesland liggen tegenwoordig nog honderden terpen, die geheel of – voornamelijk – gedeeltelijk intact zijn. Binnen de begrenzing van de gemeente Súdwest-Fryslân zijn nog 72 terpen terug te vinden. Daarvan liggen er weer 62 binnen de opdrachtbegrenzing.

Wanneer ook de gebieden worden meegeteld die – vanuit de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) – in aanmerking komen voor waarderend booronderzoek dan komen daar nog twintig terpen bij. Eerste terpengeneratie (500 tot 200 v. Chr.) Het is waarschijnlijk dat de eerste bewoners aanvankelijk alleen in de zomer in het kwelderlandschap verbleven, maar spoedig vestigden ze zich er permanent. Want vanaf ongeveer 500 v. Chr. waren er middenkwelders beschikbaar die zich leenden voor een eerste bewoning op terpen. Dit wordt ook wel de eerste terpengeneratie genoemd. De terpen werden opgehoogd met kleiplaggen, die op de kwelder vergaard werden, en met mest en organisch afval. Op de hoogste delen van de kwelderwal was akkerbouw mogelijk en de bewoners leefden van visserij en jacht. De nieuwe immigranten kwamen terecht in een gebied dat goed bewoonbaar was, maar wat lokaal nog wel met enige regelmaat overstroomde.17 De oudste terpen kregen in de naamgeving vaak een uitgang op –hêm, dat soms verbasterd werd tot –um. In de gemeente Súdwest-Fryslân zijn daar Arum, Pingjum en Hichtum voorbeelden van. Verder in de tijd kwamen namen met –ing en –werth als uitgang opzetten, zoals Burgwerd, Hartwerd en Tsjerkwert.18 De terpen vormden één van de weinige zichtbare vormen van reliëf in dit open landschap.

Alleen op de terpen zelf was soms sprake van enige begroeiing van bomen en struiken, onder meer van vlier. De omringende kwelders waren begroeid met een zoutminnende vegetatie van grassen en kruiden. De kwelder werd doorsneden door enkele grote getijdengeulen en talloze kleine prielen, die het kwelderlandschap bij hoog water opdeelden. Dat gebeurde enkele malen per jaar. Vooral in het voorjaar en in de winter bij harde aanlandse storm, bereikte de zee een zodanig hoge waterstand, dat vrijwel de gehele kwelder onder water kwam te staan. De terpen vormden dan nog slechts kleine eilanden in een uitgestrekte watervlakte.19 De dreiging van de overstromingen bracht de bewoners er toe om de kwelderwal – en dan met name de akkers – in eerste instantie met lage dijkjes te beschermden. Uit archeologisch onderzoek te Wijnaldum, Dongjum en Peins is gebleken dat de terpbewoners al tijdens de eerste terpengeneratie waren begonnen om kleine arealen kwelderland te bedijken met de bedoeling het land als akkerland en mogelijk deels als weide- of hooiland te gebruiken. Deze vermoedelijke ringdijken fungeerden allen als zomerdijk, waarbij het bedijkte land in de winter nog met grote regelmaat werd overstroomd.

Deze dijken en eerste verkaveling met sloten zijn echter slechts gedeeltelijk onder de latere terpen bewaard gebleven, waardoor ze historischgeografisch niet meer herkenbaar zijn.20 Pas toen middeleeuwse dijken echt bescherming gingen bieden tegen de wintervloeden konden stukken land op een grootschalige manier verkaveld worden. Aangenomen mag dan ook worden dat de oudste delen van de huidige verkaveling niet ouder zijn dan middeleeuws.21

