Bijlage 1 - Gauw - Boeijengastrjitte 34 - Toelichting
Tekst van het document
4.4
Ecologie
In het kader van de uitvoerbaarheid van ruimtelijke plannen is het van belang om aandacht te besteden aan beschermde natuurwaarden. De effecten op natuurwaarden dienen te worden beoordeeld in relatie tot bestaande wet- en regelgeving op het gebied van soortenbescherming en gebiedsbescherming. Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht. In deze wet is zowel de bescherming van de flora- en faunasoorten vastgelegd, alsook de bescherming van specifieke natuurgebieden (Natura 2000-gebieden). De Wnb heeft onder andere de Flora- en faunawet en de Natuurbeschermingswet 1998 vervangen, waarin voorheen respectievelijk de soortenbescherming en de gebiedsbescherming was geregeld. Naast de Wnb zijn ook de provinciale structuurvisie en verordening relevant voor de gebiedsbescherming. Hierin is onder meer het behoud en de ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voorheen EHS, Ecologisch Hoofdstructuur) geregeld. Om de uitvoerbaarheid van het planvoornemen te toetsen, is een inventarisatie van natuurwaarden nodig. SOORTENBESCHERMING Om de uitvoerbaarheid van het project te toetsen is een beknopte natuurtoets uitgevoerd. Voor dit plan is op 9 maart 2022 een veldbezoek uitgevoerd en zijn verspreidingsgegevens van beschermde soorten in en om het projectgebied uit de NDFF geraadpleegd.
Het rapport van de natuurtoets is opgenomen als bijlage bij dit bestemmingsplan (Bijlage 7). Als gevolg van de sloop van de bebouwing in het gebied gaan mogelijk jaarrond beschermde nestplaatsen van huismus verloren. Nader onderzoek is nodig om te bepalen of huismussen gebruik maken van de bebouwing in het projectgebied. Bij uitvoering van het plan wordt het plangebied mogelijk minder geschikt als foerageergebied voor vogels met jaarrond beschermde nesten, zoals de huismus. Het grotendeels verharde en bebouwde projectgebied vormt hooguit een klein onderdeel van het foerageergebied van deze soort en bovendien is in de directe omgeving in ruime mate alternatief en bovendien hoogwaardiger foerageergebied voor de te verwachten soorten aanwezig. Negatieve effecten op vogels met jaarrond beschermde nesten door verlies van foerageergebied treden niet op. Indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen worden uitgevoerd, kunnen in gebruik zijnde nesten van algemene vogelsoorten worden verstoord of vernietigd. Dit is bij wet verboden. Vernietiging of verstoring van in gebruik zijnde nestplaatsen kan voorkomen worden door bij de planning en uitvoering van de werkzaamheden rekening te houden met het broedseizoen. Een standaardperiode voor het broedseizoen is er niet; van belang is of een broedgeval aanwezig is, ongeacht de periode.
Voor de meeste vogels geldt dat het broedseizoen ongeveer van 15 maart tot 15 juli duurt. Bij de sloop van de middelste (nummer 2-4) en zuidelijke (nummer 5) loods gaan mogelijk vleermuisverblijfplaatsen verloren. Nader onderzoek is nodig om te bepalen of in de bebouwing verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig zijn. Het plangebied zal naar verwachting na de bouw van de nieuwe woningen niet ongeschikt worden voor de te verwachten vleermuissoorten die rondom bebouwing foerageren. Bovendien is in de directe omgeving van het projectgebied in ruime mate alternatief foerageergebied aanwezig. Negatieve effecten op het
25
Gauw - Boeijengastrjitte 34
foerageergebied van vleermuizen treden niet op. De watergang ten zuidwesten van het plangebied is mogelijk onderdeel van een vliegroute voor vleermuizen. Negatieve effecten op vleermuizen kunnen worden voorkomen door tijdens de aanleg- en gebruiksfase geen direct kunstlicht op de watergang te laten schijnen. Als gevolg van de ontwikkelingen kunnen enkele verblijfplaatsen van algemene grondgebonden zoogdiersoorten en amfibieën worden verstoord en vernietigd. Ook kunnen hierbij enkele exemplaren worden gedood. De te verwachten algemene soorten worden niet in hun voortbestaan bedreigd en vallen in de vrijstellingsregeling bij ruimtelijke ontwikkelingen van de provincie Fryslân. Voor deze soorten hoeft geen ontheffing te worden aangevraagd. Wel geldt voor deze soorten de zorgplicht van de Wnb. Bij het uitgraven en doortrekken van de noordelijke sloot kan mogelijk grote modderkruiper worden verstoord of gedood. Nader onderzoek moet uitwijzen of deze soort aan- of afwezig is. Aanvullend onderzoek Naar aanleiding van het voorgaande is nader onderzoek naar huismus, vleermuizen en grote modderkruiper uitgevoerd. De rapportage van dit aanvullend onderzoek is als bijlage bij de toelichting te raadplegen (Bijlage 8). Huismus Uit de twee veldbezoeken voor huismus komt naar voren dat binnen het plangebied geen jaarrond beschermde huismusnesten aanwezig zijn.
