Bijlage 1 - Notitie Achtergrond & Onderzoek gemeentelijk Energiebedrijf
Tekst van het document
Notitie Achtergrond & Onderzoek gemeentelijk energiebedrijf Oktober 2024
Inhoud 1
Vooraf .......................................................................................................... 1
2
Kleinschalige warmtenetten in Súdwest-Fryslân, waarom? ............................................. 2
3
Onderzoek gemeentelijk energiebedrijf .................................................................. 3
4
Toelichtingen op Wet collectieve Warmte ................................................................11
5
Uitleg betaalbaarheid ......................................................................................15
1
Vooraf
We staan als gemeente op een cruciaal moment in de energietransitie. Gemeenten hebben de regie over de warmtetransitie gekregen en de wettelijke basis hiervoor is bijna gereed. Gemeenten zullen voor 2050 moeten zorgen dat achter elke voordeur een nieuwe warmteoplossing komt zonder aardgas. Deze oplossing moet ook betaalbaar zijn en leveringszekerheid moet geborgd zijn. De uitgangspunten van de wetgeving veranderen zowel in de letter als in de geest: veel processen en voorwaarden zijn vanaf medio 2025 wettelijk voorgeschreven, de taken en bevoegdheden in de regierol van gemeenten zijn strikt gedefinieerd en voor warmtenetten is een publiek meerderheidsbelang vereist. Dat is niet niks. Dit brengt voor elke inwoner een verandering in de eigen woonsfeer en dat betekent een grote nieuwe verantwoordelijkheid voor ons als gemeente. Dat vraagt een goede voorbereiding en het maken van veel afwegingen en veel keuzen. Het vraagt het opzetten van nieuwe werkprocessen en het besluiten over hoe zaken het beste georganiseerd kunnen worden, met haalbaarheid, betaalbaarheid en zekerheid als doelen. Voor Súdwest-Fryslân geldt daarbij dat de adviezen van het Burgerforum Advies hierin herkenbaar opgenomen zijn, zoals “behoud van geluk” en “versterk de zelfbeschikking”.
Het is, met andere woorden, dus geen “project” of “programma” maar een wezenlijke structurele verandering in de rol en verantwoordelijkheden van ons als gemeente. Hierbij maakt het wel uit of het om collectieve oplossingen (warmtenetten) of individuele oplossingen. Bij individuele warmteoplossingen lijkt de gemeentelijke rol in 2050 “uitgespeeld” te zijn waarbij in het geval van warmtenetten de gemeente minimaal de rollen houdt als aandeelhouder en als bevoegd gezag. Afgelopen jaren zijn over de hoofdrichtingen van de warmtetransitie in Súdwest-Fryslân al stappen gezet. De hoofdkeuzen zijn dat een aanzienlijk deel van onze inwoners een warmtenet krijgen naar Deens voorbeeld, en dat het organiseren van publiek eigendom het beste gaat met een gemeentelijk energiebedrijf. Waar warmtenetten niet kunnen wordt naar verwachting de individuele warmtepomp de eindkeuze. Onderweg naar “100% dekking” door duurzame warmtenetten en individuele warmtepompen in 2050 zullen verschillende aanvullende of tijdelijke oplossingen een belangrijke rol spelen, zoals groen gas uit mest, hybride warmtepompen en aardgas. Dit wordt verder uitgewerkt in andere beleidsstukken, zoals de Contourennota Energiebronnen (in wording) en het verwachte Masterplan Warmte in 2025.
In de keuze voor deze hoofdrichting hebben verschillende overwegingen een rol gespeeld, welke op verschillende momenten besproken zijn met het bestuur en de raad.
1
In deze notitie worden de overwegingen samengevat met achtergrondinformatie, ten behoeve van de verdere bestuurlijke en politieke besluitvorming.
2
Kleinschalige warmtenetten in Súdwest-Fryslân, waarom?
Een scenario met enkel individuele oplossingen blijkt in onze gemeente niet overal de beste optie. In de startanalyse van PBL voor aardgasvrije wijken (bedoeld als hulp voor gemeenten) wordt met name de warmtepomp aangewezen in onze wijken. Inmiddels denken wij daar anders over. Dit wordt hieronder verder toegelicht. Alhoewel wel mogelijk, lijken de individuele warmtepompen in onze gemeente lang niet overal eenvoudig ingepast worden. De bezwaren die ontstaan zijn: -
-
-
In veel woonkernen hebben individuele warmtepompen een buitenunit nodig. Deze lijken op buitenunits van airco’s. Dit levert een grote uitdaging op in de inpassing in veel wijken, met name in beschermd dorps- en stadsgezicht zien wij bezwaar. Daarnaast zijn er zorgen over geluidsoverlast van de buitenunits, met name in dichtbebouwde historische kernen. Goede isolatie is niet overal betaalbaar en haalbaar, met name in beschermd dorps- en stadgezicht leven daar zorgen over. Dit kan in combinatie met een warmtepomp tot een onverwacht hoog elektriciteitsgebruik leiden, of anders een groot verlies van comfort. Dit zal naar verwachting tot een hoge energienota leiden. Individuele warmtepompen met een bodembron of oppervlaktewater (aquathermie) zijn een goede optie, maar dat kan alleen als daar voldoende ruimte voor is. Dit zijn bovendien kostbare maatregelen waar – ondanks subsidies- lang niet iedereen in investeren kan. We hebben een dun uitgevoerde elektriciteitsnet. Versnelling van de noodzakelijke netverzwaringen is voorlopig nog niet in zicht. De zorg is dat er tekort komt aan netcapaciteit en dat het verwarmen met enkel individuele warmtepompen tot storingen gaat leiden. Noodoplossingen, bijvoorbeeld in de vorm van warmteopslag, elektrische opslag of generatoren zijn extra kosten.
Enkel rekenen op de optie individuele warmtepompen is daarom wachten op moeilijk oplosbare situaties. De optie groen gas uit mestvergisting kan een goede bijdrage doen. Echter, hiervan kunnen we niet genoeg maken: de gasvraag is veel hoger dan het potentieel groen gas in onze gemeente. Als aardgas wordt uitgefaseerd is het warmtenet op veel plekken dus het enige alternatief. Warmtenetten zijn in potentie goed haalbaar in onze plattelandsgemeente, naar voorbeeld van Denemarken. Kleinschalige warmtenetten hebben een aantal aanvullende interessante perspectieven: -
Lokaal zeggenschap en eerlijke verdeling lusten en lasten zijn goed te organiseren. Met goede financieringscondities en tariefstructuren is er met collectieve warmtelevering op basis van lokale bronnen grip te krijgen op energiekosten voor inwoners. Een voorspelbare en betaalbare energienota is haalbaar. Onze rijkdom aan lokale warmtebronnen - zoals aquathermie – zijn goed in te zetten. Hierdoor kan SWF voor een groot deel energie-onafhankelijk worden. Een scenario met veel warmtenetten vraagt naar verwachting minder elektriciteit dan individuele warmtepompen en netcongestie en storingen komen hierdoor minder snel voor. Daarbij biedt een collectief warmtesysteem meer mogelijkheid om vraag en aanbod met elkaar af te stemmen, en kan ook wind- en zonnestroom goedkoop omgezet worden in warmte. Het biedt dus opties ons gehele energiesysteem te flexibiliseren wat bijdraagt aan robuustheid en betaalbaarheid.
