CConstaterende datSudwest Fryslan
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 10 - Bijlage bij toelichting BGB-I - Reactienota op zienswijzen BGB-I

Raadsvergadering 28 september 2023, gemeente Sudwest FryslanBij agendapunt: Bestimmingsplan ‘Buitengebied Súdwest-Fryslân I’32.617 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Reactienota op ingediende zienswijzen ‘Bestemmingsplan Buitengebied Súdwest-Fryslân-I’

1. Engwierderlaan 21, 8754 JE Makkum Het voornemen bestaat op het perceel Engwierderlaan 21 te Makkum een zorgboerderij te ontwikkelen met een recreatievoorziening voor mensen met een verstandelijke en/of fysieke beperking. Het initiatief is bekend bij de gemeente. Men treft nu voorbereidingen om op korte termijn een bestemmingsplanwijziging aan te vragen (nadat in 2022 het plan positief is ontvangen en een Nije Pleats sessie is doorlopen). Men verzoekt de gemeente om rekening te houden met deze ontwikkeling en de ontwikkeling ook direct te laten meelopen met de vaststelling van het bestemmingsplan. Reactie gemeente Het bestemmingsplan Buitengebied Súdwest-Fryslân-I moet worden gezien als een actualisatieplan. In principe mogen nieuwe ontwikkelingen niet meegenomen worden. Een uitzondering wordt gemaakt wanneer bij een nieuwe ontwikkeling de ruimtelijke onderbouwing reeds is ingediend en de reacties in het kader van vooroverleg zijn verwerkt. Dat laatste is niet het geval. Het wachten is nog op de ruimtelijke onderbouwing. In dat geval kunnen wij deze ontwikkeling niet meenemen in het ontwerpbestemmingsplan. Conclusie: De zienswijze zal niet worden overgenomen.

2. Brekkerweg 2, 8755 JK te Idsegahuizum Het perceel Brekkerdyk 2 te Idsegahuizum heeft in het ontwerpbestemmingsplan Súdwest-Fryslân Buitengebied I de bestemming “Agrarisch” met de nadere aanduiding ‘Agrarisch Bedrijf’. De belanghebbenden geven aan dat het agrarisch bedrijf is beëindigd. De vraag die wordt gesteld is of de bestemming van het perceel kan worden gewijzigd naar de bestemming “Wonen-Woonboerderij”. Reactie gemeente Nu de agrarische activiteiten ter plaatse zijn beëindigd, kan de bestemming van het perceel Brekkerweg 2 te Idsegahuizum ten behoeve van de woonfunctie worden aangewend. Echter, in de directe nabijheid van dit perceel ligt een agrarisch bedrijf van een derde. In het kader van de Wet Geurhinder dient het perceel Brekkerweg 2 in de nieuwe situatie als een gevoelig object te worden opgevat hetgeen consequenties kan hebben voor het functioneren van het naastgelegen agrarische bedrijf. Dat kan worden voorkomen door voor het perceel Brekkerweg 2 uit te blijven gaan van de bestemming “Agrarisch” maar dan met de nadere aanduiding ‘plattelandswoning’. In dat geval kan het perceel gebruikt worden voor de woonfunctie terwijl het geen geur gevoelig object is. Conclusie: De zienswijze zal niet worden overgenomen maar het bestemmingsplan wordt wel gewijzigd vastgesteld. Het perceel Brekkerwer 2 krijgt de bouwaanduiding ‘plattelandswoning’.

3-1. Noorderlaan 20 te Wons. VOF Jousma heeft een onherroepelijke en solide Wnb-vergunning die weliswaar op 24 mei 2017, dat is in de PAS-periode tussen 1-7-2015 en 19-5-2019, is verleend, maar de vergunning is niet gebaseerd op een uitbreiding van ammoniak waartoe al of geen passende beoordeling nodig zou zijn geweest, maar de vergunning is gebaseerd op het wettelijk kader en zag op een afname van ammoniak wat in de vergunning is vastgelegd. De locatie Noorderlaan 20 dient dan ook in de lijst van onherroepelijke vergunningen zoals deze in Bijlage 7 staan vermeld. Reactie gemeente: In algemeenheid valt aan te geven dat het opnemen van een zogenaamde stikstofregel in bestemmingsplannen in de afgelopen jaren lastig is gebleken. De landelijke stikstofregels veranderen meer dan eens en tot op heden is er nog geen landelijke duidelijkheid over hoe om te gaan met stikstofdepositie op basis van de natuurwetgeving. Dat zorgt er ook voor dat het opnemen van de juiste of optimale stikstofregels voor in je bestemmingsplan ook erg lastig is. In een bestemmingsplan is het vereist om een stikstofregel op te nemen. Dat heeft dan alleen te maken met het bestemmingsplan om daarmee te kunnen onderbouwen of er milieueffecten uitgaan vanuit het bestemmingsplan.

Een stikstofregel in een bestemmingsplan verandert dan ook niets aan de bestaande natuurrechten die iemand heeft op basis van de Wet natuurbescherming. Voor de natuurtoestemmingen is de provincie Fryslân namelijk het bevoegde gezag. De gemeente is dat niet. Een gemeente kan dus ook niet in een bestemmingsplan stikstofrechten die de provincie heeft gegeven afnemen. Als agrarische gemeente willen wij dat uiteraard ook niet. Voor wat betreft stikstof en het bestemmingsplan is het goed te weten dat de stikstofregel alleen maar aan de orde is als iemand wil gaan uitbreiden/nieuwe ontwikkeling wil gaan doen. Want alleen dan is er een toets aan het bestemmingsplan. Bijvoorbeeld een nieuwe stal. Indien er een natuurtoestemming is van de provincie, zal het bestemmingsplan niet beperkend zijn voor wat betreft stikstof. Daarbij hebben wij in het bestemmingsplan ook opgenomen dat er geen sprake is van stikstofemissie als de ontwikkeling misschien wel stikstofemissie veroorzaakt, maar dat er geen depositie op een (overbelast) beschermd natuurgebied is. Als een beschermd gebied niet (extra) wordt belast, dan ziet het bestemmingsplan dit sowieso niet als stikstofemissie (artikel 1.74 onder 2).

Dus extra activiteiten (gebruik of bouwen) die op basis van de nieuwste AERIUScalculator geen stikstofdepositie laten zien op beschermde gebieden, zijn in de ogen van het bestemmingsplan dus geen stikstofemissie. Die kunnen dus (als er ook aan de andere regels van het bestemmingsplan wordt voldaan). Als gemeente hebben wij langere tijd moeten zoeken en nadenken over een goede stikstofregel in onze bestemmingsplannen. In de afgelopen jaren is uit meerdere uitspraken van de Raad van State namelijk duidelijk geworden dat een goede

stikstofregel in het bestemmingsplan niet makkelijk is. Onze stikstofregel is na bestudering van de verschillende uitspraken en buitengebied-bestemmingsplannen van andere gemeenten zo opgebouwd dat wij daarmee in onze ogen recht doen aan de verschillende belangen. Uiteindelijk willen wij een goed bestemmingsplan vaststellen waarbij wij ook recht doen aan de natuurtoestemming. Dat hebben wij nu gedaan in onze ogen. Zoals de Afdeling standaard overweegt dient de gemeente bij de vaststelling van een bestemmingsplan de feitelijke, planologische legale situatie als referentiesituatie te beschouwen (o.a. ECLI:NL:RVS:2020:1110). Dit wordt dan ook in dit bestemmingsplan als uitgangspunt en hoofdregel geformuleerd. Dat deze hoofdregel in de praktijk onwenselijk kan zijn begrijpen wij, maar voor ons is het van belang dat wij in ons bestemmingsplan een goede hoofdregel vaststellen. Een uitzondering op deze hoofdregel is dan bijlage 7 waarin de bedrijven zijn opgenomen met een verleende Wnb-vergunning (of verleende omgevingsvergunning met een verklaring van geen bedenkingen op basis van de Wnb) welke ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan onherroepelijk was en waar een passende beoordeling aan ten grondslag heeft gelegen (o.a. ECLI:NL:RVS:2020:684).