Het plangebied vormt een klein onderdeel van het foerageergebied van de huismussen die in de omgeving van het plangebied broeden. In de omgeving, zoals in de tuinen van de overige woningen aan de Boeijengastrjitte, is voldoende alternatief foerageergebied beschikbaar waardoor het plangebied geen essentieel onderdeel zal vormen van het foerageergebied van huismus. Vleermuizen Bij vleermuizen wordt onderscheid gemaakt in de volgende functies: kraamverblijf, zomerverblijf, paarverblijf, winterverblijf, foerageergebied en vliegroute. Op basis van de in de beknopte natuurtoets beschreven inventarisaties kan worden geconcludeerd dat in de te slopen bebouwing binnen het plangebied geen verblijfplaatsen (zomer-, kraam- of paarverblijfplaatsen) van vleermuizen aanwezig zijn. Wel bevindt zich direct buiten het plangebied, in de westgevel van de woning op Boeijengastrjitte 34, een paarverblijf van ruige dwergvleermuis. In de gebouwen aan de Boeijengastrjitte 50 en 53 zijn ook in totaal twee paarverblijven van ruige dwergvleermuizen aanwezig. Het plangebied vormt een klein onderdeel van het foerageergebied van gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en watervleermuis. Tijdens de bezoeken zijn geen belangrijke vliegroutes van vleermuizen in of langs het plangebied vastgesteld.
Grote modderkruiper Voor het onderzoek naar grote modderkruiper zijn watermonsters in de sloot aan de noordzijde van het plangebied verzameld voor analyse. In totaal zijn 28 watermonsters verspreid over de watergang genomen. Deze monsters zijn vervolgens in één sample gemengd. In het watersample is geen eDNA van grote modderkruiper aangetroffen. Dit betekent dat grote modderkruiper niet in de watergang aanwezig is. Conclusie nader onderzoek Bij de sloop van de bebouwing gaan geen jaarrond beschermde nestplaatsen van huismus of verblijfplaatsen van vleermuizen verloren. Ook gaat geen essentieel foerageergebied van huismus of vleermuizen verloren. Bij het verlengen van de sloot vinden, gezien de afwezigheid van grote modderkruiper, geen negatieve effecten op deze soort plaats. Een ontheffing van de Wet natuurbescherming (Wnb) voor huismus, vleermuis en grote modderkruiper is
26
Gauw - Boeijengastrjitte 34
dan ook niet nodig. Wel moet bij uitvoeren van de werkzaamheden verstoring op de omringende jaarrond beschermde nesten van huismus, zoals mogelijk aanwezig op de Boeijengastrjitte 34 en 36, voorkomen worden. Ook moet verstoring van de paarverblijfplaats van ruige dwergvleermuis in het gebouw aan de Boeijengastrjitte 34 door het gebruik van kunstverlichting of door de geplande werkzaamheden voorkomen worden. Wanneer verstoring op deze nesten en/of verblijfplaatsen niet voorkomen kan worden, dan is een ontheffing van de Wnb nodig. GEBIEDSBESCHERMING In de Wnb is de bescherming van Natura 2000-gebieden geregeld. Plannen en projecten met negatieve effecten op deze gebieden zijn vergunningplichtig. Relevant daarbij is dat de Wnb een externe werking kent. Van externe werking is sprake als activiteiten buiten een Natura 2000-gebied van invloed zijn op de natuurwaarden in een Natura 2000-gebied. Natura-2000 Het projectgebied ligt op ruime afstand van het Natura 2000-gebied 'Sneekermeergebied' en 'Witte en Zwarte Brekken'. Hierdoor zijn in potentie effecten alleen mogelijk door externe werking. Het projectgebied is gescheiden van het Natura 2000-gebied door bebouwing, wegen en agrarisch gebied.
Gezien de afstand tot het Natura 2000-gebied, de inrichting van het tussenliggende gebied en de aard van het plan, kan een toename van verstoring door geluid, verlichting of optische verstoring worden uitgesloten. Stikstofdepositie Een eventuele toename van stikstofdepositie als gevolg van bouwwerkzaamheden in de aanlegfase was op basis van de Wet Stikstofreductie en Natuurverbetering tot voor kort nog vrijgesteld van de vergunningsplicht. Uit recente jurisprudentie van 2 november 2022 (ECU:NL:RVS:2022:3159) blijkt echter dat de aanlegfase weer mee moet worden genomen in de AERIUS-berekening. In het kader van dit bestemmingsplan is daarom een AERIUS-berekening naar zowel de aanleg- als gebruiksfase uitgevoerd. De uitkomsten en toelichting van deze berekening zijn te raadplegen in Bijlage 9. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat de totale emissie van het plan in de aanleg- en gebruiksfase 14,1 kg NOx/jr en 0,9 kg NH3Zjr bedraagt. Door deze stikstofdepositie streedt geen negatief effect op in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) beschermde Natura 2000-gebieden. Een vergunning van de Wnb is in kader van de stikstofpositie dan ook niet nodig. Natuur Netwerk Nederland Het plangebied ligt op ruime afstand van het dichtstbijzijnde NNN-gebied ^2 kilometer).
Hierdoor gaat met de uitvoering van de plannen dan ook geen NNN verloren en worden de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN niet aangetast. Negatieve effecten op het NNN kunnen worden uitgesloten. Weidevogelkansgebied Op het fragment van Figuur 8 is de ligging van het plangebied ten opzichte van weidevogelkansgebieden weergegeven. Deze gebieden door de Provincie Fryslân aangewezen in de Verordening Romte Fryslân 2014.
27
Gauw - Boeijengastrjitte 34
Legenda
Meter
BügelHajema
Figuur 9: overzicht ligging weidevogelkansgebieden Op Figuur 9 is te zien dat ten (zuid)oosten van het plangebied weidevogelkansgebieden aanwezig zijn. Weidevogelkansgebieden zullen ten gevolge van het planvoornemen geen verstoring ondergaan, gezien de inrichting van het tussenliggende gebied met wegen en bebouwing en de aard van het plan. Conclusie Het planvoornemen kan wat het aspect ecologie betreft uitvoerbaar worden geacht.
