Bijlage 1 - Gemeentelijke onderwijsachterstandenbeleid SWF
Tekst van het document
Ieder kind een goede start Gemeentelijk Onderwijsachterstandenbeleid 2024 en verder
Inhoud 1.
Inleiding ...............................................................................................................3
2.
Achtergrond ..........................................................................................................4 2.1
2.1.1
Wet Ontwikkelingskansen door Kwaliteit en Educatie ............................................4
2.1.2
Wet op Primair Onderwijs .............................................................................5
2.1.3
Toezicht ...................................................................................................5
2.2
3.
Lokaal kader ....................................................................................................5
2.2.1
Beleid ......................................................................................................5
2.2.2
Aantallen ..................................................................................................6
2.2.3
Samenwerkingspartners ................................................................................6
Uitvoeringsplan ......................................................................................................7 3.1
Randvoorwaarden .............................................................................................7
3.1.1
Doelgroep definitie .....................................................................................7
3.1.2
Toeleidingsmonitor......................................................................................7
3.1.3
Overlegstructuur ........................................................................................8
3.2
4.
Landelijk kader ................................................................................................4
Ambities en resultaten .......................................................................................8
3.2.1
Ambitie 1: Alle peuters (en kleuters) die dat nodig hebben, kunnen VVE krijgen...........8
3.2.2
Ambitie 2: Alle VVE-locaties bieden hoge pedagogische kwaliteit .............................8
3.2.3
Ambitie 3: Ouders van een VVE-kind zijn actief betrokken bij de ontwikkeling van hun kind ........................................................................................................9
3.2.4
Ambitie 4: Ieder VVE-kind van 2-6 jaar ontvangt een programma op maat ..................9
3.2.5
Ambitie 5: VVE-aanbieders stemmen de didactische en pedagogische leer, speel- en ontwikkellijnen af met hun samenwerkingspartners ............................................ 10
3.2.6
Ruimte en oog voor nieuwe ontwikkelingen en continue verbetering ....................... 10
3.2.7
Knelpunten ............................................................................................. 11
Financiën ............................................................................................................ 12 4.1
Inzet van de specifieke uitkering OAB ................................................................... 12
4.2
Financieel overzicht ........................................................................................ 12
5.
Monitoring........................................................................................................... 13
6.
Begrippenlijst ...................................................................................................... 15
Pagina 2 van 15
1.
Inleiding
De gemeente Súdwest-Fryslân heeft als doel gelijke ontwikkelingskansen te bieden voor kinderen en jongeren1. Ze doet dit onder meer door in te zetten op kwalitatief hoogwaardige voorschoolse voorzieningen. De afgelopen jaren heeft het Rijk extra ingezet op het stimuleren van kansengelijkheid en de deelname van kinderen aan de voor- en vroegschoolse educatie. Landelijk is het versterken van de kwaliteit van de relatie tussen kinderopvang en onderwijs een belangrijk thema. Vanuit onze wettelijke regierol op het onderwijsachterstandenbeleid (OAB) hebben wij als gemeente hierin een taak. Samen met onder andere kinderopvangorganisaties, scholen en de jeugdgezondheidszorg werken we aan het onderwijsachterstandenbeleid. Gezamenlijk is gewerkt aan het maken van resultaatafspraken voor de voor- en vroegschoolse educatie. Deze ontwikkelingen tezamen maken dit een goed moment om het verouderde onderwijsachterstandenbeleid te actualiseren. Gemeenten ontvangen van het Rijk middelen om uitvoering te geven aan het onderwijsachterstandenbeleid. Deze doeluitkering wordt grotendeels ingezet voor de uitvoering van een aantal wettelijke taken, maar bieden ook de kans om kwaliteit verder te verhogen door aanvullende activiteiten uit te voeren. Het budget onderwijsachterstandenbeleid betreft een doeluitkering en kan niet worden ingezet voor andere doeleinden.
Samen met eerdergenoemde samenwerkingspartners heeft de gemeente gesproken over de wijze waarop de middelen zo goed mogelijk kunnen worden ingezet om de gewenste resultaten te bereiken. Het uitgangspunt is hierbij altijd de behoefte van het kind; het kind staat centraal. In het volgende hoofdstuk staat meer achtergrondinformatie beschreven, zoals het landelijke en lokale kader. Ook staan hier enkele kerncijfers beschreven. In het daaropvolgende hoofdstuk is het uitvoeringsplan voor de komende jaren te vinden. Hierin staat onder andere beschreven aan welke ambities we de komende jaren willen werken. Vervolgens staat in hoofdstuk 4 een globaal overzicht van de financiën. Jaarlijks wordt het uitvoeringsplan met de samenwerkingspartners geëvalueerd en waar nodig bijgesteld. Dit staat verder beschreven in het laatste hoofdstuk.
1
Coalitieakkoord 2022-2026 Súdwest-Fryslân: Grutsk en tichtby
Pagina 3 van 15
2. 2.1
Achtergrond Landelijk kader
2.1.1 Wet Ontwikkelingskansen door Kwaliteit en Educatie Nederland voert sinds de jaren zeventig beleid om de onderwijskansen voor kinderen te vergroten. Dit noemen we onderwijsachterstandenbeleid. De aanleiding was het inzicht dat kinderen uit lagere sociaaleconomische milieus, ongeacht hun talenten, minder kansen hebben op een succesvolle schoolloopbaan dan kinderen van ouders met een hogere sociaaleconomische status. Het gaat dus om kinderen, die door een ongunstige omgeving (met name de thuissituatie), op school slechter presteren dan ze bij een gunstigere situatie zouden kunnen doen2. Er is een verschil met kinderen, die door individuele (intellectuele, gedragsmatige of fysieke) handicaps of beperkingen problemen ondervinden in het onderwijs. Voor deze kinderen zijn er speciale voorzieningen die vallen onder het beleid 'Passend Onderwijs'. Het landelijk onderwijsachterstandenbeleid wil door onder meer vroegtijdige signalering en de inzet op kwalitatief hoogwaardige voorschoolse voorzieningen betere kansen bieden aan jeugdigen die vanwege sociaaleconomische, culturele en/of taalkenmerken het risico lopen op onderwijsachterstanden. Op 1 augustus 2010 is de Wet Ontwikkelingskansen door Kwaliteit en Educatie (Wet OKE) van kracht geworden. Het doel van de wet is om de taalontwikkeling van jonge kinderen te stimuleren en de kwaliteit van de kinderopvang te verbeteren.
