CConstaterende datSudwest Fryslan
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Onderbouwing weigering vaststellen bestemmingsplan

Informatiebijeenkomst 16 juni 2021, gemeente Sudwest FryslanBij agendapunt: Raadsvoorstel - Bestemmingsplan Hemelumer Hoeve + bijlagen5.189 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Motivering raadsbesluit tot het weigeren van het vaststellen van het bestemmingsplan De Soal 4 te Hemelum (kenmerk i21.707419). Raadsvergadering van 8 juli 2021 (raadsvoorstel R21.000101)

Doel: Een juridisch kader te scheppen ter voorkoming van de realisatie van de voorgenomen uitbreiding. Argumenten: 1.1 Beoogde situatie houdt deels verplaatsing en kleine uitbreiding bouwvlak in Om inzichtelijk te maken wat er feitelijk mogelijk wordt gemaakt qua gebouwen met dit nieuwe bestemmingsplan, zijn hieronder twee (indicatieve en dus niet exact op schaal) figuren voor de beeldvorming opgenomen. In figuur 1 is het huidige bouwvlak in het bestemmingsplan Buitengebied met rood omlijnd. Het deel dat paars is gearceerd is het deel van het huidige bouwvlak dat nog niet is bebouwd (en wat dus nog kan worden bebouwd zonder dat er een nieuw bestemmingsplan nodig is). In figuur 2 is het beoogde nieuwe bouwvlak in blauw opgenomen. In het paarse deel mag alleen mestverwerking en voerbewerking plaats te vinden (en niet het houden van dieren). De rest van de blauwe omlijning is bedoeld voor de intensieve veehouderij. Met de gele arcering is aangegeven welk deel van het bestaande bouwvlak (bestemmingsplan Buitengebied) wordt “weggesneden” en dus komt te vervallen in het nieuwe bestemmingsplan.

Figuur 1: bestaande bouwvlak

Figuur 2: nieuw bouwvlak

In de bestaande situatie is het bouwvlak ten behoeve van de intensieve veehouderij ca. 1,28 Ha. In de nieuwe situatie zal maximaal 1,5 Ha aan gebouwen ten behoeve van de intensieve veehouderij mogelijk gemaakt worden. Voor het onderdeel mestverwerking en voorbereiding is maximaal 0,5 Ha mogelijk (het bouwvlak hiervoor is overigens kleiner). Dit verzoek voorziet dus in het gedeeltelijk verplaatsen van het bestaande bouwvlak en het vergroten van het bouwvlak (tot maximaal 17% voor de intensieve veehouderij ten opzichte van het bestaande bouwvlak). De verplaatsing en deels vergroting van het bouwvlak is in westelijke richting (dus van het dorp Hemelum af). 1.2 De Afdeling heeft in haar uitspraak duidelijk gemaakt waar ruimte voor afweging zit De Afdeling heeft uw besluit van 4 april 2019 getoetst en is tot de conclusie gekomen dat dit besluit niet in stand kon blijven. Zo was de motivering onder uw besluit onvoldoende.

De Afdeling vat onder rechtsoverweging 5 kort samen waarom uw raad het bestemmingsplan op 4 april 2019 niet heeft vastgesteld (de motivering van uw besluit destijds): a. omdat uw raad op het adres De Soal 4 geen andere ontwikkelingen mogelijk wil maken dan die zijn toegestaan op grond van het huidige bestemmingsplan Buitengebied Súdwest-Fryslân van 5 oktober 2017; b. omdat uw raad er niet zeker van is dat kan worden voldaan aan artikel 6.1.3, tweede lid, van de Verordening Romte Fryslân 2014; c. omdat uw raad de ontwikkeling niet passend vindt in de omgeving; d. omdat uw raad zich op het standpunt stelt dat geurhinder een belemmering vormt voor de vaststelling van het plan. In dit raadsvoorstel wordt achtereenvolgens op die vier onderwerpen ingegaan en geven wij aan waarom het genoemde onder het eerste, derde en vierde punt onder een verbeterde motivering nog steeds een belemmering vormt voor het vaststellen van het gevraagde bestemmingsplan. Tot slot wordt naar aanleiding van vragen van de werkgroep Geen megastal in Hemelum (middels een memo van bureau De Roever Omgevingsadvies d.d. 28 april 2021) aandacht besteed aan de stikstofproductie en de nieuwste regelgeving daaromtrent in relatie tot de Wnb-vergunning waarover de Hemelumer Hoeve B.V. beschikt, geur en de MER-plicht. Ad a.