15

Gerrets, 2010, 16. Hacquebord, 2010, 17-18. 17 Hacquebord, 2010, 17-18. Bazelmans, Groenendijk en De Langen, 2005, 12-13. Zie ook het proefschrift G. de Langen (1992). Middeleeuws Friesland. De economische ontwikkeling van het gewest Oostergo in de vroege en volle Middeleeuwen. Groningen. 18 Gildemacher, 2008, 99 en 197. De terpnamen zijn overigens niet één op één te koppelen aan de terpengeneraties, omdat het – vooral bij de oudste genereaties terpnamen – onduidelijk is wanneer een naamsuitgang precies begon en weer werd overgenomen door de volgende naamsuitgang. Duidelijk is echter wel dat de namen elkaar chronologisch opvolgden. 19 Gerrets, 2010, 16. Zie voor een meer uitgebreidere reconstructie van de vegetatie in het Nederlandse kustlandschap ook het proefschrift M. Schepers (2014). Reconstructing vegetation diversity in coastal landscapes. Groningen. 20 Gerrets, 2010, 36. Zie ook Schroor, 2000, 20. 21 Provincie Fryslân, 2009, 24. 16

21

Tweede terpengeneratie (200 v. Chr. tot 200 n. Chr.) Rond de jaartelling kwam het terpengebied tot grote bloei. Het bewoonde gebied breidde zich snel uit. In de midden ijzertijd lag de kust nog op de lijn Hitzum-Tzum-Dronrijp-Beetgum. Daarna ontstonden voor de kust in hoog tempo nieuwe kwelderwallen. In de eerste eeuw lag de kust al ter hoogte van de lijn WijnaldumBerlikum. Enkele eeuwen later waren de wallen onder Sexbierum,Tzummarum, Minnertsga en Firdgum opgeslibd en begon de eerste exploitatie ervan.22 Overal ontstonden nieuwe terpen die intensief werden bewoond. Dit gebeurde over een periode van vierhonderd jaar tussen 200 v. Christus en 200 n. Christus. De condities moeten in die periode rustig zijn geweest.23 Tussen 300 tot 600 na Christus nam de bevolkingsdichtheid in het noordelijk zeekleigebied sterk af. De afwatering van het kweldergebied werd steeds moeizamer, omdat de zee langs de kust hoge kwelderwallen opwierp. Zo stagneerde na elke overstroming vanuit de zee de afvoer van het zeewater en werd daardoor tevens het rivierwater opgestuwd. Dit is de periode waarin onder andere knipklei afgezet kon worden. Het opgestuwde rivierwater zorgde er tevens voor dat de riviermondingen dichtslibden. Overal ontstonden moerasgebieden en het kweldergebied leek niet meer op het landschap dat de eerste bewoners hadden aangetroffen.

Het was tevens de periode van grote onrust in Noordwest-Europa. Het Romeinse Rijk stortte ineen. Aan de grenzen vielen de traditionele stamverbanden uit elkaar of smolten juist aaneen tot grotere eenheden. Bevolkingsgroepen raakten op drift en vestigden zich in andere gebieden. Het is de tijd van de grote volksverhuizingen. Veel bewoners verlieten in deze periode het kwelderlandschap en vooral uit Friesland trokken veel mensen weg. In de vierde eeuw was de uittocht zo groot dat hele terpen werden verlaten en sommige zelfs ook overslibt raakten. Erg lang is het kustgebied niet leeg geweest. Sinds de late vierde eeuw kwamen in verschillende fasen bevolkingsgroepen uit het Noordduitse kustgebied op de terpen wonen. In het huidige landschap zijn deze overslibde terpen niet meer herkenbaar en slechts bij toeval worden ze teruggevonden.24 Derde terpengeneratie (700 tot 1000) Vanaf de zesde eeuw waren de belangrijkste overstromingen voorbij en nam de bevolking weer toe. In de achtste eeuw is het hele kustgebied weer intensief bewoond. De terpen die opgeworpen zijn tussen 700 en 1000 maken onderdeel uit van de derde terpengeneratie. In alle generaties wordt daarbij onderscheid gemaakt tussen huisterpen en dorpsterpen. Een enkele verhoogde boerderij wordt een huisterp genoemd.