De wet wijzigt drie wetten: de 'Wet Kinderopvang', de 'Wet op het onderwijstoezicht' en de 'Wet op het primair onderwijs'. De belangrijkste onderdelen van de Wet OKE zijn: ‒ De verplichting voor gemeenten om een goed voorschools aanbod te doen aan alle jonge kinderen met een taalachterstand. ‒ Een landelijk kwaliteitskader voor kinderopvangorganisaties; hiermee wordt een groot deel van de kwaliteitsregels voor de kinderopvang ook van toepassing op het peuterspeelzaalwerk. ‒ Behoud van de financiële toegankelijkheid van de kinderopvang voor ouders van kinderen die in aanmerking komen voor voor- en vroegschoolse educatie; ouders van doelgroepkinderen betalen per saldo niet meer dan ouders in de kinderopvang die voor de hoogste belastingtoeslag in aanmerking komen. ‒ Toezicht en handhaving op de kwaliteit van voorschoolse educatie. Voor- en vroegschoolse educatie Het belangrijkste middel voor het bestrijden van onderwijsachterstanden is de voor- en vroegschoolse educatie (VVE): ‒ De voorschoolse educatie is bedoeld voor peuters van 2,5 – 4 jaar en wordt aangeboden door voorschoolse voorzieningen. Zij kunnen peuters met een risico op een onderwijsachterstand beter op de basisschool voorbereiden met hun aanbod voorschoolse educatie. Hiervoor worden speciale educatieve programma’s gebruikt. De meeste programma’s richten zich op de ontwikkeling van taal.
Daarnaast is er ook aandacht voor de brede cognitieve ontwikkeling (bijvoorbeeld rollenspel, kleuren onderscheiden), sociaalemotionele ontwikkeling (bijvoorbeeld samen spelen) en motorische ontwikkeling (bijvoorbeeld knippen, leren fietsen). Sinds augustus 2020 bieden alle VE-locaties minstens 960 uur voorschoolse educatie (16 uur per week bij een aanbod van 40 weken per jaar) aan kinderen die een risico lopen op een taal- en onderwijsachterstand (doelgroepkinderen). ‒ Vroegschoolse educatie is vergelijkbaar met voorschoolse educatie, maar dan voor kinderen uit groep 1 en 2 van de basisschool (tot 6 jaar). Ook vroegschoolse educatie is bedoeld voor kinderen met een ontwikkelingsachterstand of een risico daarop. In een speciaal programma waar kinderen tijdens schooltijd aan meedoen, ontwikkelen zij door te spelen allerlei vaardigheden op het gebied van taal, rekenen, motoriek en met elkaar omgaan. Rolverdeling De verantwoordelijkheid voor het onderwijsachterstandenbeleid ligt bij gemeenten en schoolbesturen primair onderwijs, die daarvoor middelen krijgen van het Rijk. De wettelijke eisen zijn vastgelegd in de Wet OKE. Gemeenten hebben als taak zorg te dragen voor een toegankelijk, dekkend en kwalitatief
2 Kloprogge, J. & de Wit, W. (2015). Het onderwijsachterstandenbeleid na 2015. Literatuurstudie t.b.v. expertbijeenkomst OAB september 2015. Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek.
Pagina 4 van 15
hoogwaardig aanbod voorschoolse educatie. De indicatiestelling en toeleiding naar VVE is belegd bij de jeugdgezondheidszorg. Scholen zijn verantwoordelijk voor de vroegschoolse educatie. Onderwijsachterstandenindicator Om te kunnen bepalen of er sprake is van een risico op onderwijsachterstanden en hieraan budget te koppelen, wordt er sinds 2019 gebruik gemaakt van een onderwijsachterstandenindicator. Deze heeft het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) laten ontwikkelen door het Centraal Planbureau voor de statistiek (CBS). Met deze onderwijsachterstandenindicator berekent het CBS op basis van meerdere omgevingskenmerken die vanuit bestaande registraties beschikbaar zijn, het risico op een onderwijsachterstand per leerling. Vervolgens telt het CBS deze risico’s – op basis van door OCW opgestelde formules – op tot achterstandsscores per school en gemeente. OCW gebruikt de achterstandsscore als verdeelsleutel bij de bekostiging van scholen en gemeenten. 2.1.2 Wet op Primair Onderwijs In artikel 160 van de Wet op Primair Onderwijs (WPO) staat dat Burgemeester en wethouders minstens een keer per jaar overleg voeren en zorg dragen voor het maken van afspraken over de resultaten van vroegschoolse educatie. Datzelfde artikel zegt dat gemeenten deze afspraken moeten maken met de besturen van scholen.
Verder staat dat alle partijen meewerken aan de totstandkoming van de afspraken. Deze afspraken worden vaak vastgelegd in een Lokale Educatieve Agenda (LEA). De gemeente kan het gesprek stimuleren en bevorderen dat er afspraken gemaakt worden. Daarnaast zijn scholen primair verantwoordelijk voor het onderwijsachterstandenbeleid in het basisonderwijs en krijgen de OAB-middelen in de lumpsum. Gemeenten zijn primair verantwoordelijk voor de voorschoolse educatie en krijgen de middelen als geoormerkte subsidie waarover ze apart moeten verantwoorden. Wat moeten scholen en gemeenten dan samendoen in het kader van OAB? Volgens artikel 167 van de WPO moeten gemeenten en het bevoegd gezag van scholen en kinderopvang tenminste jaarlijks overleggen over: ‒ het bevorderen van integratie; ‒ het voorkomen van segregatie; ‒ het bestrijden van onderwijsachterstanden; ‒ en de inschrijving en toelating tot voorzieningen. 2.1.3 Toezicht Zowel de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) als de Inspectie van het Onderwijs houden toezicht op voorschoolse educatie. De GGD beoordeelt jaarlijks of locaties voldoen aan de basisvoorwaarden voorschoolse educatie (de wettelijke eisen in de Wet OKE). Hierin stemmen zij af met de afdeling toezicht en handhaving kinderopvang van de gemeente.