Een Wnb-vergunning (of afgegeven vvgb) welke op basis van de PAS-wetgeving passend is beoordeeld mag hiervoor niet gebruikt worden en kan niet opgenomen worden in bijlage 7. Ook niet indien dit onherroepelijke vergunningen zijn. Voor de vaststelling van een bestemmingsplan (ruimtelijke spoor) is dit niet toegestaan (ECLI:NL:RVS:2019:1603, r.o. 36 e.v.). Conclusie is dat de artikelen inzake de vraag of er sprake is van toename van stikstofdepositie in het bestemmingsplan dusdanig zijn opgebouwd dat wij daarmee zoveel mogelijk recht doen aan de natuurtoestemmingen die er zijn. Wij zien geen mogelijkheden of goede andere voorbeelden op welke wijze wij deze bepalingen zouden kunnen aanpassen zonder dat hierbij de houdbaarheid van de bepaling onder druk komt te staan. Conclusie: De zienswijze zal niet worden overgenomen.

3-2. Noordenlaan 20, 8747 NW Wons. Een bestemmingsplan mag niet ouder zijn dan 10 jaar en daarom is de gemeente verplicht iedere 10 jaar een nieuw bestemmingsplan vast te stellen. Aangegeven wordt dat deze verplichting niet geldt wanneer: - een bestemmingsplan digitaal beschikbaar is via www.ruimtelijkeplannen.nl; - of een gescande versie van een niet digitaal raadpleegbaar bestemmingsplan beschikbaar is op www.ruimtelijkeplannen.nl. Het vigerende bestemmingsplan voor het perceel Noordenlaan 20 te Wons is vastgesteld op 5 oktober 2017 en nog steeds actueel en voor het perceel Noordenlaan 20 nog steeds actueel. Er is derhalve geen noodzaak om een nieuw bestemmingsplan vast te stellen. Verzocht wordt om het perceel Noordenlaan 20 niet op te nemen in onderhavige herziening. Reactie gemeente: De gemeenteraad heeft de beleidsvrijheid om voor haar grondgebied een bestemmingsplan vast te stellen en is niet gebonden aan een wettelijke termijn. Onderhavig bestemmingsplan is opgesteld om de planregels voor alle agrarische bedrijven in de gemeente Súdwest-Fryslân een uniforme en eenduidige juridische – en planologische regeling op te nemen. De planologische regeling in onderhavig bestemmingsplan komt in grote lijnen overeen met de vigerende planologische regeling. In de vigerende planologische regeling werd echter nog verwezen naar de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS).

Sinds de uitspraak van de Afdeling op 29 mei 2019 is de PAS niet meer van toepassing en mag een dergelijke regeling niet meer een bestemmingsplan worden opgenomen. Het feit dat de vigerende planologische nog up-to-date is voor het perceel Noordenlaan 20 doet daar niet aan af. Conclusie: De zienswijze zal niet worden overgenomen.

4. Monnikeweg 2, 8822 VA te Arum Belanghebbende geeft aan dat bedrijf is gevestigd aan de Monnikeweg 2 te Arum en voor deze locatie op 12 juni 2015 door de provincie Fryslân een Natuurbeschermingswetvergunning is afgegeven met kenmerk 01224357. Deze vergunning wordt genoemd in bijlage 7. De dieraantallen die volgens deze plannen op de locatie mogen worden gehouden blijven dan ook onveranderd ten opzichte van de Natuurbeschermingswetvergunning, zijnde 268 stuks melkvee en vrouwelijk jongvee en 10 paarden met een totale vergunde emissie van 1528 kg NH3 per jaar. Belanghebbende wil hiervan een bevestiging door de gemeente. Het verbod op de toename van stikstofemissie geldt volgens de gemeente tevens voor agrarische grond, zowel akkerbouw als weilanden. Ook hier vormt dan het feitelijk bestaande gebruik de referentie. Het feitelijke bestaande gebruik van de landbouwgrond op het bedrijf is dit jaar echter niet representatief, aangezien de akkerbouwtak op het bedrijf een uitbreiding doormaakt. Het verschil zit hem er vooral in dat de teelt van aardappelen en uien sinds kort in eigen beheer wordt uitgevoerd, waar in het verleden grond ten behoeve van aardappelteelt werd verhuurd. Daarnaast heeft stikstofuitstoot in de akkerbouw in de ogen van belanghebbende voornamelijk te maken met de aanwending van meststoffen.

Hierbij dient men zich echter te houden aan de Meststoffenwet, waarin regelgeving is opgenomen met betrekking tot bemesting van de verschillende akkerbouwgewassen. Aanvullende regelgeving vanuit de gemeente op de landelijke Meststoffenwet is volgens belanghebbende niet wenselijk en geheel onwerkbaar. Het is belanghebbende niet duidelijk hoe het verbod op toename van de stikstofemissie van de akkerbouwgrond moet worden geïnterpreteerd, hoe er tot een referentiesituatie wordt gekomen en hoe dit alles dan gecontroleerd en gehandhaafd zal kunnen worden. Belanghebbende wil graag een reactie van de gemeente. Belanghebbende constateert verder dat de huidige bebouwing in een rechthoek bekeken al een oppervlakte geeft van 1,5 hectare, dus dat zou betekenen dat er in de toekomst niet meer gebouwd kan worden of slechts zeer beperkt. Het ontwerpbestemmingsplan voorziet echter in de mogelijkheid om het bouwvlak van het bedrijf te vergroten tot maximaal 2 hectare, indien het vlak wordt vergroot tot een denkbeeldige rechthoek van maximaal 2 hectare ter plaatse van de aanduiding ‘agrarisch bedrijf’ en dat de eventuele nieuwe bebouwing aansluitend op de bestaande rechthoek wordt gesitueerd. Belanghebbende opteert voor deze mogelijkheid en er wordt dan ook verzocht om dit bouwvlak van 2 hectare toe te kennen.

Reactie gemeente: Stikstof In de zienswijze wordt gevraagd of de dierenaantallen zoals deze in de omgevingsvergunning (met een vvgb) zoals deze in bijlage 7 van het bestemmingsplan is opgenomen blijft staan. Wij kunnen bevestigen dat de dierenaantallen zoals deze op de vergunning staan zijn toegestaan. Het opnemen van de vergunning in bijlage 7 zorgt hiervoor. Gebruik van gronden en bouwwerken In de zienswijze komt naar voren dat artikel 3.5 onder j en 1.7 van de planregels een onnodige beperking van het gebruik inhouden. De regel zou namelijk ook gelden voor agrarische cultuurgrond die dezelfde bestemming behoudt. Allereerst merken wij op dat de zienswijze in plaats van artikel 1.7 de begripsbepaling van toename van stikstofemissie zal bedoelen (artikel 1.74). Dit beschouwen wij als een kennelijke schrijffout. In het bestemmingsplan is opgenomen dat het gebruiken van gronden en/of bouwwerken, waarbij er sprake is van stikstofemissie vanuit deze gronden en/of bouwwerken, als strijdig gebruik wordt beschouwd (o.a. artikel 3.5 onder j). In artikel 1.74 staat de begripsbepaling wanneer er in het kader van het bestemmingsplan sprake is van “toename van stikstofemissie”. Hieruit komt naar voren dat als er niets op de bedrijfslocatie verandert, er ook geen toename van stikstofemissie aan de orde is (in het kader van het bestemmingsplan).

Dus deze regel is pas aan de orde in het geval er een wijziging op het perceel gaat plaatsvinden, zoals bijvoorbeeld de bouw van een extra stal. In dat geval wordt er pas gekeken naar of deze stal extra stikstofdepositie heeft op een overbelast beschermd natuurgebied. Is het antwoord hierop nee, dan is er op basis van de definitie van het bestemmingsplan geen toename van stikstofemissie. Ook in die gevallen zal de stikstofregel dus geen belemmering opleveren. Mocht er wel een toename zijn, dan kan worden teruggevallen op de natuurtoestemming en wordt op basis daarvan bekeken of er een extra toename van stikstof is ten opzichte van deze natuurtoestemming. Naast de bouwpercelen, worden de weilanden nabij een boerderij ook agrarisch gebruikt. In de zienswijze wordt gesteld dat door de begripsbepaling van onze stikstofregel dit gebruik ook mogelijk een toename van stikstofemissie inhoudt en daarmee dat het bestemmingsplan onnodig beperkend is. Wij zijn het hier niet geheel mee eens. De eerste vraag is namelijk of er daadwerkelijk stikstofdepositie zal zijn op een (overbelast) beschermd natuurgebied bij het gebruik van die gronden. Dat zal in de meeste gevallen niet aan de orde zijn. Maar los daarvan beogen wij met onze bestemmingsplanregel niet om (mogelijk) beperkend te kunnen zijn.

