CConstaterende datSudwest Fryslan
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Integraal huisvestingsplan onderwijs Súdwest-Fryslân 2025-2040

Raadsvergadering 10 juli 2025, gemeente Sudwest FryslanBij agendapunt: Yntegraal húsfestingsplan ûnderwiis Súdwest-Fryslân 2025 – 204028.011 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Integraal Huisvestingsplan Een duurzaam IHP is een belofte voor de toekomst 2025 - 2040

Inhoudsopgave

Samenstelling Dit IHP is opgesteld door de Mevrouwen in opdracht van de gemeente Súdwest-Fryslân. Het is tot stand gekomen in samenspraak met de gemeente en de betrokken schoolbesturen en kinderopvangorganisaties. Bronvermelding beeldmateriaal: Foto’s gemeente Súdwest-Fryslân. 2025 2

Klikbaar document: in dit document zijn klikbare links beschikbaar voor directe navigatie naar relevante pagina's.

Inhoudsopgave FOARWURD4 1. 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5

INLEIDING Aanleiding Integraal huisvestingsplan Doel, functie en reikwijdte IHP  Urgentie in de onderwijshuisvesting Totstandkoming IHP Dynamisch en koersvast IHP

5 5 5 6 6 6

2. 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7

WETTELIJK KADER EN GEMEENTELIJKE REGELGEVING  8 Wettelijk kader 8 Status IHP 10 Ontwikkelingen in de wetgeving 10 Stichtingsnorm en opheffingsnorm 11 Leegstand, medegebruik en verhuur 12 Bouwheerschap 14 Kwaliteitsniveau 14

3. 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 3.8 3.9 3.10

BELEIDSKADER  Inleiding Streven naar een integrale aanpak Kinderopvang Inclusie Circulaire economie en duurzaamheid Buitenruimte Voorzieningen laadinfra Bouwvormen Kwaliteitsniveau Mienskip

16 16 16 17 17 18 20 21 22 23 25

3

4. 4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6

ONDERWIJSLANDSCHAP EN SCENARIO’S Inleiding Leerlingenprognose en ruimtebehoefte Gebouwenbestand Scenario’s Clustering Voortgezet Onderwijs Clusters

26 26 26 28 29 30 32

5. 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6

FINANCIËN Kaders en uitgangspunten Eigen bijdrage schoolbesturen Meerjaren investering Looptijd en dekkingsperiode.  Blok 0 Voorbereidingskrediet

111 111 112 113 113 114 114

BIJLAGE 1: UITVOERINGSPROGRAMMA 2025-2040 BIJLAGE 2: FINANCIEEL OVERZICHT 2026-2040 BIJLAGE 3: OPBOUW BDB-NORMBEDRAGEN

115 117 118

Inhoudsopgave

Foarwurd In duorsum YHP is in belofte foar de takomst. Mei dy gedachte hawwe wy as gemeente Súdwest-Fryslân tegearre mei ús ûnderwiisbestjoeren wurke oan dit Yntegraal Húsfestingsplan (YHP). Want goed ûnderwiis freget om goede skoalgebouwen. Plakken dêr’t bern feilich, sûn en mei in protte wille leare, groeie en har ûntwikkelje kinne. In soargeleaze jeugd en gelikense kânsen foar al ús bern, dêr geane wy foar. It bêste ûnderwiis, aktiviteiten dêr’t alle bern oan meidwaan kinne, sport en spul dêr’t gjinien by útsletten wurdt... goede húsfêsting fan’e skoallen is in wichtige betingst. De kommende sechstjin jier steane wy foar in flinke opjefte. In soad skoalgebouwen yn ús gemeente binne ferâldere, net duorsum en slute net mear oan by de easken fan dizze tiid. Tagelyk freegje maatskiplike feroaringen, lykas ferduorsuming, ynklusiviteit en demografyske ûntwikkelings, om dúdlike karren en in mienskiplike fyzje. Mei dit YHP kieze wy foar takomst-

4

bestindige skoalgebouwen. Gebouwen dy’t enerzjysunich binne, in sûn binnenklimaat hawwe en tagonklik binne foar elk bern. De kommende jierren sille der dan ek in soad skoallen boud of renovearre wurde. It meitsjen fan dit YHP wie in útdaging. It like soms wol in puzel, mei in soad stikjes dy’t ynelkoar passe moasten. Sa binne de finansjele mooglikheden beheind, ûnder oare trochdat Den Haach al jierren te min bydraacht oan ûnderwiishúsfêsting. Ek it saneamde ‘ravijnjaar’ spile mei: yn 2025 is der spitigernôch gjin romte yn de begrutting, en dat soarge foar fertraging. Fierder wurkje wy gear mei meardere skoalbestjoeren en berne-opfangorganisaasjes én hawwe wy yn ús gemeente in soad ferâldere skoalgebouwen. Dat freget om in soarchfâldige oanpak, gearwurking en somtiden ek geduld. Dizze opjefte kinne wy net allinnich oppakke. Wy doche it tegearre mei skoallen, skoalbestjoeren, berne-opfangorganisaasjes

en oare gemeenten yn Fryslân. Wy diele kennis, ûnderfiningen en ideeën. Want allinne tegearre kinne wy dy belofte wiermeitsje: bouwe oan sterke skoallen én in goede takomst foar ús bern. Ik bin grutsk op de gearwurking dy’t oan de basis leit fan dit programma. En ik sjoch dernei út om mei syn allen fierder te bouwen oan in duorsume, op’e takomst rjochte learomjouwing foar alle bern yn Súdwest-Fryslân. Want ynvestearje yn goed ûnderwiis dogge wy net allinnich foar de learlingen fan no, mar ek foar de takomst fan ús mienskip.

Petra van den Akker Wethâlder Underwiis Gemeente Súdwest-Fryslân

Inhoudsopgave

1. Inleiding 1.1 Aanleiding Integraal huisvestingsplan De gemeentelijke overheid heeft in Nederland vanaf 1997 een wettelijke verplichting (zorgplicht) om te voorzien in adequate huisvesting voor (speciaal) primair en voortgezet onderwijs. In Súdwest-Fryslân is deze verplichting vastgelegd en geborgd in de ‘Verordening voorzieningen huisvesting onderwijs (19 december 2014)’. Dit is de gemeentelijke vertaling van de landelijke wet- en regelgeving. Deze verouderde verordening wordt geactualiseerd en tezamen met het nieuwe Integraal Huisvestingsplan (IHP) vastgesteld. Onderwijshuisvesting is een belangrijke voorwaarde voor het faciliteren van goed onderwijs. De gemeente en schoolbesturen hebben hierbij een gezamenlijk belang, namelijk samen zorgen voor toekomstbestendige en functionele onderwijsvoorzieningen met een gezonde exploitatie. Ondanks het feit dat er gescheiden verantwoordelijkheden zijn (zie hoofdstuk 2, paragraaf 2.1) hebben de schoolbesturen en gemeente samen een IHP ontwikkeld vanuit dit gezamenlijke belang. Gezamenlijk overleg, het Interdepartementaal beleidsonderzoek onderwijshuisvesting IBO, de sectorale routekaart voor verduurzaming van schoolgebouwen, en het voorstel tot wetswijziging van diverse onderwijswetten zijn daarin leidend geweest.

Dit IHP koppelt onze beleidsambities, huidige én toekomstige wet- en regelgeving en concrete afspraken aan elkaar voor de komende jaren. Het uiteindelijke resultaat dat wij in SúdwestFryslân nastreven, staat hiernaast beschreven.

5

Onderwijsvoorzieningen waar(in) leerlingen en personeel in het primair, voortgezet en speciaal onderwijs kunnen spelen, leren en werken aan hun talenten en persoonsvorming. Dit vertaalt zich in toekomstgerichte en functionele gebouwen die een goed binnenklimaat hebben en voor alle partijen binnen de beschikbare middelen te exploiteren zijn. De buitenruimte is groen, uitdagend en sluit aan bij de functies en doelen van het gebouw. Om dit te bereiken werken we zo plan- en doelmatig samen.