Ons oog is gevallen op Denemarken als voorbeeld: daar hebben ongeveer 65% huishoudens naar tevredenheid een aansluiting op een warmtenet. Lokaal eigendom en inzet van lokale warmtebronnen is daar gemeengoed en dit lijkt ook in Súdwest-Fryslân een goed wenkend perspectief. Er is de afgelopen jaren stevig gebouwd aan kennis over het ontwikkelen van kleinschalige warmtenetten in een plattelandsgemeente zoals onze gemeente.
2
We zijn in Nederland niet gewend aan leven zonder onze aardgasbel en er is weinig ervaring met warmtenetten. Het kiezen voor warmtenetten is spannend, omdat het complex is. Daar staat tegenover dat ook de keuze voor enkel individuele warmtepompen ook tot een complexe uitvoering kent met weinig sturingsopties, met bijkomende kosten inclusief woningaanpassingen, die grotendeels neer zou komen op de woningeigenaar zelf. De aanpak in Denemarken laat zien dat kleinschalige warmtenetten gemeengoed kan worden dat ook in Súdwest-Fryslân het beste perspectief lijkt. Dat wil niet zeggen dat de individuele warmtepompen geen goede optie zullen zijn in een deel van de woningen. Ze zullen naar verwachting vooral in de “buitenuit woningen” en op de “pleatsen” nodig zijn. Dit wordt verder uitgewerkt in het masterplan warmte en het warmteprogramma in 2025.
3
Onderzoek gemeentelijk energiebedrijf
3.1 Inleiding Naar aanleiding van een motie van de raad van 10 november 2022 heeft het college toegezegd een onderzoek te starten naar de mogelijkheden voor het opzetten van een gemeentelijk energiebedrijf en naar de organisatievorm waarin dit kan worden gedaan. Eind 2022 is het onderzoek gestart met het opstellen van een afwegingskader voor de warmtetransitie gevolgd door diverse onderzoeken naar organisatiestructuren, financieringsvormen en lessen uit de praktijk van onze pilots. In dit voorstel vindt u de overwegingen voor het opzetten van een gemeentelijk energiebedrijf. Het verschil tussen een energiebedrijf en een warmtebedrijf is, dat een warmtebedrijf zich alleen richt op warmtevoorziening. Wanneer elektriciteit ook onderdeel is van het bedrijf spreken we van een energiebedrijf. Omwille van de leesbaarheid spreken we in dit stuk over een energiebedrijf. 3.2 Uitgangspunten onderzoek Met de strategische doelen en de kernwaarden van de gemeente Súdwest-Fryslân als uitgangspunt zijn verschillende organisatievormen voor een energiebedrijf onderzocht.
Collectieve warmtevoorziening kan worden gerealiseerd door verschillende bedrijfsmodellen, elk met specifieke kenmerken en implicaties met betrekking tot het wetsvoorstel Wet collectieve warmte (Wcw)1. In het onderzoek is gekeken naar: • een publiek warmte-infrabedrijf (Gelders Warmte Infra Bedrijf (GWIB); • publieke energiebedrijven (Eindhoven, Groningen, Veenendaal); • commerciële energiebedrijven (Ennatuurlijk, Eneco, Vattenfall); en • een lokaal energiebedrijf (Warm Heeg); • energiebedrijven en organisatievromen in Denemarken. 3.3 Integrale verantwoordelijkheid energiebedrijf Het aangewezen warmtebedrijf is integraal verantwoordelijk voor de realisatie en exploitatie van het collectief warmtesysteem en is verplicht om verbruikers binnen de warmtekavel aan te sluiten, tenzij een potentiële verbruiker te kennen geeft dat hij dat niet wil (opt-out regeling).
1
In hoofdstuk 4 is de Wcw nader toegelicht.
3
Hoofdregel van het wetsvoorstel is dat het college alleen een warmtebedrijf voor een warmtekavel (met meer dan 1500 aansluitingen) kan aanwijzen als één of meerdere publieke partijen een meerderheidsbelang in het warmtebedrijf hebben. Het minimale aandelenbelang van een publieke organisatie (lees: gemeente) is 50%+ 1 aandeel in het warmtebedrijf. In de maximale variant is sprake van een integraal (hele keten) publiek warmtebedrijf. 3.4 Samenvatting onderzoeksresultaten De verschillende organisatievormen worden onder het figuur nader toegelicht.
Figuur 1 Samenvatting onderzoek organisatievormen gemeentelijk energiebedrijf.
3.4.1 Publiek warmte-infrabedrijf Een warmte-infrabedrijf is alleen eigenaar van het warmtenet (leidingnetwerk). Inwoners hebben indirect, via gemeenteraad, zeggenschap over alleen de infrastructuur. Er kan alleen gestuurd worden op de verdeling van lasten en lusten van de infrastructuur. Het warmte-infrabedrijf is niet eigenaar van de bronnen en kan daarom geen bronnenstrategie toepassen. Het warmte-infrabedrijf kan eigenaar zijn van meerdere warmtenetten waarmee zij risico’s kan spreiden voor zover het de infrastructuur raakt. Er zijn koppelkansen mogelijk met onderhoud en beheer van riolering, water en wegen. De continuïteit van de infrastructuur is geborgd. 3.4.2 Publiek energiebedrijf In geval van een publiek energiebedrijf zijn lokale bronnen, warmtenet en aflevering in publiek eigendom. Hoewel inwoners indirecte zeggenschap hebben, vereist het organiseren van betrokkenheid aandacht. Het publieke energiebedrijf heeft de mogelijkheid om te sturen op een eerlijke verdeling van lasten en lusten door het aanwijzen van warmtekavels en de zeggenschap die zij heeft op prijsbeleid van het energiebedrijf. Het publiek energiebedrijf heeft geen winstoogmerk en heeft voldoende schaalgrootte voor efficiëntievoordelen. Zij is eigenaar van de bronnen en kan daarom bronnenstrategie toepassen. Ook kan het energiebedrijf ontwikkelwinsten hergebruiken.