4.5
Externe veiligheid
De overheid heeft in voorgaande jaren veiligheidsnormen vastgesteld die moeten worden genomen en waarmee op het gebied van milieu en ruimtelijke ordening rekening moet worden gehouden. Onderdeel van het veiligheidsbeleid is dat afwegingen ten aanzien van risico's op ongevallen die doden en gewonden tot gevolg kunnen hebben, duidelijk zichtbaar moet worden gemaakt en niet impliciet blijven plaatsvinden. Onderzoek In het kader van het Interprovinciaal Overleg (IPO) is er een zogeheten risicokaart gecreëerd. Op deze kaart is onder andere informatie met betrekking tot risico's van ongevallen met gevaarlijke stoffen opgenomen. Om na te gaan of er bij het planvoornemen sprake is van risico's ten behoeve van externe veiligheid, is de risicokaart geraadpleegd. Uit de risicokaart blijkt dat er zich in de directe omgeving van het plangebied geen risicobronnen bevinden. Het plangebied bevindt zich dan ook buiten het invloedgebied van risicobronnen. Daarnaast leidt de herstructurering van het voormalig bedrijventerrein niet tot de totstandkoming van een nieuwe risicobron. Tevens maakt het planvoornemen geen transport van gevaarlijke stoffen die tot risico's kunnen leiden mogelijk.
28
Gauw - Boeijengastrjitte 34
Conclusie Het planvoornemen mag voor wat het aspect externe veiligheid betreft als uitvoerbaar worden geacht.
4.6
Geluid
Toetsingskader De Wet geluidhinder beschouwt een woning als een geluidsgevoelig gebouw. De 'geluidbelasting' op gevels van woningen en andere geluidsgevoelige objecten mag niet hoger zijn dan een in de wet bepaalde norm. Daarom dient er een toetsing plaats te vinden aan de eisen uit de Wet geluidhinder. De Wet geluidhinder gaat in op zowel wegverkeerslawaai, spoorweglawaai als industrielawaai. Voor het planvoornemen zijn de aspecten spoorweglawaai en industrielawaai niet van toepassing. Hier wordt daarom niet op ingegaan in dit bestemmingsplan. De toetsing zal zich daarom richten op wegverkeerslawaai. Een akoestisch onderzoek is op grond van de Wet geluidhinder noodzakelijk wanneer een geluidgevoelig gebouw gelegen is binnen een door deze wet aangewezen geluidzone. Een uitzondering geldt voor: wegen die gelegen zijn binnen een als woonerf aangeduid gebied; wegen waarvoor een maximum snelheid geldt van 30 km/uur. Wel dient er sprake te zijn van een 'goede ruimtelijke ordening' om een goed woon- en leefklimaat te garanderen. Toetsing Het plangebied ligt ruim buiten de geluidszone van de provinciale weg aan een weg met een snelheidsregime van 30 km/uur. Op grond hiervan is een akoestisch onderzoek niet noodzakelijk. Verwacht mag worden dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat vanwege wegverkeer.
Conclusie Geluidhinder ten gevolge van wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
4.7
Luchtkwaliteit
Projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit, hoeven op grond van de Wet milieubeheer (Wm) niet te worden getoetst aan de geldende grenswaarden. Een grens van 3*70 verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 ìg/m3 NO2 of PM10) wordt als nibm beschouwd. Van een dergelijke verslechtering van de luchtkwaliteit is sprake wanneer een ruimtelijk plan tot een toename van meer dan 1.610 auto's (bij 100*7o autoverkeer), dan wel 130 vrachtwagens (bij 10007o vrachtverkeer) per dag leidt (grenswaarden 2018). Kenniscentrum InfoMil vermeldt op hun website dat als de luchtkwaliteit aan de PM10-normen voldoet, dit ook geldt voor de PM2,5-normen. Op grond hiervan is toetsing aan de grenswaarden voor PM2,5 niet nodig, als aan de PM10 normen wordt voldaan. Onderzoek Het planvoornemen zorgt voor de toevoeging van enkele nieuwe woningen in het plangebied. De gevolgen voor de luchtkwaliteit zijn in veel gevallen klein. De NIBM grens ligt bij minimaal twee ontsluitingswegen of maximaal 3.000 woningen. Het betreft in deze situatie een toevoeging van enkele nieuwe woningen. Wijzigingen in de luchtkwaliteit ten gevolge van het planvoornemen liggen daardoor niet in de lijn der verwachtingen. Het plan kan als 'niet in betekenende mate' worden beschouwd. Conclusie Het plan kan voor het aspect luchtkwaliteit als uitvoerbaar worden beschouwd.
4.8
Verkeer en parkeren
Ruimtelijke plannen brengen in veel gevallen extra verkeersgeneratie met zich mee. Dit heeft invloed op de bestaande verkeerssituatie. Voor de toekomstige situatie kan de verkeersgeneratie worden bepaald aan de hand van kencijfers van het CROW uit de publicatie 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie'. Naast het aspect verkeer dient de aanwezigheid van voldoende parkeerruimte te worden geborgd.
29
Gauw - Boeijengastrjitte 34
Toetsing Verkeersgeneratie Op basis van de kencijfers van het CROW is een verwachting van het extra aantal verkeersritten gedaan. Het planvoornemen beoogt een toevoeging van drie nieuwe woningen. Daarnaast krijgt de reeds bestaande bedrijfswoning een reguliere woonfunctie. Er wordt daarom gekeken naar de categorie 'koop, huis, vrijstaand'. Gauw heeft een omgevingsadressendichtheid van 66. op basis van gegevens van het Centraal Bureau Statistiek (CBS) hoort daarbij een stedelijkheidsgraad van 'niet-stedelijk'. Ook valt het plangebied onder de gebiedscategorie 'Rest bebouwde kom'. Op basis van de kencijfers van het CROW hoort hier een minimaal aantal van 8 en een maximaal aantal van 9 verkeersbewegingen per woning bij (motorvoertuigen per gemiddelde weekdag). Voor de drie woningen vertaalt dit door tot 24 extra verkeersritten. Door deze geringe toename van het aantal verkeersbewegingen vormt het planvoornemen geen belemmering voor de verkeerssituatie. Daarbij moet worden bedacht dat door beëindiging van de bedrijfsfunctie ook verkeersbewegingen van vrachtverkeer, bedrijfsbussen (7 bussen) en personenauto's verdwenen zijn. Parkeerruimte De parkeerbehoefte is op basis van de kencijfers van het CROW bepaald. Het planvoornemen beoogt een toevoeging van drie nieuwe woningen. Daarnaast krijgt de reeds bestaande bedrijfswoning een reguliere woonfunctie.