Inhoud bestemmingsplan Buitengebied Súdwest-Fryslân Onder de rechtsoverwegingen 10.1 tot en met 10.2 van haar uitspraak legt de Afdeling uit waarom het conserverende bestemmingsplan Buitengebied Súdwest-Fryslân geen belemmering behoeft te vormen voor het uitbreidingsplan van de Hemelumer Hoeve B.V. Zij concludeert ‘dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat aan Hemelumer Hoeve B.V. geen ontwikkelingsmogelijkheden worden toegekend, omdat wat bij recht is toegestaan in het vorige bestemmingsplan de bovengrens vormt voor wat betreft de omvang, capaciteit en functie van het topfokbedrijf.’ Dat onderbouwt de Afdeling als volgt: “Hierbij betrekt de Afdeling dat in het bestreden besluit geen argumenten zijn gegeven die inzichtelijk maken waarom de uitbreiding van de Hemelumer Hoeve op ruimtelijke bezwaren stuit. Zoals hiervoor in 9.2 is overwogen, wijst de raad op de ligging nabij de kern van Hemelum, maar de raad heeft niet gemotiveerd waarom dit vanuit ruimtelijk oogpunt problematisch is. Verder is ter zitting vast komen te staan dat de raad niet met Hemelumer Hoeve B.V. heeft gesproken over eventuele alternatieve locaties waar Hemelumer Hoeve B.V. haar bedrijf zou kunnen voortzetten.

Omdat het bedrijf nagenoeg op slot wordt gezet door de weigering om het plan vast te stellen, had het op de weg van de raad gelegen om hierover met Hemelumer Hoeve B.V. in gesprek te gaan. Het besluit is ook in zoverre gebrekkig gemotiveerd en onzorgvuldig genomen.” In het bestemmingsplan Buitengebied Súdwest-Fryslân zijn de intensieve veehouderijen (nietgrondgebonden agrarische bedrijven) binnen de gemeente inbestemd conform de bestaande omvang ervan, door het opnemen van een bouwvlak op de plankaart. Dit in tegenstelling tot de grondgebonden agrarische bedrijven, die gebruik kunnen maken van een denkbeeldige rechthoek. In artikel 3.4.1 onder c. wordt vervolgens voor niet-grondgebonden agrarische bedrijven een bescheiden uitbreidingsmogelijkheid voor stalruimte van 10% geboden, onder de cumulatieve voorwaarden dat: 1. 2. 3. 4.

dit noodzakelijk is in verband met de wettelijke eisen op het gebied van dierenwelzijn; het aantal dieren en/of dierplaatsen niet toeneemt; indien sprake is van een ondergeschikte tak van intensieve veehouderij, deze tak ook ondergeschikt blijft na uitbreiding van de stalruimte; voor het overige de bouwregels van lid 3.2 van overeenkomstige toepassing zijn.

Dit is een doelbewuste keuze geweest van uw raad. De toelichting van het bestemmingsplan Buitengebied Súdwest-Fryslân bevestigt dit op pagina 113 en 114 onder paragraaf 5.3.3.: “Dit bestemmingsplan biedt geen vestigingsmogelijkheid voor nieuwe niet-grondgebonden landbouw. Naast de milieubelasting (emissies) speelt, vanwege de vereiste bebouwing, ook de ruimtelijke beïnvloeding van de gebiedskenmerken en het landschap een rol (grootschaligheid en bouwmassa). Bij bestaande niet-grondgebonden bedrijven handhaven wij de huidige bebouwingsmogelijkheden (bestaande rechten worden daarmee niet aangetast). Daarnaast is een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid opgenomen om nog eens 10% extra bebouwing toe te staan boven wat bij recht is toegestaan tot een maximum van 1,5 ha. Medewerking kan alleen verleend wordt op basis van dierwelzijn, wet- en regelgeving en/of technische innovaties. Als voorwaarde geldt wel dat het aantal dierplaatsen niet mag toenemen. Bestaande niet-grondgebonden bedrijven met een oppervlakte van meer dan 1,5 ha hebben geen uitbreidingsmogelijkheden meer. Hiermee krijgen bestaande niet-grondgebonden bedrijven uitbreidingsmogelijkheden die aansluiten bij de mogelijkheden die grondgebonden bedrijven bij recht krijgen (1,5 ha).

Mede gelet op het rijks– en provinciaal beleid is verdere uitbreiding niet mogelijk.” Enerzijds vloeide deze ‘bevriezing’ van intensieve veehouderijen voort uit rijks- en provinciaal beleid. Anderzijds wenste uw raad hiermee de waardevolle gebiedskenmerken van het landschap te beschermen tegen de massaliteit van de bebouwing die gepaard gaat met grootschalige intensieve veehouderij. Het afschermen van de totale bebouwing met beplanting, biedt daarvoor geen oplossing. Al zou de beplanting dicht zijn en alle zicht op de bebouwing ontnemen, dan is sprake van een wezensvreemd bos in het volstrekt open landschap tussen Hemelum, Warns en Bakhuizen. Dat de extra te plaatsen bebouwing niet in het zicht van de bebouwde kom van Hemelum ligt, doet daar niet aan af. De bescherming van het open landschap beperkt zich niet tot dat wat omwonenden zien vanuit hun woning, maar dient eveneens het algemeen belang dat gesteld wordt in handhaving van waardevolle historische landschapsstructuren. Een kwaliteit waar elke inwoner en bezoeker van deze streek moet mogen kunnen blijven genieten. In de huidige situatie is er sprake van een bouwvlak met (vanaf De Soal gezien) een breedte van ca.70 meter breed. In de beoogde nieuwe situatie wordt deze breedte van het bouwvlak bijna verdubbeld naar (maximaal) ca. 135 meter breed. Dit oogt meteen als grootschalig en is op De Soal ongebruikelijk.

