Bijlage 1 - Samenvatting bestemmingsplan BGB-II
Tekst van het document
Samenvatting bestemmingsplan 29 augustus 2023
‘Buitengebied Súdwest-Fryslân II’
In het kort Het buitengebied van de gemeente is globaal opgedeeld in twee gebieden. Voor het westelijke deel van de gemeente is in 2017 het bestemmingsplan ‘Buitengebied Súdwest-Fryslân’ vastgesteld. Voor het overige deel van het buitengebied geldt dat deze nu nog bestaat uit bestemmingsplannen van de voormalige gemeenten Boarnsterhim (deels), Bolsward, Littenseradiel (deels) en Wymbritseradiel. Deze (verouderde) bestemmingsplannen van de voormalige gemeenten worden in het voorliggende bestemmingsplan ‘Buitengebied Súdwest-Fryslân II’ geactualiseerd. Hierdoor zijn er voor het gehele buitengebied van SWF (en de agrarische percelen in de kernen) dezelfde regels. Het voorliggende bestemmingsplan ‘Buitengebied SWF II’ is conserverend van aard, wat niet betekent dat niets kan. Binnen het bestemmingsplan zitten flexibiliteitsbepalingen en zijn de gebruikelijke ontwikkelingen mogelijk gemaakt, maar zijn er geen grote nieuwe ontwikkelingen opgenomen. Wel zijn eventueel vernieuwde gebruiks- en bouwregels binnen de gemeente integraal meegenomen in dit bestemmingsplan (bijvoorbeeld vernieuwde definities). Ook worden de regels geharmoniseerd met het andere buitengebied-bestemmingsplan (2017) om daarmee gelijke rechten te creëren voor alle agrarische bedrijven. Bijvoorbeeld voor wat betreft een denkbeeldige rechthoek.
Het voorontwerpbestemmingsplan heeft ter inzage gelegen en er zijn inloopmiddagen geweest. Vervolgens is het ontwerpbestemmingsplan vanaf 30 mei 2023 ter inzage gelegd waarbij eenieder in de gelegenheid is gesteld om een zienswijze in te dienen. Op 29 juni 2023 is een speciaal ingelaste informatieavond voor de agrarische bedrijven in Blauwhuis georganiseerd om uitleg te geven over het bestemmingsplan en de voorschriften hierin.
Wat vraagt de wet van ons? Op basis van de wet- en regelgeving stelt de gemeenteraad een bestemmingsplan vast. Om dit te kunnen doen moet er eerst een ontwerpbestemmingsplan voor zes weken ter inzage hebben gelegen. Binnen deze termijn kunnen belanghebbenden een zienswijzen indienen. Een ontwerpbestemmingsplan is formeel het startpunt van de procedure tot een nieuw bestemmingsplan. Op basis van het ontwerpbestemmingsplan ontstaat er een voorbereidingsbescherming voor nieuwe plannen (vergelijkbaar met een voorbereidingsbesluit). Er moet ook getoetst worden aan het ontwerpbestemmingsplan en als het daar niet aan voldoet, dan kan de ontwikkeling in beginsel niet (meer).
Voordat er een ontwerpbestemmingsplan door het college van B&W wordt vastgesteld, is er een (ambtelijk) voorontwerpbestemmingsplan. Dat is een zogenaamd “praatstuk” met de vooroverlegpartners zoals de provincie en het waterschap (preferente partners). Ook kunnen belanghebbenden een inspraakreactie op dit voorontwerpbestemmingsplan indienen. Een voorontwerpbestemmingsplan heeft verder nog geen juridische status. Met het voorontwerp en de inspraakreacties hierop wordt een beter en bijgeschaafd plan gemaakt wat als ontwerpbestemmingsplan wordt vastgesteld. In dit geval zijn er inloopmiddagen geweest om uitleg te geven aan het nieuwe bestemmingsplan. Dit heeft geresulteerd in de vaststelling van het ontwerpbestemmingsplan. Dit ontwerpbestemmingsplan heeft voor zes weken ter inzage gelegen tot en met 10 juli 2023.
Nadat de zienswijzen op het ontwerpbestemmingsplan zijn verwerkt (en eventuele ambtshalve wijzigingen zijn verwerkt), kan het bestemmingsplan definitief (gewijzigd) worden vastgesteld door de gemeenteraad.