Doordat deze huisterpen geleidelijk aan omvangrijker werden, konden er meerdere aan elkaar groeien tot terpen waarop hele dorpen lagen. De terpen met meerdere boerderijen worden dorpsterpen genoemd.25 Aan het einde van deze periode veranderde de naamgeving van de terpen naar naamsuitgangen met – werua en –therp, al is de uitgang –therp nauwelijks doorontwikkeld als nederzettingsnaam. Een voorbeeld binnen de gemeente Súdwest-Fryslân van een uitgang met – therp is Rijtseterp.26 De ronde terp met een radiaire kavelstructuur is het meest bekend geworden, al is deze opzet niet standaard voor een terp en zijn ze zelfs betrekkelijk zeldzaam. Op een kwelderwal is de inrichting namelijk bloksgewijs en haaks op de wallen en zijn de nederzettingen erop rechthoekig van opzet. Pas wanneer meerdere boerderijen clusteren in een redelijk egale omgeving gingen de bewoners over op een radiaire indeling van nederzetting en landschap. Duidelijke voorbeelden zijn wel in het noorden van Friesland aanwezig, maar ontbreken op het grondgebied van Súdwest-Fryslân.27 Gezien de natte omstandigheden en ook de slappe ondergrond waren woonpodia ook nodig in het klei-opveen- en veengebied. In de vroegste fase van bewoning bestond een dergelijke huisterp uit een kern van veen met daarover een afdekkende kleipakking. Zij liggen in een overgangszone tussen het echte kleigebied en het veengebied.

Deze zone is maximaal enkele kilometers breed en strekt zich uit van de omgeving ten oosten van Dokkum, over Leeuwarden, langs Rauwerd, naar Sneek en IJlst naar de streek ten zuiden van Bolsward. De veenterpen boden plaats aan een enkele boerderij. Tot op heden zijn nog geen grotere bekend. Wel is aangetoond dat veenterpen op sommige plaatsen binnen de ontginningszone clusteren, bijvoorbeeld even ten noorden van Sneek. Na verloop van tijd trad door klink meer waterwerking op en kon

22

Provincie Fryslân, 2009, 24. Jongmans et al., 2013, 814-816. Hacquebord, 2010, 18-19. 24 Jongmans et al., 2013, 814-816. Hacquebord, 2010, 18-19. 25 Hacquebord, 2010, 18-19. 26 Gildemacher, 2008, 278. 27 Provincie Fryslân, 2009, 25-26. 23

22

de zee (beter) toegang krijgen tot het ontginningsgebied. Dit ging gepaard met de afzetting van klei en het verder ophogen van de woonplaatsen met kleilagen.28 Vierde terpengeneratie (vanaf 1000) In de twaalfde eeuw startte de dijkbouw die in de daaropvolgende eeuwen verder werd uitgebouwd. De terpen waren daardoor niet langer noodzakelijk voor bescherming tegen het water, waardoor vanaf de late middeleeuwen in de bedijkte kwelders rond de terpen tal van nieuwe vlaknederzettingen zijn gebouwd, direct op het maaiveld. Meestal gaat het daarbij om individuele boerderijen (Fr. pleatsen). Toch zijn er ook na 1000 nog terpen opgeworpen in de zogenoemde vierde terpengeneratie. Deze terpen dienden voornamelijk als vluchtplaatsen voor het vee bij dijkdoorbraken en hadden wellicht dichtbij bij de kust ook een woonfunctie.29 Deze terpen kregen behalve een naamgeving met de uitgang –werua of –therp ook naamsuitgangen met –huis, -buur, -walde of –ripa. Voorbeelden binnen de gemeente Súdwest-Fryslân zijn Groot Berghuis, Jonkershuizen, Ymswalde en Ferwalde.30 Ten zuiden van het kwelderlandschap met zijn terpen lag een uitgestrekt veenmoeras, waardoor de kwelder gescheiden werd van de hoger gelegen pleistocene zandgronden van het Fries-Drentse plateau. Door hun uitgestrektheid moeten de veenmoerassen een belangrijke barrière hebben gevormd voor de toenmalige terpbewoners.