De andere bedrijven aan deze weg hebben een vergelijkbare breedte aan bebouwing als de huidige situatie aan de Hemelumer hoeve. Hiervan afwijken is ook op dat vlak onwenselijk. Er is gelet op bovenstaande een bewuste keuze gemaakt om het bouwvlak van een niet-grondgebonden agrarisch bedrijf niet flexibel te maken. Voor intensieve veehouderij geldt daarnaast dat het bouwvlak om de bestaande bebouwing is geplaatst en daarmee is beoogd de intensieve veehouderij niet te laten groeien anders dan de genoemde 10% ten behoeve van dierenwelzijn (waarbij de 1,5 Ha niet overschreden mag worden). Ook wordt door de uitbreiding tegenover een reeds bestaand bedrijf gebouwd. Dat is ongebruikelijk aan deze weg en gelet op de openheid en opbouw van de bedrijven aan deze weg onwenselijk. Alternatieve locaties zijn binnen de gemeente Súdwest-Fryslân zodoende ook niet beschikbaar. Nieuwvestiging is immers uitgesloten in het bestemmingsplan Buitengebied Súdwest-Fryslân. Een gesprek daarover met de Hemelumer Hoeve B.V. heeft daarom geen toegevoegde waarde. Ad b. Er is geen strijd met de verordening Romte Fryslân 2014 Onder de rechtsoverwegingen 7. tot en met 7.3 van haar uitspraak legt de Afdeling uit waarom Verordening Romte Fryslân 2014 geen belemmering vormt voor het uitbreidingsplan van de Hemelumer Hoeve B.V.

Zij concludeert dat ‘de stelling van de raad dat mogelijk niet kan worden voldaan aan artikel 6.1.3, tweede lid, van de Verordening kan geen reden zijn om de vaststelling van het plan te weigeren’. Dat onderbouwt de Afdeling als volgt: “De Afdeling overweegt dat uit artikel 6.1.3, eerste lid, van de Verordening dus volgt dat het bouwperceel in dit geval maximaal 2,0 ha mag bedragen. Ter zitting bestond er verschil van mening over hoe artikel 6.1.3, eerste lid, van de Verordening moet worden uitgelegd.

De Afdeling overweegt dat de artikelsgewijze toelichting van artikel 6.1.3, eerste lid, van de Verordening onderschrijft dat de hiervoor genoemde uitleg de juiste uitleg is. Het tweede lid van artikel 6.1.3 ziet op situaties waarin kan worden afgeweken van het eerste lid, maar afwijking van het eerste lid is hier niet aan de orde, omdat aan de voorwaarden van het eerste lid wordt voldaan.” Hiermee staat (juridisch gezien) onherroepelijk in rechte vast dat in de Verordening Romte 2014 geen ruimte kan worden gevonden voor een besluit tot weigering van het bestemmingsplan ‘Hemelum, De Soal 4’. Ook in het ontwerp voor de Omgevingsverordening Fryslân 2022, die ter inzage heeft gelegen van 1 maart tot en met 12 april 2021, verandert dit niet. In tegendeel, daaruit volgt in artikel 2.20 lid 2 onder b. dat voor niet-grondgebonden agrarische bedrijven het maximale bouwperceel 2 ha. mag bedragen, zonder dat daaraan nog langer de voorwaarden worden verbonden zoals omschreven in de Verordening Romte 2014. De verordening Romte maakt een scherp onderscheid tussen een intensieve veehouderij (waarvoor maximaal 1,5 ha beschikbaar mag zijn) en ondersteunende functies (waarvoor maximaal 0,5 ha beschikbaar mag zijn). Het uitbreidingsplan van de Hemelumer hoeve voorziet hier ook uitdrukkelijk in.