Het publiek energiebedrijf is eigenaar van meerdere warmtenetten waarmee zij risico’s kan spreiden. Er zijn koppelkansen mogelijk met onderhoud en beheer van riolering, water en wegen. De continuïteit en professionaliteit van de organisatie is geborgd.
4
3.4.3 Commercieel energiebedrijf Voor een commercieel energiebedrijf geldt dat bepaalde delen van de keten in bezit zijn van een marktpartij. Inwoners hebben in dit model beperkte zeggenschap. De betrokkenheid van inwoners moet worden georganiseerd. Het commerciële energiebedrijf heeft geen reden om te sturen op een eerlijke verdeling van lasten en lusten. Ook heeft zij geen reden om erop te sturen dat verdiensten van het bedrijf, werkgelegenheid en inkomsten, ten goede komen aan de regio. Het commerciële bedrijf heeft een winstoogmerk met als mogelijk gevolg de poging tot cherry picking van gunstige wijken. NB: Een volledig commercieel energiebedrijf kan trouwens volgens het wetsvoorstel van de Wcw alleen voor gebieden met minder dan 1500 aansluitingen. Hiervoor moet een ontheffing aangevraagd worden. De gemeente heeft binnen haar ontheffingsbevoegdheid de taak om te bepalen of het initiatief de haalbaarheid van warmtenetten in de omgeving niet in gevaar brengt, juist om cherry-picking te voorkomen. 3.4.4 Lokaal energiebedrijf Een lokaal energiebedrijf is eigendom van een energiecoöperatie. De inwoners hebben optimale zeggenschap doordat zij mede-eigenaar zijn. Dit heeft een positief effect op het vollooprisico. Echter, dit organisatiemodel heeft beperkte mogelijkheden om te sturen op een eerlijke verdeling van lasten en lusten in de bredere regio.
De verdiensten van het lokale energiebedrijf komen direct en alleen ten goede aan het (kleine) gebied door de verwerking in het warmtetarief. Het lokale energiebedrijf heeft geen winstoogmerk maar mist de schaalvoordelen vanwege de beperkte omvang. Door het ontbreken van meerdere bronnen kan zij geen bronnenstrategie toepassen. Omdat het om één warmtenet gaat kan kunnen ontwikkelwinsten niet hergebruikt worden en kan zij geen risico’s spreiden. Er zijn koppelkansen mogelijk met onderhoud en beheer van riolering, water en wegen. De continuïteit en professionaliteit van de organisatie is niet direct geborgd, maar kan georganiseerd worden. Een lokaal energiebedrijf kan voldoen aan de Wcw met gebruikmaking van een ontheffing. 3.4.5 Conclusie: Gemeentelijk Energiebedrijf SWF Geen van bovenstaande vier modellen voldoet aan al onze strategische doelen en kernwaarden. We hebben onderzocht hoe we de modellen kunnen integreren tot een aanpak waarbij de zeggenschap van inwoners wordt gewaarborgd, terwijl we tegelijkertijd de betaalbaarheid en betrouwbaarheid van onze warmteoplossing optimaliseren. Op basis van de resultaten van het onderzoek borgt een publiek (gemeentelijk) integraal energiebedrijf het beste de belangen en de leidende principes van de gemeente Súdwest-Fryslân.
Het instellen van een gemeentelijk energiebedrijf, waarbij inwoners worden betrokken in de ontwikkelfase, versterkt lokale participatie en maakt het mogelijk de warmtevoorziening beter af te stemmen op specifieke behoeften. Opschaling van een gemeentelijk energiebedrijf naar een provinciaal energiebedrijf zou voordelen bieden op het gebied van kennisontwikkeling en financiële borging. De gedeelde expertise en schaalvoordelen vergroten de efficiëntie en betaalbaarheid van de warmteoplossing. Deze opschaling gaat gepaard met een afname van de directe zeggenschap van individuele gemeenten. Het provinciale bedrijf zou dan de beslissingen nemen over de locaties en planning van warmtenetten. Om de positieve effecten van opschaling te behouden zonder volledig afstand te doen van lokale controle, is strategische samenwerking cruciaal. Door nauw samen te werken met andere gemeenten, de provincie en kennisinstituten worden de voordelen van kennisdeling en kostenoptimalisatie behouden, terwijl lokale belangen en behoeften worden gerespecteerd en geïntegreerd.
5
3.5 Voorgestelde structuur gemeentelijk energiebedrijf Om invulling te kunnen geven aan wettelijke ontwikkelingen en uitvoering te kunnen geven aan de uitkomsten van het gemeentelijke onderzoek naar structuren en goede praktijkvoorbeelden wordt een structuur voorgesteld die in twee fases kan worden uitgevoerd. Er wordt voorgesteld om in de eerste fase een energiebedrijf op te richten met een beperkte omvang (afbeelding rechts). In het ontwikkelbedrijf willen we de ontwikkelfasen van de pilotprojecten onderbrengen, na toestemming van de raad, inclusief budget. Deze focus stelt ons in staat om gericht en beheersbaar te werk te gaan bij het uitvoeren van pilotprojecten, waardoor we effectief kunnen leren en optimaliseren binnen deze beperkte scope. Voor de lopende pilots Warm Heeg en Het Eiland kijken we of en hoe zij inpassen. Fase 1 Oprichting Energiebedrijf en ontwikkelbedrijf Notariële oprichting van i) Gemeentelijk energiebedrijf SWF BV en ii) haar 100% dochtervennootschap Gemeentelijk Warmte Ontwikkelbedrijf BV. De oprichting van deze entiteiten is het fundament voor de toekomstige ontwikkeling van warmte-initiatieven. In deze ontwikkelfase wordt het idee voor het project geïnitieerd en wordt de haalbaarheid onderzocht. Dit omvat het identificeren van de behoeften, doelen en het mogelijke rendement van het project.
