Bijlage 1 - Heffingsmaatstaven
Tekst van het document
Heffingsmaatstaven De gemeente heeft de vrijheid om een heffingsmaatstaf te bepalen die zij het best bij de plaatselijke praktijk vindt passen. Dat kan worden ingestoken vanuit de wil een simpele en makkelijk uitvoerbare heffing in te stellen, de profijthebbenden te belasten of de rekening neer te leggen bij degenen die de kosten veroorzaken. Hierna worden de mogelijkheden op een rij gezet. 1. Vast bedrag Een vast bedrag is verreweg de meest simpele manier van heffen. Ieder perceel draagt, eventueel gedifferentieerd naar categorie, hetzelfde bedrag bij aan de bekostiging van de taken. Nadeel zou kunnen zijn dat er dus geen onderscheid wordt gemaakt naar de mate van profijt, wat met een differentiatie naar huishoudenomvang enigszins kan worden opgelost. Deze maatstaf geeft inkomenszekerheid voor de gemeente. Voordeel: simpele uitvoering van de heffing Nadeel: houdt, zonder differentiatie, geen rekening met mate van profijt 2. Huishoudenomvang Het betreft ook een soort heffen naar vast bedrag, maar dan gedifferentieerd naar het aantal bewoners (of één- en meer). Het geeft ten opzichte van het vaste bedrag als maatstaf in ieder geval een gevoel van ‘eerlijkheid’ dat een groter gezin meer bijdraagt aan de kosten dan een kleiner gezin.
De gegevens kunnen uit de Brp worden gegenereerd door een geautomatiseerde koppeling en het aantal bewoners op 1 januari kan als bepalend worden genomen voor de heffingsplicht dat belastingjaar. Vanuit het profijtbeginsel is dit onderscheid te rechtvaardigen, vanuit het kostenveroorzakingsprincipe nauwelijks. Voordeel: vanuit profijtbeginsel een prima maatstaf en in theorie makkelijk uitvoerbaar. Nadeel: bewerkelijk bij het hanteren van het systeem dat wijzigingen in de gezinsomvang leiden tot verlaging van de aanslag.___________________________________________________________ 3. Waarde in het economisch verkeer De waarde in het economisch verkeer (veelal de WOZ-waarde) is een maatstaf die steeds meer wordt gebruikt. Niet zelden wordt de opmerking gemaakt ‘wat heeft de waarde van mijn huis nou met mijn waterverbruik maken’. Op zich klopt die stelling wel enigszins, maar dat is een te beperkte uitleg van het belang dat een perceel heeft bij de gemeentelijke watertaken. De waarde in het economische verkeer is als heffingsmaatstaf toegestaan sinds de herziening van de materiële belastingbepalingen in de Gemeentewet per 1 januari 1995 in werking trad. Deze mogelijkheid staat uitdrukkelijk in de memorie van toelichting op het wetsvoorstel. De waarde van een perceel hangt onder meer af van de oppervlakte van het perceel en de oppervlakte van de woning.
Dit zijn beide belangrijke kostenveroorzakers voor de gemeentelijke riolering. Grotere percelen kunnen zorgen voor een grotere (piek)belasting bij de hemelwaterafvoer. Bovendien moet de gemeente meer strekkende rioolmeters langs het perceel leggen voordat het volgende perceel is bereikt. In een straat met rijtjeswoningen kan de gemeente bijvoorbeeld veertig woningen aanslaan; in een straat met villa’s kan zij voor dezelfde afstand maar twintig keer een aanslag versturen. De kosten voor het hoofdriool in beide straten zullen niet veel van elkaar verschillen. Een bijdrage op basis van de (hogere) WOZ-waarde van de villa’s is met verwijzing naar de kosten per perceel te rechtvaardigen. Daarnaast is het financiële belang bij duurdere huizen ook groter dan bij goedkopere. Immers, als de boel onder loopt is de schade in absolute zin bij duurdere huizen groter dan bij goedkopere. Heffen op basis van de WOZ-waarde wordt vaak verward met heffen naar draagkracht. De rechtspraak is daar helder over: dat is het niet! Nadeel is dat wanneer de WOZ-waarde als maatstaf voor de gebruikers van woningen gehanteerd gaat worden, de gebruikers van woningen weer een belang krijgen bij de WOZ-waarde. Sinds de afschaffing van de ‘bewoners-OZB’ in 2006 was dat belang er veel minder. Er worden geen
gebruikersbeschikkingen meer verstuurd, waardoor deze maatstaf voor gebruikers niet opportuun lijkt. Bovendien kan het hanteren van de WOZ-waarde leiden tot extra bezwaarschriften tegen de WOZwaarde. Dat geeft dan tevens een ingang voor No Cure No Pay-bureaus (verder: NCNP’s) die de WOZ-waarde zullen aanvechten, met mogelijk proceskostenvergoedingen. Overigens moet worden benoemd dat niet ieder perceel een WOZ-waarde kent. In de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet WOZ is een aantal objectsoorten vrijgesteld van waarderen. Inherent daaraan zouden die percelen ook geen aanslag rioolheffing krijgen. De aanslag wordt gevormd door tarief * maatstaf en als de maatstaf 0 is, wordt de aanslag ook 0. Juridisch gezien is dat geen probleem, in de collectiviteitsgedachte is dit hiaat op te lossen door objecten zonder WOZ-waarde, als uitzondering op de regel, een vast bedrag te laten betalen. Voorbeelden van vrijgestelde objecten (maar niet uitsluitend deze) zijn: ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, percelen natuurschoonwet 1928, kerken en waterverdedigingswerken. Voordeel: simpele uitvoering, beschikbare maatstaf. Nadeel: WOZ-bezwaren tellen dubbel, mogelijk nieuwe ingang van NCNP’s, niet ieder object heeft een WOZ-waarde. 4. Waterverbruik Voor de gebruikersheffing gaat het om de toevoer van water, niet zijnde hemelwater.