In het besluit tot het niet vaststellen van het gevraagde bestemmingsplan kan dan ook niet worden gesteld dat er strijd met de provinciale verordening aan de orde is. Ad c. Inpassing in de omgeving Onder de rechtsoverwegingen 9. tot en met 9.2 concludeert de Afdeling (los van het onderwerp geurhinder); ‘voor het overige is de weigering om het plan vast te stellen niet ingegeven door ruimtelijke argumenten die deugdelijk zijn onderbouwd’. Dat onderbouwt de Afdeling als volgt: “De enkele omstandigheid dat het bedrijf op korte afstand is gesitueerd van Hemelum is een onvoldoende dragende onderbouwing. De raad motiveert niet waarom dit vanuit ruimtelijke oogpunt problematisch is. Er is door de raad na het bestreden besluit nog naar voren gebracht dat uitbreiding van Hemelumer Hoeve B.V. leidt tot verkeersoverlast, maar waar deze uit bestaat blijkt nergens uit.” Zoals hiervoor onder de kop ‘Inhoud bestemmingsplan Buitengebied Súdwest-Fryslân’ reeds aangegeven, is de ruimtelijke impact op de omgeving die voortvloeit uit de massaliteit van de bebouwing voldoende aanleiding voor de conclusie dat het uitbreidingsplan niet inpasbaar is in de omgeving. Dat door de uitbreiding geen sprake is van extra verkeersoverlast, doet daar niet aan af.

Tot slot kan het standpunt dat intensieve veehouderij niet gewenst is uit het oogpunt van dierenwelzijn, niet gehanteerd worden in het kader van een ruimtelijke afweging. Het dierenwelzijn in de stallen heeft geen ruimtelijk effect op de omgeving, behoudens waar het de hoeveelheid te houden dieren betreft in het kader van geurhinder. Het aspect geurhinder wordt hierna separaat toegelicht. Ad d. Geurhinder Onder de rechtsoverwegingen 8. tot en met 8.7 concludeert de Afdeling ‘dat de raad niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij, ondanks de mogelijkheden voor geurreductie die het plan biedt, geen medewerking heeft verleend aan de vaststelling daarvan’. Dat onderbouwt de Afdeling als volgt: “De Afdeling stelt vast dat uit het bestreden besluit blijkt dat de raad er belang aan hecht om mogelijk nadelige effecten van geurhinder op de gezondheid van omwonenden zoveel mogelijk te beperken. Tussen partijen is niet in geschil dat de vaststelling van het plan mogelijkheden biedt om de geursituatie te verbeteren ten opzichte van de bestaande situatie. De reden hiervan is dat de uitbreiding gepaard zal gaan met het treffen van maatregelen als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van de Wgv en deze maatregelen kunnen leiden tot een zodanige geurreductie dat omwonenden minder geurhinder zullen hebben.”

En: “Het is niet duidelijk waarom de raad in het kader van een goede ruimtelijke ordening meent dat hij de gezondheidskundige advieswaarde van de GGD als beoordelingskader moet hanteren. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat in de milieugezondheidskundige beoordeling van de GGD Fryslân staat dat de Hemelumer Hoeve B.V. niet hoeft te voldoen aan de gezondheidskundige advieswaarde van 2,0 ouE/m3 passend bij maximaal 12% hinder, maar dat de Hemelumer Hoeve B.V. moet streven naar deze gezondheidskundige advieswaarde.” Naar aanleiding van de laatste hierboven geciteerde zin is de GGD Fryslân om aanvullend advies gevraagd, hetgeen heeft geresulteerd in het GGD-advies van 11 mei 2021. Daaruit volgt dat de GGD Fryslân de gezondheidskundige advieswaarde van 2,0 ouE/m3 adviseert, uit het oogpunt van volksgezondheid. De vraag of en in hoeverre deze gezondheidskundige advieswaarde als norm of als richtwaarde wordt gehanteerd in het kader van dit bestemmingsplan, dient door uw raad te worden beantwoord. De GGD Fryslân adviseert uw raad om deze advieswaarde als norm te hanteren. Het aanvullend GGD-advies is aan dit raadsvoorstel gevoegd onder bijlage 3. Vervolgens is het de vraag in hoeverre het redelijk is een dergelijk norm op te leggen aan een bestaand bedrijf ter plaatse.

Dit bedrijf wil uitbreiden met inachtneming van de maximale waarden die op grond van artikel 3, vierde lid van de Wet geurhinder en veehouderij (de 50/50-regeling) toelaatbaar zijn voor de geurbelasting die de veehouderij op een gevoelig object mag veroorzaken. Waarbij ook in aanmerking moet worden genomen dat de Hemelumer Hoeve B.V. die maximale waarden ruimschoots haalt en zelfs extra geurreductie realiseert door extra investeringen te doen. Hierbij is ook de recent door uw raad vastgestelde Omgevingsvisie gemeente Súdwest-Fryslân (29 april 2021) in ogenschouw genomen, waarbinnen uw raad het aspect gezondheid als belangrijk item heeft aangemerkt. Het college meent dat het redelijk is om het uitbreidingsplan van de Hemelumer Hoeve B.V. niet toe te staan, omdat daarin de gezondheidskundige advieswaarde van 2,0 ouE/m3 niet wordt gehaald. Het belang van de gezondheid van de omwonenden staat voorop. Niet voor niets is met het bestemmingsplan Buitengebied Súdwest-Fryslân de intensieve veehouderij op slot gezet, behoudens een bescheiden uitbreidingsmogelijkheid uit (met name) dierenwelzijnsoogpunt. Ook in de recent vastgestelde Omgevingsvisie komt het belang van gezondheid duidelijk naar voren. Ondanks dat er een verbetering van de geursituatie aan de orde zal zijn, wordt in het kader van dit bestemmingsplan (het ruimtelijke spoor) geadviseerd vast te houden aan de 2,0 ouE/m3.