Wij zien daarom aanleiding om voor de duidelijkheid de strijdig gebruiksbepaling van artikelen 3.5 en 4.5 waarin stikstofemissie als strijdig gebruik wordt aangemerkt, aan te passen (waarbij de

onderstreepte delen zijn toegevoegd). Hierbij koppelen wij deze emissie aan een ruimtelijke ontwikkeling. Daarmee is in onze ogen tegemoet gekomen aan de gevraagde aanpassing in de zienswijze en doen wij recht aan de agrarische percelen die in de voorgaande bestemmingsplannen ook een agrarische bestemming hadden (en zo werden gebruikt). “het gebruiken en laten gebruiken van gronden en/of bouwwerken voor een ruimtelijke ontwikkeling, waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende gronden en/of bouwwerken. Onder een ruimtelijke ontwikkeling wordt in ieder geval niet verstaan het gebruik van onbebouwde agrarische gronden voor bemesten.” Conclusie: Dit deel van de zienswijze zal worden overgenomen. Bouwvlak Het perceel beschikt thans over een denkbeeldige rechthoek. Op grond van artikel 3.2 onder b mogen bouwwerken uitsluitend gebouwd worden binnen een denkbeeldige rechthoek van maximaal 1,5 ha dat gelegen is op en rondom de gronden ter plaatse van de aanduiding ‘agrarisch bedrijf’. Dat is hier van toepassing. In het bestemmingsplan is in artikel 3.4 (afwijken van de bouwregels) de mogelijkheid opgenomen om bouwwerken te realiseren buiten de denkbeeldige rechthoek die maximaal 2 hectare bedraagt en die gelegen is op en rondom de gronden ter plaatse van de aanduiding ‘agrarisch bedrijf’.

De gemeente stelt in dat geval een aantal voorwaarden waaraan moet worden voldaan. Daartoe dient eerst een aanvraag om een omgevingsaanvraag te worden ingediend waarna een afweging plaats dient te vinden of aan deze voorwaarden kan worden voldaan. Er ligt thans geen aanvraag bij de gemeente. Laat staan dat er een vergunde situatie geldt die een rechtvaardiging uitspreekt om ter plaatse een bouwvlak van 2 ha te faciliteren. Wij hebben de denkbeeldige rechthoek van de vergunde bouwwerken ter plaatse van het agrarische bedrijf globaal opgemeten. Daarbij hebben wij geconstateerd dat de denkbeeldige rechthoek een oppervlakte heeft van ± 1,59 hectare. Zie onderstaande luchtfoto.

Het opnemen van een bouwvlak van 2 Ha bij recht past niet binnen onze uitgangspunten en ons beleid. Ten eerste is het nu vastleggen van een bouwvlak van 2,0 Ha moeilijk te doen omdat niet duidelijk is welke toekomstige ontwikkelingen het bedrijf zal doormaken en aan welke kant van het perceel deze nieuwe bebouwing wordt geplaatst. Nu vastleggen van een harde grens zorgt ervoor dat er geen flexibiliteit meer is buiten dat vlak, terwijl dat juist een belangrijk aspect is van onze bestemmingsplannen door ruimte en flexibiliteit te geven. Flexibiliteit in waar de nieuwe bebouwing moet komen waarbij het agrarisch bedrijf optimaal gebruik kan maken van de meest wenselijke uitbreidingsrichting doordat er een denkbeeldige rechthoek is en niet een harde grens van een bouwvlak. Daarnaast vinden wij het vanuit de algemene en ruimtelijke belangen die het bestemmingsplan nastreeft ook gewenst om maatwerk per perceel te kunnen toepassen voor dergelijke uitbreidingen. Hierbij moet bijvoorbeeld gedacht worden aan de landschappelijke inpassing. Niet voor niets is onder meer de Nije Pleats sessie als randvoorwaarde voor deze vergroting van de denkbeeldige rechthoek naar 2 Ha opgenomen. Uitbreiding faciliteren wij graag maar dat moet dan wel met respect voor de directe (open en landschappelijke) omgeving.

Een dergelijke belangenafweging en maatwerkoplossing voor het betreffende perceel is bij het standaard opnemen van een bouwvlak van 2 Ha niet mogelijk. Tenslotte betreft het een conserverend plan en nemen wij alleen vergunde rechten op. Belanghebbende heeft geen bestaand recht op een vast bouwvlak van 2 Ha en daarom is opnemen van een dergelijk bouwvlak ook niet passend. Conclusie De zienswijze zal niet worden overgenomen.

5. Grimspole 8, 8722 HS te Molkwerum Als onderdeel van het melkveehouderijbedrijf aan de Rimspole 8 te Molkwerum exploiteert belanghebbende de locatie aan de Stationswei 14 te Molkwerum. Binnen het ontwerpbestemmingsplan Buitengebied SWF-I heeft het perceel de bestemming “Wonen-Woonboerderij”. Belanghebbende kan zich hier niet in vinden. De locatie is altijd onafgebroken agrarisch gebruikt en wordt thans ook agrarisch gebruikt. Het enkele feit dat er momenteel geen vee wordt gehouden doet hier niet aan af. In de optiek van belanghebbende gaat de gemeente voorbij aan het feit dat de omliggende landerijen rond de locatie Stationswei 14 beweidt worden door eigen vee. Bovendien vindt er opslag/stalling van eigen landbouwmachines plaats ten behoeve van de hoofdlocatie Grimspole 8. Daarbij vindt de exploitatie (o.a. kunstmest strooien, uitrijden drijfmest en de oogstwerkzaamheden) van de landerijen om de locatie Stationswei 14 vanuit de ter plaatse aanwezige bedrijfsgebouwen plaats. Ook vindt er opslag van stro en hooi, evenals opslag van kunstmest, drijf- en vaste mest plaats. In de optiek van belanghebbende rechtvaardigt enkel en alleen de opslag van vooral kunstmest, drijfmest en vaste mest de agrarische bestemming op de locatie Stationswei 14. Op de locatie Staionswei 14 is een aanduiding “karakteristiek” (categorie 2) geprojecteerd.

Belanghebbende is van mening dat er geen sprake is van een karakteristiek bouwwerk en dat onderhavige aanduiding van de verbeelding geschrapt dient te worden. Subsidiair is belanghebbende van mening dat de staat van de gebouwen, dermate slechts is dat herbouw in de oorspronkelijke staat, in alle redelijkheid niet mogelijk is. Daarbij vraagt belanghebbende zich af hoe de gemeente komt tot een dergelijke aanwijzing en categorie-indeling. Belanghebbende vraagt de zienswijze gegrond te verklaren, het ontwerpbestemmingsplan Buitengebied SWF-I te heroverwegen waarbij de agrarische bestemming voor de locatie Stationswei 14 te Molkwerum herleeft en de aanduiding “karakteristiek” van de verbeelding/plankaart wordt verwijderd. Reactie gemeente: In het ontwerpbestemmingsplan heeft het perceel Stationswei 14 te Molkwerum de bestemming ‘Wonen – Woonboerderij’ met de bouwaanduiding ‘karakteristiek’. Binnen deze bestemming is opslag van agrarische producten en materiaal toegestaan. Namens belanghebbende wordt echter aangegeven dat het perceel onderdeel uitmaakt van het agrarisch bedrijf aan de Grimspôle in Molkwerum. Door het perceel weer de bestemming ‘Agrarisch’ toe te kennen is de opslag ten dienste van het agrarisch bedrijf goed geregeld. Conclusie Dit deel van de zienswijze zal worden overgenomen, de bestemming wordt gewijzigd naar ‘Agrarisch’.

karakteristiek Het Steunpunt Monumentenzorg Fryslân heeft ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan Buitengebied Súdwest-Fryslân een inventarisatie uitgevoerd naar karakteristieke panden. Bijna 250 panden zijn bekeken. Karakteristieke panden / objecten zijn panden of objecten die cultuurhistorisch waardevol zijn door de stedenbouwkundige ligging, architectonische beeldwaarde, materiaal toepassing in relatie met de authenticiteit en de streek- historische waarde van het pand en/of haar bewoners. De architectonische belevingswaarde (beeldwaarde) is hierin de zwaarstwegende criteria aangezien dit ook hetgeen is wat het meest aanspreekt bij de mensen. Op basis van een beproefde methode zijn puntenscores toegekend aan de panden. Bouwwerken met de omschrijving K2 zijn tijdens het onderzoek naar karakteristieke bouwwerken aangeduid als waardevol. Tijdens het onderzoek hebben deze een score van 15 tot 19 punten gekregen. Deze bouwwerken vertegenwoordigen een zodanige waarde, dat het van belang is om de hoofdvorm van het bouwwerk in hoofdzaak in stand te houden. Hierbij valt te denken aan het behoud van een bepaalde geleding in de bouwmassa, een specifieke dakvorm en geveltype. Bouwwerken met de omschrijving K1 zijn tijdens het onderzoek naar karakteristieke bouwwerken aangeduid als het meest waardevol. Tijdens het onderzoek hebben deze 19 punten of meer gekregen.