Voor deze bestaande woning is voldoende parkeerruimte aanwezig aan de rand van de insteekweg. Voor de te realiseren woningen in het plangebied is uitgegaan van de parkeernormen die voor vrijstaande woningen gelden. Op basis van CBS gegevens ligt het plangebied in een 'niet stedelijke' omgeving. Daarnaast valt het plangebied onder de gebiedscategorie 'rest bebouwde kom'. Hierbij hoort een minimaal aantal van 2 en een maximaal aantal van 3 parkeerplaatsen per woning. Voor de drie woningen gecombineerd komt dit uit op een minimaal aantal parkeerplaatsen van 6. Op basis van het stedenbouwkundig ontwerp is op eigen erf genoeg parkeerruimte aanwezig (zie 2.3). Er zijn eveneens een aantal extra parkeerhavens ingepast. Op basis van het bovenstaande is aangetoond dat met het planvoornemen kan worden voldaan aan de parkeerbehoefte. Conclusie Het planvoornemen vormt geen belemmering voor de verkeerssituatie, tevens kan aan de parkeerbehoefte worden voldaan.
4.9
Water
Op grond van de Bro (artikel 3.1.6) dient een waterparagraaf te worden opgenomen in de toelichting van ruimtelijke plannen. Hierin wordt beschreven op welke manier rekening is gehouden met de gevolgen van het plan op de waterhuishoudkundige situatie. Dit betreft zowel het grondwater als het oppervlaktewater Het is een schriftelijke weergave van de zogenoemde watertoets. De watertoets heeft als doel om de waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en evenwichtig in beschouwing te nemen bij alle waterhuishoudkundig relevante besluiten en ruimtelijke plannen. Het voorliggend plangebied valt binnen het beheersgebied van Wetterskip Fryslân. Onderzoek Op vrijdag 11 maart 2022 is de digitale watertoets voor het plangebied uitgevoerd. Het overzicht van deze watertoets is als bijlage bij de toelichting raadpleegbaar (Bijlage 4). Uit de watertoets blijkt dat de normale watertoetsprocedure van toepassing is op het plangebied. Dit geeft aan dat de aanwezige wateraspecten mogelijk invloed kunnen hebben op het plan en andersom. Bij de uitwerking van het plan dient rekening te worden gehouden met de algemene uitgangspunten die Wetterskip Fryslân hanteert. In het kader van het planvoornemen is daarom overlegd met Wetterskip Fryslân. Hieronder staat beschreven wat Wetterskip Fryslân specifiek voor het plangebied adviseert.
30
Gauw - Boeijengastrjitte 34
Toename verharding Door ruimtelijke ontwikkelingen neemt de hoeveelheid verhard oppervlak toe met als gevolg een versnelde afvoer van hemelwater. Het is nodig om deze versnelde afvoer te compenseren om de waterberging in een gebied in stand te houden. Dit geldt ook voor toevoegen van oppervlakteverharding die wel past binnen het bestemmingsplan, maar waarvan de grond al meer dan vijf jaar braak ligt en waar in het verleden niet voor gecompenseerd is. Het is niet toegestaan zonder watervergunning neerslag versneld tot afvoer te laten komen indien daarbij meer dan 200 m2 onverharde grond in stedelijk gebied en 1.500 m2 in landelijk gebied wordt bebouwd of verhard. Er geldt een vrijstelling van de vergunningsplicht wanneer wordt voldaan aan de compensatieregels genoemd in dit wateradvies. De meest voorkomende manier van compenseren is het graven van extra oppervlaktewater. In het plangebied is het Polderpeil van toepassing, waardoor een compensatienorm van 100Zo van de toegevoegde verharde oppervlakte geldt. Het terrein van het plangebied is in de huidige situatie voor het grootste deel verhard. In het stedenbouwkundig plan voor het plangebied wordt slechts bestaande verharding weggehaald en geen nieuwe verharding gerealiseerd. Hierdoor is er geen toename van verharding in het plangebied.
Wel wordt er een nieuwe waterloop toegevoegd om het plangebied te scheiden van het agrarische land daar omheen. Nieuw oppervlaktewater Bij het graven van nieuw water is sprake van een ontgronding waarop de Ontgrondingenverordening van toepassing is. Artikel 2, lid h. is op het planvoornemen van toepassing. Op grond van dit artikel is de Ontgrondingenwet niet van toepassing op ontgrondingen bestaande uit het aanleggen, verruimen of verdiepen van watergangen door particulieren of niet met de zorg voor de waterhuishouding ter plekke belaste openbare lichamen, ten behoeve van de waterhuishouding en/of de scheepvaart. Dit geldt onder een aantal voorwaarden: 1. 2. 3. 4.
de bovenbreedte mag niet meer dan 5 meter bedragen de bodembreedte mag niet meer dan 1,50 meter bedragen De diepte mag niet meer dan 1 meter beneden het oppervlaktewaterpeil, of wanneer een zodanig peil ontbreekt, 1 meter onder het maaiveld bedragen; bij de ontgronding mag niet meer dan 10.000 m3 bodemmateriaal naar elders worden afgevoerd of in depot worden gezet.