1.2 Doel, functie en reikwijdte IHP • Het IHP is het koersdocument voor de uitvoering van het programma voor onderwijshuisvesting. Hiermee is een langere termijn gemoeid. • In het IHP wordt de gedeelde visie van gemeente en schoolbesturen op de onderwijshuisvesting van de toekomst vastgelegd, passend bij de lokale situatie in de dorpen en steden. • Het IHP gaat over het primair, voortgezet en speciaal onderwijs (PO, SO en VO). De voorzieningen voor bewegingsonderwijs zijn hierin niet meegenomen. • Dit IHP gaat over: 0 51 scholen voor (speciaal) basisonderwijs 0 6 scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs 0 5 scholen voor voortgezet onderwijs • Het IHP vormt het kader voor afspraken die gemeente en schoolbesturen maken over het investeringsplan voor nieuwe, vernieuwde of gerenoveerde huisvesting van scholen. Dit leidt tot meer zekerheid voor zowel de schoolbesturen als gemeente en overstijgt

Inhoudsopgave

• • • •

de jaarcyclus van de verordening. Dit IHP kijkt vooruit tot en met 2040, maar heeft ook een concreet uitvoeringsplan voor de kortere termijn. Het IHP geeft zicht op de beschikbare omvang van de huisvestingsportefeuille en de behoefte naar de toekomst. Het IHP duidt ontwikkelingen die relevant zijn voor de onderwijshuisvesting en vertaalt deze – indien nodig – in afspraken en maatregelen. Het IHP is beleidsrijk: andere beleidsterreinen die invloed hebben op het onderwijs en de onderwijshuisvesting zijn betrokken/ gekoppeld (zoals bijvoorbeeld de ontwikkeling van kindcentra, een doorgaande ontwikkeling voor kinderen vanaf 0 jaar en een circulaire bouwaanpak).

Leeftijd schoolgebouwen Súdwest-Fryslân

29% 53,6% 17,4%

>40 jaar

20-40 jaar

<20 jaar

1.4 Totstandkoming IHP Vanaf het voorjaar van 2023 is gewerkt aan de totstandkoming van dit document. Gemeente en schoolbesturen hebben regelmatig gezamenlijk overleg gevoerd. Ook de gemeenteraad is vanaf het begin betrokken. Het proces is constructief verlopen met waardering voor elkaar.

1.3 Urgentie in de onderwijshuisvesting De gemeente Súdwest-Fryslân voelt en onderkent de urgentie om te komen tot een nieuw en beleidsrijk IHP. De wetgever kent die ook en is voornemens om binnen afzienbare tijd een wetsvoorstel te presenteren waarin de ontwikkeling van een IHP verplicht wordt gesteld voor gemeenten. Daarop lopen wij vooruit. Zie hoofdstuk 2.

1.5 Dynamisch en koersvast IHP Het IHP is een dynamisch koersdocument. Dit betekent dat we het regelmatig actualiseren. Dat gebeurt in overleg met elkaar. We spreken af om ieder jaar in kwartaal vier tijdens het OOGO (Op Overeenstemming Gericht Overleg) het IHP te agenderen. Aan de orde zijn dan – tenminste – de volgende punten:

In onze gemeente hebben we te maken met een verouderd gebouwenbestand (zie diagram hiernaast). Dit vraagt om een passend uitvoeringsplan voor de komende jaren. De transitie van sobere en doelmatige schoolgebouwen naar toekomstgerichte onderwijsvoorzieningen vraagt een forse investering van gemeenten, schoolbesturen en het Rijk. Hierbij trekken gemeente en schoolbesturen samen op. Mochten de financiële middelen niet toereikend blijken dan worden de ambities bijgesteld.

6

Inhoudsopgave

√

√ √ √

Actualisatie van kwantitatieve uitgangspunten zoals: Leerlingenaantallen (1x per jaar worden de leerlingenprognoses geactualiseerd in opdracht van de gemeente, dit gebeurt snel na de wettelijke teldatum die geldt voor onderwijshuisvesting: 1 oktober) Indexering (VNG-normbedragen worden in januari van ieder jaar bekend gemaakt en financieel geïmplementeerd, de BDB-normbedragen in april) Nieuwe wetgeving die van invloed is op en consequenties heeft voor het IHP, de planning en scenario’s. Voortgang uitvoering IHP: • Stand van zaken van de uitvoering van de lopende projecten • Vooruitblik op de projecten voor het komende jaar

Gemeente en schoolbesturen bestendigen door dit overleg met bovengenoemde agendapunten opnieuw de afspraken. Daarnaast herijken we het IHP eens per vier jaar beleidsmatig. Dan houden we ook de inhoudelijke ambities tegen het licht en vertalen we de consequenties hiervan. Tussentijdse aanpassing van de afspraken in het IHP gebeurt alleen in gezamenlijk overleg. Het IHP is een koersvast document vanwege de ingezette doelstellingen en ambities die vooral de middellange en langere termijnplanning van de onderwijshuisvesting beïnvloeden. Aspecten als duurzaamheid, (vervangende) nieuwbouw en de vorming van kindcentra vereisen een lange termijn aanpak. Dit vraagt om een stabiele koers waaraan betrokkenen zich committeren.

7

Inhoudsopgave

2. Wettelijk kader en gemeentelijke regelgeving 2.1 Wettelijk kader De gemeente heeft de wettelijke zorgplicht om te voorzien in adequate en voldoende huisvesting voor basis-, voortgezet- en speciaal onderwijs. Deze zorgplicht is verankerd in de Wet op het Primair Onderwijs (WPO), de Wet op het Voortgezet Onderwijs (WVO) en de Wet op de Expertisecentra (WEC). In de meeste situaties ligt het juridische eigendom van schoolgebouwen bij de schoolbesturen. De gemeente heeft economisch claimrecht. Dat betekent dat bij beëindiging van onderwijsgebruik gebouw en terrein worden overgedragen aan de gemeente. In sommige gevallen ligt het eigendom bij de gemeente zelf (dit betreft 5 schoolgebouwen).

In het tekstblok onder ‘hiaten’ staat een aantal verantwoordelijkheden die nu nog niet duidelijk en/of wettelijk belegd zijn en waarover afspraken moeten worden gemaakt in dit IHP. Eén daarvan is ‘renovatie’. Naast nieuwbouw en uitbreiding wordt ‘renovatie’ waarschijnlijk een verantwoordelijkheid voor de gemeente. Dit is nu nog niet formeel geregeld in de wet (wetsvoorstel is in ontwikkeling en wordt naar verwachting ingevoerd per 2026). Vooruitlopend hierop wordt renovatie al wél meegenomen in dit IHP, evenals de financiële vertaling van het bouwbesluit. Bij nieuwbouw wordt door de gemeente SWF ingestoken op kwalitatief hoogwaardige gebouwen (inclusief de eisen van Frisse Scholen klasse B). De onderwijskundige aanpassingen zijn voor rekening van het schoolbestuur. De hiaten uit het overzicht op bladzijde 8 zijn hiermee belegd in dit IHP.

Om te kunnen voorzien in uitvoering van de taken en verantwoordelijkheden, ontvangt de gemeente financiële middelen via de algemene uitkering uit het gemeentefonds. De gemeente is vrij om de ontvangen middelen naar eigen inzicht te besteden en weegt daarvoor de investeringen in onderwijshuisvesting af tegen andere taken en verantwoordelijkheden. Schoolbesturen ontvangen financiële middelen van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap als onderdeel van de lumpsum (bedrag dat wordt ontvangen voor personele en materiële kosten).

Nb. Renovatie is een alternatief voor nieuwbouw, bestaande uit vernieuwing of grootschalige verandering van een gebouw of een gedeelte daarvan door een samenhangend geheel van maatregelen, dat gericht is op het verlengen van de levensduur van het gebouw of een gedeelte ervan. Deze kan plaatsvinden nadat het gebouw 40 jaar oud is. Renovatie en onderhoud onderscheiden zich. Renovatie zien we als een alternatief voor nieuwbouw en niet als alternatief voor het plegen van onderhoud. In dit IHP wordt gesproken over ‘vernieuwbouw’ als het gaat om renovatie als alternatief voor nieuwbouw.

In het schema op de volgende bladzijde zijn de verantwoordelijkheden van gemeente en schoolbesturen in beeld gebracht, met in de ‘onderste’ blokjes de verantwoordelijkheden voor enerzijds het schoolbestuur (links) en anderzijds de gemeente (rechts).

Als ervoor wordt gekozen een gebouw te renoveren (vernieuwbouw), dan wordt onderzocht welke kansen er zijn om onderhoud en renovatie te combineren om desinvesteringen te voorkomen. Dit combineren betreft de kosten en de zorgplicht voor schoolbestuur en gemeente. De wetgever werkt dit onderwerp nog nader uit.

8

Inhoudsopgave

Deze wetgeving wordt afgewacht. Mocht deze niet duidelijk genoeg zijn dan worden de VNG en PO/VO-raad gevraagd naar richtlijnen.

Door de vrije besteedbaarheid van de middelen uit de lumpsumbekostiging en het Gemeentefonds is een schoolbestuur noch een gemeente verplicht een bepaald bedrag per jaar aan huisvesting te besteden. Zij bekijken de uitgaven aan onderwijshuisvesting in relatie tot respectievelijk hun bredere onderwijs- en maatschappelijke opgaven.