Deze bouwwerken vertegenwoordigen een zodanige monumentale waarde, dat behoud van bouwwerk gewenst is. Hierbij valt te denken aan het behoud van een bepaalde geleding in de bouwmassa, een specifieke dakvorm en geveltype. Voor het slopen is een omgevingsvergunning verreist omdat behoud van het historisch materiaal gewenst is. Het pand op de Stationswei 14 te Molkwerum heeft in dit onderzoek 16 punten gekregen bij de beoordeling waarbij onder andere beoordeeld is dat de beeldwaarde en de intrinsieke waarde van het pand nog in hoge mate authentiek is en het pand markant aanwezig is in zijn directe omgeving. Wij zijn dan ook van oordeel het gerechtvaardigd is om de waarde K2 aan het pand toe te kennen. In het huidige bestemmingsplan Buitengebied Súdwest-Fryslân is reeds een bouwaanduiding “karakteristiek” op het pand gelegen. Dit blijft in het nieuwe bestemmingsplan gehandhaafd. Niet wordt onderbouwd waarom deze karakteristieke aanduiding niet of niet meer aan de orde zou moeten zijn. Conclusie Dit deel van de zienswijze zal niet worden overgenomen.

6. TenneT, Postbus 718, 6800 AS te Arnhem Op grond van de Elekticiteitswet 1998 (‘de E-wet’) is TenneT aangewezen als beheerder van het landelijke hoogspanningsnet van 110kV en hoger. Het landelijke hoogspanningsnet is door het ministerie van Economische Zaken als vitale infrastructuur aangeduid. TenneT is hiermee verantwoordelijk voor een ongestoorde werking van het landelijke hoogspanningsnet. Deze vitale infrastructuur moet daarom een gepaste bescherming krijgen en behouden in ruimtelijke plannen en besluiten. Het uitgangspunt hierbij is een ongestoorde ligging gedurende de gehele levensfase van de hoogspanningsverbinding. De aanwezigheid van deze hoogspanningsverbinding kan beperkingen opleveren voor het gebruik van de gronden. Om de veiligheid van personen en goederen te waarborgen gelden er bijvoorbeeld aan te houden veiligheidsafstanden. In het kader van deze veiligheid is het noodzakelijk om onderscheid te maken tussen onder- en bovengrondse hoogspanningsverbindingen. Regels TenneT vraagt daarom in dit kader de titel van artikel 32 ‘Leiding – Hoogspanning’ te veranderen in ‘Leiding – Ondergrondse hoogspanningsverbinding’ en de titel van artikel 33 ‘Leiding – Hoogspanningsverbinding’ te veranderen in ‘Leiding – Bovengrondse hoogspanningsverbinding’.

De daarbij behorende bestemmingsomschrijving van beide artikelen moeten als gevolg van het onderscheid eveneens worden aangepast. Door de energietransitie zal het belang van elektriciteit toenemen en daarmee het transport van elektriciteit geborgd moeten worden. TenneT vraagt daarom een prioritering aan te brengen binnen de voorrangsbepalingen voor meervoudige – of dubbelbestemmingen. Door de hoogste prioriteit toe te kennen aan de dubbelbestemming ‘Leiding – Ondergrondse hoogspanningsverbinding’ en ‘Leiding – Bovengrondse hoogspanningsverbinding’ wordt beter gewaarborgd dat het hoogspanningsnet voldoende beschermd wordt tegen omgevingsaspecten die van invloed kunnen zijn op een betrouwbare levering van energie. Reactie gemeente Tennet is beheerder van de hoogspanningsleidingen en de gevraagde aanpassingen van de benaming van de twee bestemmingen geeft meer duidelijkheid over wat voor soort leidingen het betreft. Bovengronds en/of ondergronds. De wijziging van deze benaming en de gevraagde aanpassingen in beide artikelen stuiten niet op gemeentelijke bezwaren en worden dan ook gelet op de verzoeker overgenomen. Conclusie: De zienswijze zal worden overgenomen. verbeelding Op de verbeelding zijn de dubbelbestemmingen ‘Leiding – Bovengrondse hoogspanningsverbinding’ te breed aangegeven. Hierdoor geldt voor een groter gebied aanvullende regels dan noodzakelijk is.

Op de verbeelding heeft de

dubbelbestemming een breedte van 60m, 30m uit het hart van de leiding. De totale breedte die op de verbeelding moet worden aangeduid kan volstaan met 40m. 20m uit het hart van de leiding is voldoende. TenneT vraagt de verbeelding op dit punt aan te passen. Reactie gemeente Uit de zienswijze blijkt dat de belemmeringstrook op de verbeelding te breed is aangegeven en dat een belemmeringstrook van 40 meter kan volstaan. Daarmee is de veiligheid volgens de beheerder voldoende gewaarborgd. De breedte zal op de verbeelding worden aangepast. Conclusie: De zienswijze zal worden overgenomen.

7. Winkelsterlaan 4 , 8821 LX Kimswerd. In het ontwerpbestemmingsplan Buitengebied SWF-I heeft het perceel Winkelsterlaan 4 te Kimswerd de bestemming “Agrarisch” met de nadere aanduiding ‘Agrarisch Bedrijf’. Gevraagd wordt om een bestemming die aansluit bij het hedendaagse gebruik. De agrarische activiteiten zijn beëindigd, het perceel heeft daarom een woonfunctie. Namens belanghebbende wordt gevraagd de bestaande (agrarische) bouw- en gebruiksrechten in stand te laten en voldoende (ruimtelijk) perspectief bieden voor het plaatsen van een mantelzorgwoning. Reactie gemeente Het voorliggende bestemmingsplan is een actualisatie van het vigerende bestemmingsplan waarin de feitelijke en actuele situatie wordt opgenomen. Nu de agrarische bedrijfsactiviteiten zijn beëindigd wordt het perceel de bestemming ‘Wonen – Woonboerderij’ toegekend. Deze bestemming biedt naast de bestaande hoofdfunctie ‘wonen’ meerdere gebruiksfuncties. Meerdere functies zijn als nevenactiviteit bij recht toegestaan, voor andere functies kan in afwijking van de bestemming met een omgevingsvergunning meegewerkt worden. De bouw van een mantelzorgwoning is op grond van Bijlage II van het Bor vergunningvrij mits uit een medische verklaring blijkt dat er een noodzaak is voor het bieden van mantelzorg. Daarnaast gelden ook ruimtelijk gezien nog enkele voorwaarden.

Zo moet de mantelzorgwoning wel binnen het bestemmingsvlak ‘Wonen – Woonboerderij’ worden geplaatst. In de zienswijze is een voorkeurslocatie voor de mantelzorgwoning aangegeven. Voor deze locatie geldt zowel op grond van het vigerende – als het nieuwe bestemmingsplan de bestemming ‘Agrarisch’. Op de gronden mag niet gebouwd worden. Conclusie De zienswijze zal worden overgenomen. De bestemming van het perceel wordt gewijzigd naar ‘Wonen – Woonboerderij’.

8. Bovenburen 4, 8723 ED Koudum Gelet op de vergunde situatie/eerder verleende toestemmingen, wordt verzocht om in de bestemming ook het aannemersbedrijf op te nemen. Op het perceel is een Loon- en Aannemersbedrijf gevestigd. De huidige eigenaren zijn sinds 2008/2009 mede vennoot in het bedrijf. Vroeger was het agrarisch loonbedrijf de hoofdtaak. In de loop der jaren zijn de werkzaamheden voor het agrarisch loonbedrijf minder geworden en heeft het bedrijf de focus op het aannemersbedrijf in weg- en waterbouw gelegd. De werkzaamheden ten behoeve van deze bedrijfstak bestaan in hoofdzaak uit baggerwerkzaamheden, waarvoor op het perceel ook een baggerdepot is gerealiseerd. Zowel het baggerdepot als het aannemersbedrijf in weg- en waterbouw was niet of onvoldoende in het vigerende bestemmingsplan opgenomen. Namens het bedrijf wordt nu gevraagd deze omissie te herstellen. Reactie gemeente Op grond van het vigerende bestemmingsplan heeft het perceel de enkelbestemming ‘Bedrijf - Loonbedrijf’. In het onderhavige wordt het bestaande en vergunde baggerdepot op de verbeelding aangeduid met de functieaanduiding ‘baggerspeciedepot’. Hiermee wordt echter nog geen recht gedaan aan alle verleende vergunningen voor het bedrijf. Door de afname van de bedrijfsactiviteiten van het (agrarisch) loonbedrijf zijn de werkzaamheden ten behoeve van aannemersbedrijf in de weg- en waterbouw uitgebreid.