De gemeente is verantwoordelijk voor de handhaving van de kwaliteit van de kinderopvang, inclusief het registratieproces van kinderopvanginstellingen; uitvoeren van de wettelijke verplichte GGD-inspecties; en het bijhouden van het Landelijk Register Kinderopvang. De inspectie van het Onderwijs beoordeelt of de gemeente op juiste wijze uitvoering geeft aan haar taken op het gebied van VVE en het bereiken van de inhoudelijke resultaten.
2.2
Lokaal kader
2.2.1 Beleid Hoewel voor- en vroegschoolse educatie vaak in één term (VVE) worden benoemd, heeft de gemeente met name een taak in de voorschoolse educatie. De gemeente wil de samenwerking tussen de voor- en vroegschoolse voorzieningen stimuleren om zo de doorgaande lijn te optimaliseren. De gemeente heeft in subsidievoorwaarden een aantal criteria vastgelegd waaraan aanbieders van voorschoolse educatie moeten voldoen, met betrekking tot onder meer de wettelijke eisen, opleiding, groepsgrootte, leermiddelen en ouderbeleid. De afgelopen jaren is ingezet op het versterken van de integrale gebiedsgerichte visie en het beter aansluiten bij de werkwijze binnen het Sociaal Domein. Specifiek is er ingezet op het vergroten van het doelgroepbereik, een dekkend aanbod VVE, de gezinsgerichte ondersteuning, een doorlopende leerlijn en de aanpak van homogene groepen (hoog aantal kinderen met een VVE-indicatie). In de afgelopen jaren heeft dit geresulteerd in uitbreiding van het aantal VVElocaties, uitbreiding van gezinsgerichte programma’s, de inzet van een vliegende keep in de buitengebieden en inzet van een extra pedagogisch medewerker voor homogene groepen. Ondertussen is ook het oude onderwijsachterstandenbeleid geëvalueerd. Gezamenlijk willen we zo goed mogelijk uitvoering geven aan de wettelijke taken. Daarnaast evalueren we de extra inzet. Wat goed is willen
Pagina 5 van 15
we behouden. Daar waar bijsturing of aanscherping nodig is, doen wij dat. Samen met onderwijs en kinderopvangorganisaties is gewerkt aan resultaatafspraken voor de VVE. In het geactualiseerde beleid ligt de focus op ambities die we met elkaar op het vlak van onderwijsachterstanden willen bereiken. Dit is verder uitgewerkt in hoofdstuk 3. Hierbij is inhoud leidend en hieruit volgt de inzet hieraan bijdraagt. 2.2.2 Aantallen Op basis van de door de gemeente (in overleg) opgestelde doelgroep definitie, vindt screening en toeleiding plaats door de jeugdgezondheidszorg (JGZ). In 2023 kende de gemeente Súdwest-Fryslân in totaal zo’n 1700 peuters. Daarvan kregen in datzelfde jaar 352 peuters een VVE-indicatie. De verdeling hiervan over de gemeente is te zien in figuur 1. Er is een aanbodverplichting voor geïndiceerde peuters in de leeftijd van 2,5 tot 4 jaar van 960 uur. Zo’n 76% van de geïndiceerde doelgroeppeuters is in 2023 ook daadwerkelijk 4 dagdelen geplaatst. Samen met samenwerkingspartners werken we aan het verhogen van dat percentage. Dat is verder te lezen onder ambitie 1 op bladzijde 8.
Dat geïndiceerde peuters geen 4 dagdelen deelnemen kan onder meer als reden hebben dat ouders het niet eens zijn met de indicatie, dat het kind naar een gastouder gaat (niet erkende VVE-instelling), of dat het niet haalbaar is om 4 dagdelen naar de peuteropvang te gaan, bijvoorbeeld vanwege reisafstand of problematiek bij de ouders. Figuur 1 Plattegrond kinderen met een VVE-indicatie verdeeld over de gemeente in Q4 2023
2.2.3 Samenwerkingspartners In 2024 tellen we zeven kinderopvangorganisaties die voorschoolse educatie aanbieden in de gemeente Súdwest-Fryslân, te weten: Eigen en Wijzer, It Fûgelnêst, Kids First, Kinderwoud, Stichting Kinderopvang Friesland en Stap foar Stap. Naast de kinderopvangorganisaties is ook het primair onderwijs gesprekspartners op het gebied van onderwijsachterstanden. We hebben op dit moment te maken met een aantal schoolbesturen: KyK (in januari 2022 ontstaan uit de fusie van Odyssee en Gearhing), Wiis (in januari 2024 ontstaan uit de fusie van Palludara en De Greiden), Bisschop Muller Stichting, Nije Gaast en SBO De Súdwester. Belangrijke samenwerkingspartners naast de kinderopvangorganisaties en het primair onderwijs, zijn de jeugdgezondheidszorg, welzijnsorganisaties en de bibliotheek.
Pagina 6 van 15
3.
Uitvoeringsplan
In dit hoofdstuk worden een aantal de ambities en resultaten beschreven die bijdragen aan het vergroten van de onderwijskansen van alle kinderen in Súdwest-Fryslân. Deze zijn in overeenstemming met samenwerkingspartners opgesteld en komen voort uit de evaluaties van het oude onderwijsachterstandbeleid. Voor de uitvoering van de ambities hebben we ook onze samenwerkingspartners nodig. We vragen dan ook van hen een bijdrage te leveren in het bereiken van deze ambities. Dit doen we door het maken van afspraken en het verlenen van een subsidie of een opdracht. Dit hoofdstuk beschrijft eerst een aantal randvoorwaarden die in de gemeente Súdwest-Fryslân worden gehanteerd om deze wettelijke verplichtingen en extra activiteiten te realiseren. Daarna volgt de beschrijving van de ambities en resultaten. Dit zijn enerzijds wettelijke verplichte activiteiten en anderzijds aanvullende activiteiten om de kwaliteit en de resultaten van het onderwijsachterstandenbeleid te verbeteren.