Voorzieningen huisvesting onderwijs Ministerie van OCW

Ministerie van BZK

Ministerie van OCW

Gemeentefonds

Schoolbesturen (instandhouding) Binnen- en buitenonderhoud Vervangende 1e inrichting Energieverbruik Schoonmaak Tuinonderhoud Aanpassingen Herstelonderhoud

Hiaten

Budget Frisse Scholen Onderwijskundige aanpassingen (onderwijsconcept) Financiële vertaling bouwbesluit Renovatie

Dit gedecentraliseerde stelsel bestaat sinds 1997. Hoewel de uitgangspunten overeind blijven, zijn het gebruik van schoolgebouwen en de eisen die daaraan worden gesteld veranderd. Bovendien vragen externe ontwikkelingen, zoals het toenemende belang van verduurzaming en een gezond binnenklimaat, om herijking van de bestaande kaders. Het huidige stelsel voor onderwijshuisvesting leidt tot steeds meer knelpunten: - Het binnenklimaat van veel schoolgebouwen is niet op orde - De bevoegdheidsverdeling in de huidige onderwijswetten is niet helder - Het stelsel leidt onvoldoende tot een planmatige aanpak - Kwaliteit schoolgebouwen blijft achter - Renovatie is niet gedefinieerd - Beperkte investeringsmogelijkheden in huisvesting door schoolbesturen - Objectieve sturingsinformatie ontbreekt - Schoolgebouwen zijn niet duurzaam - Schoolgebouwen zijn niet inclusief - Schoolgebouwen zijn niet of moeilijk aanpasbaar aan het onderwijs

Gemeenten (zorgplicht) Nieuwbouw en uitbreiding Tijdelijke huisvesting 1e inrichting Verzekeringen en OZB Constructiefouten Vandalisme

De gemeente Súdwest-Fryslân zet deze collegeperiode (die loopt tot en met 2026) onder andere in op het realiseren van veerkrachtige kernen en ontmoetingsplekken die de hele dag op meerdere manieren te gebruiken zijn. Zie het collegeprogramma: Grutsk en tichtby.Dit IHP past daar naadloos in. De kern wordt gevormd door maatregelen die ervoor zorgen dat de bestaande voorzieningenstructuur wordt getransformeerd naar de toekomst. De gemeente koppelt hier haar bredere verantwoordelijkheid aan. Bijvoorbeeld als het gaat om voorzieningen voor kinderen van 0 – 18 jaar. Ook duurzaamheid van de (gebouwde) omgeving is een belangrijk onderwerp, gezien het klimaatakkoord van Parijs uit 2015 (in werking getreden in 2020).

9

Inhoudsopgave

2.2 Status IHP De juridische basis die geldt voor gemeente en schoolbesturen is een minimale basis (de ‘zorgplicht’), vastgelegd in de verordening voorzieningen huisvesting onderwijs. Het kwaliteitsniveau dat we nastreven met dit IHP ligt hoger dan het wettelijke minimum in de huidige verordening. Het IHP stelt daarmee ruimere kaders. De gemeenteraad stelt het IHP als kaderstellend document vast en heeft te allen tijde budgetrecht. De verordening van de gemeente wordt geactualiseerd en – waar mogelijk en nodig – afgestemd op het IHP. Daarmee vormen beide documenten gezamenlijk het kader, en de koers, voor de onderwijshuisvesting in de gemeente voor de komende jaren.

1. 2. 3.

Capaciteitstekort: indien er een capaciteitstekort ontstaat dat niet is voorzien in het IHP wordt op basis van de verordening een aanvraag ingediend en beoordeeld door de gemeente (overleg is noodzakelijk); Spoedaanvraag Afwijkingen die niet begroot zijn in het IHP

Het toekennen van een verplichtende, formele status aan het IHP is opgenomen in een wetsvoorstel dat naar verwachting wordt ingevoerd in/per 2026. Ook het onderwerp ‘renovatie van schoolgebouwen’ en een nuancering van het investeringsverbod (versoepelen van investeringsmogelijkheden voor schoolbesturen in huisvesting) krijgen hierin een plek. Ondanks het feit dat renovatie (als volwaardig alternatief voor vervangende nieuwbouw) nu nog geen formele verplichting voor gemeenten is, is dit al wel opgenomen als optie in dit IHP. Daarmee anticipeert de gemeente op toekomstige wet- en regelgeving. En erkent zij de waarde van bestaande gebouwen

Aanvraagprocedure In de huidige situatie bepalen we middels een aanvraag voorzieningen welke projecten in het daaropvolgende jaar worden uitgevoerd. De planning (volgorde van projecten), zoals we die afspreken in dit IHP, wordt leidend voor de toekomstige aanvragen. De aanvraagprocedure laten we niet los en wordt volgens de verordening doorlopen om toch een juridische borging te behouden, de start van een project te markeren en een bekostigingsoverzicht (en ambtelijk advies) te maken. De procedure wordt wel makkelijker, omdat de projecten allemaal zijn vastgelegd in het IHP en in het 4e kwartaal worden besproken in het OOGO voor het volgende uitvoeringsjaar. Wijzigingen in deze planning bespreken en stellen we ook vast in het OOGO. Bij overschrijding van het bekostigingsplafond dat we jaarlijks aan huisvesting uitgeven, wordt het college van B&W geraadpleegd. Van de planning in het IHP wijken we alleen af bij:

2.3 Ontwikkelingen in de wetgeving Het IHP is een dynamisch document dat regelmatig wordt besproken en indien nodig wordt aangepast aan relevante ontwikkelingen en nieuwe wetgeving. Een aantal ontwikkelingen en toekomstige wetswijzigingen zijn al bekend, zoals: • • •

10

Gemeenten worden verplicht om een Integraal Huisvestingsplan op te stellen (wet treedt naar verwachting in werking in 2026) Gemeenten worden verantwoordelijk voor renovatie van onderwijshuisvesting (alternatief voor vervangende nieuwbouw) Het huidige Bouwbesluit is vervangen door de nieuwe Omgevingswet en Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Hierin staan de eisen opgenomen waaraan nieuwbouw en renovatie van gebouwen moeten voldoen.

Inhoudsopgave

•

Route naar inclusief onderwijs 2035: in het onderwijs wordt gewerkt aan de inclusieve maatschappij van morgen. Inclusief onderwijs draagt bij aan gelijkwaardige behandeling en gelijkwaardige deelname aan de samenleving. Onderdeel van de routekaart naar 2035 is ‘bepalen wat nodig is voor huisvesting’.

Voorstel wijziging wetgeving in 2025/2026 De wetgever bereidt op dit moment een aantal wetswijzigingen voor die te maken hebben met onderwijshuisvesting. Hieronder een toelichting.

“Het doel van de wetswijziging is regels te stellen voor diverse maatregelen betreffende onderwijshuisvesting om te komen tot een meer planmatige en doelmatige aanpak van bouw en onderhoud van schoolgebouwen in het primair en voortgezet onderwijs ter verbetering van de kwaliteit van en verduidelijking van de verantwoordelijkheid voor de onderwijshuisvesting. Met dit wetsvoorstel wordt het stelsel van onderwijshuisvesting, zoals geregeld in de Wet op het primair onderwijs, de Wet primair onderwijs BES, de Wet voortgezet onderwijs 2020 en de Wet op de expertisecentra, op korte termijn geoptimaliseerd. Er is geen sprake van een systeemverandering”. Verschillende ontwikkelingen hebben tot dit wetsvoorstel geleid zoals: 1. Onderzoek verband binnenklimaat-onderwijskwaliteit 2. Onderzoek ARK en huisvestingsvoorstellen sectorraden en VNG 3. Leerlingenaantallen Interdepartementaal beleidsonderzoek (IBO) heeft aanbevelingen voor de wetgever gedaan om het stelsel beter te laten werken

2.4 Stichtingsnorm en opheffingsnorm In het onderwijs wordt gerekend met normen voor het stichten, in standhouden en opheffen van scholen. Deze normen worden door het Rijk bepaald. Een school met een leerlingenaantal dat drie jaar op rij onder de opheffingsnorm valt, verliest haar bekostiging. De opheffingsnorm kan door aanvullende maatregelen worden opgerekt. Dat kan door de kleine scholentoeslag en de gemiddelde schoolgrootte berekening. Met de gemiddelde schoolgrootte heeft een schoolbestuur mogelijkheden om scholen in stand te kunnen houden ondanks de landelijke opheffingsnorm. De landelijke opheffingsnorm voor een school voor primair onderwijs bedraagt 23 leerlingen. De gemeentelijke opheffingsnorm voor de gemeente Súdwest-Fryslân is gesplitst: - In stedelijk gebied is dit: 141 leerlingen (Sneek en Bolsward) - In landelijk gebied: is het 33 leerlingen Deze gemeentelijke opheffingsnorm is gebaseerd op het aantal inwoners en de leerlingdichtheid en wordt iedere vijf jaar aangepast conform de Wet Primair Onderwijs (WPO) op basis van CBS-gegevens. Bovenstaande gegevens dateren uit de ‘regeling aanpassing stichtingsen opheffingsnormen voor het basisonderwijs in 2023’ die vervalt op 1 augustus 2028. In Súdwest-Fryslân is de stichtingsnorm voor het starten van een nieuwe school voor basisonderwijs 200 leerlingen.