Alleen over de grote rivieren, zoals de Boorne en vooral via de zee was contact met mensen van buiten de regio mogelijk.31

De kaarten die rond 1850 gemaakt zijn door Eekhoff zijn één van de weinige kaarten waarop het reliëf van de terpen is ingetekend. Op deze kaart van de grietenij van Wonseradeel zijn bijvoorbeeld de terpen van Harkezijl, De Tijm, Bittens, Schettens en Sotterum te zien.

28

Provincie Fryslân, 2009, 26. Vaak liggen deze terpen in veenontginningen die in de Late IJzertijd en Romeinse tijd vanaf de kwelderranden hebben plaatsgevonden en vervolgens door ontwatering en klink zijn ingezakt. Door kleine huisterpen op te werpen, konden de toenmalige bewoners hun verblijf in deze ontginningen nog wat rekken, deels ook door alleen in de zomer hier te wonen. Zie daarvoor De Lange (2011). 29 Hacquebord, 2010, 20. Jongmans et al., 2013, 814-816. Er zijn verschillende manieren om deze terpen onder te verdelen. De provincie Friesland doet dat naar kleiterpen en klei-op-veenterpen. Andere indelingen zijn: huisterpen en dorpsterpen, intacte terpen en vergraven terpen (bijv. op percentage uiteengezet) en op ouderdom. Bij de laatste indeling kan worden uitgegaan van de genoemde terpengeneraties in combinatie met de naamsouderdom uit Gildermacher (2008). 30 Gildemacher, 2008, 296. 31 Gerrets, 2010, 16.

23

Westergo

Marneslenkboezem

Middelzeeboezem

Bolsward

!

Makkum

!

Sneek

!

Workum

!

Lage Midden

Balk

!

Stavoren

!

Gaasterland

Lemmer

!

H3. Terpenlân van Súdwest-Fryslân (IJzertijd-850)

Begrenzing

Legenda Terp Terp (waard. ond.z.)

Opdrachtinformatie Bronmateriaal

Súdwest-Fryslân

Terp (buiten opdrachtsbegrenzing)

Schaal 0

Opdracht

1:67.500 op A2-formaat 1

2

3 km

CHK2, provincie Fryslan (1:50.000).

Cartograaf Martijn Horst, Cultuurland Advies, 2014.

4. Huidig Súdwest-Fryslân krijgt vorm (850-1150) Aan het einde van de vroege middeleeuwen werd het landschap van Súdwest-Fryslân al intensief gebruikt door terpbewoners, die onder andere akkerbouw bedreven op de kwelderwallen en wellicht ook al gebruik maakten van de randen van het veengebied. In de volle middeleeuwen konden de bewoners van het terpengebied het kwelder- en veenlandschap steeds meer naar hun hand zetten, onder meer door middel van bedijking en ontwatering. Eerst door moederpolders aan te leggen, vervolgens door de zeeboezems in te polderen en daarna de veengebieden systematisch in gebruik te nemen. Processen die vaak onafhankelijk van elkaar werden opgestart en in een tijdsbestek van ruim drie eeuwen de aanblik van Zuidwest-Friesland daarmee zeer ingrijpend veranderden.32