Indien deze intensieve veehouderij fors mag uitbreiden, zullen andere bedrijven dat ook willen en komt de bewuste keuze die is gemaakt met het bestemmingsplan (en de Omgevingsvisie) onder druk te staan. Het feit dat de provincie inmiddels soepeler omgaat met dit soort uitbreidingen, betekent niet dat uw raad daartoe gehouden is. U hebt daarin een zelfstandige bevoegdheid en mag strakkere kaders hanteren dan de provincie. Het gevolg van een hernieuwd besluit tot weigering van de vaststelling van het bestemmingsplan ‘Hemelum, De Soal 4’ zal niet zijn dat het bedrijf weinig ontwikkelingsmogelijkheden heeft. Dat is al het gevolg geweest van het vigerende bestemmingsplan, waartegen de Hemelumer Hoeve B.V. geen beroep heeft aangetekend. Vervolgens resteert in het geval van weigering een bedrijf dat nog geruime tijd gebruik kan maken van de door haar verworven rechten op een (relatief) hoge geurbelasting op de omgeving. Het feit dat de Hemelumer Hoeve B.V. op 9 juli 2020 een omgevingsvergunning verleend heeft gekregen voor een nieuwe luchtwasser aan stal nummer 1, doet niet ter zake. Die luchtwasser installeerde zij als gevolg van een handhavingsverzoek van omwonenden, die terecht stelden dat het bedrijf niet voldeed aan het Besluit emissiearme huisvesting.

De omwonenden stellen nu dat bij de berekening die ten grondslag moet liggen aan de toepassing van artikel 3, vierde lid van de Wet geurhinder en veehouderij een ander uitgangspunt moet worden gehanteerd. Te weten de geurbelasting na installatie van deze luchtwasser. Zij hebben dit eerder ingebracht bij de Voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Nederland, in een verzoek om voorlopige voorziening

gericht op het vergund krijgen van die luchtwasser. De Voorzieningenrechter oordeelde daaromtrent in zijn uitspraak van 2 april 2019 als volgt: “Op het moment dat de aanvraag tot uitbreiding van het bedrijf is gedaan, waarbij derdepartij (de Hemelumer Hoeve B.V., red.) de door de plaatsing van een nieuwe luchtwasser te creëren geurruimte kon aanwenden voor de uitbreiding van zijn bedrijf, is er voor derdepartij op grond van de wet ook een aanspraak ontstaan op die geurruimte en daarmee gepaard gaande uitbreidingsmogelijkheid. De voorzieningenrechter acht het in strijd met de systematiek van de wet dat het enkele feit dat de derde-partij hangende de vergunningprocedure, al dan niet op grond van een last, feitelijk op die uitbreiding vooruitloopt door het aanbrengen van de nieuwe luchtwasser, er toe zou leiden dat de rechtens verkregen ruimte voor uitbreiding verloren zou gaan.

Daarbij wijst de voorzieningenrechter er op dat de milieutechnische en ruimtelijke vergunning van de voorgenomen uitbreiding van het bedrijf met inbegrip van de bedoelde luchtwasser in een vergevorderd stadium is.” En: “Het enkele feit dat derde-partij zich stelselmatig niet heeft gehouden aan zijn vergunning, maakt niet dat verweerder nu in redelijkheid van derde-partij zou kunnen verlangen dat zij door middel van het aanvragen van een vergunning voor alleen de nieuwe luchtwasser haar mogelijkheid tot uitbreiding van het bedrijf zou opgeven en maakt niet dat verweerder vervolgens door het verlenen van een dergelijke vergunning de uitbreiding van het bedrijf onmogelijk zou maken.” Kortom; het feit dat tussentijds een luchtwasser is geplaatst en vergund, betekent niet dat daarmee de het aangevraagde bestemmingsplan en de aangevraagde omgevingsvergunning in een ander daglicht komen te staan. Daarbij speelt mee dat de betreffende luchtwasser al deel uitmaakte van het uitbreidingsplan en de daarmee te bereiken geurreductie. Volgens de Voorzieningenrechter moet de vergunde situatie van het bedrijf ten tijde van de voornoemde aanvragen als uitgangspunt worden genomen. Zelfs al zou een hogere rechter daar anders tegenaan kijken, te weten dat moet worden uitgegaan van de vergunde situatie ten tijde van het besluit op voornoemde aanvragen, dan nog maakt dat geen verschil.