Er wordt een gedetailleerd vooronderzoek uitgevoerd om alle technische, financiële, juridische en sociale aspecten van het project te begrijpen. Op basis van het vooronderzoek wordt een gedetailleerd ontwikkelingsplan opgesteld. Dit omvat de ruimtelijke ordening, het ontwerp, de financiële planning en de risicoanalyse. Tenslotte volgen alle benodigde vergunningen. Tijdens de ontwikkelfase is voornamelijk financiering van advies- en loonkosten nodig. De BV structuur maakt het mogelijk specifieke projectcontracten aan te gaan en/of ontwikkeluren administratief te activeren op het project. Deze kosten worden gedekt vanuit programmagelden. Er wordt geen personeel in de BV’s aangenomen. Fase 2 Oprichting productie, infra en leveringsbedrijf Voor fase 2 dienen er op termijn nog meer BV’s onder het energiebedrijf te worden opgericht. Waarschijnlijk gaat dit te zijner tijd om de volgende werkmaatschappijen en Project BV’s: • Gemeentelijk Productiebedrijf; • Gemeentelijk Warmte Infrabedrijf; • Gemeentelijk Warmte Leveringsbedrijf; • en eventuele onderliggende projectvennootschappen. Bij de oprichting van deze BV’s worden nog geen investeringen gedaan en/of verplichtingen aangegaan. Daarom wordt de raad gevraagd om voor oprichting van de vervolgstructuur, geen wensen en bedenkingen te hebben, waarmee het College van B&W deze BV’s kan oprichten.
Aan Rotshuizen Geense advocaten is gevraagd toe te lichten hoe de rol en invloed van de raad bij de uitvoering van de WcW en richting het gemeentelijk energiebedrijf opgevat moet worden. In hun legol opinion (bijlage) is dit uitgewerkt. In alinea 3.13 op pagina 11 in deze notitie wordt deze kort samengevat. De vervolgstructuur kan er als volgt uit gaan zien:
6
S
Samenvatting: De gemeente is 100% eigenaar van het Energiebedrijf SWF. Het betreft een groeimodel, gefaseerd wordt het Energiebedrijf SWF verder ontwikkeld en uitgebreid door er projecten en werkmaatschappijen / project BV’s aan toe te voegen die een bijdrage leveren aan de energietransitie van onze gemeente. Deze voorgestelde eindstructuur (fase 2) wordt pas opgezet als de eerste projecten uitontwikkeld zijn en na ontwikkeling worden ondergebracht in een infra-, productie- en leveringsbedrijf. Voor de bijbehorende financiering wordt separaat een voorstel bij de gemeenteraad ingebracht. 3.6 Keuze gemeentelijke projectdirectie of afzonderlijke juridische entiteit De bedrijven zullen worden ondergebracht in afzonderlijke besloten vennootschappen (bv’s). Er wordt eerst een holding BV opgericht, het Energiebedrijf SWF, waarbij de aandelen voor 100% door de gemeente gehouden zullen worden. De holding BV bezit de aandelen en oefent regie en controle uit over haar dochter- en werkmaatschappijen. Een holding BV kan financiële, fiscale, en strategische voordelen bieden, zoals het consolideren van financiële rapportages, het beschermen van activa en het optimaliseren van belastingvoordelen. Na oprichting, worden door het Energiebedrijf SWF de voormelde vier dochter- en werkmaatschappijen opgericht.
De werkmaatschappijen zijn actief in de kernactiviteiten van het bedrijf, ontwikkeling, productie, levering en dienstverlening. Het primaire doel van een werkmaatschappij is om operationele activiteiten uit te voeren en winst te genereren. Redenen om het gemeentelijk energiebedrijf in een privaatrechtelijke rechtsvorm (besloten vennootschappen) onder te brengen, zijn: 1. de keuze voor een bedrijfsmatig aanpak, waardoor bedrijfseconomische en marktprincipes leidend worden die doelmatigheid bevorderen. Dit vereist ook enige afstand tot de politiek, binnen de kaders van beleid en democratische controle die daarbij voor een publieke onderneming gelden. 2. een bv biedt ons de mogelijkheid om slagvaardig en flexibil te opereren in een marktgerichte omgeving. Binnen de bv kunnen we een compacte en platte organisatie creëren met een duidelijke focus, waardoor we snel kunnen reageren op veranderingen in de markt.
7
3. Integrale risicobeheersing: Door projecten integraal en uniform te sturen onder een bewezen besturingsmodel (directie en aandeelhouders), kunnen we ook een samenhangende aanpak van risicobeheersing tot stand brengen. Het onderbrengen in een gemeentelijke projectdirectie leidt tot meer administratieve complexiteit, en er is een kans dat financiële tegenvallers hun weerslag hebben op de gemeentebegroting. Naast deze overwegingen verwachten we ook dat het introduceren van nieuwe organisatie-eenheden binnen de bestaande organisatie eerder tot toenemende complexiteit dan tot vereenvoudiging zal leiden. Het introduceren van nieuwe afspraken binnen een gemeentelijke projectdirecte met betrekking tot processen en procedures brengt bovendien nieuwe risico's met zich mee. Grote en langdurige projecten, zoals de ontwikkeling van de projecten van het Energiebedrijf SWF, kennen onderlinge afhankelijkheden tussen plannen tussen ontwikkelingsfase en exploitatiefase. Beslissingen in het ene project kunnen zowel inhoudelijk als financieel gevolgen hebben voor andere projecten, wat vraagt om integraal risicobeheer. 3.7 Governance Het kader voor het Energiebedrijf SWF is vastgelegd in de nota verbonden partijen. De gemeente heeft richting Energiebedrijf SWF verschillende rollen met bijbehorende governance: 1. De gemeente is aandeelhouder. 2. De gemeente is bevoegd gezag.
3.7.1 De gemeente als aandeelhouder • Wettelijke vertegenwoordiger van de gemeente is de burgemeester. Het college kan een lid van de directie machtigen om namens de gemeente als aandeelhouder van de BV op te treden, d.w.z. minimaal stemrecht uit te oefenen. • De inhoudelijke portefeuillehouder energie heeft bestuurlijk de eerstelijns verantwoordelijkheid voor de BV. Een tweede portefeuillehouder, aangewezen door het College, zal optreden als toezichthouder (tweedelijns verantwoordelijkheid). Beiden worden regelmatig geïnformeerd door de aandeelhouder. • Om goed zicht te houden op de stand van zaken binnen de BV zal aanvullende informatievoorziening plaatsvinden, bijvoorbeeld door een jaarlijks werkbezoek door de raad. Verder wordt in aanvullende informatie voorzien op basis van de behoefte van de raad en indien het college dat van strategisch belang acht. • De begroting wordt jaarlijks geactualiseerd en vastgesteld door de algemene vergadering van aandeelhouders (AVA). Het college wordt jaarlijks geïnformeerd over de begroting. Indien er ontwikkelingen zijn binnen de BV waardoor buiten de kaders getreden wordt, dan worden het college en de raad tussentijds geïnformeerd en kan nadere besluitvorming daarop plaatsvinden. • Over een afgelopen jaar wordt een jaarrekening opgesteld door de BV. Vervolgens wordt de jaarrekening vastgesteld door de AVA.