3.1
Randvoorwaarden
3.1.1 Doelgroep definitie Het Rijk hanteert de volgende CBS-indicatoren in het nieuwe verdelingsmodel van de Rijksmiddelen voor onderwijsachterstanden: - Opleidingsniveau moeder en vader - Land van herkomst van de ouders - Verblijfsduur van de moeder in Nederland - Ouders in schuldsanering (ja/nee) Deze indicatoren zijn met name gericht op eventuele taalachterstand. In 2017 heeft de gemeente Súdwest-Fryslân besloten het criterium ‘(dreigende) ontwikkelachterstand’ toe te voegen, waarmee een bredere doelgroep definitie is ontstaan. Deze wordt sinds 2017 gehanteerd. In overleg met de samenwerkingspartners wordt voor de komende periode de doelgroep definitie van de GGD gebruikt. Deze definitie sluit aan bij de CBS-criteria, en geeft tegelijkertijd ook de ruimte voor een bredere ontwikkelingsachterstand. Om te kunnen beoordelen of een kind binnen de doelgroep VVE valt, maakt het JGZ-team op het consultatiebureau een professionele afweging op basis van risico- en beschermende factoren. Deze afweging geeft zicht op het stimulerend vermogen van de omgeving en op de behoefte van het kind. En vooral op de vraag: heeft dit kind baat bij de extra stimulans van een VVE-programma en/of is andere, specialistische ondersteuning nodig? We spreken van een VVE doelgroep peuter als: - Er sprake is van een laag stimulerende omgeving, bijvoorbeeld door o Het opleidingsniveau van de ouders (max.
vmbo – kader) o Armoede of sociaal/economische omstandigheden o Onvoldoende stimulerend aanbod van de Nederlandse taal (bijvoorbeeld nieuwkomers) -
Het kind extra stimulans nodig heeft op één op meer ontwikkelingsgebieden o Denk bijvoorbeeld aan de spraak- en taalontwikkeling en/of sociaal emotionele ontwikkeling.
Uitgangspunt bij deze definitie is dat de oorzaak ligt in omgevingsfactoren. Indicering vindt plaats door de JGZ. Signalering kan ook plaatsvinden op de kinderopvang, die peuters vervolgens voor indicering kunnen voordragen aan de JGZ. 3.1.2 Toeleidingsmonitor Vanaf 2020 wordt in alle gemeenten in Fryslân de VVE-toeleidingsmonitor ingezet. Deze monitor biedt een online oplossing waarmee de toeleiding met behulp van digitale formulieren centraal wordt
Pagina 7 van 15
vastgelegd. Onderdeel van de oplossing zijn dashboards & rapportages die de gemeenten, de VVEaanbieders en de GGD een actueel beeld verschaffen van onder meer het bereik van de doelgroep peuters en de resultaten van het VVE-toeleiding proces. De gemeente heeft actueel inzicht in hoeveel kinderen uit de gemeente in aanmerking komen voor VVE, hoeveel kinderen in het proces zitten om VVE te krijgen en hoeveel kinderen er wel en niet zijn geplaatst. 3.1.3 Overlegstructuur Om de ambities te kunnen bereiken, is samenwerking nodig. Naast individuele overleggen, zijn er ook enkele vaste overleggen in bredere kring, namelijk: ‒ Minimaal tweemaal per jaar vindt een LEA-overleg plaats tussen gemeente, schoolbesturen en voorschoolse instellingen over de voortgang en eventuele bijstelling van activiteiten en/of beleid. ‒ Er is een werkgroep OAB waarin in ieder geval gemeente, VVE-aanbieders, primair onderwijs en de JGZ zich gezamenlijk inzetten voor de te behalen ambities op het gebied van onderwijsachterstanden. In deze werkgroep wordt onder andere de voorgang besproken, ervaringen uitgewisseld, good-practices gedeeld, resultaatafspraken gemonitord en afspraken gemaakt. De gemeente is trekker van deze werkgroep.
3.2
Ambities en resultaten
3.2.1 Ambitie 1: Alle peuters (en kleuters) die dat nodig hebben, kunnen VVE krijgen Vanwege de ontwikkelambitie voor alle kinderen, zouden alle kinderen in onze gemeente de kans moeten krijgen om van hetzelfde aanbod gebruik te kunnen maken om zich zo te kunnen ontwikkelen tot het maximale van het eigen kunnen. We streven daarom naar 100% bereik van VVE-peuters. Alle peuters zouden naar eenzelfde voorzieningen moeten kunnen van dezelfde kwaliteit en met hetzelfde aanbod in gemengde groepen. Om onderwijskansen voor kinderen in Súdwest-Fryslân te vergroten is het daarom belangrijk dat zo veel mogelijk kinderen gebruik kunnen maken van voorschools aanbod. Om het aanbod voor ouders en peuters zo laagdrempelig mogelijk te houden, is het belangrijk dat er voldoende aanbod en deze goed verspreid is over de gemeente. Een zo hoog mogelijk bereik is een gezamenlijk verantwoordelijkheid van de gemeente en de VVE-aanbieders. Wat is het resultaat? In gemeente Súdwest-Fryslân maakt 100% van de VVE-peuters gebruik van een VVE-aanbod. Wat gaan we daarvoor doen? - We bieden de wettelijk gestelde urennorm voor geïndiceerde peuters van 960 uur (gemiddeld 16 uren per week voor 40 weken per jaar). Voor de eerste twee dagdelen peuteropvang (ook voor de VVE-doelgroep) betalen ouders een inkomensafhankelijke bijdrage. Dit geldt niet voor het derde en vierde dagdeel voor de VVE-doelgroep.