De bovenbreedte van de beoogde sloot bedraagt circa 2,5 meter. De bodembreedte zal 0,5 meter bedragen en is daarmee lager dan de 1,50 meter. De sloot zal een diepte hebben van circa 0,5 meter onder het oppervlaktewaterpeil. Daarnaast blijft het bodemmateriaal dat naar elders wordt afgevoerd al dan niet in depot gezet, ruim onder de 10.000 m3. Waterinlaat De L-vormige sloot die wordt gerealiseerd komt in het verlengde van de bestaande poldersloot ten noorden van het plangebied. Tussen de bestaande poldersloot en de boezem (Kipfeart) zit een inlaat ten behoeve van de wateraanvoer. Het Wetterskip Fryslân heeft aangegeven dat de functie hiervan geborgd moet worden. De bestaande waterinlaat wordt vervangen door een nieuwe inlaat die onder de kering door naar de boezemvaart loopt. Naar aanleiding hiervan wordt de wateraanvoerende functie in het plangebied geborgd. Lokale waterkering en terreinhoogte Het planvoornemen heeft invloed op een lokale waterkering. Deze waterkering heeft als functie om oppervlaktewater tegen te houden. Ook heeft deze waterkering een kernzone van vijf meter aan beide zijden van de Kipfeart. Binnen deze zone mag geen nieuwe bebouwing worden gerealiseerd. Omdat de buiten het plangebied gelegen bestaande bebouwing al aanwezig is in de kernzone, mag dit echter zo blijven.
Het is in geval van een doorbraak van de lokale waterkering belangrijk de negatieve gevolgen zo klein mogelijk en de gevolgschade zo laag mogelijk te houden. Het plangebied ligt in een gebied met een overstromingskans van 1:100. Dit betekent dat de lokale waterkering is ontworpen op basis van een
31
Gauw - Boeijengastrjitte 34
maatgevend boezempeil met een kans van voorkomen van 1 op 100 jaar. De initiatiefnemer heeft de hoogte van het perceel laten meten. Uit deze meting en overleg met Wetterskip Fryslân blijkt dat bij de voorgenomen ophoging en de terreinligging op dit moment de waterkerende functie verzekerd is. Om deze waterkerende functie te behouden is het belangrijk dat het vloerpeil van nieuwe bebouwing boven het maatgevend boezempeil (-0,07 m NAP) wordt aangelegd. Het voorgaande is geborgd in de regels van dit bestemmingsplan. Het terrein zelf fungeert als waterkering. Ook wil de initiatiefnemer een damwand aanleggen om de kade te beschermen. De damwand zal in deze situatie niet fungeren als waterkering maar maakt daar onderdeel van uit. Verwacht mag worden dat de waterkerende functie na realisering van het initiatief voldoende is geborgd. Uit het overleg met Wetterskip Fryslân komt voort dat er een watervergunning vereist is voor de beoogde ontwikkeling. Voordat de werkzaamheden zullen plaatsvinden zal daarom een watergunning worden aangevraagd. Conclusie Het planvoornemen mag voor wat het aspect water betreft, uitvoerbaar worden geacht.
4.10 M.e.r.-verantwoording In het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit onder de drempelwaarden blijft, moet er alsnog een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling plaatsvinden, waarbij onderzocht dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de mogelijke (milieu)effecten. Per 16 mei 2017 is de regelgeving voor de MER en m.e.r.-beoordeling gewijzigd met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. *
»
Voor de ontwerp-bestemmingsplanfase moet een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen. Voor elke aanvraag waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde komt moet de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie opstellen, waarbij ook mitigerende maatregelen mogen worden meegenomen. Het bevoegd gezag dient binnen zes weken na indienen een m.e.r.-beoordelingsbesluit af te geven. Een vormvrije m.e.r.-beoordelingsbeslissing hoeft echter niet gepubliceerd te worden.
Onderzoek Op voorliggend bestemmingsplan is de drempelwaarde voor stedelijke ontwikkeling, D11.2 uit de D-lijst van het Besluit m.e.r. van toepassing. D 11.2 De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen. In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1. 2. 3.
een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.
De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit de realisatie van drie woningen en betreft daarmee een kleinschalige ontwikkeling waarbij de drempelwaarde van het Besluit m.e.r niet worden overschreden. Voor het planvoornemen geldt daarom een vormvrije m.e.r.-beoordeling. In dit kader kan worden aangegeven dat de milieueffecten van het planvoornemen in voorgaande paragrafen reeds zijn onderzocht. Op basis hiervan mag worden verwacht dat de toekomstige activiteiten in het plangebied geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zullen hebben. Naar alle Europese criteria voor de afweging hieromtrent is
32
Gauw - Boeijengastrjitte 34
gekeken. Het planvoornemen geeft geen aanleiding voor onderzoek in het kader van het Besluit m.e.r.
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische toelichting
Inleiding
Dit bestemmingsplan voldoet aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om ruimtelijke plannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe ruimtelijke plannen volgens de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het wijzigingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden. Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden in het plangebied. De juridische regeling is vervat in een verbeelding en bijbehorende regels. Op de verbeelding zijn de verschillende bestemmingen vastgelegd, in de regels (per bestemming) de bouw- en gebruiksmogelijkheden. De inleidende regels van het bestemmingsplan (begrippen en wijze van meten) sluiten aan bij de eisen van de SVBP2012. Daarnaast sluit dit wijzigingsplan ook aan bij de overige eisen uit het Besluit ruimtelijke ordening en het IMRO2012. In voorliggend bestemmingsplan worden tevens begrippen uit de Wabo gehanteerd.
De onderstaande paragrafen lichten toe hoe dit bestemmingsplan is opgebouwd en op welke grondslag dat is.