4.1 Ringdijken om de moederpolders Het kwelderlandschap tussen de Middelzee en de voormalige Zuiderzee werd aan het einde van de vroege middeleeuwen nog regelmatig overstroomd met het zeewater. De Middelzee had haar grootste uitbreiding bereikt en kwam bij het huidige Bolsward zelfs in contact met de Marneslenk. Dat zorgde ervoor dat het noordelijke gedeelte van Westergo als een eiland in het kwelderlandschap kwam te liggen. Om weerstand te bieden aan het – steeds gevaarlijk wordende – zeewater begonnen de bewoners omstreeks 950 de eerste doorgaande dijken op te werpen. Dit waren kades van ongeveer één tot anderhalve meter hoog. De bedijkers maakten – waar mogelijk – gebruik van terpen en natuurlijke verhogingen in het landschap. Daarnaast werden bij de bedijking zo weinig mogelijk grote geulen afgesneden, ogenschijnlijk om de afwatering van het kwelderland niet te hinderen. Geulen die wel werden afgesneden werden afgedamd en voorzien van eenvoudige uitwateringssluizen. Deze achtergrond verklaart waarom de oudste dijken vaak een grillige loop hebben. Er ontstonden bij deze bedijkingsfase vier afzonderlijke ringdijken, die in oudere literatuur de benaming ‘moederpolders’ hebben gekregen.33 De meest zuidelijke polder, en tevens grootste polder, lag ter hoogte van Hartwerd-Witmarsum. Ten oosten van deze polder lag de polder van Oosterend.

Ten noorden lagen de polders Tzum-West en Wynaldum. De moederpolders lagen als eilanden in het kwelderlandschap en behoren tot de oudste polders van Nederland.34 De polder Hartwerd-Witmarsum lag precies op de scheiding van de Marneslenkboezem en de Middelzeeboezem en werd bijna volledig door water omgeven. In de ringdijk werden de terpen van Hemert, Burgwerd en Bolsward opgenomen. Van de oorspronkelijke 23,6 km bedijking is binnen de opdrachtbegrenzing nog steeds 16,5 km in het wegenpatroon herkenbaar. Hiervan heeft 7,5 km daadwerkelijk nog een verhoogd dijktraject. Ongeveer 2 km is geheel verdwenen. Buiten de opdrachtbegrenzing is in de overige 5,1 km geen verhoogd dijktraject meer te herkennen, maar ook daar is de voormalige dijk nog wel in het wegenpatroon te volgen. De verkaveling van deze oudste ontginningen is vrij onregelmatig blokvormig. Dit is te verklaren door de spontane ontginningen vanuit het oudland, waardoor de kavels van de verschillende grondgebieden niet op elkaar aansluiten. Het onregelmatige karakter is ook een gevolg van oude geulen in dit gebied. Deze geulen waren belangrijk voor de afwatering en werden aangehouden als kavelscheiding.35

32 Het moment waarop in Westergo de eerste bedijkingen van enige omvang tot stand zijn gekomen, is hoogst onzeker. Bij veel onderzoekers valt of staat een theorie daarop bij de ouderdom van het zogenaamde Oude Schoutenrecht. Het tijdstip waarop dit vroegste Friese waterstaatsrecht opgetekend werd, is echter nog onduidelijk. Rienks en Walther (1954) plaatsten het Oude Schoutenrecht in de eerste helft van de elfde eeuw en daarmee achtten zij een datering van de vroegste dijken aan het eind van de tiende eeuw mogelijk. Andere onderzoekers, waaronder Niermeijer (1958), Algra (1991 en 1996) en De Langen (1992), hebben hier kritiek op geleverd en gaan ervan uit dat het Oude Schoutenrecht in de dertiende eeuw werd opgetekend en niet verder teruggaat dan de twaalfde eeuw. In dat geval zal een datering van de eerste bedijkingen in de twaalfde eeuw beter tot haar recht komen. Een ander aspect dat van belang is, is het verdwijnen van de grote veenvlaktes in Friesland. Archeologisch dijkonderzoek kan bij zowel de dijken als de veengebieden uitsluitsel geven over de opwerpperiode, maar tot op heden is dijkaanleg in het Noord-Nederlandse kustgebied daarvan nauwelijks onderwerp geweest. Tot de tijd is aangebroken dat archeologisch onderzoek wel wordt opgepakt lijken Rienks en Walther (1954) de standaard te blijven en daarom wordt in deze rapportage van hun ouderdomsbepalingen uitgegaan.