Dit is een wettelijke verplichting. - We analyseren de VVE-monitoren en de oorzaken van het non-bereik. - We vergroten de kennis en delen informatie over kinderopvang en VVE bij de gebiedsteams. - We ontwikkelen materiaal voor ouders over het aanbod, de effecten en de financiële mogelijkheden peuteropvang en VVE. - We stimuleren aanbieders voor het uitbreiden van het VVE-aanbod door hierover met hen in gesprek te gaan wat er nodig is voor de realisatie van dit aanbod. - We streven naar lagere administratieve last om voorschools aanbod toegankelijker te maken. Dit kan betekenen dat we subsidieregelingen aanpassen. - Kinderopvang en VVE voor kinderen op het AZC: Eind 2017 is gestart met voorschoolse educatie op kinderen op het AZC. Het doel hiervan was om kinderen van 0-4 jaar op te vangen, zodat ouders taallessen kunnen volgen. Hiermee kan een speelomgeving worden geboden aan de kinderen waarin geborgenheid, emotionele veiligheid en het welbevinden van de peuters in het AZC voorop staat. Daarnaast is het doel om de huidige opvang meer te professionaliseren, vrijwilligers te begeleiden en te zorgen voor begeleiding/toeleiding van de kinderen naar peuter/kinderopvang in de nieuwe woonplaats (na plaatsing).
3.2.2 Ambitie 2: Alle VVE-locaties bieden hoge pedagogische kwaliteit Achterstanden van leerlingen in het basisonderwijs kunnen door goede voor- en vroegschoolse educatie worden teruggedrongen. De kwaliteit speelt hierin een belangrijke rol. Er zijn meer positieve effecten op de ontwikkeling van kinderen als er sprake is van een hoge mate van educatieve kwaliteit. Om de
Pagina 8 van 15
kwaliteit van het voorschoolse aanbod nog meer te verhogen is het belangrijke dat met de samenwerkingspartners de resultaatafspraken worden gemonitord en waar nodig bijgesteld. Sinds 2019 is een hbo-pedagogisch medewerker verplicht in de peuteropvang. De hbo-pedagogisch beleidsmedewerker heeft vooral een taak in het coachen van pedagogisch medewerkers, en het zorgdragen voor de kwaliteitszorg. Wat is het resultaat? Alle VVE-aanbieders voldoen aan de wettelijke eisen en de eisen van de onderwijsinspectie. Wat gaan we hiervoor doen? - We zetten in op een hbo’er op een groep. - We maken samenwerkingspartners afspraken over de te behalen resultaten. Deze afspraken monitoren we gezamenlijk en scherpen we aan waar nodig. - We zetten samen met de VVE-aanbieders ons in om de vakbekwaamheid van de medewerkers te verhogen. De gemeente gaat jaarlijks met de aanbieders in gesprek om erachter te komen welke inzet er wordt gepleegd om de deskundigheidbevordering te stimuleren. - We bespreken deskundigheidsbevordering in de werkgroep OAB. We zetten in op leren van elkaar. Het is vanuit de gedachte van de integrale aanpak wenselijk dat scholing zoveel mogelijk in gezamenlijkheid kan worden gevolgd. 3.2.3 Ambitie 3: Ouders van een VVE-kind zijn actief betrokken bij de ontwikkeling van hun kind Ouderbetrokkenheid kan zowel thuis plaatsvinden, als op het kinderopvang of de school.
Voorbeelden van ouderbetrokkenheid thuis zijn voorlezen, rijmen of gesprekjes voeren over school. Ouders laten hun betrokkenheid bij het kindercentrum of de school zien door naar rapportbesprekingen en ouderavonden te gaan. Ouderbetrokkenheid thuis heeft het meeste effect op de ontwikkeling van kinderen. Hierbij gaat het om de mate waarin ouders hun kind ondersteunen en stimuleren in de ontwikkeling. De kern hiervan is de interactie tussen ouders en kind. Het gaat er hierbij om wat ouders doen met hun kind. Het betreft stimulerende activiteiten als voorlezen, rijmen met het kind, doe-alsof spel etc. Maar ook is het essentieel op welke manier ouders hun kinderen stimuleren en ondersteunen: de kwaliteit van de ouder-kind interactie. Het is bijvoorbeeld van belang dat er gesprekjes zijn op een hoger ontwikkelingsniveau dan het kind op dat moment heeft. Het is kan ook nodig zijn dat ouders informatie en uitleg geven, die aansluit bij het ontwikkelingsniveau van het kind, en dat zij structuur bieden. Ze zorgen er bijvoorbeeld voor dat het kind ruimte heeft om te spelen, dat kinderen regels leren, etc. Ook moeten kinderen de kans krijgen om dingen zelf te ontdekken en uit te proberen. Daarbij hebben ze op de juiste momenten positieve ondersteuning nodig om verder te kunnen. Op deze manier wordt een stimulerend thuisklimaat gecreëerd.
Wat is het resultaat? Voor 100% van de ouders van een VVE-kind geldt dat de VVE-aanbieders een passend ouderbetrokkenheidsprogramma kan aanbieden. Wat gaan we hiervoor doen? - De VVE-aanbieder voorziet in een passend ouderprogramma. - Bij VVE-peuters zetten we in op gezinsgerichte programma’s die onder andere als doel hebben de ouderbetrokkenheid te vergroten. - Ouderbetrokkenheid is een agendapunt in de werkgroep OAB: hoe vergroten we de kennis bij professionals over ouderbetrokkenheid? Wat zijn succes verhalen? Hoe creëren we een passend ouderprogramma? Hoe kunnen we hier met elkaar integraal op inzetten? 3.2.4 Ambitie 4: Ieder VVE-kind van 2-6 jaar ontvangt een programma op maat VVE-aanbieders zorgen voor een passend en beredeneerd aanbod voor ieder VVE-kind. Daar waar VVE wenselijk is, maar niet nabij, denken we gezamenlijk in mogelijkheden en zetten we het belang van het kind centraal. Met name in de buitengebieden van de gemeente is het niet altijd mogelijk om een gecertificeerde VVE-locatie op korte afstand van alle ouders met kinderen te organiseren. In een aantal wijken van Sneek speelt echter het omgekeerde. Hier zijn veel geïndiceerde peuters op één locatie geplaatst, waardoor er homogene groepen ontstaan waarbij geen sprake meer is van voldoende vermenging van verschillende taalniveaus, een van de uitgangspunten voor VVE.