5.2
Planregels
Het voorliggende bestemmingsplan omvat een verbeelding en regels. Op basis van artikel 3.1.3 van het Bro bevat een bestemmingsplan namelijk een beschrijving van de bestemmingen en het doel van de desbetreffende bestemmingen. Daarnaast is het bestemmingsplan voorzien van een toelichting. Op grond van artikel 3.1.6 van het Bro is het verplicht om een bestemmingsplan te voorzien van een toelichting die aangeeft welke gedachten aan het plan ten grondslag liggen, uitkomsten van verrichtte onderzoeken en overleggen weergeeft en verslag van de georganiseerde inspraak bij het plan laat zien. 5.2.1
Inleidende regels
Dit onderdeel bestaat uit de begrippen (artikel 1) en de wijze van meten (artikel 2). Deze artikelen beschrijven wat in de regels onder bepaalde begrippen moet worden verstaan en hoe moet worden gemeten bij de toepassing van de bouwregels of gebruiksregels van het plan. Dit is alleen het geval wanneer begrippen niet op voorhand voor een eenduidige uitleg, in overeenstemming met normaal spraakgebruik, vatbaar zijn. De gemeente heeft bindende afspraken over planregels opgesteld. Deze zijn aangepast in overeenstemming met de eisen van de SVBP2012. Alle begrippen worden in alfabetische volgorde opgenomen, met uitzondering van de eerste begrippen 'plan' en 'bestemmingsplan'. 5.2.2
Bestemmingsregels
Wonen De gronden van het plangebied waarop nieuwe woningen komen worden bestemd met 'Wonen'. Binnen de
33
Gauw - Boeijengastrjitte 34
bestemming 'Wonen' is naast wonen ook kleinschalige bedrijvigheid toegestaan in de vorm van aan-huis-verbonden beroepen/bedrijven of bed&breakfast. Binnen de woonbestemming zijn bouwvlakken aangeduid voor de nieuwe woningen. Bijgebouwen mogen ook buiten het bouwvlak worden gebouwd. Verkeer - Verblijf De ontsluiting van het gebied en daaraan grenzende parkeerplaatsen zijn binnen deze bestemming geregeld. De bestemming 'Verkeer - Verblijf1 is naast de verkeersfunctie ook nadrukkelijk gericht op de verblijfsfunctie. Bij de wegen kunnen ook groenvoorzieningen en water horen. Gemengd Deze bestemming staat meerdere functies toe, waaronder wonen en bedrijvigheid. Het gaat om bedrijvigheid met een lage milieubelasting. Dubbelbestemming Waarde - Archeologie 1 De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' wordt gehanteerd voor een klein deel van het plangebied dat op de FAMKE het advies 'streven naar behoud’ en 'waarderend onderzoek’ heeft meegekregen. Dit betreft bekende archeologisch waardevolle terreinen. Voor bouwwerken, waaronder begrepen het heien van heipalen en het slaan van damwanden, met een oppervlakte groter dan 50 m2 en die de bodem dieper dan 0,40 m beneden maaiveld verstoren, moet alvorens een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt verleend door de aanvrager een rapport worden overgelegd. 5.2.3
Algemene regels
De algemene regels bestaan uit een aantal regels. De anti-dubbeltelregel is op basis van artikel 3.2.4 van het Bro ingevoegd. Het betreffende besluit schrijft voor dat de tekst van artikel 3.2.4 van het Bro één op één in een bestemmingsplan wordt overgenomen. In de algemene gebruiksregels is opgenomen welk gebruik strijdig is. In de algemene afwijkingsregels wordt de mogelijkheid beschreven om met een omgevingsvergunning af te wijken van de regels ten aanzien het overschrijden van bepalingen inzake goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte en inhoud van bouwwerken. Als laatste zijn er overige regels opgenomen. In deze regels wordt ingegaan op de regels rondom parkeren. 5.2.4
Overgangs- en slotregel
In dit hoofdstuk zijn het overgangsrecht en de slotregel opgenomen. Voor de redactie van het overgangsrecht geldt het Bro. Dit besluit schrijft dwingend voor hoe het overgangsrecht moet luiden. Een geringe uitbreiding van de bebouwing met tien procent wordt mogelijk gemaakt. Het gebruik van gronden en bebouwing dat in strijd is met dit nieuwe bestemmingsplan op het tijdstip van inwerkingtreding, mag in beginsel worden voortgezet. Wijziging van dit strijdige gebruik is verboden, indien de afwijking van het plan wordt vergroot. Indien het strijdige gebruik, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
5.3
Procedure
In de Wro en het Bro zijn wettelijke regels voor de bestemmingsplanprocedure vastgelegd. Hierin zijn de volgende fasen onderscheiden: Terinzageleggingsfase Na de aankondiging in ten minste één plaatselijk dag-, nieuws- of huis aan huisblad en op de internetpagina van de gemeente wordt het ontwerpbestemmingsplan voor een periode van 6 weken ter inzage gelegd. In deze periode kan door iedereen een zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan worden ingediend. Vaststellingsfase
34
Gauw - Boeijengastrjitte 34
Na de periode van terinzagelegging stelt de gemeenteraad het ontwerpbestemmingsplan, mogelijk met wijzigingen, binnen een periode van ten hoogste 12 weken vast. Beroepsfase Na de vaststelling van het bestemmingsplan maakt de gemeenteraad het vaststellingsbesluit bekend en legt het vastgestelde bestemmingsplan ter inzage. Indien Gedeputeerde Staten of de Inspectie Leefomgeving en Transport een zienswijze hebben ingediend die door de gemeenteraad niet volledig is overgenomen of indien de gemeenteraad het bestemmingsplan gewijzigd heeft vastgesteld, geschiedt bekendmaking en terinzagelegging uiterlijk 6 weken na vaststelling. Uiterlijk 6 weken na bekendmaking van het vaststellingsbesluit kan er beroep worden ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien het bestemmingsplan ongewijzigd is vastgesteld en er gehoor is gegeven aan zienswijzen van Gedeputeerde Staten en/of de Inspectie Leefomgeving en Transport, wordt het vaststellingsbesluit door de gemeenteraad uiterlijk 2 weken na vaststelling bekend gemaakt. Tevens wordt uiterlijk 2 weken na vaststelling het bestemmingsplan ter inzage gelegd.