Uit de berekening van de geurbelasting na de uitbreiding, uitgaande van de vergunde situatie ten tijde van de aanvragen, blijkt immers dat de Hemelumer Hoeve B.V. ruimschoots aan de normen die voortvloeien uit artikel 3, vierde lid van de Wet geurhinder en veehouderij wordt voldaan. Dit vanwege de extra inspanningen en investering die de Hemelumer Hoeve B.V. doet en waarmee zij zo veel als mogelijk de gezondheidskundige advieswaarde van 2,0 ouE/m3 probeert te benaderen. Zie daartoe de berekening in bijlage 4 bij dit raadsvoorstel. Dit heeft tot gevolg dat ook uit de berekening van de geurbelasting na de uitbreiding, uitgaande van de vergunde situatie ten tijde van het besluit op de aanvragen, volgt dat de Hemelumer Hoeve B.V. voldoet aan de normen die dan voortvloeien uit artikel 3, vierde lid van de Wet geurhinder en veehouderij. Zie daartoe de berekening in bijlage 5 bij dit raadsvoorstel. Kortom; in beide gevallen is sprake van een vergunbaar uitbreidingsplan, als wordt uitgegaan van een situatie waarin de gezondheidskundige advieswaarde van 2,0 ouE/m3 niet behoeft te worden gehaald. Het college adviseert u echter deze advieswaarde als norm te stellen in het kader van dit bestemmingsplan met de omstandigheden van dit geval, reden waarom de vraag welk juridisch uitgangspunt heeft te gelden, niet relevant is.

Deze advieswaarde als norm stellen binnen dit bestemmingsplan past binnen de door uw raad vastgestelde omgevingsvisie met het oog op de prioriteit die u aan gezondheid heeft gegeven. Datzelfde geldt voor de stelling van de omwonenden dat de berekeningen niet betrouwbaar zijn, omdat combi-luchtwassers niet betrouwbaar zijn in hun werking. Hoewel de Hemelumer Hoeve B.V. stelt dat in de berekeningen rekening is gehouden met deze problematiek, zal een meer tegenvallende werking van de combi-luchtwassers alleen maar een hogere geurbelasting met zich brengen. De gezondheidskundige advieswaarde van 2,0 ouE/m3 wordt ook dan niet gehaald en raakt zelfs verder uit beeld.

1.4 Wet natuurbescherming (stikstof) De Hemelumer Hoeve B.V. beschikt over een vergunning op basis van de Wet natuurbescherming (verder Wnb) die door Gedeputeerde Staten van Fryslân op 10 mei 2016 (gewijzigd) is verleend op basis van het uitbreidingsplan. Die vergunning is niet aangevochten en zodoende staat die vergunning in rechte vast (onherroepelijk). De werkgroep stelt dat die vergunning niet klopt, omdat daarin is uitgegaan van een positievere werking van luchtwassers dan in werkelijkheid het geval zou zijn. Zij menen dat uit een herberekening van de stikstofdepositie op omliggende natura 2000-gebieden volgt dat sprake is van een toename van de belasting van deze volgens hen stikstofgevoelige natuurgebieden. Toetsing aan de Wnb is in beginsel een taak van Gedeputeerde Staten van Fryslân. Als geen sprake is van een verleende Wnb-vergunning (of in het geval hier een wijziging op aan de orde is), dient uw raad in bepaalde gevallen om een verklaring van geen bedenkingen te verzoeken bij Gedeputeerde Staten van Fryslân. In dit geval speelt dat niet. Er is immers reeds een Wnb-vergunning verleend die specifiek ten behoeve van dit uitbreidingsplan is aangevraagd door de Hemelumer Hoeve B.V. In een eerder stadium is een ontwerp vvgb door de provincie afgegeven voor het onderliggende plan.

De wijziging ten opzichte van de onherroepelijke Wnb-vergunning zit hem namelijk onder meer in het toepassen van twee extra luchtwassers. Er is geen sprake van aanpassing van het aantal (of soort) dieren. Uit de door de werkgroep overgelegde berekeningen volgt echter dat twijfel kan bestaan over de huidige houdbaarheid van die vergunning. Nieuwe feiten en omstandigheden duiden erop dat die vergunning heden ten dage mogelijk niet verleend zou kunnen worden. De kans is daarmee aanwezig dat het bestemmingsplan niet ten uitvoer kan worden gebracht, mocht het worden vastgesteld. Ondanks het feit dat de Hemelumer Hoeve beschikt over een onherroepelijke Wnbvergunning, is het met deze wetenschap daarom niet verantwoord om een bestemmingsplan vast te stellen dat een uitbreiding faciliteert die feitelijk aantoonbaar zorgdraagt voor overbelasting van stikstofgevoelige natuurgebieden. 1.5 MER-plicht In de memo van de werkgroep wordt gesteld dat er een MER-plicht aan de orde is. Dit in tegenstelling tot eerder door de gemeente is vastgesteld (Mer-beoordelingsbesluit van 28-04-2015). Voor de beoordeling of een MER vereist is, moet worden gekeken naar de toename van het aantal dieren ten opzichte van de (milieu)vergunde situatie. Het aantal zeugen neemt toe met 498 naar 922 en die toename is minder dan het aantal van 900 waarop de MER-drempel ligt.