11

Inhoudsopgave

PS: er is nu één basisschool die minder leerlingen heeft dan de opheffingsnorm van 33, namelijk: - SWS De Romte (28) Schoolbesturen zijn zelf verantwoordelijk voor het stichten, samenvoegen en/of sluiten van scholen. Daar gaat de gemeente niet over. De gemeente heeft wel een wettelijke zorgplicht om te voorzien in voldoende openbaar onderwijs voor de inwoners. Opheffingsnormen voor voortgezet onderwijs zijn afhankelijk van het onderwijsaanbod. Voor elke onderwijssoort geldt een andere norm (variërend van 70 – 360 leerlingen). Ook voor het speciaal onderwijs zijn de opheffingsnormen variabel en afhankelijk van verschillende factoren. 2.5 Leegstand, medegebruik en verhuur Als gevolg van de demografische ontwikkeling en de wijziging van de samenstelling van wijken en dorpen, hebben sommige scholen te maken met (normatieve) leegstand. Leegstand kost geld omdat deze vierkante meters wel moeten worden onderhouden en geëxploiteerd (verantwoordelijkheid schoolbestuur). Als er bij nabijgelegen scholen sprake is van een tijdelijk tekort aan ruimte, kunnen zij worden doorverwezen naar deze leegstand. Voor scholen is dit vaak niet wenselijk. Immers, een school wordt dan verdeeld over meerdere locaties wat ten koste gaat van onderwijstijd. Ook heeft het organisatorische en financiële consequenties.

Daarom kiezen schoolbesturen vaak voor het in medegebruik geven of verhuren van de leegstand aan een maatschappelijke partij die het onderwijs, de kinderen en/of de omgeving (wijk/dorp) ondersteunt. Bij medegebruik gaat het om het gebruik van een bestaand onderwijsgebouw (juridisch eigendom van het schoolbestuur) door derden, voor educatieve doeleinden of gebruik ten behoeve van culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden. Dit kan gebeuren zowel onder als buiten schooltijd. Voor 12

het medegebruik wordt een gebruiksvergoeding in rekening gebracht bij de gebruiker ter dekking van (een deel van) de exploitatielasten. Het schoolbestuur meldt het medegebruik aan de gemeente. In geval van medegebruik van een onderwijsvoorziening blijft de formele bestemming onderwijs, waardoor de ruimte altijd weer gevorderd kan worden voor het onderwijs. Steeds vaker maken kinderopvangorganisaties gebruik van de normatieve overcapaciteit in basisscholen waardoor een kindcentrum met een doorgaande ontwikkelingslijn voor kinderen van 0 tot 13 jaar ontstaat. In zo’n situatie wordt meestal geen kostendekkende huur gevraagd, maar een lagere vergoeding. Ook hiervoor is toestemming van de gemeente vereist. Dergelijke – bestaande – situaties worden gehandhaafd maar worden beter in kaart gebracht in het kader van uniformiteit en eerlijke concurrentie. In de gemeente Súdwest-Fryslân wordt vaak onderscheid gemaakt tussen de afspraken in stedelijk gebied (kostendekkende huur) en de afspraken in de dorpen (soms sprake van gunsttarief). Deze afspraken zullen in de nabije toekomst eenduidig geformuleerd worden in nieuw beleid.

Inhoudsopgave

De gemeente Súdwest-Fryslân en de schoolbesturen stimuleren de integrale aanpak en doorgaande ontwikkeling voor kinderen van 0 – 18 jaar en investeren in de Mienskip zodat ontmoetingsplekken ontstaan (meer hierover in hoofdstuk 3). In het kader hiernaast staan de afspraken die gelden vanaf de vaststelling van dit IHP.

Voorfinanciering van ruimtes voor kinderopvang Vanuit de gezamenlijke ambities is bepaald dat bij (ver)nieuwbouw en (levensduurverlengende) renovatie van een voorziening, de gemeente zorgt voor voorfinanciering, en daarmee de investering draagt, van de ruimte voor kinderopvang. Er komt een tripartiete overeenkomst tussen gemeente, schoolbestuur en opvangorganisatie waarin de afspraken over en weer worden vastgelegd. Na realisatie van de nieuwbouw wordt het nieuwe gebouw overgedragen aan het schoolbestuur. Voor zowel (ver)nieuwbouw als (levensduurverlengende) renovatie geldt dat de kinderopvangorganisatie een door de gemeente vastgestelde huurprijs betaalt aan het schoolbestuur, die deze huuropbrengst afdraagt aan de gemeente. Deze huur dekt de lasten van de gemeente (kapitaals-, rentelasten en operationele kosten). Het schoolbestuur is verantwoordelijk voor de exploitatie van het hele gebouw, inclusief het deel kinderopvang, en maakt hierover separate afspraken met de opvangpartner. In de praktijk zal het zo zijn dat de kinderopvang een exploitatievergoeding betaalt aan het schoolbestuur (dekking exploitatielasten, waaronder ook groot onderhoud valt). De huurovereenkomst heeft een minimale looptijd van 15 jaren en legt de afspraken vast over financiering, afdracht en exploitatie. Deze geeft de partijen zoveel mogelijk rechtsbescherming.

De overeenkomst regelt geen afspraken die te maken hebben met inhoudelijke samenwerking. Bij de inhoud van het onderwijs danwel kinderopvang, of geschillen hierover, wil de gemeente niet betrokken worden. Mocht de kinderopvang of het schoolbestuur na deze 15 jaar de huur opzeggen en er is geen andere opvangpartner, dan ligt het leegstandsrisico bij de gemeente. Bij groei van de school, wordt de kinderopvang niet uit het gebouw ‘geduwd’. In de handreiking “Organiseren en financieren van gezamenlijke huisvesting kinderopvang en onderwijs” (maart 2022) worden inzichten in oplossingen voor knelpunten gegeven die binnen de huidige wet- en regelgeving worden ervaren bij realisatie van een gezamenlijke huisvesting. Deze nieuwe afspraken komen in de plaats van de oude afspraken. In bestaande situaties waarbij geen sprake is van vervangende nieuwbouw of renovatie, maar wel uitbreiding nodig is voor kinderopvang gelden deze afspraken niet. De gemeente financiert dan geen permanente uitbreiding, maar spant zich in overleg met onderwijs en opvang in voor een flexibele oplossing (na)bij de school. Zie ook hoofdstuk 3.2 en 3.3. Nb. Dit is de voorkeursvariant t.a.v. de voorfinanciering. In voorkomende gevallen kan de gemeente hiervan afwijken. Dit is afhankelijk van het risicoprofiel, andere gemeentelijke beleidsontwikkelingen, financieel- juridische omstandigheden en nationale wetgeving.

13

Inhoudsopgave

2.6 Bouwheerschap Het bouwheerschap is opgenomen in artikel 103 WPO, 101 WEC en 76n WVO. In lid 1 staat dat het bouwheerschap wordt neergelegd bij het bevoegd gezag. Zie hierover meer in het kader hiernaast.

Bouwheerschap In dit IHP wordt besloten dat het bevoegd gezag bouwheer wordt, tenzij een schoolbestuur hier zelf vanaf ziet. Bij clustering van twee of meer scholen bepalen de schoolbesturen onderling wie bouwheer wordt en welke juridische constructie (bijvoorbeeld een VVE) het beste past.

2.7 Kwaliteitsniveau De onderwijswetten schrijven voor dat de gemeenteraad normen vaststelt aan de hand waarvan de bedragen worden vastgesteld voor de toegekende voorzieningen in de huisvesting: de zogenaamde normbedragen. Deze worden opgenomen in de verordening. Van oudsher geeft de VNG jaarlijks ook normbedragen die door de gemeenten ook gehanteerd kunnen worden. Deze normen zijn afgestemd op onderwijshuisvesting die ‘sober en doelmatig’ is. Het gebruik van normbedragen heeft een financiële en juridische achtergrond. Het nadeel van deze normbedragen is dat het vaste, gemiddelde bedragen zijn die vanuit de VNG-verordening veelal landelijk worden toegepast. Hierdoor is slecht in te spelen op kostenverhogende factoren door lokale omstandigheden of marktontwikkelingen.