De AVA zal bij de vaststelling van de jaarrekening tevens een besluit nemen over de resultaatbestemming en de aan de directie te verlenen decharge voor het gevoerde beleid. 3.7.2 De gemeente als bevoegd gezag De bevoegdheid ten aanzien van het vaststellen van energiebeleid, warmteprogramma, uitvoeringsplannen, etc. ligt bij de gemeente en vanzelfsprekend bij college en raad. De betrokken ketens binnen de gemeente worden door de gemachtigd aandeelhouder geconsulteerd. Energiebedrijf SWF legt jaarlijks verantwoording af aan de gemeente en staat continu onder controle van zowel de raad als het college via de gemeentelijke jaarrekening, begroting, evenals aparte besluiten en voortgangsrapportages. 3.8
Waarom gemeentelijk bedrijf als invulling publieke integrale rol? 1. Het invulling geven aan de uitgangspunten vanuit het burgerforum, waarin de inwoners een stevige rol voor de gemeente zien om ervoor zorg te dragen dat naast de lusten en lasten ook zeggenschap lokaal wordt gehouden;
8
2. Het behouden van voortgang van de pilotprojecten Warm Heeg, het Eiland te Sneek, Energiestad Bolsward en restwarmte Workum en de verschillende vraagstukken over rol, regie en belang van de gemeente in de verschillende warmteprojecten; 3. Het aansluiten op de ontwikkelingen van de Wet collectieve Warmte (WcW) met als start de Kamerbrief ‘besluit infrastructuur collectieve warmtevoorziening in publieke handen’ van minister Jetten op 21 oktober 2022. En later het wetvoorstel van 23 november 2023 aan de Raad van State met het voorstel voor een publiek meerderheidsbelang in het warmtebedrijf; 4. De mogelijkheid te creëren om duurzame energieopwekking te integreren in het energieportfolio van het warmtebedrijf. Door waar mogelijk duurzame energiebronnen te koppelen aan collectieve warmtepompen verhogen we de duurzaamheid en betaalbaarheid van warmteprojecten. 3.9
Waarom een gefaseerde aanpak? 1. Deze gefaseerde aanpak hanteren om de financiering van de realisatiefase van pilotprojecten te stroomlijnen. Dit houdt in dat er geen onbeperkte financiering beschikbaar is voor de projecten. In plaats daarvan wordt elke fase van een pilotproject afzonderlijk voorgelegd aan de raad. Voor het oprichten van de bedrijfsonderdelen heeft het college het mandaat. Deze benadering waarborgt een gecontroleerde financiering van pilotprojecten, met betrokkenheid van de raad bij elke beslissende fase, terwijl het college verantwoordelijk is voor de oprichting van aanvullende bedrijfsonderdelen. 2. De besluitvorming voor de volgende fase van een pilotproject vindt plaats bij de vaststelling van het Uitvoeringsplan. Dit zorgt voor een transparant besluitvormingsproces en biedt de raad de mogelijkheid om goedkeuring te geven op basis van de gedefinieerde plannen en doelstellingen. 3. Deze gefaseerde aanpak waarborgt een verantwoord financieel beheer en maakt de besluitvorming transparant, met cruciale beslismomenten bij de vaststelling van strategische documenten zoals het Uitvoeringsplan.
3.10 Alternatieven: Er liggen een aantal alternatieven voor: • Samenwerking publiek en markt; • Volledig overlaten aan de markt, regie op basis van warmtekavels; • Als gemeente geen actie ondernemen en overlaten aan lokale initiatieven en de markt; 1. Samenwerking publiek en markt. Samenwerking met de markt op warmtelevering is mogelijk volgens de wet. Op dit moment lijkt de businesscase voor warmtenetten in kleine kernen lastig en is een commercieel model op basis van financieel rendement /winst lastig te realiseren. Er is nog weinig interesse bij marktpartijen om deel te nemen in activiteiten met zeer laag rendement en beperkingen in zeggenschap. Veel woonkernen zullen dus voor commerciële partijen niet aantrekkelijk zijn. Met publiek eigendom kunnen kennis, strategie, realisatiekracht risico’s lokaal gedeeld worden en kan goed invulling gegeven worden een de kostprijs-plusbenadering omdat dit in lijn is met het lokale belang bij inwoners. 2. Volledig overlaten aan de markt, regie op basis van warmteprogramma, warmtekavels, aanwijzen warmtebedrijf en ontheffingen. Zie ook bovenstaande toelichting. Daarbij resulteert het ontbreken van regie en sturing in een monopolie op de markt en beperkte zeggenschap vanuit de inwoners.
De gemeente heeft dan in de ontwikkel- en realisatiefase nog beperkte sturingsmogelijkheden door middel van wijkuitvoeringsplannen en (na invoering van de WcW) het vaststellen van warmtekavels, het aanwijzen van een warmtebedrijf en de goedkeuring van door het warmtebedrijf uitgewerkte kavelplannen. Bij de exploitatie is het sturingsmodel beperkt. Daarbij bepaalt straks het aangewezen warmtebedrijf (volgens het wetsvoorstel WcW) de bronnenstrategie. Op dit moment is er geen zicht op dat marktpartijen warmtelevering op zich willen nemen in SWF en daarmee levert dit alternatief momenteel geen zicht op het waar maken van onze beleidsdoelen.
9
3. Volledig overlagen aan lokale initiatieven. De wet biedt de mogelijkheid om lokale initiatieven als warmtegemeenschap de warmtelevering zelf te laten realiseren en exploiteren. Ook is er vanuit het Rijk ondersteuning op de realisatiekracht van lokaal initiatief van bewoners en biedt de koepelorganisatie Energie Samen daarbij hulp en kennis. De gemeente kan aanvullend hierop en op haar wettelijke plichten lokale initiatieven ondersteunen en faciliteren en daarbij zelf geen aandeel of risico nemen. Dit kan mogelijk ook de uitkomst zijn voor een deel van onze dorpen. Het is momenteel niet aannemelijk dat alle inwoners van woonkernen dit zelf aankunnen of aandurven. Het gemeentelijk energiebedrijf kan deze taak dan op zich nemen.