Zie voor een uitgebreide uiteenzetting over dit onderwerp Rienks en Walther (1954), pp. 209-227, Gerrets (2010), pp. 36-38, Huisman (1992), pp. 3544 en Schroor (2010), pp. 28-60. 33 Schroor (2000) geeft aan dat de term ‘moederpolder’ in 1954 geïntroduceerd is door Rienks en Walther in hun standaardwerk Binnediken en Slieperdiken yn Fryslân. Ze baseren hun definitie van deze oudste polders op het gegeven dat de dijken van deze polders elk voor zich een gesloten ring vormen. 34 Gerrets, 2010, 37. Schroor, 2000, 34-36. De polder van Hartwerd-Witmarsum valt grotendeels binnen het onderzoeksgebied, de polders Oosterend en Tzum-West liggen op de grens. 35 Haartsen, 2009, 81-82.

25

Moederpolder Voormalige Marneslenk

Marnedijk

De Marnedijk heeft tegenwoordig geen waterkerende functie meer en ligt daardoor enigszins onbeduidend in het landschap. Toch heeft deze dijk een belangrijke rol gespeeld in de beteugeling van het buitenwater in dit gebied. Het land ten noorden van de dijk behoorde tot de moederpolder Hartwerd-Witmarsum en heeft dus in potentie de oudste verkaveling binnen de opdrachtbegrenzing.

Met oude kaarten van omstreeks 1900 en de huidige topografische kaart is in hoofdlijnen een reconstructie te maken van wat de ‘oorspronkelijke’ verkaveling zal zijn geweest.36 Daarbij moet wel bedacht worden dat de oudste verkaveling ongeveer acht- tot negenhonderd jaar de tijd heeft gehad om zich op organische wijze te ontwikkelen tot de verkaveling van rond 1900. Een betere term is dan ook ‘de verkaveling die het dichts bij de oorspronkelijke verkaveling’ komt. Het gedeelte van de moederpolder van HartwerdWitmarsum dat binnen de opdrachtbegrenzing valt had rond 1900 ongeveer 235,5 km aan ‘oorspronkelijke’ verkaveling. Van deze verkaveling is gedurende de twintigste eeuw bijna 29 procent van de kavelsloten gedempt. Vaak ten behoeve van schaalvergroting in de landbouw. Daarmee blijft over dat meer dan 70 procent – ongeveer 167,9 km – van de verkaveling nog steeds op de oorspronkelijke plek ligt.37

>> De eerste geografen die de moederpolders benoemden en op kaart zetten, waren K.A. Rienks en G.L. Walther. In 1954 publiceerden zij een boek met kaartenatlas onder de naam ‘Binnendiken en slieprdyken yn Fryslân’. Op de een uitsnede van hun overzichtskaart zien we drie van de vier Westergose moederpolders. Geheel binnen de gemeente valt de grootste moederpolder van Hartwerd-Witmarsum. Op de rand liggen Tsjomwest en Oosterend (niet op de uitsnede te zien) en ten noordoosten van Harlingen ligt de moederpolder Wynaldum.

36

De oudste kadasterkaarten voor dit gebied zijn ongeveer tweehonderd jaar oud. Accurater is echter om de Bonnebladen van omstreeks 1900 te nemen, omdat deze niet van eigendomsgrenzen, maar van kavelgrenzen uitgaan. 37 De provincie Fryslân (2009) geeft aan dat het historische verkavelingspatroon, zoals we dat van de oudste kadastrale kaarten kennen, op het eind van deze periode in hoofdlijnen herkenbaar zal zijn geweest. In hoofdlijnen zal dat waar zijn, maar het is met retrospectief onderzoek niet te achterhalen op welke manier de verkavelingsgrenzen zich tussen grofweg 1000 en 1900 hebben ontwikkeld.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13086302/3