Afgesproken wordt dat er per project een afsprakenbrief wordt opgesteld door de gemeente over de wijze van uitvoering Hierin staan de projectkaders geformuleerd, zoals: • • • • • • •

Bouwheerschap Eigen bijdrage schoolbestuur (zie ook hoofdstuk 5.2) Circulaire ambities en doelen Aanbestedingsvorm Projectplan (rollen en taakverdeling tussen gemeente en schoolbestu(ur)r(en) Afspraken met beoogde partners, zoals kinderopvang en de Mienskip (afspraken over verhuur, omvang, investering & exploitatie) De bouwfases en op te leveren fasedocumenten

De gemeente Súdwest-Fryslân vindt het van belang de beleidsambities stevig te borgen in de projecten. Daarnaast bekijkt de gemeente de huisvestingsopgave i.r.t. de brede (sociaal of ruimtelijke) opgave in de wijk of het dorp. Daarom sluit een projectleider vanuit de gemeente aan bij ieder project (nieuwbouw/renovatie). De projectleider is contactpersoon richting de gemeente en adviseert de bouwheer in alle fasen van het bouwproces. Met name in de initiatief en definitiefase heeft de projectleider een grote rol. Deze rol wordt later verder uitgewerkt in een “leidraad bouwprojecten onderwijs”.

Inmiddels is duidelijk dat de VNG-normbedragen en een sobere, doelmatige huisvesting niet passen bij de ambities en het kwaliteitsniveau dat onze gemeente nastreeft. Door de strengere bouweisen en hogere bouwkosten zijn deze niet meer toereikend. Toekomstgerichte onderwijsvoorzieningen – waar de gemeente Súdwest-Fryslân naar streeft – vragen om andere eisen dan ‘sobere en doelmatige’ gebouwen. Het ambitieniveau dat gemeente en schoolbesturen nastreven is niet terug te zien in de eisen in wet- en regelgeving, noch in de onderwijsregelgeving, noch in de bekostiging richting gemeenten en schoolbesturen.

14

Inhoudsopgave

Er zijn wel enkele richtlijnen die aansluiten op het hogere ambitieniveau die houvast bieden zoals het Kwaliteitskader Huisvesting (Ruimte-OK, PO-Raad, VO-Raad en VNG) en het Programma van Eisen Frisse Scholen (RVO). Dat betekent dat er een behoorlijk financieel spanningsveld is. Zowel de rijksbijdrage die de gemeente ontvangt in het gemeentefonds als de (basis en extra) bekostiging per school en per leerling die de schoolbesturen ontvangen is op dit moment niet toereikend om de kwaliteit die we nastreven te realiseren. Dat vraagt om transparantie, vertrouwen en een pragmatische aanpak zodat – ondanks het spanningsveld – toch veel mogelijk kan worden gemaakt.

Normbedragen De VNG-norm (voor de m² BVO) wordt losgelaten voor nieuwbouw en renovatie. We hanteren een nieuwe passender norm, namelijk de (financiële) normen van het Bureau Documentatie Bouwwezen (BDB). Deze zogenaamde BDB-norm is gebaseerd op de structurele ontwikkeling van de bouwkosten van scholen. De BDB-norm is gekoppeld aan het Kwaliteitskader Huisvesting van Ruimte-OK. Dit kwaliteitskader stelt technische en functionele standaardeisen aan schoolgebouwen en definieert daarmee de basiskwaliteit van onze nieuwe schoolgebouwen Dit kader bestaat uit kwaliteitsthema’s zoals: energieneutraal, duurzaamheid, frisse scholen en exploitatie. De BDB-norm en het kwaliteitskader worden breed gedragen door de VNG en PO/VO raad.

Verder is hiervoor een realistisch financieel kader nodig. Een kader dat aansluit bij actuele kengetallen en ervaringscijfers.

Nb. De financiële doorrekening van een project is in de praktijk sterk afhankelijk van de lokale situatie.

15

Inhoudsopgave

3. Beleidskader 3.1 Inleiding In dit hoofdstuk komen beleidsterreinen aan de orde die directe raakvlakken hebben met onderwijshuisvesting en dus invloed hebben op het IHP. 3.2 Streven naar een integrale aanpak De gemeente Súdwest-Fryslân heeft als doel gelijke ontwikkelingskansen te bieden voor kinderen en jongeren. Samen met relevante partners waaronder onderwijs, kinderopvang en andere maatschappelijke partners, streeft de gemeente naar een zo integraal mogelijke aanpak rondom het kind en diens directe omgeving. Een aantal van deze speerpunten hebben een directe relatie met het IHP, zoals: - Realiseren van kwalitatief hoogwaardige voorschoolse voorzieningen - Stimuleren van samenwerking / doorgaande lijn tussen onderwijs, opvang en jeugdhulp - Organiseren van aanvullende activiteiten in samenwerking met de kinderopvang Onderwijs is de aanjager voor het bundelen van expertise en samenwerking. Dit wordt ondersteund door de gemeente, die investeert in de doorgaande ontwikkelingslijn voor kinderen vanaf 0 tot 13jaar en in de inhoud van het aanbod. Opvangpartners zijn in veel basisscholen al aanwezig. Daarnaast maken steeds meer maatschappelijke organisaties gebruik van het onderwijs als gebouw, maar nog belangrijker als samenwerkingspartner.

Scholen, zowel basis-, speciaal- als voortgezet onderwijs, zijn laagdrempelige voorzieningen om vanuit preventie en vroegsignalering kinderen en hun ouders 16

te ondersteunen bij de opvoeding en ontwikkeling. Daarbij vormt inhoudelijke samenwerking en ontmoeting de basis. Dit past ook goed bij de mienskip gedachte van de gemeente en het feit dat wordt geïnvesteerd in vitale dorpen en wijken. Dat betekent dat bij ieder huisvestingsvraagstuk de visie op opgroeien en ontwikkelen wordt gedefinieerd, waarna deze visie zo goed mogelijk wordt vertaald in huisvesting. • Een kindcentrum of geclusterde voorziening is geen doel op zich. De inhoud is leidend, de huisvesting is volgend. • Gebundelde kwaliteit (samenwerken en samenwonen) vormt het uitgangspunt voor alle maatschappelijke nieuwbouwprojecten. • De ontwikkeling van het kind op een integrale, doorgaande en drempelloze manier staat centraal (0-18 jaar). Daarvoor is samenwerking tussen onderwijs, opvang en ondersteuning nodig. • Door bundeling van expertise wordt ingezet op: • Inclusiever onderwijs met als doel leerlingen zo lang mogelijk thuisnabij onderwijs te kunnen laten volgen; • Inclusiever onderwijs als onderdeel van een inclusieve samenleving waarin iedereen mee doet en er ruimte is voor diversiteit. • Bij intensieve samenwerking vormen onderwijs en opvang gelijkwaardige partners. Als er ruimtetekort ontstaat voor het onderwijs, spannen de kinderopvang, gemeente en de school zich in voor alternatieve huisvesting in de nabijheid van de school.

Er komt geen permanente uitbreiding voor de kinderopvang in bestaande situaties. • Per project wordt de visie op samenwerken en samenwonen opgesteld, afgestemd op de behoefte en de locatie. Zonder een gedragen en toekomstbestendige visie komt er geen nieuwbouw of renovatie voor kinderopvang. Deze prestatie-opdracht ligt bij de betrokken partijen en wordt geïnitieerd door de gemeente.

Inhoudsopgave

3.3 Kinderopvang Gemeenten zijn niet verantwoordelijk voor het faciliteren van huisvesting voor kinderopvang (hieronder vallen buitenschoolse opvang, peuteropvang en dagopvang). Dat is een verantwoordelijkheid van de kinderopvangpartijen. Voor ieder nieuw huisvestingsvraagstuk met een combinatie van onderwijs, opvang en/of ondersteuning, wordt de haalbaarheid en betaalbaarheid onderzocht. Het initiatief hiervoor ligt bij het schoolbestuur. Bij voorkeur, en indien mogelijk, wordt normatieve leegstand in onderwijshuisvesting ingezet voor opvang en ondersteuning. De gemeente investeert bij nieuwbouw en renovatie in ruimte voor kinderopvang (zie paragraaf 2.5). In overige situaties investeert de gemeente bij voorkeur niet. De gemeente staat niet toe dat de kinderopvang investeert in permanente uitbreiding van de huisvesting op schoolterreinen. De bekostiging van aanvullende voorzieningen (anders dan onderwijshuisvesting) gaat uiteraard niet ten koste van het onderwijshuisvestingsbudget van de gemeente. 3.4 Inclusie In een inclusieve samenleving krijgt iedereen gelijke kansen en wordt niemand buitengesloten. Een samenleving zonder drempels, letterlijk en figuurlijk, waarin iedereen gebruik kan maken van toegankelijke gebouwen. Ook de gemeente Súdwest-Fryslân heeft begin 2023 een ‘lokale inclusie agenda’ opgesteld.