3.11 Risico’s 3.11.1 Risico is beperkt Het financiële risico voor de gemeente bij de oprichting het Energiebedrijf Súdwest-Fryslân BV en haar dochtermaatschappijen (fase 1 en 2) is beperkt tot de stortingsplicht op de aandelen, notariskosten, inschrijfkosten handelsregister en kosten voor het bijhouden van een (financiële) administratie. De financiering van (pilot)projecten wordt per project geregeld en separaat voorgelegd aan de raad. Met een beslissing over de oprichting van een gemeentelijk energiebedrijf wordt niet besloten over de financiering van projecten. 3.11.2 Financiële consequenties: Het proces van oprichting van het gemeentelijk energiebedrijf en de verdere ontwikkeling van de pilotprojecten bestaat uit 3 fasen. Dit voorstel strekt niet verder dan fase 1 van het voorgestelde proces. •
Fase 1: Notariële oprichting van i) Gemeentelijk energiebedrijf SWF BV en ii) haar 100% dochtervennootschap Gemeentelijk Warmte Ontwikkelbedrijf BV. De oprichting van deze entiteiten is het fundament voor mogelijke deelname aan de pilotprojecten in fase 2. De financiële impact in deze fase is geen additionele last voor de gemeentelijke begroting. De kosten bestaan uit de eenmalige storting van € 1 aandelenkapitaal per BV (100 aandelen à € 0,01), notariskosten, inschrijfkosten handelsregister en kosten voor het bijhouden van een administratie. Aanvullend zijn er loonkosten voor fase 1 gebudgetteerd. De kosten voor inhuur worden geschat op € 100.000. De kosten van inzet eigen personeel wordt geschat op € 150.000. De kosten voor het storten van het aandelenkapitaal van tweemaal € 1, oprichtingskosten en voor inhuur en eigen inzet voor een totaalbedrag van € 250.000 worden gedekt uit de reeds beschikbaar gestelde doeluitkering CDOKE.
•
Fase 2: Wanneer verdere ontwikkeling van de vier pilotprojecten formele participatie van het gemeentelijk energiebedrijf vereist, volgt een nieuw raadsvoorstel. Het voorstel voorziet de raad in de gebudgetteerde kosten die het ontwikkelen van één van de pilotprojecten tot aan de bouwfase vraagt. De ontwikkelingsfase omvat verschillende kosten die verband houden met het plannen, ontwerpen en voorbereiden op de bouw en exploitatie van een warmtenetsysteem. Voorbeelden zijn ontwerp- en projectmanagementkosten, vergunningsaanvragen, juridische kosten, aanvragen netaansluiting etc. De voor deze fase benodigde financiering zal een revolverend karakter hebben. Dit houdt in dat na een succesvolle afronding van de ontwikkelfase van een (pilot)project de ontwikkelfinanciering wordt geherfinancierd en opnieuw kan worden ingezet voor het volgende project. Dit mechanisme zorgt voor een duurzaam gebruik van het in deze fase aan te vragen fonds.
•
Fase 3: Na de succesvolle afronding van elke ontwikkelfase breekt fase 3 aan. Alsdan ontvangt de raad opnieuw een raadsvoorstel voor een besluit op de bouw en exploitatie van de betreffende ontwikkeling. Deze stapsgewijze benadering waarborgt transparantie en stelt de raad in staat om gedegen beslissingen te nemen op basis van de behaalde resultaten. Dit faseringssysteem helpt bij het beheren van de publieke middelen, omdat het project in elke fase een duidelijk beeld geeft van de risico's en kansen. Het stelt het gemeentelijk energiebedrijf in staat om eventuele problemen vroegtijdig aan te pakken, waardoor de projecten beter beheersbaar worden en de kans op financieel verlies wordt verminderd.
10
3.12 Vervolgproces • Indien per project een warmtekavel moet worden aangewezen conform de beoogde Wcw en/of indien een wijkuitvoeringsplan gereed is zal dit worden voorgelegd aan de raad inclusief een ontwikkelbudget per project. • Indien een project uitontwikkeld is en klaar is om te bouwen, zal de businesscase, aanvraag inclusief de benodigde financiering en inbreng eigen vermogen separaat worden voorgelegd aan de Raad. 3.13 De rol van de raad bij een gemeentelijk energiebedrijf Aan Rotshuizen Geense advocaten is gevraagd toe te lichten hoe de rol en invloed van de raad bij de uitvoering van de WcW en richting het gemeentelijk energiebedrijf opgevat moet worden. In hun legol opinion (bijlage) is dit uitgewerkt. In deze alinea wordt deze kort samengevat. Gemeenteraad in rol als bevoegd gezag wettelijke taken WcW en Wgiw: -
Vaststellen warmteprogramma en wijkuitvoeringsplannen volgens de Wgiw. Het college moet volgens de wet warmtekavels en aanwijzen van het warmtebedrijf en wordt daarin zoals gebruikelijk gecontroleerd door de gemeenteraad.
Gemeenteraad in de rol als aandeelhouder BV’s De aandeelhouder is niet verantwoordelijk voor schulden in de bv en is slechts gehouden aan inleg waarde van het aandeel. Het besturen van de BV ligt primair bij het bestuur van de BV. In de concept statuten is opgenomen dat de AVA – naast gebruikelijke vaststellen van de jaarrekening en benoeming, ontslag of schorsing bestuur– vooraf goedkeuring moet verlenen besluiten die belangrijke impact hebben op het functioneren van de vennootschap, zoals • • • • • •
het verkrijgen, vervreemden en bezwaren van onroerende zaken, het aangaan van duurzame samenwerkingen die van ingrijpende betekenis kunnen zijn voor de vennootschap, de oprichting van (dochter)vennootschappen, bij het uitoefenen van stemrecht op aandelen die de vennootschap heeft enkele besluiten die zien op het aannemen van personeel. Het jaarwerkplan met investerings -en exploitatiebegroting en tarieven voor aangesloten inwoners
De aandeelhouders zijn formeel Burgemeester en Wethouders. Zij kunnen raad om wensen en bedenkingen vragen bij uitoefenen van stemrecht en in de AVA.
4
Toelichtingen op Wet collectieve Warmte
4.1 Korte uitgelegd: karakteristieken WcW De Wet collectieve Warmte (WcW) bevat het verbod op exploitatie van warmtenetten zonder aanwijzing van de gemeente. Op 16 oktober 2024 is de parlementaire behandeling gestart na een lange geschiedenis in de ontwikkeling van de WcW. Het bevat de procedure-eisen voor het bepalen van warmtekavels en voor aanwijzing van het warmtebedrijven door gemeenten. Ook beschrijft het de voorwaarden voor exploitatie van collectieve warmtesystemen, inclusief tariefregulering en CO2-uitstooteisen. De WcW vervangt de huidige Warmtewet en verschilt op veel aspecten van haar voorganger. Belangrijke veranderingen zijn: •
Het genoemde verbod op exploitatie warmtenetten zonder aanwijzing of ontheffing van de gemeente.
