Bijlage 10 - Bijlage bij toelichting BGB-II - Advies externe veiligheid
Tekst van het document
B i j l a g e 4: Verantwoording externe veiligheid
Advies Externe Veiligheid inzake Bestemmingsplan ‘Buitengebied SudwestFryslân II’ (vanuit de PlanMER). Algemeen toetsingskader Het beleid voor externe veiligheid gaat om het verminderen en beheersen van risico’s van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en bij het transport er van. Op grond van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee brengen, het gaat hierbij bijvoorbeeld om LPG-tankstations en opslagplaatsen van gevaarlijke stoffen. Hiernaast zijn de (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen aangemerkt als risicobron. Voor hogedruk aardgastransportleidingen is er het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en voor het transport over wegen en vaarwegen zijn er de Wet basisnet (voor de Rijksinfrastructuur) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), waarin de regels voor ruimtelijke ordening rondom het Basisnet zijn vastgelegd. Het beleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen.
Bij het aspect externe veiligheid worden hiertoe het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd. Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt, de zogenaamde PR 10-6. Het groepsrisico (GR) is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geldt hierbij als indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het groepsrisico voor het toelaten van gevoelige functies. Die verantwoordingsplicht is opgenomen in het Bevi, Bevb en Bevt. De verantwoording houdt in dat in bepaalde gevallen planologische keuzes moeten worden onderbouwd en verantwoord door het bevoegd gezag. Onderdeel van de verantwoording van het groepsrisico is het advies van de Brandweer inzake de bestrijding van brand en rampen bij calamiteiten, over vluchtroutes en de beschikbaarheid van bluswater.
Bij de beoordeling van het groepsrisico (GR) moet nagegaan worden of (een deel van) het plangebied binnen de 1%-letaliteitszone van een buisleiding ligt. Wanneer hiervan sprake is, kan berekend worden of het groepsrisico lager is dan 10% van de oriëntatiewaarde en of de toename van het groepsrisico ten gevolge van het besluit minder is dan 10% van de oriëntatiewaarde. Dan volstaat een beperkte verantwoording. Hierin wordt alleen gekeken naar de hoogte van het groepsrisico, de personendichtheid, de bestrijding van een ramp en zelfredzaamheid van mensen. Ligt een (deel van het) plangebied binnen een 100% letaliteitszone en/of is er een hoger groepsrisico zoals hiervoor genoemd, dan is een volledige verantwoording noodzakelijk. Hierbij moet ook worden gekeken naar maatregelen om het groepsrisico te verminderen, andere mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen
met een lager GR (een alternatieve planologische keuze) en de mogelijkheden en de voorgenomen maatregelen tot beperking van het GR in de nabije toekomst. Verder is er nog het Activiteitenbesluit milieubeheer en de daarbij behorende regeling, waarin algemene regels staan voor verschillende milieubelastende activiteiten en de veiligheidsafstanden waaraan voldaan moet worden. Voorbeelden hiervan zijn gasdruk meet- en regelstations en propaantanks. Toetsing Risicobronnen De nu geldende bestemmingsplannen voor de dorpen in het plangebied worden vervangen door dit bestemmingsplan. Contouren van dorpen veranderen door dit plan niet. Risicovolle inrichtingen In en in de omgeving van het plangebied zijn (nog in te vullen) risicovolle inrichtingen die mogelijke risico’s kunnen opleveren voor het plangebied. Transportroutes gevaarlijke stoffen In en in de directe omgeving van het plangebied zijn (nog in te vullen) transportroutes voor gevaarlijke stoffen. Buisleidingen In en in de directe omgeving van het plangebied liggen meerdere (ondergrondse) hogedruk aardgastransportleidingen.
De volgende leidingen liggen in of direct bij het plangebied: Leidingnaam VE-54-BOZ1-8-S-3200 ten zuiden van Raerd N-510-04 ten westen van Wommels A-652 ten zuiden van Tirns en in het noordelijk deel van Scharnegoutum A-546 ten zuiden van Tirns en in het noordelijk deel van Scharnegoutum A-545 leidingenstrook ten zuiden van Tirns en in het noordelijk deel van Scharnegoutum
Werkdruk (bar) 89
Diameter (mm) 220
40 80
114 1219
66
1067
66
914
Belemmeringenstrook Voor het onderhoud van een buisleiding geeft het Bevb aan dat in het bestemmingsplan rekening gehouden moet worden met een belemmeringenstrook. Hierbinnen zijn in principe geen bouwwerken toegestaan. De breedte van de belemmeringenstrook is 4 meter bij een leidingdruk tot 40 bar en 5 meter bij een leidingdruk van 40 bar en hoger. Deze belemmeringenstrook wordt op de verbeelding van het bestemmingsplan opgenomen als dubbelbestemming “Leiding – Gas”. Plaatsgebonden risicocontouren Rond de verschillende buisleidingen en de leidingenstrook is sprake van een plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6) Dit hangt af van druk, diameter en diepteligging van de leidingen. Voor de buisleidingen in het plangebied geldt dat de plaatsgebonden risicocontour binnen de belemmeringenstrook van 4 of 5 meter rondom het hart van een buisleiding ligt. In dit plan worden binnen deze contouren
geen nieuwe (beperkt) kwetsbare objecten mogelijk gemaakt. Dit geeft dan ook geen knelpunt voor het bestemmingsplan. Groepsrisico Voor de buisleidingen in en in de omgeving van het plangebied gelden daarbij de volgende 1%-letaliteitszones (aan weerszijden van de buisleiding): Leidingnaam
1% letaliteitszone
Gasunie A-652 Gasunie A-546 Gasunie A-545
580 m 490 m 430 m
Over (beperkt) kwetsbare objecten? Ja, Scharnegoutum en Tirns Ja, Scharnegoutum en Tirns Ja, Scharnegoutum en Tirns
Voor de buisleidingen in en rond het plangebied gelden de volgende 100% letaliteitszones (aan weerzijden van de buisleiding): Leidingnaam 100%-let.contour Over (beperkt) kwetsbare objecten? Gasunie A-652 220 m Ja, Scharnegoutum Gasunie A-546 190 m Ja, Scharnegoutum Gasunie A-545 180 m Ja, Scharnegoutum Verantwoording groepsrisico Tirns en Scharnegoutum liggen beide (deels) binnen het invloedsgebied van hogedruk aardgastransportleidingen. Hierdoor moet het groepsrisico verantwoord worden. Hieronder volgen de conclusies van het rapport “Verantwoording groepsrisico”. In bijlage 4 is het volledige rapport terug te vinden. Conclusie (voorlopig) Met betrekking tot het groepsrisico is van belang dat geen nieuwe kwetsbare objecten (woningen) toegevoegd kunnen worden binnen de 100%-letaliteitszone. Nieuwe woonfuncties mogen alleen binnen de 1%-letaliteitszone worden toegestaan, mits de bereikbaarheid van hulpdiensten en voldoende vluchtmogelijkheden (vanaf de risicobron) goed geregeld worden. Dit bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk, dus ook geen kwetsbare objecten binnen de 1%- en 100%letaliteitszone. Voor de bestaande woningen die wel binnen een 100%-letaliteitszone staan zijn voldoende vluchtmogelijkheden aanwezig. Speciale aandacht is daarbij nodig voor de zelfredzaamheid van de bewoners van die woningen.
Binnen dit plangebied is geen sprake van bebouwing specifiek voor verminderd zelfredzame personen binnen een 100%-letaliteitszone. Bovendien zijn er, bij een incident met een buisleiding, voldoende vluchtmogelijkheden vanuit dit gebied.