CConstaterende datSudwest Fryslan
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Financieel besluit gemeente Súdwest-Fryslân 2026

Raadsvergadering 29 januari 2026, gemeente Sudwest FryslanBij agendapunt: ‘Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Súdwest-Fryslân 2026’1.907 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Súdwest-Fryslân 2026 Intitulé Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Súdwest-Fryslân 2026

Hoofdstuk 1 Tarieven Persoonsgebonden budget (PGB) Artikel 1.1 Hoogte PGB Maatschappelijke ondersteuning 1. De hoogte van een PGB bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate in de gemeente beschikbare maatwerkvoorziening in natura. Onder de goedkoopste adequate maatwerkvoorziening wordt ook verstaan (gebruikte) hulpmiddelen die op het moment van de melding beschikbaar zijn bij de daartoe gecontracteerde aanbieder. Het betreft daarbij de maximale kostprijs. 2. Het PGB wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het PGB toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, en wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering. 3. De hoogte van het PGB, bij dienstverlening, wordt voor de professionele aanbieder bepaald op basis van 80% van het tarief voor de goedkoopst compenserende voorziening in natura door een daartoe opgeleide beroepskracht werkzaam bij een door de gemeente gecontracteerde aanbieder. Het betreft een all-in tarief. 4. De hoogte van het PGB, bij dienstverlening, wordt voor informele hulp bepaald op basis van 50% van het tarief voor de goedkoopst compenserende voorziening in natura met een maximum van € 20,00.

Het betreft een all-in tarief. 5. Het PGB wordt door de SVB uitbetaald op basis van declaratie van het aantal geleverde uren, dagdelen of etmalen. 6. Het PGB bevat geen vrij besteedbaar deel. 7. Het college kan de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken om betalingen uit het PGB voor ten hoogste 13 weken geheel of gedeeltelijk op te schorten als het vermoeden bestaat dat de inwoner het PGB in die periode anders ten onrechte kan inzetten.

Artikel 1.2 Hoogte PGB vervoersvoorzieningen 1. De hoogte van het PGB voor aanschaf van een vervoersvoorziening is gelijk aan de kostprijs van de goedkoopst adequate voorziening in natura. 2. De goedkoopst adequate vervoersvoorziening blijkt uit een door het college goedgekeurde kostenbegroting, uit een door de gemeente met een gecontracteerde leverancier afgesloten overeenkomst, of de laagst geoffreerde aanschafprijs. 3. Indien een PGB voor aanschaf van een vervoersvoorziening wordt verstrekt, kan zo nodig ook een PGB voor onderhoud, service en verzekering (instandhoudingskosten) worden toegekend. 4. Het PGB voor onderhoud, service en verzekering wordt eenmalig toegekend gedurende de technische levensduur van de vervoersvoorziening. 5. Indien de inwoner het PGB aanwendt voor het huren van een vervoersvoorziening ontvangt hij per kalenderjaar het in het eerste lid genoemde totaalbedrag, gedeeld door het aantal gebruiksjaren. Voor een vervoersvoorziening wordt een economische afschrijvingstermijn van 7 jaren gehanteerd. 6. De vervoersvoorzieningen in natura worden in bruikleen verstrekt. 7. Vervoersvoorzieningen verstrekt in de vorm van een PGB kunnen worden teruggevraagd bij overlijden van de inwoner, het niet adequaat zijn van de voorziening of indien er geen gebruik meer Pagina 1 van 5

wordt gemaakt van de voorziening. De restwaarde van de vervoersvoorziening kan worden teruggevraagd en wordt als volgt bepaald: a. Eerste jaar: 60% b. Tweede jaar: 50% c. Derde jaar: 40% d. Vierde jaar: 30% e. Vijfde jaar: 20% f. Zesde jaar: 10% g. Zevende jaar: 0% 8. De hoogte van het PGB voor onderhoud, service en verzekering wordt bepaald aan de hand van een offerte. Artikel 1.3 Hoogte PGB voor woonvoorzieningen 1. De hoogte van het PGB voor aanschaf van een woonvoorziening is gelijk aan de kostprijs van de goedkoopst adequate woonvoorziening in natura. 2. De goedkoopst adequate woonvoorziening blijkt uit door ten minste twee offertes van verschillende leveranciers. 3. De vergoeding wordt door de gemeente aan de persoon die de facturen heeft betaald, uitbetaald, na overleg van de gereedmelding en facturen van de gerealiseerde aanpassingen. 4. Als de inwoner een bouwkundige woningaanpassing in natura wenst, betaalt de gemeente de facturen aan de aannemer. 5. Indien het college een woningaanpassing heeft verstrekt en de inwoner verhuist binnen 10 jaar, nadat de woningaanpassing is verstrekt, dan dient de meerwaarde van de woning door de woningaanpassing – onder verrekening van de voldane eigen bijdrage als bedoeld in artikel 9.1 - te worden terugbetaald aan het college tot maximaal de kostprijs van de woningaanpassing. 6.