11
• •
•
De eis dat warmtebedrijven enkel met een publiek meerderheidsbelang mogen opereren. In de tekstblokken hieronder wordt de achtergrond toegelicht. De regierol en bevoegdheden van de gemeente, te weten: kavelbepaling, aanwijzing warmtebedrijf, verlenen ontheffingen en opleggen boetes. Daarnaast wordt een rol verwacht in invulling geven aan publiek eigendom. De mogelijkheid van een warmtebedrijf in de vorm van een “warmtegemeenschap”.
De wet bevat ontheffingsmogelijkheden. De belangrijksten zijn: • •
warmtenetten met minder 1.500 aansluitingen mogen opereren onder een lichter regime, waarbij de eis van publiek meerderheidsbelang vervalt. De warmtegemeenschap als warmtebedrijf, ook boven de 1.500 aansluitingen, waarbij het publiek meerderheidsbelang niet strikt voorgeschreven is.
Toelichting achtergrond besluit publiek meerderheidsbelang Uit brief Jetten 15 juli 2022 voortgang WcW: ”Met de Wcw moeten de publieke belangen bij collectieve warmtelevering optimaal worden geborgd: betaalbaarheid, betrouwbaarheid en duurzaamheid. Draagvlak en vertrouwen in de warmtetransitie zijn van groot belang en publieke regie is daarvoor noodzakelijk. Het is belangrijk dat het wetsvoorstel wordt gedragen door de gemeenten, die in de wet worden aangewezen als primair sturende partij om de lokale warmtetransitie te realiseren.” De oorsprong van dit besluit van de minister ligt in de langdurige sterk ervaren onrecht van inwoners over warmtelevering, de handelingsverlegenheid van gemeenten om hier iets aan te doen en onwenselijkheid van het vastzitten aan een commercieel bedrijf als monopolist. Tegelijkertijd werd in het programma Versnelling Verduurzaming Gebouwde Omgeving vastgesteld om in Nederland voor 2030 500.000 nieuwe aansluitingen op warmtenetten gerealiseerd te hebben en circa 2,6 miljoen nieuwe aansluitingen in 2050, in lijn met de afspraken in het Nationaal Klimaatakkoord. Vooruitlopend op parlementaire besluitvorming van de Wet collectieve Warmte (WcW) is publiek eigendom vastgelegd via een ministerieel besluit gepubliceerd op 21 oktober 2022 ‘besluit infrastructuur collectieve warmtevoorziening in publieke handen”. Dit besluit wordt overgenomen in de WcW.
In de memorie van toelichting en de kamerbrief minister Hermans 7 oktober wordt verder toegelicht waarom gekozen is voor publiekmeerderheidsbelang en waarom gemeenten aangespoord worden een eigen energiebedrijf op te richten. In de kamerbrief zijn tevens maatregelen aangekondigd voor borgen van de betaalbaarheid.
12
De gemeente heeft binnen haar ontheffingsbevoegdheid de taak om te bepalen of het initiatief de haalbaarheid van warmtenetten in de omgeving niet in gevaar brengt (ook wel genoemd: het voorkomen van “cherry-picking”).
4.2 Definitie warmtegemeenschap Een energiegemeenschap (in WcW draagt deze de naam “warmtegemeenschap”) is een rechtspersoon of personenvennootschap die gebaseerd is op open en vrijwillige deelname, autonoom is en daadwerkelijk wordt gecontroleerd door aandeelhouders of leden die zijn gevestigd in de nabijheid van de hernieuwbare-energieprojecten die in eigendom zijn van en ontwikkeld zijn door die juridische entiteit. De energiegemeenschap is actief ten behoeve van haar leden, vennoten of aandeelhouders en heeft als hoofddoel het bieden van milieuvoordelen of economische of sociale voordelen aan haar leden, vennoten of aandeelhouders of aan de plaatselijke gebieden waar ze werkzaam is. Verder is een energiegemeenschap niet gericht op het maken van winst en maakt zij gebruik van duurzame warmtebronnen. Nederland is verplicht om hernieuwbare energiegemeenschappen toegang te geven tot geschikte energiemarkten, zowel rechtstreeks als door middel van aggregatie (artikel 22, tweede lid, aanhef en onderdeel c, van richtlijn 2018/2001/EU).In het wetsvoorstel is voorgesteld dat niet alleen warmtebedrijven met een publiek meerderheidsbelang, maar ook warmtegemeenschappen kunnen worden aangewezen voor een warmtekavel.
Toelichting achtergrond ontheffingsgrens 1.500 aansluitingen Uit de Memorie van Toelichting WcW: “Onder kleine collectieve warmtesystemen worden warmtesystemen verstaan met een omvang tot 1500 aansluitingen voor kleinverbruikers of huurders en leden van een VvE. Vanwege proportionaliteits- en lastendrukoverwegingen geldt voor deze warmtesystemen een minder uitgebreide set aan regels. Zodoende hoeft voor kleine collectieve warmtesystemen geen aanwijzingsprocedure te worden doorlopen en is een publiek meerderheidsbelang niet vereist. In plaats daarvan kunnen warmtebedrijven met een klein collectief warmtesysteem een ontheffing van het verbod om zonder aanwijzing warmte te transporteren of te leveren aanvragen bij het college. Het college kan hierdoor beoordelen of een dergelijk klein collectief warmtesysteem de ontwikkeling van een collectieve warmtevoorziening in een warmtekavel belemmert. Hiermee behoudt de gemeente de regie op de ontwikkeling van de kleine collectieve warmte-systemen” De gedachte achter deze ontheffingsmogelijkheid is “dat de ontwikkeling van dergelijke kleinere warmtesystemen kan bijdragen aan de versnelling van de warmtetransitie, bijvoorbeeld als het gaat om snel te realiseren projecten, om innovatieve projecten of om buurtinitiatieven die een groot draagvlak hebben bij de bewoners.
Vanwege hun relatief beperkte omvang zijn, met oog op de proportionaliteit, in dit wetsvoorstel aparte bepalingen opgenomen voor kleine collectieve warmtesystemen.” 4.3 Uitwerking van publiek eigendom volgens wetsvoorstel WcW Publiek eigendom kan volgens de wet ingevuld worden door alle lagen van de overheid inclusief openbare lichamen zoals EBN. Een afwijking hierop is dat ook de “Warmtegemeenschap” invulling mag geven op dit publiek eigendom. Een warmtegemeenschap is lokale samenwerking van gebruikers die op basis van enkel lokaal belang gezamenlijk een duurzaam warmtenet willen exploiteren zonder winstoogmerk. Het publiek eigendom is hier niet voorgeschreven omdat het doel van borgen lokaal belang en duurzaamheid al geborgd is.