In een groep waar de kinderen elkaar nauwelijks in hun ontwikkeling kunnen stimuleren – door grote taal- of
Pagina 9 van 15
sociaalemotionele ontwikkelingsachterstanden – is meer ondersteuning van de pedagogisch medewerker nodig dan in een heterogene groep. Wat is het resultaat? Ieder kind krijgt een aanbod op eigen niveau. Wat gaan we hiervoor doen? - We zetten in op een vliegende keep (pedagogisch medewerker) op de VVE-locaties in de buitengebieden. Deze bezoekt peuterlocaties die geen VVE-erkenning hebben, maar wel een geïndiceerde peuter hebben geplaatst, omdat plaatsing op een erkende locatie niet mogelijk is. - We zetten in op een extra pedagogisch medewerker op groepen waarvan het aantal doelgroepkinderen minimaal 60% bedraagt (homogene groepen) voor extra ondersteuning. - We monitoren de inzet van de vliegende keep en de extra pedagogisch medewerker op de homogene groepen. Dit betekent dat we afspraken maken over de inzet van deze professionals, monitoren de effecten hiervan en passen afspraken aan wanneer nodig. 3.2.5
Ambitie 5: VVE-aanbieders stemmen de didactische en pedagogische leer, speel- en ontwikkellijnen af met hun samenwerkingspartners Het is van belang dat er sprake is van warme overdracht en er in ieder geval afstemming is tussen de voorschool en vroegschool. De opgedane kennis over de ontwikkeling van het kind in de voorschoolse periode wordt door het primair onderwijs overgenomen en hierop wordt op voortborduurt. Er wordt gezamenlijk gewerkt aan de begeleiding van het kind. Scholen ontvangen zelf middelen van het Rijk op basis van hun onderwijsachterstandenscore. Basisscholen met een hoge achterstandsscore en waarbij sprake is van een nauwe samenwerking met de voorschoolse voorziening, willen we extra op investeren. Om te zorgen voor een preventieve, integrale aanpak op maat wordt het maatschappelijk werk ook ingezet op de peuteropvang. Naast het voorkomen van onderwijsachterstanden, draagt deze inzet ook bij het voorkomen van gespecialiseerde ondersteuning waar dat kan. Er wordt vanuit het belang van het kind gedacht en gehandeld. Samenwerken door kracht en kennis te delen. Wat is het resultaat? Alle VVE-kinderen worden warm overgedragen van voor- naar vroegschool en er is sprake van een goede samenwerking tussen kinderopvang, school en andere betrokkenen rondom het kind.
Wat gaan we daarvoor doen? - De gemeente verstrekt een subsidie aan een aantal basisscholen die een hoge - achterstandsscore hebben en nauw samenwerken met VVE-locaties. Hiervoor kan bijvoorbeeld extra ondersteuning in de klas bekostigd worden. - We leggen in de werkgroep OAB afspraken vast voor de overdracht tussen de voorschoolse voorziening en het primair onderwijs. - We onderzoeken hoe de samenwerking tussen de voorschoolse voorziening en het primair onderwijs verder verstevigd kan worden. - We continueren de inzet van maatschappelijk werkers op de peuteropvang en verstevigen de samenwerking tussen de maatschappelijk werkers, kinderopvang, scholen en andere betrokkenen rondom het kind. We monitoren en evalueren de inzet en scherpen aan waar dat nodig blijkt. - We leggen verbinding voor aanvullend aanbod met partners (zoals bibliotheek en andere relevante partners) 3.2.6 Ruimte en oog voor nieuwe ontwikkelingen en continue verbetering We hebben oog voor nieuwe ontwikkelingen en zetten in op continue verbetering van het bereik en kwaliteit voorschoolse aanbod. Om de ambities en resultaten met elkaar te bereiken en ervoor te zorgen dat we inzetten op het juiste aanbod die hieraan bijdragen, is het van belang continu oog te hebben voor relevante ontwikkelingen.
Wat zijn bijvoorbeeld relevante landelijke ontwikkelingen die mogelijk van invloed zijn op de lokale situatie? Of waar lopen partners in de praktijk tegenaan en vraagt om extra aandacht? Het beleidsdocument biedt een houvast en tegelijkertijd willen we tijdig en adequaat op ontwikkelingen in kunnen spelen. Daarom vinden we het van belang dat we hier oog voor houden en ruimte inbouwen om dit goed te kunnen doen. Wat gaan we onder andere doen?
Pagina 10 van 15
-
-
We onderzoeken in gezamenlijkheid met scholen, kinderopvang, jeugdhulp en de jeugdgezondheidszorg de mogelijkheid voor een pilot plusgroep. Een plusgroep is speciaal voor peuters die een extra steuntje nodig hebben of baat lijken te hebben bij een kleinere groep. Door veel individuele aandacht en een passende aanpak kunnen ook zij zich optimaal ontwikkelen. We onderzoeken de mogelijkheid om de toeleiding naar VVE door de jeugdgezondheidszorg te verstevigen, zodat het bereikpercentage wordt verhoogd. We onderzoeken de implementatie van de Peutermonitor die gemeenten en kinderopvang inzicht geeft in het bereik en non-bereik voor de voorschoolse opvang. We blijven in gesprek met relevante partners zoals scholen en kinderopvangorganisaties over ontwikkelingen, wat de invloed van de ontwikkelingen zijn op de te behalen resultaten en wat dit van ons allen vraagt.