Het heffen via het waterverbruik komt voort uit de gedachte dat hoe meer men loost, hoe groter het profijt is. Inzamelen en transporteren van afvalwater is slechts één gemeentelijke watertaak. En ook overigens is het zelfreinigend vermogen van het rioolstelsel groter wanneer er meer water door de buis vloeit. Een hogere belasting als je meer loost is dan betwistbaar. Aan de andere kant hebben grotere lozers meer profijt van de gemeentelijke voorzieningen, waardoor het waterverbruik als maatstaf in die zin is te rechtvaardigen. Het heffen op basis van waterverbruik is alleen toepasbaar bij gebruikers van percelen. De eigenaar van een perceel belasten voor het waterverbruik van gebruikers van een perceel is niet mogelijk. Het heffen op basis van waterverbruik kan op verschillende manieren. Je kunt heffen per m3 ingenomen water, maar het meest efficiënt is het heffen naar klassen. Heffen naar waterverbruik vergt overigens wel een jaarlijkse exercitie richting de waterleidingmaatschappij om de verbruiksgegevens te verkrijgen, om daarmee de juiste aanslag op te leggen. Dat maakt ook dat bij minder waterverbruik dan begroot, de opbrengst rioolheffing kan tegenvallen. Omgekeerd evenredig geldt ook dat de opbrengst kan meevallen wanneer er meer water wordt verbruikt dan begroot.
Voordeel: heffen naar de mate van profijt Nadeel: opvragen gegevens, onzekere opbrengst, slechts één van de drie watertaken 5. Heffen naar verhard oppervlak en afkoppelen hemelwater Binnen het gemeentelijk rioleringsbeleid zal de gemeente ervoor willen zorgen dat hemelwater zo goed mogelijk wordt benut en er zo min mogelijk wateroverlast door piekbuien ontstaat. Binnen de watertaken is er een voorkeursvolgorde: vasthouden; bergen; afvoeren. Om het hemelwater vast te houden, kunnen inwoners het water laten infiltreren in de bodem of in de begroeiing (groen dak). Om dat te stimuleren zou de gemeente een financiële prikkel in kunnen bouwen. Afvoerend oppervlak wordt dan extra belast. Dat vraagt wel om het opnemen van een definitie in de Verordening riool- en waterzorgheffing, bijvoorbeeld: ‘afvoerend oppervlak is het bebouwde of het verharde oppervlak van het perceel waarvan het hemelwater direct of indirect van het perceel af stroomt’. Als het hemelwater vanaf het verhard oppervlak alsnog op eigen terrein wordt opgevangen (‘van terras naar gras’), dan wordt niet voldaan aan de bovenstaande definitie. Het afvoerende oppervlak heeft uitsluitend betrekking op verharding en bebouwing waarvandaan het water naar de riolering,
de straat of de sloot stroomt. Juist daar kan bij een piekbui een tekort aan berging en/of afvoercapaciteit zijn. Dit is een zeer bewerkelijke manier van heffen, omdat voor elk perceel het verhard oppervlak in beeld moet worden gebracht, de berekening betwistbaar is en daardoor meer bezwaar kan ontstaan. De financiële prikkel die kan worden ingebouwd is via de rioolheffing, gezien de tarieven, niet heel groot. Subsidie voor het nemen van maatregelen ligt meer voor de hand. Voor het afkoppelen van hemelwater geldt hetzelfde ten aanzien van de prikkel, al kunnen voor percelen die het hemelwater niet op het riool lozen makkelijker lagere tarieven worden vastgesteld. Dat werkt twee kanten op: degenen die niet lozen betalen minder, degenen die wel lozen betalen meer, maar daarboven ook nog dat deel dat niet wordt betaald door degenen die niet lozen. Ook dit is overigens een bewerkelijke exercitie. Nadeel: zeer bewerkelijk, geen financiële prikkel