13
Het oprichten van een eigen gemeentelijk energiebedrijf voor warmtelevering wordt landelijk gezien als een logische stap. Zo kan lokaal invulling gegeven worden aan de wettelijke eis van publiek eigendom met daarbij eigen lokale mogelijkheden en beleidsdoelen voor ogen. In de memorie van toelichting bij de concept WcW en aanvullende brieven van de Minister worden gemeenten daartoe ook aangemoedigd. Vele gemeenten hebben al een eigen energiebedrijf opgericht of bereiden dit voor. 4.4 Vooruitblik parlementaire behandeling De behandeling in de Tweede Kamer loopt naar verwachting van in oktober – november 2024 en zal dan naar Eerste Kamer gaan. Betaalbaarheid en haalbaarheid zijn de belangrijkste zorgen in de Tweede Kamer. Mogelijk gaan er nog een aantal veranderingen komen in de definitieve wet. Verder wordt er flankerend beleid uitgewerkt met betaalbaarheid als hoofddoel, zoals een waarborgfonds en prijsgaranties. Ook onze gemeente roept hiertoe op richting VNG, Tweede Kamer en Ministerie KGG. De behandeling in de Eerste Kamer zal in samenhang met de Wet Gemeentelijke Instrumenten Warmtetransitie en de Energiewet 1.0 gedaan worden. 4.5 De WcW in de context van Súdwest-Fryslân Warmtenetten worden in Súdwest-Fryslân als eerste voorkeur gezien. Voorbereiding op de invoering van de WcW is daarom van belang.
Hierbij wordt opgemerkt dat we niet hoeven te wachten op deze wet: er staat ons niets in de weg om op basis van huidige wetgeving de weg in te slaan van warmtenetten. De verwachting is wel dat deze wet ongewijzigd door de kamers komt en in 2025 van kracht komt. We gaan dus daarom in beleid- en planontwikkeling uit van het wetsvoorstel WcW. In het masterplan warmte van Súdwest-Fryslân (in startfase: komt gereed medio 2025) wordt ingegaan op waar we warmtenetten haalbaar achten en welke bronnenstrategie hierbij past. Vooruitlopend hierop mogen we uitgaan van een mix van warmtenetten: zowel boven als onder de 1.500 aansluitingen. In het masterplan zal hier verder op ingegaan worden. In principe zijn er dus verschillende opties op basis van de komende wetgeving. Deze worden hier enkel op hoofdlijnen benoemd:
Gemeente als bevoegd gezag
Warmtebedrijf obv publiek meerderheidsbelang Warmtebedrijf zonder publiek meerderheidsbelang Warmtegemeenschap Uitbreiding of koppeling/fusie
< 1.500 aansluitingen Warmteprogramma Wijkuitvoeringsplannen Kavel aanwijzen niet vereist Ontheffingsprocedures Aanbod op gebied2 Verlicht regime Aanbod op gebied2 Verlicht regime Aanbod op gebied2 Verlicht regime Nieuwe ontheffing aanvragen
>1.500 aansluitingen Warmteprogramma Wijkuitvoeringsplannen Kavels definiëren vereist Aanwijzingsprocedure Aanbod op kavel Niet toegestaan Aanbod op kavel Nieuwe aanwijzing nodig conform wettelijke eisen
Alhoewel een aanzienlijk deel van warmtenetten onder ontheffingsgrens zal vallen, wordt er niet vanuit gegaan dat deze kansen volledig benut gaan worden door commerciële bedrijven, woningcorporaties, VVE’s of energie-coöperaties of warmtegemeenschappen.
2
Een verzameling woon/bedrijfsgebouwen die gezamenlijk een warmtenet met minder dan 1500 aansluitingen willen wordt hier even “gebied” genoemd. Dat kan ook een deel zijn van een kavel zoals die is gedefinieerd door de gemeente.
14
Daar waar inwoners van woonkernen zich professioneel kunnen organiseren en een warmtenet willen exploiteren dan kan dat dus, zelfstandig of in samenwerking met commerciële bedrijven en/of gemeentelijk energiebedrijf. Op dit moment wordt echter niet verwacht dat kleinschalige netten een interessante markt is voor commerciële bedrijven noch een gemakkelijk haalbare activiteit is voor andere private partijen. Een gemeentelijk energiebedrijf kan hier dus een rol spelen om zoveel mogelijk warmtenetten haalbaar te maken. Het gemeentelijk energiebedrijf in oprichting heeft daarom in principe als doel om realisatiekracht, innovatiekracht en investeringskracht te bieden voor in principe alle geschikte woonkernen. Bij planvorming zal duidelijk worden waar initiatieven uit onze Mienskip (zowel inwoners als bedrijven) een rol willen en kunnen spelen.
5
Uitleg betaalbaarheid
Risicospreiding:
Van het GWIB en HVC hebben we geleerd dat wanneer meerdere warmtenetten onder een bedrijf hangen, zij samen minder risico lopen dan afzonderlijk. Dit omdat nooit ieder risico zich voordoet.
Bronnenstrategie:
In Denemarken hebben we geleerd dat wanneer meerdere bronnen aan het warmtenet te gekoppeld zijn, het energiebedrijf slim kan spelen met de inzet van bronnen. Het energiebedrijf zet die bron in, die op dat moment leidt tot de meest gunstige warmteprijs. De bronnenstrategie draagt hiermee bij aan de betaalbaarheid van de warmtevoorziening
Ontwikkelwinst:
Van het GWIB hebben we geleerd dat wanneer meerdere warmtenetten ontwikkeld worden binnen één bedrijf de mogelijkheid ontstaat om ontwikkelwinst te hergebruiken. Zodra het warmtenet operationeel is, zijn de risico’s voor het bedrijf een stuk lager dan in de ontwikkelfase. Hierdoor kan er in de exploitatiefase goedkoper financiering aangetrokken worden. Door de fasen te splitsen in aparte bedrijven krijgt het ontwikkelbedrijf zijn investering sneller terug en kan het geld inzetten voor het volgende warmtenet. Hergebruik van ontwikkelwinst draagt bij aan de betaalbaarheid van de warmtevoorziening.
Bij de wetsbehandeling is veel aandacht voor betaalbaarheid. Mogelijk zullen er naast de financiele maatregelen, zoals warmtefonds en SDE++, ook verdergaande borging komen voor betaalbaarheid voor de consumenten. Daarnaast wordt gekeken naar betere condities voor warmtenetten ten behoeve van verkrijgen goedkope financiering, middels een waarborgfonds. Gelijkheid in doorbelasting van infra kosten elektrisch en warmte krijgt ook aandacht. De eindstand hiervan is nog niet bekend. Verwacht wordt dat in eerste helft 2025 het hele pakket bekend is.
15