3.2.7 Knelpunten Het kan voorkomen dat door omstandigheden een peuteropvang-groep (tijdelijk) niet voldoet aan de voorwaarden (bijvoorbeeld de omvang van minimaal 8 peuters), terwijl er belangrijke overwegingen kunnen zijn om die opvanglocatie toch open te houden. Dit kan bijvoorbeeld zijn als bij de sluiting de peuters helemaal niet meer naar de opvang komen, of omdat er een belang is van een school in de buurt. Het niet voldoen aan de voorwaarden mag nooit een personele aangelegenheid zijn. De gemeente reserveert jaarlijks een budget voor bovengenoemde knelpunten. Bij niet gebruik van de knelpuntenpot kan het budget aan andere posten worden toegevoegd.
Pagina 11 van 15
4.
Financiën
4.1
Inzet van de specifieke uitkering OAB
Gemeenten ontvangen een specifieke uitkering van het Rijk voor de uitvoering van het onderwijsachterstandenbeleid. Deze middelen worden voor het grootste deel ingezet voor de wettelijke taken, namelijk het bieden van voldoende kwalitatief hoogwaardige VVE-peuteropvang plaatsen, het voldoen aan de nieuwe urennorm, de inzet van hbo’er in de VVE-locaties en het verhogen van de kwaliteitszorg. Daarnaast wordt structureel ingezet op aanvullend aanbod. Overige middelen worden ingezet voor extra activiteiten in het kader van onderwijsachterstandenbeleid, waarbij aansluiting bij de gebiedsgerichte benadering van de gemeente Súdwest-Fryslân een belangrijk aandachtspunt is. We verantwoorden de uitgave van de specifieke uitkeringen jaarlijks via de SiSa systematiek.
4.2
Financieel overzicht
Onderstaande tabel geeft inzicht in hoe de specifieke uitkering voor de verschillende ambities wordt ingezet. Dit is een richtlijn. Dat betekent dat enkel het totaalbedrag een vast gegeven. De uitgaven die we binnen onze wettelijke taak moeten doen hebben voorrang. Deze bedragen zijn indicatief en moeilijk op te sturen, omdat dit afhankelijk is van het aantal peuters. Dit wordt achteraf verrekend. De andere taken zijn vrij beleid. Ook dit is een indicatie en afhankelijk van de hoeveelheid middelen die we aan de wettelijke taken hebben besteed. Financieel overzicht onderwijsachterstanden Inkomsten Definitief begroot 2024 Extra beschikbaar vanuit de specifieke uitkering OAB 2024
€ 1.412.728 € 376.567 € 1.789.295
Totaal Verwachte uitgaven Ambitie 1: Alle peuters (en kleuters) die dat nodig hebben, kunnen VVE krijgen - Subsidie voorschoolse educatie* - VVE op het AZC Ambitie 2: Alle VVE-locaties bieden hoge pedagogische kwaliteit - Subsidie voor hbo’er pedagogisch beleidsmedewerkers*
€ 850.000
Ambitie 3: ouders van een VVE-kind zijn actief betrokken bij de ontwikkeling van hun kind - Gezinsgerichte programma’s
€ 265.000
Ambitie 4: Ieder VVE-kind van 2-6 jaar ontvangt een programma op maat - Vliegende keep - Extra pedagogisch medewerker Ambitie 5: VVE-aanbieders stemmen de didactische en pedagogische leer, speel- en ontwikkellijnen af met hun samenwerkingspartners - Subsidieregeling vroegschoolse educatie - Maatschappelijk werk in de peuteropvang Nieuwe ontwikkelingen, waaronder mogelijk: - Plusgroep - Versterking toeleiding VVE door de jeugdgezondheidszorg - Peutermonitor Knelpuntenpot
€ 120.000
Overig
€ 120.000 -
€ 120.000
€ 130.000
€ 150.000
€ 34.295
Beleidsadviseur onderwijs Expertise kenniscentrum kindontwikkeling LEA
Totaal * Wettelijke taak
Pagina 12 van 15
€ 1.789.295
5.
Monitoring
Het onderwijsachterstandenbeleid wordt jaarlijks geëvalueerd. Op basis van deze evaluatie kan deze worden bijgesteld. In onderstaande wordt per onderdeel aangegeven op welke wijze de inzet van de middelen wordt gemonitord: Ambities en activiteiten Monitoring Acties Ambitie 1: Alle peuters (en kleuters) die dat nodig hebben, kunnen VVE krijgen VVE-subsidies aan VVEVVE-aanbieders vragen per jaar Jaarlijks Q2: aanbieders subsidie aan op basis van subsidieverantwoording en verwachte aantallen subsidies vaststellen. geïndiceerde peuters. Hiervoor wordt jaarlijks een Continu: bewaken inspecties GGD subsidieregeling opgesteld. Subsidievaststelling vindt plaats op basis van rapportage van daadwerkelijk geplaatste peuters. Kwaliteitsinspectie vindt plaats door de GGD. VVE op het AZC
Kinderen die in een asielzoekerscentrum (AZC) in Nederland verblijven hebben ook recht op goed onderwijs. Landelijke gezien lijkt het erop dat de kansen voor verbetering voornamelijk liggen in het gemeentelijk vve-beleid.
Jaarlijks Q2: voortgangsgesprek Verstevigen doorgaande lijn
Mogelijk nieuwe ontwikkeling: plusgroep
2024: in gezamenlijkheid verder onderzoeken en mogelijk starten met implementatie Mogelijk nieuwe ontwikkeling: 2024: in gezamenlijkheid verder versterken toeleiding door de onderzoeken en mogelijk starten jeugdgezondheidszorg met implementatie Ambitie 2: Alle VVE-locaties (kinderopvang en primair onderwijs) bieden hoge pedagogische kwaliteit Subsidie voor hbo’er pedagogisch In 2020 is gestart met de inzet Jaarlijks Q3/Q4: evaluatie hbo’er beleidsmedewerkers in de van een hbo’er pedagogisch peuteropvang werk. De taken voor deze hbo’er zijn in de pilot beschreven. De inzet wordt jaarlijks in het najaar geëvalueerd, op basis waarvan de inzet voor het nieuwe jaar wordt vastgesteld. Ambitie 3: ouders van een VVE-kind zijn actief betrokken bij de ontwikkeling van hun kind Gezinsgerichte programma’s Aanbieders van gezinsgerichte Jaarlijks Q2 en Q3: programma’s ontvangen voortgangsgesprekken middelen voor een verwachte maximumaantal trajecten. 2024: onderzoeken rol van deze Jaarlijks vinden er gesprekken aanbieders in de werkgroep OAB: plaats over de ontwikkelingen en hoe kunnen we de verbinding inzet. Gesprekken met de tussen de gezinsgerichte aanbieders Gezinsgerichte programma’s en VVE versterken? programma’s vinden plaats over de uitvoering, resultaten en effecten van de inzet van de programma’s.