De werkgroep stelt zich echter op het standpunt dat een aantal vleesvarkens opgeteld moet worden bij de zeugen, omdat die volgens hen ook als opfokzeug zouden fungeren. Verder stelt de werkgroep dat binnen het jaar 40% van de zeugen wordt vervangen. Die tellen zij er ook bij op. Hetgeen de werkgroep stelt is echter onjuist. Allereerst is hierbij goed te beseffen dat er uit moet worden gegaan van hetgeen is aangevraagd. De aanvraag bepaalt wat er uiteindelijk ook mogelijk wordt gemaakt. Uit deze aanvraag volgt niet dat vleesvarkens als opfokzeug fungeren. Op verzoek heeft de aanvrager expliciet verklaard dat er sprake zal zijn van vleesvarkens. De aanvraag en dit bestemmingsplan voorziet dus niet in het mogelijk maken van het als opfokzeug gebruiken van de vleesvarkens. Voor wat betreft het vervangen van zeugen binnen een jaar (40%) kan het volgende worden opgemerkt. Indien dit al aan de orde zou zijn, dan nog is de toename minder dan de grens van 900. Immers, als deze 40% van in de nieuwe situatie 922 aanwezige zeugen zou moeten worden opgeteld bij de uitbreiding met 498 komt de toename uit op 867. Daarom is geen sprake van een MER-plicht. Dit wordt ook bevestigd door de FUMO in haar advies van 1 juni 2021 (bijlage 11).

1.6 Algehele conclusie Gelet op de wet- en regelgeving zijn er bij uw afweging of er wel of niet een bestemmingsplan wordt vastgesteld, slechts enkele aspecten waarbij er afwegingsruimte is voor uw raad. De overige elementen zijn vastgelegd in de wet en daaraan wordt voldaan (ofwel heeft de Afdeling al uitgesproken dat dit geen weigeringsgrond kan bieden). Alleen op het aspect geur, het aspect ruimtelijke impact en het aspect stikstof heeft uw raad gelegenheid om een (politieke) keuze te maken. Zoals in dit voorstel naar voren komt zijn wij van mening dat gelet op de achtergrond van het bestemmingsplan Buitengebied en de achterliggende gedachte hierbij met betrekking tot intensieve veehouderij en de ruimtelijke impact van een verdubbeling van de breedte van het bouwvlak en de massaliteit van de bebouwing, het gevraagde bestemmingsplan niet vastgesteld zou moeten worden. Voor wat betreft geur geldt in onze ogen dat, mede gelet op de recent vastgestelde Omgevingsvisie waarin gezondheid erg belangrijk is, vasthouden aan de gezondheidskundige advieswaarde van 2,0 ouE/m3 wenselijk is in het kader van dit bestemmingsplan. Onder meer omdat de GGD (deskundige op dit gebied) dit ook adviseert.

Weliswaar zal het nieuwe plan een geurreductie ten opzichte van de bestaande situatie inhouden, toch wordt geadviseerd om in het kader van dit bestemmingsplan geen nieuwe uitbreidingen toe te staan waarbij er niet aan de genoemde norm wordt voldaan. Daarmee wordt de overschrijding van de gezondheidskundige advieswaarde langer mogelijk gemaakt en dat is onwenselijk. Voor wat betreft stikstof zijn er op dit moment veel nieuwe feiten en omstandigheden. Deze omstandigheden en rechterlijke uitspraken maken het niet meer zeker dat onherroepelijke Wnbvergunningen ook daadwerkelijk onherroepelijk zijn. Uiteindelijk schrijft de Wet natuurbescherming voor dat het uitgesloten moet zijn dat er een significant effect op een beschermd gebied/soort aan de orde is. Gelet op de ontwikkelingen en nieuwe inzichten is niet met zekerheid te zeggen of dit significante effect is uitgesloten. Gelet daarop is het vaststellen van het bestemmingsplan onwenselijk aangezien het mogelijk niet uitvoerbaar zal zijn. Gelet hierop stellen wij u dan ook voor het bestemmingsplan De Soal 4 te Hemelum niet vast te stellen. 1.7 Motivering besluit aanvullen door amendementen In de behandeling van het verzoek tot vaststelling van het bestemmingsplan in 2019, is uiteindelijk gebleken dat het raadsbesluit onvoldoende gemotiveerd was.