Dus: in de toekomstige nieuwbouw- of renovatieprojecten worden de eisen vanuit deze lokale inclusie agenda gewaarborgd. Inclusief en passend onderwijs horen bij het begrip ‘inclusieve samenleving’ en passen in dit IHP.

17

Inclusief onderwijs • Is erop ingericht dat alle jongeren welkom zijn en erbij horen op de school die ze kiezen. • Heeft als doel dat jongeren met en zonder ondersteuningsbehoefte vaker samen dicht bij huis naar dezelfde school kunnen gaan. Passend onderwijs • Is nauw verbonden met inclusief onderwijs. • Gaat uit van een passend aanbod in de regio voor jongeren met een ondersteuningsbehoefte. • Is erop gericht om zoveel mogelijk jongeren met een extra ondersteuningsbehoefte onderwijs te bieden in het regulier onderwijs. Voor kinderen is het belangrijk om zoveel mogelijk in de eigen vertrouwde omgeving op te groeien en onderwijs te volgen. De scholen, schoolbesturen en gemeente werken samen aan de ambitie om alle kinderen thuisnabij onderwijs te kunnen (blijven) geven. Alle kinderen thuisnabij naar school vraagt extra inzet van onderwijs en ondersteuning. Het vraagt ook meer ruimte. Vooral in scholen die passend zijn gehuisvest, zonder ‘normatieve’ overcapaciteit, is het woekeren met ruimte. Het onderwijs wil graag de spil in de ontwikkeling van de kinderen zijn, maar kan deze behoefte soms niet faciliteren.

Inhoudsopgave

In de ‘Werkagenda route naar inclusief onderwijs 2035’ die door het ministerie en andere stakeholders is vastgesteld staat dat wordt onderzocht wat er nodig is aan wet- en regelgeving om toegankelijke en inclusieve huisvesting te realiseren.

Het hoofddoel is om in 2050 100% circulair te zijn als gemeente. In deze paragraaf worden de raakvlakken met onderwijshuisvesting eruit gelicht. De bouw van onderwijsvoorzieningen en kindcentra heeft een grote impact op het milieu. Zowel tijdens de bouw als in het gebruik en beheer. Het gaat daarbij om zowel het energieverbruik als ook het gebruik van grondstoffen en materialen. De noodzaak om de milieu impact te verminderen onderkennen en onderschrijven we. Daarom spreekt de gemeente af dat in overleg met de bouwheer tijdens de voorbereiding van een bouwproject circulaire ambities en doelen worden opgesteld. Hierbij kan gedacht worden aan: milieu-impact, waterbesparing, biobased materiaal, omgang met restmateriaal en hergebruik, toxiciteit, losmaakbaarheid etc. Hierop sturen we tijdens de aanbesteding, het ontwerpproces en de bouw. Een projectleider van de gemeente sluit aan bij de projectorganisatie van een nieuwbouw- of renovatieproject om de circulaire ambities van de gemeente zoveel mogelijk te borgen.

‘De wens is vooral om meer ruimte voor flexibiliteit (en indien nodig meer m2) te geven zodat schoolgebouwen kunnen meebewegen met de jongerenpopulatie en hun behoeftes en om de benodigde partners, zoals zorg/hulpverlening, te kunnen huisvesten’. Daarop wil de gemeente Súdwest-Fryslân niet wachten. Bij nieuwbouw en renovatie wordt de normatieve ruimtenorm met 5% opgehoogd om tegemoet te komen aan de (ruimte)eisen die inclusiever onderwijs vraagt (vooral extra werk- en overlegplekken). De hiermee gepaard gaande investering draagt de gemeente, de exploitatieverantwoordelijkheid ligt bij het schoolbestuur, mits het schoolbestuur deze ophoging niet nodig vindt. Samengevat: de gemeente legt geen ruimtelijke en/of functionele doelen op. Het schoolbestuur is daar vrij in. Wel vraagt de gemeente het schoolbestuur in het bouwplan aan te geven wat de bouwkundige invulling van de 5% inclusiviteit is.

Voor schoolgebouwen sluit de gemeente qua duurzaamheidsambities aan bij de Sectorale routekaart voor verduurzaming van schoolgebouwen. Bekijk de routekaart hier. Hierin komen de PO-Raad en de VO-raad en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) samen in actie voor duurzame schoolgebouwen. Een duurzaam schoolgebouw heeft een gezond binnenklimaat, een laag energieverbruik en CO₂ -uitstoot en is betaalbaar, ook in de exploitatiefase. Maar misschien nog wel belangrijker: het gebouw is ondersteunend aan het onderwijs dat gegeven wordt binnen die school, past bij het aantal leerlingen en is inclusief. Dit noemen we toekomstgerichte onderwijshuisvesting.

3.5 Circulaire economie en duurzaamheid De gemeente Súdwest-Fryslân heeft een forse duurzaamheidsambitie geformuleerd:

18

Inhoudsopgave

Vanaf 1 januari 2024 is de Omgevingswet ingevoerd. Hierin staan de wettelijke eisen voor de energieprestatie van schoolgebouwen. Deze moeten voldoen aan de BENG-eisen (Bijna Energie Neutraal Gebouw). Dat betekent dat eisen worden gesteld aan de maximale energiebehoefte, een maximum aan het gebruik van fossiele energie en een minimum aandeel hernieuwbare energie.

TvW-Transitie visie Warmte In 2021 is de Transitievisie Warmte door de raad vastgesteld. Er zijn verschillende projecten in uitvoering zoals: - Bolsward - Het Eiland Sneek - Warm Heeg

Gemeente en schoolbesturen leggen de lat hoger De lokale ambitie is om nieuwbouw van scholen te realiseren op het niveau van ENG (Energie Neutraal Gebouw). Hiermee loopt de gemeente vooruit op toekomstige wetgeving die ENG als eis gaat stellen. Voor renovatie streven we naar minstens een BENG, en zo mogelijk ENG. De gemeente betaalt deze ambitie.

De bestaande schoolgebouwen die onderdeel zijn van deze gebieden kunnen een voorbeeldfunctie krijgen als ze worden meegenomen in de verduurzaming: - Schoolgebouwen die onderdeel zijn van deze projecten, worden aardgasvrije voorzieningen voor 2035 - Schoolgebouwen die in andere wijken staan, zijn uiterlijk in 2050 aardgasvrij TCO-Total Cost of Ownership en Restwaarde Schoolbesturen bekijken per bouwproject (nieuwbouw of levensduurverlengende renovatie) of en zo ja op welke manier zij een eigen bijdrage leveren aan maatregelen met een redelijke / korte terugverdientijd waardoor de investering aantrekkelijk is (mits goedgekeurd door de accountant). Het Kwaliteitskader Ruimte-OK biedt daarvoor de mogelijkheid om deze keuze te maken door middel van het zgn. levensduurscenario.

ENG en NOM Bij nieuwbouw kan ook worden gekozen voor NOM als uitgangspunt (Nul Op de Meter). Het verschil tussen ENG en NOM (energieneutraal qua gebouwenergie + energie van gebruik) bekostigt het schoolbestuur zelf, omdat deze extra investering voordelen oplevert in de exploitatie van de huisvesting (verantwoordelijkheid schoolbestuur). Circulair inkopen Daarnaast heeft de gemeente Súdwest-Fryslân de ambitie om vanaf 2023 circulair in te kopen. Ook voor onderwijsvoorzieningen kiezen we voor een circulaire aanbesteding. Bij een circulaire aanbesteding werken bouwheer, gemeente en de bouwpartners (architect, aannemer etc.) al in een vroeg stadium samen om een zo circulair mogelijk gebouw te realiseren. Passend binnen het beschikbaar gestelde budget. We hebben het voornemen om deze ambitie verder uit te werken. 19

Inhoudsopgave

Ook de gemeente Súdwest-Fryslân onderzoekt de mogelijkheden om op een andere manier te kijken naar investeringen, namelijk door te kijken naar de Total Cost of Ownership (TCO). Daarbij worden alle kosten gedurende de levensduur van een gebouw, inclusief de restwaarde, bepaald. Deze TCO-benadering past goed bij de circulaire ambities van de gemeente. Vooralsnog wordt ingezet op een ‘al doende lerende aanpak’. In dit IHP wordt TCO als onderdeel van het haalbaarheidsonderzoek meegenomen. Gemeente en bouwheer maken deze keuzes in gezamenlijk overleg. De beoogde wetswijziging (zie hoofdstuk 2, paragraaf 2.1) bevordert ook de TCO-benadering. Het opheffen / versoepelen van het investeringsverbod voor schoolbesturen maakt het mogelijk om hier doelmatige afspraken over te maken. Schoolgebouw als voorbeeld Scholen zijn de maatschappelijke etalages van een stad, wijk of dorp. Daar wordt de nieuwe generatie opgeleid met oog voor de wereld, de omgeving en het milieu. Dit vereist een fatsoenlijke aanpak op het gebied van duurzaamheid, circulariteit en bewust energieverbruik. Niet alleen vanuit exploitatiebelang van de scholen, maar vooral ook als voorbeeldfunctie voor de vele bezoekers van de onderwijsvoorzieningen. Hiernaast in het kader de circulaire ambitie van de gemeente Súdwest-Fryslân. 3.6 Buitenruimte Buitenruimte is belangrijk voor kinderen.