Bij het opstellen van een nieuw bestemmingsplan is de basis de huidige bestemmingsplannen. Het nieuwe bestemmingsplan overschrijft de oude bestemmingsplannen met nieuwe inzichten, nieuw beleid en de verleende vergunningen.
Op grond van de wet- en regelgeving dient de gemeente bij de vaststelling van het bestemmingsplan de feitelijke (legaal aanwezige) situatie te bestemmen. Dat betekent dat het niet of minder relevant is wat er ooit heeft gespeeld of wat de bestemming in het huidige bestemmingsplan is, maar alleen wat er zich nu feitelijk afspeelt. Het bestemmingsplan zal de gebruiks- en bouwregels voor de komende periode (vroeger was dit doorgaans tien jaar) gaan bevatten en dat moet dan wel up-to-date zijn.
Hoe hebben wij het aangepakt? Het buitengebied II plangebied is behoorlijk groot. Het omvat meerdere buitengebiedbestemmingsplannen van (inmiddels) voormalige gemeenten. Dat betekent ook dat er veel verschillende regels voor agrariërs waren. Elke oudgemeente had weer net andere regels en andere begrippen. Dat maakt het niet altijd overzichtelijk en zorgde ook voor ongelijkheid binnen de gemeente (qua mogelijkheden bijvoorbeeld).
Om te beginnen is er een uitgangspuntennotitie buitengebied 2.0 in 2019 door de gemeenteraad vastgesteld. Dat is bij ‘Buitengebied SWF’ ook gedaan (het andere deel van het buitengebied van onze gemeente) en dat biedt de basis voor de gebruiks- en bouwregels. Daardoor komen er voor de gehele gemeente dezelfde regels voor agrarische bedrijven. Dat is transparant, eerlijk en consequent. Geen onderscheid in mogelijkheden voor bedrijven meer alleen maar vanwege de ligging van dat bedrijf.
De agrarische bedrijven die nu nog in de bestemmingsplannen van dorpen liggen (zogenaamde komplannen) worden ook opgenomen in het buitengebied-bestemmingsplan. Dat heeft meerdere redenen maar de belangrijkste is dat hiermee de regels voor deze boeren gelijk zijn aan de regels voor de boeren die in het buitengebied zitten. Te denken valt bijvoorbeeld aan uitbreidingsmogelijkheden en de kleine windmolens. Bijkomende reden is dat als er een geitenstop wordt opgenomen, dit voor alle agrarische bestemmingen moet gaan gelden en dus daarom is het ook gewenst de agrarische percelen uit de komplannen te halen. Anders zouden er op de agrarische percelen in een dorp (indien aan de milieunormen wordt voldaan) nog wel geiten gehouden mogen worden.
Daarnaast is op basis van een inventarisatie en eerdere gesprekken op locatie een aantal agrarische bestemmingen in het voorontwerpbestemmingsplan omgezet naar de bestemming wonenwoonboerderij. Op die locaties wordt op basis van onze informatie particulier gewoond (met mogelijk ondergeschikt wat agrarische activiteit). Voor die percelen geldt dat wij deze mensen een brief hebben gestuurd met ons voornemen om zo te kunnen reageren (en eventueel aan te tonen dat er wel volwaardige agrarische activiteit is). Voor de ingekomen reacties hierop waarbij wij twijfels hadden of het echt nog wel agrarisch is, zijn toezichthouders ter plaatse geweest om de feitelijke situatie vast te leggen. Dit alles om ervoor te zorgen dat de feitelijk legaal aanwezige situatie vastgelegd wordt in het (ontwerp)bestemmingsplan. Nadat het ontwerpbestemmingsplan is vastgesteld, hebben de indieners van een inspraak een reactie gekregen wat er met de inspraak is gedaan. Ook de mensen waarbij er een wijziging op het perceel heeft plaatsgevonden, hebben wij schriftelijk laten weten wat deze wijziging inhoudt. Dit ziet dan op wijzigingen met een mogelijk (negatief) effect. Deze mensen zijn hierbij ook gewezen op de mogelijkheid tot het indienen van een zienswijze tegen het ontwerpbestemmingsplan (indien wij niet meegingen met de inspraak).