Zijn deze programma’s het juiste instrument? Op basis hiervan worden afspraken bijgesteld of
Pagina 13 van 15
worden er nieuwe afspraken gemaakt. Ambitie 4: Ieder VVE-kind van 2-6 jaar ontvangt een programma op maat Pedagogisch medewerkers (PM) Een vliegende keep en een extra Jaarlijks Q3: evaluatie PM’ers en PM’er voor de homogene groepen mogelijk afspraken bijstellen. worden ingezet voor bijzondere situaties. De resultaten van de inzet van deze PM’ers en de omvang daarvan worden jaarlijks geëvalueerd. Ambitie 5: VVE-aanbieders stemmen de didactische en pedagogische leer, speel- en ontwikkellijnen af met hun samenwerkingspartners VVE op school De inzet van VVE op school wordt Jaarlijks Q2: evaluatie inzet en geëvalueerd, in relatie tot de mogelijk afspraken bijstellen eigen OAB-budgetten van de voor het nieuwe (school)jaar. scholen. Op basis van de evaluatie wordt bepaald op welke wijze dit budget in het volgende jaar wordt ingezet. Maatschappelijk werk in de peuteropvang
Overig Nieuwe ontwikkelingen, samenwerking en kwaliteitsbevordering
Knelpuntenpot
Pagina 14 van 15
In 2020 is gestart met het maatschappelijk werk in de peuteropvang. Met ingang van de nieuwe beleidsperiode, willen we deze inzet door ontwikkelen. In samenspraak met aanbieders VVE en scholen wordt de inzet van de SMW’ers bepaald en proberen afspraken te maken over hoe we dit aanbod zo goed mogelijk kunnen inzetten.
In 2024: doorontwikkeling inzet maatschappelijk werk in de peuteropvang, in samenspraak met beleid, de schoolmaatschappelijk werkers, scholen en VVE-aanbieders.
Opstellen en Monitoren resultaatafspraken met de VVEaanbieders en de scholen
Jaarlijks Q3/Q4: evalueren resultaatafspraken VVE
De VVE-monitor - Laat zien welk deel van de geïndiceerde peuters daadwerkelijk 4 dagdelen deelneemt aan VVE. -Laat zien wat redenen zijn om niet deel te nemen en eventueel belemmeringen wegnemen.
Jaarlijks VVE-monitor data bespreken in werkgroep OAB en bepalen of er acties nodig zijn.
De knelpuntenpot geeft mogelijkheid om bijvoorbeeld dreigende sluiting van peuteropvanglocaties te voorkomen of uit te stellen. Het budget is een inschatting. Jaarlijks wordt bijgehouden waar dit aan wordt uitgegeven. Dit kan leiden tot bijstelling van het budget.
Jaarlijks: overzicht uitgaven knelpuntenpot.
Continu in OAB-werkgroep: monitoren voortgang resultaten en afspraken uit het beleidsplan OAB
6.
Begrippenlijst
LEA
Lokaal Educatieve Agenda: overleg tussen primair onderwijs, middelbaar onderwijs, de samenwerkingsverbanden, kinderopvangorganisaties en de gemeente.
OAB
Onderwijsachterstandenbeleid - het bieden van betere kansen aan jeugdigen die vanwege sociaaleconomische, culturele en/of taalkenmerken het risico lopen op onderwijsachterstanden.
Peuteropvang
Kinderopvang voor Peuters van 2 tot 4 jaar, met als doel spelenderwijs voorbereiding op de basisschool.
Vliegende keep – pedagogisch medewerker
Een pedagogisch medewerker die peuterlocaties bezoekt die geen VVE-erkenning hebben, maar wel een geïndiceerde peuter hebben geplaatst, omdat plaatsing op een erkende locatie niet mogelijk is.
Pedagogisch medewerker homogene groepen
Een extra pedagogisch medewerker op een groep waar teveel geïndiceerde peuters in één groep zijn geplaatst. Hierdoor is de groep te homogeen en is er geen sprake meer van voldoende vermenging van verschillende taalniveaus
VVE
Voor- en vroegschoolse educatie is een programma dat erop gericht is om onderwijs- of ontwikkelingsachterstand bij jonge kinderen van circa 2 tot 6 jaar te verminderen. Hierdoor kunnen deze kinderen een betere start maken aan het begin van de basisschool.
Voorschoolse Educatie
Dit gebeurt op het kinderopvang en richt zich op peuters van 2,5 – 4 jaar. Dit valt onder de verantwoordelijkheid van gemeenten.
Vroegschoolse educatie
Dit gebeurt op de basisschool en is gericht op kleuters. Dit valt onder verantwoordelijkheid van het primair onderwijs.
VVE-programma
Een erkend voor- en of vroegschools programma dat is opgenomen in de databank Effectieve Jeugdinterventies van het Nederlands Jeugd Instituut
VVE-doelgroep peuter
Een peuter in de leeftijd van 2 tot 4 jaar die een VVE-indicatie heeft gekregen van de Jeugdgezondheidszorg
VVE-aanbieder
Een erkende VVE-aanbieder die voldoet aan de wettelijke kwaliteitseisen voor het aanbieden van VVE, zoals beschreven in de wet OKE, en die is geregistreerd in het LRK
Wet OKE
Wet Ontwikkelingskansen door Kwaliteit en Educatie
WPO
Wet op Primair Onderwijs
Pagina 15 van 15