Hiervoor is ook een vergunning verleend. De functieaanduiding is echter niet op de verbeelding aangeduid. Deze omissie wordt met dit bestemmingsplan hersteld. Conclusie De zienswijze zal worden overgenomen. Op de verbeelding krijgt het perceel ook de functieaanduiding ‘aannemersbedrijf in weg- en waterbouw’.

9. percelen kadastraal bekend: gemeente Koudum, sectie A, nummers A6731 en 6733. Belanghebbende wil graag de vigerende agrarische bestemming van de hiervoor genoemde percelen wijzigen in “Bedrijf”. Dit moet de bouw van een loods van 60 meter bij 25 meter mogelijk maken. De loods krijgt een hoogte die varieert van 6 tot 8 meter en zal dienen voor opslag en verwerken van bouwmaterialen. De buitenopslag van materialen zal verwijderen waardoor het nu rommelige perceel een keurige aanblik krijgt. Tevens zal de loods c.q. het perceel landschappelijk worden ingepast. Er wordt in de zienswijze verwezen naar een vaststellingsovereenkomst die op 18 juni 2018 gesloten is door de gemeente Súdwest-Fryslân en belanghebbenden waarbij de gemeente een inspanningsverplichting heeft om, voor zover dat noodzakelijk is en voor zover dat formeel in haar macht ligt, om vergunningen direct na indiening binnen de gestelde termijnen trachten af te handelen voor zover dat tot haar eigen taak behoort. Reactie gemeente: Onderhavige percelen hebben de bestemming ‘Agrarisch’. Op deze gronden mogen geen gebouwen e.d. worden gebouwd. Met onderhavig bestemmingsplan worden de juridische en planologische regels van de verschillende en geldende bestemmingsplannen buitengebied die in de gemeente van toepassing zijn geactualiseerd en geharmoniseerd.

In deze actualisatie van de vigerende bestemmingsplannen worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Een uitzondering wordt gemaakt wanneer bij een nieuwe ontwikkeling de aanvraag omgevingsvergunning inclusief de ruimtelijke onderbouwing reeds is ingediend en de reacties in het kader van vooroverleg zijn verwerkt. Dat laatste is niet het geval. Het toekennen van een bestemming ‘Bedrijf’ is niet in overeenstemming met het provinciaal – en gemeentelijk beleid inzake bedrijventerreinen. Een gemeente kan niet ongelimiteerd bedrijventerreinen uitbreiden. Conclusie De zienswijze zal niet worden overgenomen.

10. Monnikeweg 9, 8822 VA Arum. In het ontwerpbestemmingsplan wordt de toename van de stikstofemissie als gevolg van het gebruiken en laten gebruiken van gronden en/of bouwwerken gezien als strijdig gebruik. Ten aanzien van de toename van de stikstofemissie wordt verwezen naar de begrippenlijst zoals deze is opgenomen in artikel 1.72 van de planregels. Er is geen toename van de stikstofemissie wanneer sprake is van een onherroepelijke natuurtoestemming op basis van een onherroepelijke vergunning als bedoeld in artikel 19d Natuurbeschermingswet 1998 en/of artikel 2.7, lid 2 Wet natuurbescherming, en waarvoor een passende beoordeling is gemaakt. De onherroepelijke natuurtoestemmingen zijn als zodanig opgenomen in Bijlage 7 ‘Onherroepelijke vergunningen op basis van de Wet natuurbescherming resp. Natuurbeschermingswet 1998’. Voor de vraag of er sprake is van een toename van stikstofemissie wordt ingevuld door het feitelijk aanwezige en planologisch legale gebruik van gronden en bouwwerken op het moment dat het bestemmingsplan wordt vastgesteld. Als uitzondering op deze regel wordt een onherroepelijke natuurvergunning die is opgenomen in Bijlage 7 bij de planregels. Voor het bedrijf is op 15 januari 2016 een natuurvergunning verleend. Deze natuurvergunning is onherroepelijk maar is niet opgenomen in Bijlage 7 bij de planregels.

Verzocht wordt om deze alsnog op te nemen, zodat het bedrijf onder de uitzondering valt. Reactie gemeente In algemeenheid valt aan te geven dat het opnemen van een zogenaamde stikstofregel in bestemmingsplannen in de afgelopen jaren lastig is gebleken. De landelijke stikstofregels veranderen meer dan eens en tot op heden is er nog geen landelijke duidelijkheid over hoe om te gaan met stikstofdepositie op basis van de natuurwetgeving. Dat zorgt er ook voor dat het opnemen van de juiste of optimale stikstofregels voor in je bestemmingsplan ook erg lastig is. In een bestemmingsplan is het vereist om een stikstofregel op te nemen. Dat heeft dan alleen te maken met het bestemmingsplan om daarmee te kunnen onderbouwen of er milieueffecten uitgaan vanuit het bestemmingsplan. Een stikstofregel in een bestemmingsplan verandert dan ook niets aan de bestaande natuurrechten die iemand heeft op basis van de Wet natuurbescherming. Voor de natuurtoestemmingen is de provincie Fryslân namelijk het bevoegde gezag. De gemeente is dat niet. Een gemeente kan dus ook niet in een bestemmingsplan stikstofrechten die de provincie heeft gegeven afnemen. Als agrarische gemeente willen wij dat uiteraard ook niet.

Voor wat betreft stikstof en het bestemmingsplan is het goed te weten dat de stikstofregel alleen maar aan de orde is als iemand wil gaan uitbreiden/nieuwe ontwikkeling wil gaan doen. Want alleen dan is er een toets aan het bestemmingsplan. Bijvoorbeeld een nieuwe stal. Indien er een natuurtoestemming is van de provincie, zal het bestemmingsplan niet beperkend zijn voor wat betreft stikstof. Daarbij hebben wij in het bestemmingsplan ook opgenomen dat er geen sprake is van stikstofemissie als de ontwikkeling misschien wel stikstofemissie veroorzaakt, maar dat er geen depositie op een (overbelast) beschermd natuurgebied is. Als een beschermd gebied niet (extra) wordt belast, dan ziet het bestemmingsplan dit sowieso niet als stikstofemissie (artikel 1.74 onder 2). Dus extra activiteiten (gebruik of bouwen) die op basis van de nieuwste AERIUScalculator geen stikstofdepositie laten zien op beschermde gebieden, zijn in de ogen van het bestemmingsplan dus geen stikstofemissie. Die kunnen dus (als er ook aan de andere regels van het bestemmingsplan wordt voldaan). Als gemeente hebben wij langere tijd moeten zoeken en nadenken over een goede stikstofregel in onze bestemmingsplannen. In de afgelopen jaren is uit meerdere uitspraken van de Raad van State namelijk duidelijk geworden dat een goede stikstofregel in het bestemmingsplan niet makkelijk is.

Onze stikstofregel is na bestudering van de verschillende uitspraken en buitengebied-bestemmingsplannen van andere gemeenten zo opgebouwd dat wij daarmee in onze ogen recht doen aan de verschillende belangen. Uiteindelijk willen wij een goed bestemmingsplan vaststellen waarbij wij ook recht doen aan de natuurtoestemming. Dat hebben wij nu gedaan in onze ogen. Zoals de Afdeling standaard overweegt dient de gemeente bij de vaststelling van een bestemmingsplan de feitelijke, planologische legale situatie als referentiesituatie te beschouwen (o.a. ECLI:NL:RVS:2020:1110). Dit wordt dan ook in dit bestemmingsplan als uitgangspunt en hoofdregel geformuleerd. Dat deze hoofdregel in de praktijk onwenselijk kan zijn begrijpen wij, maar voor ons is het van belang dat wij in ons bestemmingsplan een goede hoofdregel vaststellen. Een uitzondering op deze hoofdregel is dan bijlage 7 waarin de bedrijven zijn opgenomen met een verleende Wnb-vergunning (of verleende omgevingsvergunning met een verklaring van geen bedenkingen op basis van de Wnb) welke ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan onherroepelijk was en waar een passende beoordeling aan ten grondslag heeft gelegen (o.a. ECLI:NL:RVS:2020:684). Een Wnb-vergunning (of afgegeven vvgb) welke op basis van de PAS-wetgeving passend is beoordeeld mag hiervoor niet gebruikt worden en kan niet opgenomen worden in bijlage 7.