Op dat aspect zijn er slechts enkele zienswijzen ingediend naar aanleiding van het ontwerpbestemmingsplan. In de meeste gevallen betekent het dus dat de juiste bestemming hierop is gelegd. In de zienswijzen die wij wel hebben gekregen hebben wij in de meeste gevallen de bestemming alsnog weer teruggedraaid omdat er bijvoorbeeld onderbouwd is dat het agrarische gebruik wel aan de orde is. Daarnaast hebben wij ook in enkele gevallen juist de wonenwoonboerderij er nu opgelegd omdat in de zienswijze (of op een andere wijze) gevraagd is de agrarische bestemming eraf te halen.
Samenvatting van de ingediende zienswijzen Om snel overzicht te kunnen geven in de aard van de zienswijzen, hebben wij hieronder de belangrijkste aspecten die hierin naar voren zijn gekomen opgenomen. Dat maakt het beeld duidelijker waar de zienswijzen over gaan en hoeveel er waarover gaan.
Allereerst worden hieronder de cijfers van de aantallen benoemd: -
Voorontwerp: 151 inspraakreacties Ontwerp: 136 zienswijzen
Het aantal zienswijzen is afgenomen ten opzichte van de inspraakreacties. Op de ingediende zienswijzen is wel een flinke nuance te maken.
Vooroverlegpartners Drie zienswijzen zijn van zogenaamde vooroverlegpartners. Dit zijn de provincie Fryslân, Tennet en de Gasunie. Deze zienswijzen zijn gelet op de belangen integraal overgenomen. Veelal ziet dit op tekstuele aanpassingen in artikelen zodat de belangen goed worden beschermd.
Voor de provincie geldt dat wij op advies van de provincie (in voorontwerp) in de regels voor kamperen hebben voorgesorteerd op een verruiming van het aantal kampeermiddelen. Na de verkiezingen heeft PS echter besloten dat deze verruiming (vooralsnog) niet doorgaat en dus moeten wij dit nu weer aanpassen naar de huidige aantallen.
Adviesbureau en stikstof + bouwvlak Voor 73 zienswijzen geldt dat dit een standaardbrief is van een agrarisch adviesbureau met dezelfde tekst over onze stikstofbepaling en het opnemen van een bouwvlak van 2 Ha. Mede door de ophef die is veroorzaakt, is besloten om een informatieavond te organiseren voor de agrarische bedrijven om uitleg te geven over wat ons bestemmingsplan feitelijk wel of niet regelt inzake stikstof. Hetgeen in de zienswijze wordt gesteld en wordt gevraagd is namelijk niet juist. Het bestemmingsplan zoals dat nu wordt voorgelegd respecteert de stikstofrechten die een agrarisch bedrijf op basis van een natuurtoestemming van de provincie heeft.
Afpakken van stikstofrechten van agrarische bedrijven is niet de bedoeling van dit bestemmingsplan en dat is dan ook zo uitgelegd aan de agrarische sector. Op de speciaal ingelaste informatieavond in Blauwhuis waren tegen de 270 mensen aanwezig. Uit de reacties blijkt dat de boodschap goed is overgekomen en dat het beeld is dat de gemeente geen stikstofrechten afpakt. Dat kunnen wij ook helemaal niet aangezien de provincie het bevoegde gezag is. Voor de vele identieke zienswijzen over stikstof geldt dat de meeste opdrachten om een zienswijze in te dienen vermoedelijk al waren gegeven.
Restant zienswijzen
Zienswijzen ingediend:
136 stuks
Vooroverlegpartners:
3 stuks
Adviesbureau
73 stuks
Op basis van bovenstaande zijn er 60 zienswijzen ingediend (die niet standaard zijn). Dat zijn er gezien de omvang van het plan en de hoeveelheid inspraakreacties relatief weinig. Daarbij zijn er minimaal 40 zienswijzen (in sommige gevallen is er overlap tussen de gevraagde wijzigingen) die leiden tot een (gedeeltelijke) aanpassing van de regels of verbeelding.
Met deze nuance kan worden geconcludeerd dat er weliswaar zienswijzen zijn ingediend tegen het ontwerpbestemmingsplan, maar dat dit relatief gezien weinig (op verschillende inhoud) zijn voor een dergelijk groot en allesomvattend gebied in het buitengebied.