Dat was onder meer aan de orde doordat juridisch gezien alleen de onderwerpen die tijdens de behandeling van het onderwerp in uw raad als motivering voor dat besluit kon dienen. Indien uw raad aanvullende gronden voor de motivering van het weigeringsbesluit heeft, dan adviseren wij u om deze middels amendement in te dienen en daarmee uw aanvulling ook juridisch op de juiste wijze te koppelen aan (de onderbouwing van) uw besluit. Risico’s: Als uw raad besluit het bestemmingsplan (wederom) niet vast te stellen en uw raad wordt daarin gecorrigeerd door de Afdeling op een wijze die moet leiden tot vaststelling van het bestemmingsplan, dan kan er sprake zijn van schadeplichtigheid van de gemeente. Kaders: Wet ruimtelijke ordening en Besluit ruimtelijke ordening. Financiële aspecten/gevolgen: N.v.t. Duurzaamheid: Geen.

Vervolgproces: Op grond van artikel 3.8 Wro is de gemeenteraad bevoegd het bestemmingsplan vast te stellen of niet vast te stellen. Op 8 maart 2019 heeft uw raad besloten de coördinatieregeling, conform artikel 3.30 Wro van toepassing te verklaren. Dit houdt in dat het college de omgevingsvergunning gaat weigeren wegens strijd met het bestemmingsplan direct nadat uw raad heeft geweigerd het bestemmingsplan vast te stellen. Tegen zowel de weigering om het bestemmingsplan vast te stellen als tegen het weigeren van de omgevingsvergunning staat één beroepsgang open bij de Afdeling. Na besluitvorming in de raad over het bestemmingsplan, zal het college van burgemeester en wethouders dus een besluit moeten nemen op de aanvraag omgevingsvergunning. Ongeacht welk besluit er uiteindelijk wordt genomen op het verzoek tot vaststellen van het bestemmingsplan, zal er hoogstwaarschijnlijk door ofwel de Hemelumer Hoeve B.V. danwel door de omwonenden beroep worden aangetekend bij de Afdeling. Er volgt dan een juridische procedure die al gauw een jaar in beslag neemt. Monitoring en evaluatie: N.v.t. Gevolgen voor LTA: Dit onderwerp is opgenomen in de LTA en aan de hierin genoemde termijnen wordt voldaan. Communicatie en afstemming: Bij de voorbereiding van dit besluit is op grond van de wet (verplichte) inspraak geweest.

Na de uitspraak van de Raad van State hebben de belanghebbenden aanvullend nog kunnen reageren op dit onderwerp. Bijlage(n) Diversen. Meegezonden: - 1. Raadsvoorstel 2021 vaststellen bestemmingsplan (kenmerk r21.000101); - 2. Raadsvoorstel 2019 (r19.00037); - 3. Aanvullend advies GGD d.d. 11 mei 2021 (kenmerk i21.707498); - 4. Geurrapport beoogde situatie (kenmerk i21.707423); - 5. Geurrapport na plaatsing luchtwasser 2020 (kenmerk i21.707422); - 6. Nieuwe AERIUS-berekening (kenmerk i21.707421); - 7. Uitspraak Raad van State Hemelumer hoeve d.d. 24 maart 2021 (kenmerk i21.707499); - 8. Reactienota zienswijzen ontwerpbestemmingsplan "Hemelum De Soal 4" (i21.707500); - 9. Memo werkgroep Geen megastal in Hemelum (De Roever) d.d. 28-04-21 (i21.707501); - 10. Ontwerp bestemmingsplan De Soal 4, Hemelum 2021 (i21.707863); - 11. Advies FUMO geen MER-plicht d.d. 1 juni 2021 (i21.707841). Ter inzage: - N.v.t. Burgemeester en wethouders van Súdwest-Fryslân.

mr. drs. J.A. de Vries

P. Zondervan

,burgemeester.

, gemeentesecretaris.

Raadsbesluit gemeente Súdwest-Fryslân Onderwerp Bestemmingsplan Hemelumer hoeve

Naar aanleiding van het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 1 juni 2021;

Besluit de raad:

a. Het bestemmingsplan ‘Hemelum, De Soal 4’ niet vast te stellen; b. Het document met kenmerk i21.707419 als motivering van dit besluit te hanteren; c. Het college op te dragen de onder b. genoemde motivering om te zetten in een besluit, dit besluit aan te vullen met de inhoud van de door de raad aangenomen amendementen en dat besluit namens de raad te verzenden aan de initiatiefnemer.

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 8 juli 2021

mr. drs. J.A. de Vries

, voorzitter.

G.W. Stegenga

, griffier.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10259374/1