Woonvoorzieningen verstrekt in de vorm van een PGB kunnen worden teruggevraagd bij overlijden van de inwoner, het niet meer adequaat zijn van de voorziening of bij verhuizen van de inwoner. De restwaarde van de woonvoorziening kan worden teruggevraagd en wordt als volgt bepaald: a. Eerste jaar: 60% b. Tweede jaar: 50% c. Derde jaar: 40% d. Vierde jaar: 30% e. Vijfde jaar: 20% f. Zesde jaar: 10% g. Zevende jaar: 0% Artikel 1.4 Hoogte verhuis– en herinrichtingskosten 1. Het bedrag voor de verhuiskostenvergoeding bedraagt maximaal € 2.600,00 2. Het bedrag dat als maximum verstrekt wordt bij het bezoekbaar maken bedraagt maximaal € 2.600,00 3. Kosten van tijdelijke huisvesting worden in beginsel vergoed als eenmalig te verstrekken PGB met een maximum van het bedrag genoemd in artikel 13 lid 1 onder a van de Wet op de Huurtoeslag tot een periode van maximaal zes maanden. Artikel 1.5 Autokostenvergoeding Indien geen gebruik gemaakt kan worden van een van de andere vervoersoplossingen, waaronder de taxi, is een autokostenvergoeding van € 0,23 per kilometer mogelijk. Dit op basis van de vastgestelde vervoersbehoefte. Hoofdstuk 2 Verantwoording en terugvordering vervoersvoorzieningen 1. De inwoner dient binnen 12 maanden na de datum van de toekenningsbeschikking een kopie van het aanschafbewijs (kopie factuur) in te leveren. 2.

Het PGB voor onderhoud, service en verzekering hoeft niet verantwoord te worden. Pagina 2 van 5

3. Indien de vervoersvoorziening langer dan 3 maanden niet wordt gebruikt kan het college de toegekende voorziening intrekken of beëindigen. Hoofdstuk 3 Eigen bijdrage Artikel 3.1 Eigen bijdrage maatwerkvoorzieningen en vervoersvoorzieningen 1. Voor een maatwerkvoorziening is de inwoner de maximale bijdrage in de kosten verschuldigd, zoals bepaald in het Uitvoeringsbesluit maatschappelijke ondersteuning 2015. 2. Een bijdrage in de kosten van een maatwerkvoorziening is verschuldigd zolang van deze voorziening gebruik wordt gemaakt of korter, bij een eenmalige PGB of verstrekking, als eerder het bedrag van de kostprijs is bereikt. 3. Dit artikel is niet van toepassing op rolstoelen en doventolk. 4. Op grond van artikel 2.1.4b, eerste lid, van de wet worden de bijdragen als bedoeld in artikel 2.1.4a van de wet, voor een maatwerkvoorziening of PGB door het CAK vastgesteld en geïnd. Artikel 3.2 Eigen ritbijdrage taxi 1. Het vervoer per taxi van deur tot deur kan tot een straal van maximaal 25 kilometer vanaf het huisadres. 2. Er geldt een starttarief en een eigen ritbijdrage welke jaarlijks vastgesteld/geïndexeerd kan worden. 3. Het starttarief en de ritbijdrage en worden beschouwd als een besparingsmiddel ten aanzien van de onkosten die anders gemaakt zouden worden vanuit een eigen vervoersmiddel. 4. Er wordt een starttarief van € 1,00 per rit gehanteerd 5.