In de meeste gevallen gaat het dan ook om gevallen dat er op perceelsniveau iets niet of onvoldoende goed is geregeld in de ogen van de indiener van de zienswijze. Ook illegale situaties op een perceel worden geprobeerd te legaliseren met een zienswijze en nieuwe toekomstige ontwikkelplannen ook. Het is een conserverend plan en nieuwe ontwikkeling kunnen hierin niet meegenomen worden tenzij al ruimtelijk onderbouwd is dat de ontwikkeling passend is. Bijvoorbeeld een geluidsonderzoek etc.
Het vaststellen van een bestemmingsplan kan namelijk alleen indien er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Daar is sprake van als een bestemming op een perceel, of een ontwikkeling, geen onevenredige nadelen heeft voor de directe woon- en leefomgeving. Het omzetten van een woonbestemming naar een bedrijfsbestemming is een voorbeeld van een wijziging die eerst goed onderbouwd moet gaan worden. Kan dat zomaar zonder dat het woonklimaat van de buren niet wordt aangetast? Het zomaar opnemen van een dergelijke wijziging kan dus niet want dan is er geen sprake van een goede ruimtelijke ordening. Dat geldt in de regel voor alle nieuwe ontwikkelingen (die niet aan het bestemmingsplan voldoen). Daarvoor staat de weg open om daar een eigen bestemmingsplan voor te maken of via een vergunning met een afwijking op het bestemmingsplan medewerking te verlenen. In dat traject kan er door de initiatiefnemer worden onderbouwd in een ruimtelijke onderbouwing welke effecten er zijn en hoe zich dat verhoudt met de directe woon- en leefomgeving.
Reactie op zienswijzen (hoofdpunten) In de zienswijzen komen enkele hoofdpunten meerdere keren terug en die zullen hieronder kort worden uitgelegd inclusief de reactie hierop. Voor een volledig overzicht wordt verwezen naar de reactienota op de ingediende zienswijzen.
1. Vergroten bouwvlak In meerdere zienswijzen komt naar voren dat de agrarische bedrijven in plaats van een denkbeeldige rechthoek van 1,5 Ha standard een bouwvlak van 2,0 Ha willen hebben. Ook zijn er bedrijven die nu bijvoorbeeld 1,7 Ha aan bebouwing hebben staan er hier omheen een bouwvlak van 1,7 Ha willen hebben in plaats van de denkbeeldige rechthoek met afwijkingsmogelijkheid naar 2,0 Ha.
Het standaard opnemen van een bouwvlak van 2,0 Ha is om meerdere redenen ongewenst. In het bestemmingsplan is aangegeven dat per denkbeeldige rechthoek of bouwvlak uitsluitend bedrijfsgebouwen ten behoeve van 1 agrarisch bedrijf mogen worden gebouwd. Hier is een afwijking in het bestemmingsplan voor opgenomen zodat met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken voor het bouwen van bouwwerken buiten de denkbeeldige rechthoek van 1,5 hectare, mits de bebouwing ten behoeve van een grondgebonden agrarisch bedrijf wordt gesitueerd binnen een denkbeeldige rechthoek die maximaal 2 hectare bedraagt en die gelegen is op en rondom de gronden ter plaatse van de aanduiding ‘agrarisch bedrijf’.
Deze binnenplanse afwijkingsmogelijkheid kan alleen worden toegepast wanneer er sprake is van een denkbeeldige rechthoek met de aanduiding ‘agrarisch bedrijf’. Niet indien er een bouwvlak is. Alle bouwwerken die worden geplaatst buiten de denkbeeldige rechthoek van 1,5 hectare dienen te worden beoordeeld op basis van de in het bestemmingsplan opgenomen afwijkingsmogelijkheid zoals hiervoor omschreven, ondanks van het feit dat de denkbeeldige rechthoek van 1,5 hectare reeds is overschreden. Dus in het geval een huidige bebouwing van 1,7 Ha zou worden vastgelegd in een bouwvlak van 1,7 Ha, dan worden de ontwikkelmogelijkheden voor dit bedrijf naar 2,0 Ha onmogelijk gemaakt. Uitbreiding met de genoemde flexibele binnenplanse afwijkingsmogelijkheid tot maximaal 2 hectare is alleen mogelijk indien er een denkbeeldige rechthoek is en niet in het geval er een bouwvlak is. Daar komt bij dat het opnemen van een bouwvlak tussen de 1,5 Ha en 2,0 Ha voor een grondgebonden agrarisch bedrijf niet past binnen onze algemene uitgangspunten en dit op basis daarvan al onwenselijk is. Hierbij is de beoogde flexibiliteit die wij nastreven om te kunnen groeien naar de 2,0 Ha door het opnemen van het bouwvlak tenietgedaan.