Ook niet indien dit onherroepelijke vergunningen zijn. Voor de vaststelling van een bestemmingsplan (ruimtelijke spoor) is dit niet toegestaan (ECLI:NL:RVS:2019:1603, r.o. 36 e.v.). Conclusie is dat de artikelen inzake de vraag of er sprake is van toename van stikstofdepositie in het bestemmingsplan dusdanig zijn opgebouwd dat wij daarmee zoveel mogelijk recht doen aan de natuurtoestemmingen die er zijn. Wij zien geen

mogelijkheden of goede andere voorbeelden op welke wijze wij deze bepalingen zouden kunnen aanpassen zonder dat hierbij de houdbaarheid van de bepaling onder druk komt te staan. De genoemde Wnb-vergunning is gebaseerd op de PAS-wetgeving en op basis daarvan kan deze niet in bijlage 7 worden opgenomen van het bestemmingsplan. Conclusie De zienswijze zal niet worden overgenomen.

11. nr. 12 te Nijhuizum Zienswijze persoonlijk overgangsrecht Het perceel nr. 12 te Nijhuizum heeft de bestemming “Wonen-Woonboerderij”. Op grond van de bij deze bestemming behorende specifieke gebruiksregels (artikel 30.4) is het niet toegestaan om de woning voor recreatieve doeleinden te gebruiken. De woning wordt al geruime tijd voor recreatieve doeleinden gebruikt. In het kader van een mediation traject inzake nr. 9 te Nijhuizum heeft het college van burgemeester en wethouders bij brief van 24 juni 2022 zich bereid verklaard de gemeenteraad voor te stellen om middels een persoonsgebonden overgangsrecht recreatief medegebruik mogelijk te maken. Helaas blijkt dit niet uit het nu voorliggende bestemmingsplan. Daarom wordt verzocht het persoonsgebonden overgangsrecht alsnog in de planregels op te nemen. Reactie gemeente Deze constatering is juist. In het nieuwe bestemmingsplan worden binnen de bestemmingsplan ‘Wonen – Woonboerderij’ de specifieke gebruiksregels aangepast. Op grond van de specifieke gebruiksregels is recreatief gebruik van de woonboerderij niet toegestaan, met uitzondering van de eigenaresse van het perceel Nummer 12 te Nijhuizum. Op deze manier zal het persoonlijk overgangsrecht met de gewijzigde vaststelling worden meegenomen. Conclusie De zienswijze zal worden overgenomen.

De specifieke gebruiksregels binnen de bestemming ‘Wonen – Woonboerderij’ worden met een persoonlijk overgangsrecht aangevuld.

12. Kerkhoflaan 1, 8723 BW Koudum Belanghebbende is eigenaar van de percelen kadastraal bekend: gemeente Koudum, sectie A, nummer 403 en 5476. Deze percelen zijn respectievelijk 1.090 m2 en 14.980 m2 groot en rood omlijnd op onderstaande tekening. Op dit perceel wil belanghebbende een aantal woningen op deze percelen bouwen. Daarnaast is belanghebbende ook eigenaar van de percelen kadastraal bekend: gemeente Koudum, sectie A, nummers 5664 en 5665. Deze percelen zijn groen omlijnd. Op onderstaande tekening. In het kader van de heersende druk op de woningmarkt met hoge prijzen voor starters op de woningmarkt zal elke extra woning die druk op de woningmarkt doet verminderen. Extra woningen zullen ook de leefbaarheid in Koudum stimuleren.. Dit wordt ook zo uitgesproken door de landelijke en regionale politiek en in beleid opgenomen. Resumerend wordt verzocht om de hierboven aangehaalde gronden in het onderhavige bestemmingsplan te voorzien van een wijzigingsbevoegdheid om woningbouw in de toekomst mogelijk te maken. Reactie gemeente Met onderhavig bestemmingsplan worden de juridische en planologische regels van de verschillende en geldende bestemmingsplannen buitengebied die in de gemeente van toepassing zijn geactualiseerd en geharmoniseerd. In onderhavige actualisatie van de vigerende bestemmingsplannen worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt.

Een uitzondering wordt gemaakt wanneer bij een nieuwe ontwikkeling de aanvraag omgevingsvergunning inclusief de ruimtelijke onderbouwing reeds is ingediend en de reacties in het kader van vooroverleg zijn verwerkt. Het opnemen van een wijzigingsbevoegdheid om in de toekomst woningbouw mogelijk te maken is een nieuwe ontwikkeling en is niet nader onderzocht. Conclusie De zienswijze zal niet worden overgenomen.

13. Marnedijk 3, 8748 CT Witmarsum. In het ontwerpbestemmingsplan wordt de toename van de stikstofemissie als gevolg van het gebruiken en laten gebruiken van gronden en/of bouwwerken gezien als strijdig gebruik. Ten aanzien van de toename van de stikstofemissie wordt verwezen naar de begrippenlijst zoals deze is opgenomen in artikel 1.72 van de planregels. Er is geen toename van de stikstofemissie wanneer sprake is van een onherroepelijke natuurtoestemming op basis van een onherroepelijke vergunning als bedoeld in artikel 19d Natuurbeschermingswet 1998 en/of artikel 2.7, lid 2 Wet natuurbescherming, en waarvoor een passende beoordeling is gemaakt. De onherroepelijke natuurtoestemmingen zijn als zodanig opgenomen in Bijlage 7 ‘Onherroepelijke vergunningen op basis van de Wet natuurbescherming resp. Natuurbeschermingswet 1998’. Voor de vraag of er sprake is van een toename van stikstofemissie wordt ingevuld door het feitelijk aanwezige en planologisch legale gebruik van gronden en bouwwerken op het moment dat het bestemmingsplan wordt vastgesteld. Als uitzondering op deze regel wordt een onherroepelijke natuurvergunning die is opgenomen in Bijlage 7 bij de planregels. Voor het bedrijf is op 21 mei 2015 een natuurvergunning verleend. Deze natuurvergunning is onherroepelijk maar is niet opgenomen in Bijlage 7 bij de planregels.

Verzocht wordt om deze alsnog op te nemen, zodat het bedrijf onder de uitzondering valt. Reactie gemeente Belanghebbende staat met de verleende Wnb-vergunning in bijlage 7 van het bestemmingsplan. De onherroepelijke Wnb-vergunning is niet gebaseerd op de passende beoordeling van de Programmatische Aanpak Stikstof PAS). Dit is de uitzondering op de hoofdregel waarin de bedrijven zijn opgenomen met een verleende Wnb-vergunning (of verleende omgevingsvergunning met een verklaring van geen bedenkingen op basis van de Wnb) welke ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan onherroepelijk was en waar een passende beoordeling aan ten grondslag heeft gelegen (o.a. ECLI:NL:RVS:2020:684). De vvgb dateert inderdaad van 21 mei 2015 en is onderdeel geworden van de verleende omgevingsvergunning van 12 november 2015 onder kenmerk UV20140810. Deze onherroepelijke omgevingsvergunning zullen wij toevoegen aan bijlage 7. Conclusie De zienswijze zal worden overgenomen. De verleende omgevingsvergunning (waaronder begrepen de vvgb van de provincie) wordt toegevoegd aan bijlage 7 behorende bij de regels van het bestemmingsplan.