De eigen ritbijdrage wordt berekend op basis van het werkelijk aantal gereisde kilometers en bedraagt € 0,24 per kilometer. 6. Het starttarief per rit en de eigen ritbijdrage moeten worden voldaan aan de vervoerder. Artikel 3.4 Eigen bijdrage woonvoorzieningen volwassenen 1. Voor een woonvoorziening is de inwoner de maximale bijdrage in de kosten, zoals bepaald in het Uitvoeringsbesluit maatschappelijke ondersteuning 2015, verschuldigd. 2. Een bijdrage in de kosten van een woonvoorziening is verschuldigd zolang van deze voorziening gebruik wordt gemaakt of korter, bij een eenmalige PGB of verstrekking, als eerder het bedrag van de kostprijs is bereikt. Artikel 3.5 Eigen bijdrage woningaanpassingen jeugd De bijdrage voor een woningaanpassing voor een minderjarige inwoner is verschuldigd door: a. de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen, of b. degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een inwoner. Artikel 3.6 Geen eigen bijdrage Er wordt geen eigen bijdrage geheven over de kosten genoemd in artikel 2.4 en 2.5. Artikel 3.7 Lagere eigen bijdrage 1. Er kan geen of een lagere bijdrage opgelegd worden in de volgende situaties: a.

indien het college van oordeel is dat er voor de vast te stellen bijdragen (tijdelijk) onvoldoende betalingscapaciteit aanwezig is bij de inwoner; b. indien het college van oordeel is dat de verschuldigdheid van de bijdrage nadelige gevolgen heeft voor de doelstelling van een integrale dienstverlening of persoonsgerichte aanpak van een inwoner die gericht is op het zich kunnen handhaven in de samenleving, het zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving blijven of de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente;

Pagina 3 van 5

c. indien de inwoner of de echtgenoot van de inwoner een bijdrage als bedoeld in artikel 3.11 of 3.12 dan wel een bijdrage ingevolge de artikelen 3.3.2.1 of 3.3.2.2 van het Besluit langdurige zorg verschuldigd is; d. indien de inwoner of zijn echtgenoot gedurende twee of meer nachten aaneengesloten in de maand in een instelling voor opvang verblijft; e. indien het college, na advies van een instelling voor algemeen maatschappelijk werk, de Raad voor de Kinderbescherming of Veilig Thuis, van oordeel is dat de verschuldigdheid van de bijdrage kan leiden tot mishandeling, verwaarlozing of ernstige schade voor de opvoeding en ontwikkeling van een minderjarige door de ouder, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet; f. voor een inwoner die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, met uitzondering van een woningaanpassing voor zover bij verordening op grond van artikel 2.1.5 van de wet een ander de bijdrage verschuldigd is; g. door de gehuwde inwoner of de gehuwde inwoner tezamen, waarvan ten minste een van beiden de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt. Artikel 3.8 Bepalen kostprijs voorziening 1. De kostprijs van een maatwerkvoorziening die in de vorm van een PGB wordt verstrekt, is gelijk aan het bedrag van het PGB. 2.

De kostprijs van een voorziening die in natura wordt verstrekt is gelijk aan het bedrag dat de gemeente betaalt voor deze voorziening aan de aanbieder die door de gemeente gecontracteerd is. 3. Voor hulpmiddelen (woon- en vervoersvoorzieningen) wordt uitgegaan van de kostenopgave van de door de gemeente gecontracteerde leverancier. Hoofdstuk 4 Beëindigen voorzieningen Artikel 4.1 Beëindigen voorzieningen 1. Bij overlijden van de inwoner wordt de maatwerkvoorziening of het PGB tot de dag van overlijden beëindigd. Een verstrekte vervoers- of woonvoorziening zal door het college worden ingenomen. 2. Bij verhuizen van de inwoner naar een andere gemeente wordt de maatwerkvoorziening of het PGB per datum verhuizing in het Basisregistratie Personen (BRP) beëindigd. Een verstrekte vervoers- of woonvoorziening zal door het college worden ingenomen. Hoofdstuk 5 Slotbepalingen Artikel 5.1 Evaluatie en indexering 1. Het Financieel Besluit wordt jaarlijks geëvalueerd. 2. De tarieven worden geïndexeerd op basis van de prijsindex voor de gezinsconsumptie (cpi), waarbij het voorlopige cijfer wordt gebruikt van de maand september van het lopende jaar, gerekend over een periode van de 12 voorafgaande maanden. 3. Het bedrag genoemd in artikel 4.3 kan jaarlijks geïndexeerd worden aan de hand van de dan geldende belastingwetgeving.

Artikel 5.2 Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de aanvrager afwijken van de bepalingen in dit Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Súdwest-Fryslân 2026, indien toepassing daarvan zou leiden tot onbillijkheden van overwegende aard. Artikel 5.3 Citeertitel en inwerkingtreding Dit Besluit wordt aangehaald als: 'Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente SúdwestFryslân 2026' en treedt in werking op 1 januari 2026. Pagina 4 van 5

Pagina 5 van 5

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16406007/1