In de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid om van 1,5 Ha naar 2,0 Ha te kunnen groeien, zitten afwegingskaders opgenomen. Zoals bijvoorbeeld de landschappelijke inpassing (Nije Pleats sessie). Als de 2,0 Ha standaard als bouwvlak wordt opgenomen dan heb je geen regulering meer voor wat betreft de landschappelijke inpassing. Daar kom je dan niet meer aan toe.
De kwaliteiten van het buitengebied zoals de openheid moet geborgd blijven en middels de binnenplanse afwijking kan er maatwerk op perceelsniveau worden toegepast inclusief een goede landschappelijke inpassing. Daarom wordt er geen bouwvlak opgenomen.
2. Stikstof Veel zienswijzen zien op de stikstofbepaling in het ontwerpbestemmingsplan. Indieners zijn bang dat er stikstofrechten worden afgepakt met dit bestemmingsplan, met name vanwege de hoofdregel. Veel bedrijven willen dat de Wnb-vergunning (Wet natuurbescherming) die de bedrijven hebben voor wat betreft toegestane stikstofemissie 1-op-1 opgenomen worden als bestaand gebruik in het bestemmingsplan. Dit willen ze graag omdat ze daarmee kunnen uitbreiden (dieren/stal bouwen) zonder een nieuwe toestemming van de provincie of gemeente nodig te hebben. Ze hoeven dan niet te onderbouwen dat er geen extra stikstofemissie is door deze uitbreiding.
Dit kunnen wij als gemeente echter niet zomaar doen. De Raad van State staat dit alleen maar toe indien deze Wnb-vergunning die het bedrijf heeft, “passend is beoordeeld”. Dus er moet een goede afweging zijn geweest met betrekking tot de impact op de beschermde natuurwaarden door de provincie. Daarvan is volgens de Raad van State geen sprake als deze Wnb-vergunning is gebaseerd op de PAS-wetgeving. Helaas zijn dit de meeste Wnb-vergunningen in Friesland. Dat betekent dat wij deze Wnb-vergunningen dus niet 1-op-1 mogen overnemen als deze nog gebaseerd zijn op de PAS-wetgeving.
Maar dat betekent niet dat in het bestemmingsplan stikstofrechten worden afgepakt. Er is gezocht naar een goede en juridisch houdbare hoofdregel om daar uitzonderingen op te maken voor specifieke gevallen. Hierbij is gekeken naar andere gemeenten en naar de uitspraken van de Raad van State. Hoofddoel is de vaststelling van het bestemmingsplan en een juridisch houdbare (hoofd)regel voor wat betreft stikstof. Het wel of niet inperken van stikstofrechten is niet aan de gemeente, maar dat is de bevoegdheid en dus ook de verantwoordelijkheid van de provincie.
In het bestemmingsplan is de hoofdregel dat er op het moment van vaststelling van het bestemmingsplan (28-09-2023) een soort peilmoment is. Het feitelijk legaal aanwezige gebruik op dat moment is de basis voor de vraag of een nieuwe ontwikkeling leidt tot een toename van stikstofemissie. Deze hoofdregel komt voort uit de uitspraken. Hier is een uitzondering op gemaakt voor de Wnb-vergunningen die in bijlage 7 van het bestemmingsplan zijn opgenomen. Dit zijn vergunningen waarbij geen gebruik is gemaakt van de PAS-wetgeving. Deze twee regels hebben eerder de rechterlijke toets doorstaan.
De hoofdregel betekent niet dat de gemeente op die dag bij elk bedrijf langs gaat. Dit peilmoment is ook in veel gevallen niet relevant. Om aan deze hoofdregel toe te komen, zal eerst de volgende stappen doorlopen moeten worden. -
Er moet sprake zijn van een nieuwe ontwikkeling (uitbreiding op het bedrijf); Deze uitbreiding moet ten opzichte van de hoofdregel leiden tot meer stikstofemissie; Van toename van stikstofemissie is geen sprake als er wel meer emissie is maar dit niet leidt tot toename van stikstofdepositie op een beschermd (overbelast)natuurgebied.