Gebruik van gronden en bouwwerken In de zienswijze komt naar voren dat artikel 3.5 onder j en 1.7 van de planregels een onnodige beperking van het gebruik inhouden. De regel zou namelijk ook gelden voor agrarische cultuurgrond die dezelfde bestemming behoudt. Allereerst merken wij op dat de zienswijze in plaats van artikel 1.7 de begripsbepaling van toename van stikstofemissie zal bedoelen (artikel 1.74). Dit beschouwen wij als een kennelijke schrijffout. In het bestemmingsplan is opgenomen dat het gebruiken van gronden en/of bouwwerken, waarbij er sprake is van stikstofemissie vanuit deze gronden en/of bouwwerken, als strijdig gebruik wordt beschouwd (o.a. artikel 3.5 onder j). In artikel 1.74 staat de begripsbepaling wanneer er in het kader van het bestemmingsplan sprake is van “toename van stikstofemissie”. Hieruit komt naar voren dat als er niets op de bedrijfslocatie verandert, er ook geen toename van stikstofemissie aan de orde is (in het kader van het bestemmingsplan). Dus deze regel is pas aan de orde in het geval er een wijziging op het perceel gaat plaatsvinden, zoals bijvoorbeeld de bouw van een extra stal. In dat geval wordt er pas gekeken naar of deze stal extra stikstofdepositie heeft op een overbelast beschermd natuurgebied. Is het antwoord hierop nee, dan is er op basis van de definitie van het bestemmingsplan geen toename van stikstofemissie.

Ook in die gevallen zal de stikstofregel dus geen belemmering opleveren. Mocht er wel een toename zijn, dan kan worden teruggevallen op de natuurtoestemming en wordt op basis daarvan bekeken of er een extra toename van stikstof is ten opzichte van deze natuurtoestemming. Naast de bouwpercelen, worden de weilanden nabij een boerderij ook agrarisch gebruikt. In de zienswijze wordt gesteld dat door de begripsbepaling van onze stikstofregel dit gebruik ook mogelijk een toename van stikstofemissie inhoudt en daarmee dat het bestemmingsplan onnodig beperkend is. Wij zijn het hier niet geheel mee eens. De eerste vraag is namelijk of er daadwerkelijk stikstofdepositie zal zijn op een (overbelast) beschermd natuurgebied bij het gebruik van die gronden. Dat zal in de meeste gevallen niet aan de orde zijn. Maar los daarvan beogen wij met onze bestemmingsplanregel niet om (mogelijk) beperkend te kunnen zijn. Wij zien daarom aanleiding om voor de duidelijkheid de strijdig gebruiksbepaling van artikelen 3.5 en 4.5 waarin stikstofemissie als strijdig gebruik wordt aangemerkt, aan te passen (waarbij de onderstreepte delen zijn toegevoegd). Hierbij koppelen wij deze emissie aan een ruimtelijke ontwikkeling.

Daarmee is in onze ogen tegemoet gekomen aan de gevraagde aanpassing in de zienswijze en doen wij recht aan de agrarische percelen die in de voorgaande bestemmingsplannen ook een agrarische bestemming hadden (en zo werden gebruikt). “het gebruiken en laten gebruiken van gronden en/of bouwwerken voor een ruimtelijke ontwikkeling, waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt

vanuit de betreffende gronden en/of bouwwerken. Onder een ruimtelijke ontwikkeling wordt in ieder geval niet verstaan het gebruik van onbebouwde agrarische gronden voor bemesten.” Conclusie Dit deel van de zienswijze zal worden overgenomen. De planregel zal worden aangevuld.

14. Bolswarderweg 3, 8765 LR Tjerkwerd. Namens belanghebbende wordt aangegeven dat voor het perceel Bolswarderweg 3 te Bolsward zowel de bestemming ‘Wonen’ als de bestemming ‘Agrarisch’ van toepassing is. In 2005 is door de toenmalige gemeente de bestemming van het perceel Bolswarderweg 3 overeenkomstig het gebruik bestemd. Namens belanghebbenden wordt aangegeven dat dit niet bekend was bij de eigenaar en daarom niet tijdig is gereageerd. Belanghebbenden hebben een recreatief plan ontwikkeld dat een kwalitatieve opwaardering van deze locatie inhoudt. De huidige bestemming geven te veel beperkingen, waardoor (een deel) van het plan niet gerealiseerd zou kunnen worden. Reactie gemeente Het vigerende bestemmingsplan Buitengebied, vastgesteld op 5 oktober 2017, was een actualisatie van het daarvoor geldende bestemmingsplan buitengebied zoals dit in 2005 door de toenmalige gemeenteraad is vastgesteld. Sinds 2005 heeft het perceel van belanghebbenden de bestemming ‘Wonen’. De bestemming ‘Agrarisch’ is niet van toepassing voor het betreffende perceel maar deze bestemming rust op de aangrenzende cultuurgronden. Tegen de vaststelling van de bestemming ‘Wonen’ in 2017 is geen inspraakreactie, zienswijze ingediend of beroep ingesteld. De geldende bestemming ‘Wonen’ is al ruim 18 jaar van kracht. De zienswijze is gericht op het ontwikkelen van een recreatieve invulling op het perceel.

De huidige omvang is daarvoor te klein en daarom wordt gevraagd het bestemmingsvlak te vergroten. Dit is een nieuwe ontwikkeling. Met onderhavig bestemmingsplan worden de juridische en planologische regels van de verschillende en geldende bestemmingsplannen buitengebied die in de gemeente van toepassing zijn geactualiseerd en geharmoniseerd. In onderhavige actualisatie van de vigerende bestemmingsplannen worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt. Een uitzondering wordt alleen gemaakt wanneer het college heeft ingestemd met een nieuwe ontwikkeling en voor een nieuwe ontwikkeling een complete aanvraag omgevingsvergunning inclusief de ruimtelijke onderbouwing is ingediend en de reacties in het kader van vooroverleg zijn verwerkt. Als de reacties zijn verwerkt is er sprake van een definitief plan dat op alle omgevingsaspecten is onderzocht en uit de resultaten is gebleken dat de nieuwe ontwikkeling uitvoerbaar is. Conclusie De zienswijze zal niet worden overgenomen.

15. Buren 23 8761 PB te Ferwoude

In de zienswijze wordt aangegeven dat op het perceel Buren 23 een veehouderijbedrijf actief is. Op het perceel vindt opslag van kunstmest, drijf- en vaste mest plaats en worden de gronden rondom het perceel agrarisch gebruikt. In het ontwerpbestemmingsplan is het perceel bestemd als ‘Wonen – Woonboerderij’. Door het toekennen van deze bestemming is er geen sprake van een goede ruimtelijke ordening. Men geeft aan dat de bedrijfsgebouwen geschikt zijn voor het houden van schapen. Er wordt vervolgens verwezen naar een vergelijkbaar perceel waar de Raad van State uitspraak heeft gedaan. Het perceel beschikt niet over een Wnb-vergunning en valt daarom terug op de vergunde situatie op grond van de Wet milieubeheer. Met betrekking tot de vraag of er bij een eventuele uitbreiding of verbouwing sprake is van een toename van de stikstofemissie is de feitelijke en legale situatie ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan. In de zienswijze wordt aangegeven dat de vergunde situatie hiermee niet wordt gerespecteerd. Als reactie wordt gegeven dat stallen vol gezet moeten worden. Ook gelden de regels voor het gebruik van gronden waarop geen ruimtelijke ontwikkeling is voorzien en geven daarmee een extra beperking voor het gebruik.

Daarnaast wordt aangehaald dat een agrarisch bedrijf een wijziging van het bestemmingsplan (straks omgevingsplan) nodig is om een toekomstige Wnbvergunning toe te kunnen toevoegen aan Bijlage 7 van het bestemmingsplan. Dit is een te zware procedure met hoge legeskosten. Reactie gemeente Het perceel beschikt over een Hinderwetvergunning (omgezet in een melding) van 1993. Uit de laatste milieucontroles is gebleken dat er geen dieren aanwezig zijn m.u.v. 6 schapen. Uit een recente controle en gesprek met de eigenaar is gebleken dat er geen vee op het perceel aanwezig is. Rondom het perceel ligt nog 10 hectare aan landbouwgrond die bij het perceel hoort. Stikstof In algemeenheid valt aan te geven dat het opnemen van een zogenaamde stikstofregel in bestemmingsplannen in de afgelopen jaren lastig is gebleken. De landelijke stikstofregels veranderen meer dan eens en tot op heden is er nog geen landelijke duidelijkheid over hoe om te gaan met stikstofdepositie op basis van de natuurwetgeving. Dat zorgt er ook voor dat het opnemen van de juiste of optimale stikstofregels voor in je bestemmingsplan ook erg lastig is. In een bestemmingsplan is het vereist om een stikstofregel op te nemen. Dat heeft dan alleen te maken met het bestemmingsplan om daarmee te kunnen onderbouwen of er milieueffecten uitgaan vanuit het bestemmingsplan.