Niet alleen om te spelen, bewegen en te ontdekken maar ook om te leren. De buitenruimte is een verlengstuk van de binnenruimte. Een reken- of taalles op het plein wordt steeds vaker gedaan. En uiteraard is de buitenruimte voor de leerlingen van het voortgezet onderwijs een ‘chill-plek’. Dit multifunctionele karakter van de buitenruimte vereist een grotere omvang (het wordt ook steeds intensiever gebruikt) dan de minimale norm van 3 m2 per kind die in de verordening is opgenomen.

20

Natuurlijk duurzaam vooruit in Súdwest-Fryslân! In 2050 bruist Súdwest-Fryslân van de energie! We leven in een schone en veilige leefomgeving en kunnen omgaan met de uitdagingen die het veranderende klimaat ons biedt. Onze kinderen ademen schonere lucht in dan wijzelf ooit hebben gedaan. Het landschap is weids, waterbestendig en natuur inclusief ingericht. Dat betekent dat er bewust ruimte wordt gemaakt voor biodiversiteit, zodat er meer diverse planten- en diersoorten kunnen leven. Het landschap voorziet ook onze 89 kernen van onze eigen duurzame energie. Iedere kern heeft hierin haar eigen unieke keuzes gemaakt. Bewoners zijn trots op hun omgeving. Afval bestaat niet meer. Oud wordt nieuw door onze vakmensen. Grondstoffen gebruiken wij opnieuw om nieuwe producten te maken. Investeren in het Klimaat is de nieuwe economie geworden. Een economie die klaar is voor de toekomst.

Inhoudsopgave

Het kwaliteitskader van Ruimte-OK raadt minimaal 5 m2 aan. Indien mogelijk hanteren we dit bij toekomstige huisvestingsprojecten. Ook voor de kinderopvang. De gemeente Súdwest-Fryslân wil een sportieve, speelse en beweegvriendelijke gemeente zijn en moedigt een actieve en gezonde leefstijl aan in de openbare ruimte. Daarnaast stimuleert de gemeente de realisatie van groene speelpleinen (‘groen voor grijs’). Hiervoor is in 2022 een eenmalige duurzaamheidsprijsvraag uitgeschreven onder alle basisscholen. Met scholen wordt een belangrijke doelgroep bereikt. Veel schoolpleinen in SúdwestFryslân bestaan grotendeels uit tegels. Voor het klimaat hebben groene schoolpleinen de voorkeur. Speels en klimaatvriendelijk zijn goed te combineren. Schoolpleinen zijn veelal verhard (‘grijs’) en dragen niet of nauwelijks bij aan de klimatologische uitdagingen ten aanzien van hittestress, wateroverlast en biodiversiteit. Daarom willen we bij nieuwe ontwikkelingen en iedere grootschalige huisvestingsopgave (nieuwbouw / renovatie) waar mogelijk en in gezamenlijkheid (schoolbestuur en gemeente) een groene buitenruimte realiseren. Vergroenen van de schoolpleinen dient meerdere doelen: - Een groen schoolplein ondersteunt de gezonde ontwikkeling van kinderen. - Een groen schoolplein draagt bij aan de kennis over en band met de natuur.

- Een groen schoolplein draagt bij aan een betere kwaliteit van het onderwijs. - Een groen schoolplein bevordert klimaatbestendigheid van de gebouwde omgeving. - Een groen schoolplein bevordert de biodiversiteit. Pleinen en speelplekken met een openbaar karakter hebben in sommige buurten en dorpen een aantrekkende werking op vandalen. Bij de inrichting van de pleinen en buitenruimte is van belang te zorgen voor een veilige, open omgeving zodat sociale controle en zicht gewaarborgd is en het daardoor niet aantrekkelijk is voor vandalen. Indien er sprake is van vandalisme, geldt de schaderegeling van de gemeente. 21

3.7 Voorzieningen laadinfra In het bouwbesluit en in Europese regelgeving (EPBD III) zijn verplichtingen opgenomen voor de aanleg van oplaadvoorzieningen bij bestaande utiliteitsgebouwen (vanaf 2025), en bestaande gebouwen die ingrijpend worden gerenoveerd (vanaf 10 maart 2020) en nieuw te bouwen gebouwen (vanaf 10 maart 2020). Bij utiliteitsgebouwen met meer dan 10 parkeervakken op hetzelfde terrein moet minimaal 1 oplaadpunt voor de hele parkeergelegenheid worden aangelegd. Ook moet er leidinginfrastructuur (loze leidingen) worden aangelegd voor 1 op de 5 parkeervakken. Bestaande gebouwen: Bij bestaande utiliteitsgebouwen met meer dan 20 parkeervakken op hetzelfde terrein moet vanaf 2025 minimaal 1 oplaadpunt zijn aangelegd. De gebouweigenaar kan, naargelang de lokale behoefte en lokale markt, zelf bepalen hoeveel oplaadpunten hij in totaal realiseert. 3.8 Bouwvormen In dit IHP wordt onderscheid gemaakt tussen drie bouwvormen: • (Vervangende) nieuwbouw, uitbreiding valt hier ook onder, met een geschatte levensduur van 50 jaar. • Vernieuwbouw. Dit staat gelijk aan vervangende nieuwbouw met het principe om de bestaande hoofddraagconstructie (HDC) te handhaven. Vernieuwbouw gaat ervan uit dat het schoolgebouw tot op de HDC gestript wordt. Vervolgens wordt deze compleet nieuw opgebouwd en ingericht met nieuwe gevels, daken, instal-

Inhoudsopgave

•

laties, inrichting, afwerking etc., met de eisen van nieuwbouw en energieneutraal, etc. Daarmee kan het gebouw minstens 40 jaar verder, waardoor de investering ook in 40 jaar afgeschreven wordt. Renovatie (vernieuwing of grootschalige verandering van een bestaand gebouw of een deel ervan door een samenhangend geheel van maatregelen dat gericht is op het verlengen van de levensduur met 25 jaar).

Er zijn meerdere redenen waarom we kiezen voor renovatie of vernieuwbouw: •

•

•

Een gebouw, plek en functie blijft behouden. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een (gemeentelijk) monument, een monumentaal pand, een beschermd dorpsgezicht of andere culturele waarde van een object. Soms is een school ook onderdeel van een multifunctionele accommodatie met meerdere voorzieningen en is het wenselijk dit te behouden. Sommige onderwijsvoorzieningen kennen een normatieve overcapaciteit die bij vervangende nieuwbouw meestal verloren gaat omdat dan ‘op de norm’ wordt gebouwd. Wanneer de overcapaciteit qua exploitatie te dragen is, heeft overcapaciteit voor het hedendaagse onderwijs vaak meerwaarde. De kosten voor het renoveren van de overcapaciteit liggen bij het schoolbestuur. Het is een duurzaam en volwaardig alternatief voor nieuwbouw. Er is minder nieuw materiaal nodig dan voor nieuwbouw en het voorkomt veel bouw- en sloopafval en vervoersbewegingen.

renovatie inzet op een NOM-gebouw, dan zijn de meerkosten om van ENG naar NOM te komen voor rekening van het schoolbestuur. Aangezien een groot deel van ons gebouwenbestand ouder is dan 40 jaar, moet er veel gebeuren. Niet alles kan in een korte tijd. Daarom maken gemeente en schoolbesturen goede afspraken over de gebouwen die ouder zijn dan 40 jaar, maar nog niet op korte of middellange termijn aan de beurt zijn voor een huisvestingsingreep. Hoe gaan we dan samen om met de instandhouding van een dergelijk gebouw? Dat is inzet van een gezamenlijke verantwoordelijkheid om het gebouw te laten (blijven) voldoen aan de eisen die worden gesteld ten aanzien van onderhoud echter zonder onnodige investeringen in het licht van een grote ingreep op langere termijn. In onze gemeente staat ook een aantal schoolgebouwen uit het begin van de twintigste eeuw. Deze schoolgebouwen bekijken we met zorg indien ze aan de orde zijn voor een huisvestingsvraagstuk. Deze oude schoolgebouwen zijn niet opgenomen in het uitvoeringsprogramma 2025-2040.