Hoofdstuk 6
Uitvoerbaarheid
Voorliggend bestemmingsplan is opgesteld naar aanleiding van een verzoek van de initiatiefnemer. De uit het plan voortkomende kosten zullen door de initiatiefnemer worden gedragen.
6.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.1.1
Wettelijk vooroverleg
Artikel 3.1.1 van het Bro verplicht om bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te voeren met het Rijk, de provincie en het waterschap. Facultatief kan overleg worden gevoerd met ander maatschappelijke organisaties. Dit overleg is vormvrij en de betreffende instanties kunnen ook aangeven wanneer overleg niet nodig is. Het bestemmingsplan is aan de overlegpartners toegezonden. Van de volgende overlegpartners is een reactie ontvangen: Wetterskip Fryslân Wetterskip Fryslân ziet geen aanleiding tot opmerkingen en stemt in met de paragraaf 'Water'. Gemeentelijke beantwoording Deze reactie wordt voor kennisgeving aangenomen. Provincie Fryslân Archeologie (cat. 2 motivering Verordening Romte) Op grond van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' is archeologisch onderzoek nodig bij ingrepen vanaf 50 m2 en dieper dan 0,4 meter. Ik merk op dat de FAMKE uitgaat van onderzoek bij ingrepen dieper dan 0,3 meter. Ik adviseer u de regels op dit punt aan te passen. Overigens merk ik op dat u een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' heeft opgenomen voor het gebied waar in het kader van het plan al archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden. Omdat in het onderzoek geen indicatoren voor archeologische waarden zijn aangetroffen kunt u de dubbelbestemming op de gronden hier ook achterwege laten.
Gemeentelijke beantwoording In 6.2.2 is geregeld dat ter plaatse van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' archeologisch
35
Gauw - Boeijengastrjitte 34
onderzoek nodig is bij ingrepen vanaf 50 m2 en dieper dan 0,3 meter. De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' is van de planverbeelding verwijderd. Soortenbescherming (cat. 3 overige provinciale belangen) Uit het ecologisch onderzoek komt naar voren dat nader onderzoek nodig is naar de huismus, vleermuizen en de grote modderkruiper. Op basis van de resultaten van het nader onderzoek moet worden bepaald of een ontheffing voor de Wnb nodig is. Ik adviseer u de nadere onderzoeken af te ronden en de resultaten hiervan te verwerken in het ontwerp. Als dit niet mogelijk is dan adviseer ik u in de toelichting van het plan aan te geven dat de opdracht voor nader onderzoek is verstrekt en daarnaast te motiveren dat een eventueel benodigde ontheffing verleenbaar is. Gemeentelijke beantwoording In 4.4 zijn de resultaten van het nader ecologisch onderzoek toegelicht. Een ontheffing voor de Wnb is niet nodig. Wel moet bij de werkzaamheden verstoring van jaarrond beschermde nesten en verblijfsplaatsen worden tegengegaan. Indien dit niet mogelijk blijkt, is alsnog een ontheffing voor de Wnb vereist. Ontgrondingen (cat. 3 overige provinciale belangen) In de toelichting staat dat er een nieuwe waterloop wordt toegevoegd om het plangebied te scheiden van het agrarische land daar omheen.
Ik merk op dat bij het graven van nieuw water sprake is van een ontgronding waarop de Ontgrondingenverordening van toepassing is. Waarschijnlijk is de ontgronding in dit geval vrijgesteld van de vergunningplicht. Het is wel verstandig dit goed uit te zoeken en dit ook te vermelden in de toelichting. Dit kan voorkomen dat later toch nog een aparte ontgrondingenvergunning aangevraagd moet worden. Gemeentelijke beantwoording In 4.9 is onderbouwd dat de ontgronding in dit geval is vrijgesteld van de vergunningplicht. Natuurinclusief bouwen (cat. 4 Omgevingsvisie) Er is in het plan geen aandacht voor natuurinclusieve maatregelen. Ik vraag u hier aandacht aan te besteden. In de Omgevingsvisie De Romte Diele wordt ingezet op natuurinclusief ontwerpen bij nieuwe ontwikkelingen. Dit is mogelijk door in het ontwerp rekening te houden met maatregelen die een positief ecologisch effect sorteren. Daarbij kan worden gedacht aan bijvoorbeeld gevelstenen met openingen die geschikt zijn voor verblijfplaatsen voor vogels en vleermuizen. De checklist met de 40 punten voor natuurinclusief bouwen op de website van Stadszaken.nl kan hierbij richting geven. Gemeentelijke beantwoording In paragraaf 3.2.1 is onderbouwd op welke manier er rekening wordt gehouden met natuurinclusieve maatregelen bij het ontwerp van de woningen. Water-robuust bouwen (cat.