In de meeste gevallen is er dus al geen sprake van een toename van stikstofemissie gelet op de definitie in ons bestemmingsplan. Omdat de hoofdregel niet in alle gevallen recht doet aan de bestaande natuurtoestemmingen zijn in bijlage 7 de verleende natuurtoestemmingen opgenomen die niet op basis van de PAS-wetgeving tot stand zijn gekomen.
Mochten hiermee nog steeds agrarische bedrijven aanwezig zijn die wel een natuurtoestemming hebben maar die niet uit de voeten kunnen met deze twee regels is er ook nog een
afwijkingsmogelijkheid opgenomen. Hiermee wordt er recht gedaan aan de natuurtoestemming die er ligt. Er worden dus geen stikstofrechten afgepakt (of afgeroomd) op basis van dit bestemmingsplan. Overigens maakt het bestemmingsplan ook niet meer ontwikkelingen mogelijk dan waarvoor een natuurtoestemming aanwezig is. Indien een bedrijf dat zou willen, zal dit bedrijf eerst een provinciale toestemming moeten krijgen voordat het bestemmingsplan hieraan kan meewerken. In die zin wordt er dus, op een andere wijze, tegemoetgekomen aan de insteek van de zienswijzen over stikstof. De natuurrechten worden gerespecteerd in dit bestemmingsplan.
3. Overig (vaak soort gebruik) Er zijn ook zienswijzen ingediend waarbij het ziet op de wijziging van een bestemming of het opnemen van een specifieke aanduiding. Regelmatig in relatie tot recreatie, maar ook met de bedrijfsbestemming. In die gevallen is heel specifiek getoetst of de gevraagde (of bestaande) situatie legaal aanwezig is en/of passend is binnen onze beleidsuitgangspunten. Dat is per perceel maatwerk. Ook de provinciale verordening Romte is hier leidend in.
Daarnaast kunnen nieuwe ontwikkelingen alleen worden meegenomen indien deze ruimtelijk onderbouwd zijn. Dus in het geval er een aanvraag loopt waarbij een ruimtelijke onderbouwing is aangeleverd en deze ruimtelijke onderbouwing is akkoord bevonden (door de preferente partners en de gemeente), dan wordt deze ontwikkeling meegenomen in het nieuwe plan. Voor andere gevallen kan dat niet, want dan is er geen sprake van een goede ruimtelijke ordening. De wijziging kan dan niet worden meegenomen omdat het bestemmingsplan dan niet voldoet aan de wet- en regelgeving (want geen goede ruimtelijke ordening).
Conclusie In de reactienota is gemotiveerd weergegeven wat het gemeentelijk antwoord op de zienswijze is. Hierbij wordt consequent verwezen naar de Uitgangspuntennotitie 2019 van de gemeenteraad, de nieuwe wet- en regelgeving en het gegeven dat er sprake is van een harmoniserend en conserverend bestemmingsplan. Deze reactie zal na de vaststelling van het bestemmingsplan (eventueel aangepast indien hiertoe wordt besloten door de gemeenteraad) naar de indiener van de zienswijze worden opgestuurd.
Indien de indieners van een zienswijze het niet (volledig) eens zijn met het besluit, dan kunnen zij formeel een beroepschrift indienen tegen het gewijzigd vastgestelde bestemmingsplan.
Om snel te kunnen zien voor welke adressen er een zienswijze is ingediend, is een lijst met indieners zienswijze opgemaakt. Zo kan, indien gewenst, direct op het juiste nummer de reactie en het antwoord worden gezocht. Dit nummer van de zienswijze komt, indien de zienswijze tot een wijziging van de regels of verbeelding leidt, ook terug in de Staat van wijzigingen. Hierin is onderscheid gemaakt in drie soorten wijzigingen welke eigen nummers hebben. Het gaat dan om: -
de A-wijzigingen (wijziging van de regels op basis van een zienswijze) de B-wijzigingen (wijziging van de regels ambtshalve) de C-wijzigingen (wijziging van de verbeelding op basis van een zienswijze of ambtshalve)
Deze wijzigingen zijn per artikel opgenomen voor de overzichtelijkheid.