De afweging om te kiezen voor (vervangende) nieuwbouw, renovatie of vernieuwbouw maken gemeente en schoolbesturen in dit IHP gezamenlijk. Dit gebeurt de komende jaren tijdens de uitvoering van dit IHP ook. Voor ieder project wordt steeds (opnieuw) een afweging gemaakt door het uitvoeren van een haalbaarheidsonderzoek. Zo ontstaat voortschrijdend inzicht. Actuele kennis, afgesproken kaders en opgedane ervaringen kunnen worden meegenomen. Dit geldt ook voor nieuwe of aangepaste wetgeving. Naar aanleiding van de uitkomst van het haalbaarheidsonderzoek kan de keuze afwijken van het scenario dat in dit IHP is opgenomen.

Standaardisatie Er zijn veel ontwikkelingen in het land omtrent onderwijshuisvesting. Sommige ontwikkelingen beogen een versnelling. Daarvan is standaardisatie een voorbeeld. Bij standaardisatie is het grootste gedeelte van het ontwerp hetzelfde. p enkele specifieke onderdelen zijn ze verschillend. Dit scheelt ontwerptijd terwijl de school toch een eigen uitstraling heeft. De gemeente en schoolbesturen staan ervoor open deze vorm te onderzoeken, indien van toepassing, evenals voor andere innovatieve vormen en programma’s om de onderwijshuisvesting te versnellen.

Voor renovatie gelden dezelfde ambities als bij (ver)nieuwbouw. Dus ook hiervoor geldt dat een gebouw na renovatie, bij voorkeur, voldoet aan de ENG-eisen. Mocht dat technisch en financieel niet haalbaar zijn dan wordt op basis van argumenten de bouwvorm aangepast. Dit gebeurt in gezamenlijk overleg. Wanneer een schoolbestuur bij (ver)nieuwbouw of

Duurzaamheidsonderzoek Het streven is om binnen het IHP-tijdpad te zorgen dat alle onderwijshuisvesting aan de gezamenlijke ambities voldoet. Sommige gebouwen zitten rond de helft van hun levensduur en voldoen nu niet aan de

22

Inhoudsopgave

Duurzaam: De voorzieningen: - hebben een gezond binnenklimaat - zijn flexibel/aanpasbaar aan het onderwijsconcept - zijn passend bij het aantal kinderen, toegankelijk en inclusief - hebben een gezonde exploitatie

ambities, bijvoorbeeld rond het binnenklimaat. Schoolbesturen staan dan voor keuzes over onderhouds- en vervangingsinvesteringen. Het is belangrijk om deze af te stemmen op een eventueel toekomstig huisvestingsscenario en om slimme combinaties te zoeken met de verduurzamingsopgave. In het IHP is bij sommige scholen een verduurzamingsonderzoek opgenomen. Dit onderzoek zorgt voor aanscherping van definities, een technische scan van de betreffende gebouwen en raming van kosten. Hierbij worden ook de subsidiemogelijkheden en eigen bijdragen van schoolbesturen in relatie tot de meerjaren onderhoudsplanningen meegenomen. De schoolbesturen zijn verantwoordelijk voor het initiëren, bekostigen en uitvoeren van dergelijke onderzoeken.

Verduurzaamd De voorzieningen: - zijn energie neutraal gebouwd (ENG)* - zijn aardgasvrij - zijn CO₂- arm - hebben een laag energieverbruik - wekken zoveel mogelijk zelf de energie op (bijvoorbeeld door middel van zonnepanelen)

Onder het verduurzamen van een gebouw vallen bijvoorbeeld: het toepassen van energiebesparende maatregelen en het kiezen voor duurzame opties bij uitvoering van het onderhoud.

Inspirerend: Comfortabele gebouwen waarin leerlingen en teams goed kunnen werken en leren en die uitnodigen tot ontmoeting.

3.9 Kwaliteitsniveau De gemeente Súdwest-Fryslân investeert de komende jaren in onderwijshuisvesting. Dit is nodig gezien de (gemiddelde) leeftijd van de gebouwen. Maar we doen het ook omdat de gemeente deze voorzieningen belangrijk vindt voor de opgroeiende generaties en de leefbaarheid / mienskip.

Minimaal ENG: Bij nieuwbouw en zo mogelijk ook bij renovatie. De investering voor ‘upgrading’ naar NOM is voor rekening van het schoolbestuur. Kwaliteit: Er is sprake van een kwalitatief goed gebouw als de functionaliteit, techniek en beleving met elkaar in balans zijn. Het Kwaliteitskader Huisvesting van Ruimte-OK (2024, bekijk het plan hier) beschrijft dit uitgebreid en uitstekend. Hierin zijn ook de uitgangspunten van Frisse Scholen verwerkt.

De gemeente Súdwest-Fryslân wil toekomstgerichte onderwijsvoorzieningen realiseren. Een toekomstgerichte onderwijsvoorziening definiëren we als volgt: 23

Inhoudsopgave

Realistisch financieel kader: Het financiële kader dat bij deze ambities hoort is realistisch en sluit aan bij actuele kengetallen, ervaringscijfers en werkelijke kosten. Daarmee laten we in dit IHP de VNG-normbedragen los. In dit IHP kiezen wij voor de normen van het Bureau Documentatie Bouwwezen (BDB), prijspeil 2025.

Zo realiseren we een voorziening die samenwerking en ontmoeting stimuleert. Samenwonen in een gebouw is meestal efficiënt(er) en zorgt ervoor dat het – doordat meerdere partners gebruik maken van hetzelfde gebouw – een aantrekkelijke voorziening wordt voor de kern en de omgeving.

Planning: Het IHP heeft een looptijd van 16 jaren. Gemeente en schoolbesturen stemmen hier hun financiële planning op af. Dat vereist wederzijds vertrouwen. Zo kan de gemeente de investering in de gebouwen voor haar rekening nemen en kunnen de schoolbesturen daarop hun meerjarenplanning afstemmen. Het uitvoeringsplan dat voortvloeit uit dit IHP is de leidraad voor de toekomst. 3.10 Mienskip Zowel de gemeente als alle schoolbesturen vinden de Mienskip erg belangrijk. In een notitie van de hand van de schoolbesturen in de gemeente (opgesteld in het voorjaar van 2022) staat: - Het is belangrijk om per kern te kijken naar wat er nodig is voor een leefbare omgeving, hoe voorzieningen kunnen samenwerken en waar gebruik kan worden gemaakt van gezamenlijke huisvesting; - Onderwijshuisvesting lijkt primair voor het onderwijs, maar draagt tegelijkertijd bij aan het welbevinden van de Mienskip en aan het geheel van voorzieningen in de kern en de omgeving; Dat betekent dat (ver)nieuwbouw van onderwijsvoorzieningen alleen plaatsvindt als dit wordt verantwoord in het geheel van voorzieningen in die regio, de ontwikkelingen van de bevolking in de regio en als er sprake is van gezamenlijk gebruik van de voorziening door de Mienskip.

Anders verwoord: de gemeente Súdwest-Fryslân geeft de voorkeur aan fysieke clusters van (samenwerkende) scholen boven renovatie of nieuwbouw van solitaire schoolgebouwen. Aangevuld met andere partners zoals kinderopvang, ondersteuning- en ontmoetingsfuncties. 24

Inhoudsopgave

4. Onderwijslandschap en scenario’s 4.1 Inleiding De gemeente Súdwest-Fryslân is qua oppervlakte de grootste gemeente van Nederland! Meer dan 90.000 inwoners verdeeld over 89 kernen. Veel kernen beschikken over voorzieningen, waaronder basisscholen en kinderopvang. In Bolsward, Koudum en Sneek wordt ook voortgezet onderwijs aangeboden. Spreiding, bereikbaarheid en nabijheid van onderwijsvoorzieningen is belangrijk in een grote plattelandsgemeente. Toekomstbestendigheid, de Mienskip (leefbaarheid) en kwalitatief goede schoolgebouwenzijn tevens van belang voor onze toekomstige generatie (leerlingen) en inwoners. Er zijn verschillen in denominatie, onderwijsconcepten en omvang. In de gemeente zijn 11 schoolbesturen voor PO, SO en VO actief. Samen hebben zij 51 scholen voor primair (speciaal) onderwijs en 11 scholen voor voortgezet (speciaal) onderwijs. Er wordt onderwijs verzorgd aan zo’n 6800 leerlingen in de basisschoolleeftijd, circa 1000 leerlingen maken gebruik van het (voortgezet/ basis) speciaal onderwijs en er gaan zo’n 5.700 leerlingen naar het voorgezet onderwijs. Voor een gemeente met een dergelijke omvang is het belangrijk om voorzieningen voor onderwijs in een bepaalde samenhang met elkaar te bekijken. Dat gebeurt ook met andere (maatschappelijke) voorzieningen. De gemeente werkt met geografische clusters.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15660246/2