Een stikstofregel in een bestemmingsplan verandert dan ook niets aan de bestaande natuurrechten die iemand heeft op basis van de Wet natuurbescherming. Voor de natuurtoestemmingen is de provincie Fryslân namelijk het bevoegde gezag. De

gemeente is dat niet. Een gemeente kan dus ook niet in een bestemmingsplan stikstofrechten die de provincie heeft gegeven afnemen. Als agrarische gemeente willen wij dat uiteraard ook niet. Voor wat betreft stikstof en het bestemmingsplan is het goed te weten dat de stikstofregel alleen maar aan de orde is als iemand wil gaan uitbreiden/nieuwe ontwikkeling wil gaan doen. Want alleen dan is er een toets aan het bestemmingsplan. Bijvoorbeeld een nieuwe stal. Indien er een natuurtoestemming is van de provincie, zal het bestemmingsplan niet beperkend zijn voor wat betreft stikstof. Daarbij hebben wij in het bestemmingsplan ook opgenomen dat er geen sprake is van stikstofemissie als de ontwikkeling misschien wel stikstofemissie veroorzaakt, maar dat er geen depositie op een (overbelast) beschermd natuurgebied is. Als een beschermd gebied niet (extra) wordt belast, dan ziet het bestemmingsplan dit sowieso niet als stikstofemissie (artikel 1.74 onder 2). Dus extra activiteiten (gebruik of bouwen) die op basis van de nieuwste AERIUScalculator geen stikstofdepositie laten zien op beschermde gebieden, zijn in de ogen van het bestemmingsplan dus geen stikstofemissie. Die kunnen dus (als er ook aan de andere regels van het bestemmingsplan wordt voldaan). Als gemeente hebben wij langere tijd moeten zoeken en nadenken over een goede stikstofregel in onze bestemmingsplannen.

In de afgelopen jaren is uit meerdere uitspraken van de Raad van State namelijk duidelijk geworden dat een goede stikstofregel in het bestemmingsplan niet makkelijk is. Onze stikstofregel is na bestudering van de verschillende uitspraken en buitengebied-bestemmingsplannen van andere gemeenten zo opgebouwd dat wij daarmee in onze ogen recht doen aan de verschillende belangen. Uiteindelijk willen wij een goed bestemmingsplan vaststellen waarbij wij ook recht doen aan de natuurtoestemming. Dat hebben wij nu gedaan in onze ogen. Zoals de Afdeling standaard overweegt dient de gemeente bij de vaststelling van een bestemmingsplan de feitelijke, planologische legale situatie als referentiesituatie te beschouwen (o.a. ECLI:NL:RVS:2020:1110). Dit wordt dan ook in dit bestemmingsplan als uitgangspunt en hoofdregel geformuleerd. Dat deze hoofdregel in de praktijk onwenselijk kan zijn begrijpen wij, maar voor ons is het van belang dat wij in ons bestemmingsplan een goede hoofdregel vaststellen. Een uitzondering op deze hoofdregel is dan bijlage 7 waarin de bedrijven zijn opgenomen met een verleende Wnb-vergunning (of verleende omgevingsvergunning met een verklaring van geen bedenkingen op basis van de Wnb) welke ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan onherroepelijk was en waar een passende beoordeling aan ten grondslag heeft gelegen (o.a. ECLI:NL:RVS:2020:684).

Een Wnb-vergunning (of afgegeven vvgb) welke op basis van de PAS-wetgeving passend is beoordeeld mag hiervoor niet gebruikt worden en kan niet opgenomen worden in bijlage 7. Ook niet indien dit onherroepelijke vergunningen zijn. Voor de vaststelling van een bestemmingsplan (ruimtelijke spoor) is dit niet toegestaan (ECLI:NL:RVS:2019:1603, r.o. 36 e.v.).

Conclusie is dat de artikelen inzake de vraag of er sprake is van toename van stikstofdepositie in het bestemmingsplan dusdanig zijn opgebouwd dat wij daarmee zoveel mogelijk recht doen aan de natuurtoestemmingen die er zijn. Wij zien geen mogelijkheden of goede andere voorbeelden op welke wijze wij deze bepalingen zouden kunnen aanpassen zonder dat hierbij de houdbaarheid van de bepaling onder druk komt te staan. Conclusie: De zienswijze zal niet worden overgenomen. Gebruik van gronden en bouwwerken In de zienswijze komt naar voren dat artikel 3.5 onder j en 1.7 van de planregels een onnodige beperking van het gebruik inhouden. De regel zou namelijk ook gelden voor agrarische cultuurgrond die dezelfde bestemming behoudt. Allereerst merken wij op dat de zienswijze in plaats van artikel 1.7 de begripsbepaling van toename van stikstofemissie zal bedoelen (artikel 1.74). Dit beschouwen wij als een kennelijke schrijffout. In het bestemmingsplan is opgenomen dat het gebruiken van gronden en/of bouwwerken, waarbij er sprake is van stikstofemissie vanuit deze gronden en/of bouwwerken, als strijdig gebruik wordt beschouwd (o.a. artikel 3.5 onder j). In artikel 1.74 staat de begripsbepaling wanneer er in het kader van het bestemmingsplan sprake is van “toename van stikstofemissie”.

Hieruit komt naar voren dat als er niets op de bedrijfslocatie verandert, er ook geen toename van stikstofemissie aan de orde is (in het kader van het bestemmingsplan). Dus deze regel is pas aan de orde in het geval er een wijziging op het perceel gaat plaatsvinden, zoals bijvoorbeeld de bouw van een extra stal. In dat geval wordt er pas gekeken naar of deze stal extra stikstofdepositie heeft op een overbelast beschermd natuurgebied. Is het antwoord hierop nee, dan is er op basis van de definitie van het bestemmingsplan geen toename van stikstofemissie. Ook in die gevallen zal de stikstofregel dus geen belemmering opleveren. Mocht er wel een toename zijn, dan kan worden teruggevallen op de natuurtoestemming en wordt op basis daarvan bekeken of er een extra toename van stikstof is ten opzichte van deze natuurtoestemming. Naast de bouwpercelen, worden de weilanden nabij een boerderij ook agrarisch gebruikt. In de zienswijze wordt gesteld dat door de begripsbepaling van onze stikstofregel dit gebruik ook mogelijk een toename van stikstofemissie inhoudt en daarmee dat het bestemmingsplan onnodig beperkend is. Wij zijn het hier niet geheel mee eens. De eerste vraag is namelijk of er daadwerkelijk stikstofdepositie zal zijn op een (overbelast) beschermd natuurgebied bij het gebruik van die gronden. Dat zal in de meeste gevallen niet aan de orde zijn.

Maar los daarvan beogen wij met onze bestemmingsplanregel niet om (mogelijk) beperkend te kunnen zijn. Wij zien daarom aanleiding om voor de

duidelijkheid de strijdig gebruiksbepaling van artikelen 3.5 en 4.5 waarin stikstofemissie als strijdig gebruik wordt aangemerkt, aan te passen (waarbij de onderstreepte delen zijn toegevoegd). Hierbij koppelen wij deze emissie aan een ruimtelijke ontwikkeling. Daarmee is in onze ogen tegemoet gekomen aan de gevraagde aanpassing in de zienswijze en doen wij recht aan de agrarische percelen die in de voorgaande bestemmingsplannen ook een agrarische bestemming hadden (en zo werden gebruikt). “het gebruiken en laten gebruiken van gronden en/of bouwwerken voor een ruimtelijke ontwikkeling, waarbij een toename van stikstofemissie plaatsvindt vanuit de betreffende gronden en/of bouwwerken. Onder een ruimtelijke ontwikkeling wordt in ieder geval niet verstaan het gebruik van onbebouwde agrarische gronden voor bemesten.” Conclusie Dit deel van de zienswijze zal worden overgenomen. De planregel zal worden aangevuld. Nieuwe Wnb-vergunningen in bijlage 7 In de zienswijze wordt gesteld dat, als er na de vaststelling van het bestemmingsplan een nieuwe Wnb-vergunning wordt verleend, het bedrijf zelf zorg moet dragen om deze nieuwe vergunning in bijlage 7 van het bestemmingsplan te krijgen. In de zienswijze wordt tevens aangegeven dat hiervoor het bestemmingsplan moet worden gewijzigd en dat hiermee hoge kosten voor de ondernemer aan de orde zijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13085891/4