4 Omgevingsvisie) Binnen het plangebied ligt een lokale kering van Wetterskip Fryslân. In de toelichting staat dat de initiatiefnemer de hoogte van het perceel heeft laten meten. Uit deze meting en uit overleg met Wetterskip Fryslân blijkt dat bij de voorgenomen ophoging en de terreinligging op dit moment de waterkerende functie - van de lokale kering - verzekerd is. Ik merk op dat de voorgenomen ophoging in overeenstemming is met ons Advies Waterrobuust Bouwen. Ik wil u adviseren de ophoging en de aanleghoogte ook te borgen in de planregels. Gemeentelijke beantwoording In de regels van dit bestemmingsplan is een regeling opgenomen die ervoor zorgt dat het vloerpeil van
36
Gauw - Boeijengastrjitte 34
nieuwe bebouwing minimaal -0,06 meter NAP moet bedragen. Hiermee is de aanleghoogte geborgd en blijft de waterkerende functie van het terrein in stand. Duurzame energie (cat. 4 goede ruimtelijke ordening) U geeft in de toelichting aan dat u met uw woonbeleid wilt bijdragen aan het verduurzamen van de bestaande en nieuwe woningvoorraad. U geeft aan dat u meedoet aan de Friese Energiestrategie, welke als doel heeft dat er in 2050 een energie neutrale bebouwde omgeving is. In voorliggende plan gaat u hier niet concreet op in. Ik adviseer u aan te geven in hoeverre bij het maken van het ontwerp hier rekening mee gehouden is. Gemeentelijke beantwoording In 3.3.2 is nader ingegaan op welke wijze het plan bijdraagt aan verduurzaming van de nieuwe woningvoorraad en de Friese energiestrategie. Natuurnetwerk Nederland (cat. 6 plantechnisch/juridisch) In de toelichting stelt u dat de NNN geen externe werking kent. Deze conclusie is niet juist. De externe werking is geregeld in artikel 7.1.1., derde lid van de Verordening Romte. Ik adviseer u de toelichting hierop aan te passen. Gemeentelijke beantwoording De tekst is aangepast. In 4.4 is gemotiveerd dat negatieve effecten op het NNN kunnen worden uitgesloten. Woonprogramma (cat. 6 plantechnisch/juridisch) Op zichzelf kan worden ingestemd met het toevoegen van 3 woningen binnen bestaand stedelijk gebied.
Ik wil u er voor de volledigheid wel op wijzen dat niet alleen getoetst moet worden aan artikel 3.1.1, tweede lid onder a van de Verordening Romte maar dat op grond van 3.1.1, tweede lid onder b van de verordening ook gemotiveerd moet worden op welke wijze overschrijding van het woningbouwprogramma kan worden voorkomen door uitwisseling of fasering van projecten. Gemeentelijke beantwoording In 3.2.2 is onderbouwd dat het er woningbouwafspraken met de provincie zijn die voldoende ruimte bieden om de drie woningen toe te voegen. Met het planvoornemen is geen sprake van overschrijding van de met de provincie overeengekomen woningbouwruimte. Brandweer Fryslân In overeenstemming met de punten die genoemd zijn in het aanvullend advies (Bijlage 11) adviseert Brandweer Fryslân om potentiële kopers te informeren over de opkomsttijd, zodat de verwachtingen van de brandweer bij een incident realistisch zijn. Gemeentelijke beantwoording Deze reactie wordt voor kennisgeving aangenomen. Ambtshalve aanvullingen In kader van het voorontwerp zijn de volgende onderdelen bij nader inzien aangepast: » » »
Paragraaf 3.3 is aangevuld met aanvullende toetsing aan het ambitiedocument wonen (3.3.3) en het afwegingskader wonen (3.3.4). 4.1 is aangevuld met een passage over geluidhinder afkomstig van warmtepompen; In de conclusie van 4.2 is een informerende passage opgenomen over de afvoer van grond in relatie tot het planvoornemen
37
Gauw - Boeijengastrjitte 34
6.1.2
Inspraak
Het voorontwerpbestemmingsplan heeft van 15 september 2022 tot en met 3 november 2022 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode kon eenieder een inspraakreactie op het voorontwerpbestemmingsplan in te dienen. Er zijn geen inspraakreacties ingediend. 6.1.3
Tervisielegging ontwerpbestemmingsplan
Het bestemmingsplan wordt voor een periode van zes weken ter inzage gelegd. Met het ter visie leggen van het bestemmingsplan geeft de gemeente iedereen de mogelijkheid om kennis te kunnen nemen van het plan en eventueel te reageren op de inhoud ervan. Er wordt geacht dat het plan maatschappelijk uitvoerbaar is.
6.2
Economische uitvoerbaarheid
6.2.1
Realisatiekosten en financiële uitvoerbaarheid
De kosten voor het verrichten van de noodzakelijke onderzoeken ten behoeve van de planvorming vanwege dit bestemmingsplan worden door de initiatiefnemer gedragen. Dit geldt eveneens voor de gebruikelijke kosten voor de ambtelijke planbegeleiding. 6.2.2
Planschade
Door het opstellen van dit bestemmingsplan voor de betreffende gronden is de kans aanwezig dat door eigenaren van gronden in de directe omgeving van het plangebied bij de gemeente op grond van artikel 6.1 Wro een verzoek tot tegemoetkoming in planschade wordt ingediend. Diegenen die schade ondervinden aan de hand van de bestemmingsplanherziening, omdat hun onroerend goed in waarde vermindert, kunnen de schade verhalen (voor zover deze redelijkerwijs niet voor de aanvrager behoort te blijven) wanneer dit boven de 20Zo van de waarde van het onroerend goed uitkomt. Conclusie Het kostenverhaal, evenals de afwenteling van de planschade, wordt gedragen door de initiatiefnemer. Op basis van deze overweging dient het planvoornemen van dit bestemmingsplan economisch als uitvoerbaar te worden geacht. De exploitatiekosten zijn derhalve anderszins verzekerd. Een exploitatieplan op grond van de Grondexploitatiewet is dan ook niet noodzakelijk. Voorgaande betekent dat dit bestemmingsplan niet door onvoldoende economische uitvoerbaarheid wordt belemmerd.
38