ATV 2024-01-04 I PvdA I Kaderbrief Veiligheidsregio + eerste begrotingswijziging e.d
Tekst van het document
AMBTELIJKE TECHNISCHE VRAGEN Naam indiener Fractie
: :
Johan Feenstra PvdA
Datum
:
4 januari 2024
Aan
:
Ambtelijke organisatie
Onderwerp
:
Kaderbrief Veiligheidsregio + eerste begrotingwijziging e.d.
Wijze van beantwoording
:
Schriftelijk binnen 2 werkdagen
Datum beantwoording
:
11 januari 2024
Toelichting ambtelijke vraag: Begin december 2023 heeft de gemeenteraad de Kaderbrief 2025 e.v., de begrotingswijziging 2024 en de financiele verordening van de Veiligheidsregio ontvangen. Daarover hebben wij de volgende vragen:
De ambtelijke organisatie wordt verzocht de volgende vraag/vragen te beantwoorden; 1
Begin 2023 is er n.a.v. de Kaderbrief 2024 door gemeenten stevig gediscussieerd over de te hanteren systematiek . voor indexatie van loon en prijsontwikkelingen . De uitkomst was dat de Veiligheidsregio een evaluatie zou uitvoeren over de te hanteren index. Kunnen wij de evaluatie en bijbehorende stukken zoals verslagen ontvangen? Antwoord: In bijlage 1. is de presentatie opgenomen zoals besproken is in de Auditcommissie van 13 maart 2023. De notulen van deze bespreking zijn opgenomen in bijlage 2.
2
De evaluatie is uitgevoerd met de Auditcommissie (zie pagina 2 aanbiedingsbrief). . Wie zitten er namens de gemeenten in de Auditcommissie?
Antwoord: In 2023 waren de volgende personen lid van de Auditcommissie: M. Waanders (vz, burgemeester gemeente Waadhoeke), A. van de Nadort (burgemeester gemeente Weststellingwerf), R. de Vink (extern Lid), J.D. de Vries (portefeuillehouder gezondheid gemeente Noardeast-Fryslân), K. Offringa (extern lid), P. IJnsen (portefeuillehouder gezondheid gemeente Ameland), J. Gebben (Burgemeester gemeente Tytsjerksteradiel). 3
Vorig jaar is bij de kaderbrief afgesproken om scenario 3 te volgen. Dat wil zeggen: de indexatie van de . materiele kosten af te toppen tot 8% en deze indexatie op basis van de werkelijke ontwikkelingen van het gemeentefonds over 2022, 2023 en 2024 te verrekenen.
A. Wij ontvangen graag de berekening en analyse van de indexatie van de werkelijke LPO ontwikkelingen vanuit het gemeentefonds (meest actuele septembercirculaire 2023 zie pagina 11). (zie ook vraag 6) Antwoord: In bijlage 3 is de voorlopige uitwerking van scenario 3 opgenomen. Tijdens de bespreking met de financiële ambtenaren is daarbij geconstateerd dat wij ten onrechte ook de loonvoet hebben meegenomen in de berekende loonprijsontwikkeling percentages voor gemeenten. Wij zullen dit corrigeren bij de definitieve verrekening van scenario 3, zodra de meicirculaire van het gemeentefonds bekend is. Het afgegeven beeld blijft echter gelijk. Waarbij de incidentele verschillen over 2022 en 2023 groter zijn, maar het structurele cumulatieve verschil kleiner. In de bijlage is dit inzichtelijk gemaakt. Het voorlopige structurele cumulatieve verschil is opgenomen in de begrotingswijziging 2024 voor € 263K. Op basis van de berekening exclusief de loonvoet zou dit € 87K moeten zijn. Na publicatie van de meicirculaire 2024, en daarmee het bekendmaken van de definitieve percentages voor de IMOI en de iboi, zullen wij conform afspraak scenario 3 definitief verrekenen. 4
Op pagina 16 van de Kaderbrief 2025 e.v. staan onderaan de percentages genoemd die de veiligheidsregio . hanteert voor de loonvoet op basis van de septembercirculaire 2023. De indexpercentages die voor gemeenten van toepassing zijn en op grond waarvan gemeenten via het accres worden bekostigd, staan vermeld op pagina 11 van de septembercirculaire. Voor 2024 is dat 6,7%; voor 2025 5,3% en voor 2026 4,7%. Deze percentages komen NIET overeen met de percentages die de veiligheidsregio gebruikt. Die gebruikt cijfers die ontleend zijn aan de recente publicaties van het CPB (zie tabel 4.2.2. septembercirculaire). De Veiligheidsregio geeft telkenmale de indruk dat men aansluit bij de indexeringen zoals die voor gemeenten gelden via het gemeentefonds. A. Klopt het dat de Veiligheidsregio niet dezelfde percentages (2025 en 2026 ev.) hanteert voor de loonvoet, dan de percentages waarop de gemeenten via het accres voor de lonen worden gecompenseerd. Graag enige uitleg. B. Zo ja: geeft het feit dat de Veiligheidsregio niet aansluit op de percentages van de bekostiging van het gemeentefonds ook budgettaire verschillen nu er geen 1:1 relatie is? Graag uitleggen. Antwoorden: Algemeen: Voor de loonvoet wordt de CAO gevolgd en voor de materiële kosten wordt aansluiting gezocht bij de indexering van het gemeentefonds.
Financiële verordening: Ten behoeve van de indexatie van loonkosten naar het volgend begrotingsjaar wordt uitgegaan van de vigerende CAO. Indien de vigerende CAO nog niet bekend is, dan wordt voor de verwachte loonontwikkeling voorlopig uitgegaan van de macro-economische verkenning van het CPB zoals deze in de meest recente septembercirculaire van het gemeentefonds is vermeld. Dit betreft de loonvoet sector overheid. Indien er gedurende een begrotingsjaar sprake is van een nieuwe CAO, wordt in het lopende begrotingsjaar een correctie toegepast op de loonkostenontwikkeling op basis van de werkelijke kosten op grond van deze CAO. Wij hanteren daarvoor het staatje zoals in de septembercirculaire is opgenomen op pagina 30 van de
septembercirculaire:
De loonkosten worden ten alle tijde gecorrigeerd op basis van de geldende CAO (voor het personeel in dienst van veiligheidsregio’s). Hiermee wordt invulling gegeven aan de bestuurlijke afspraken die reeds enige jaren gelden. 5
Op pagina 17 van de Kaderbrief 2025 e.v. wordt ingegaan op de indexering van de materiele kosten. Ook daar wordt geschreven dat het uitgangspunt wordt gehanteerd dat de materiele kosten in de begroting van de Veiligheidsregio op dezelfde wijze worden geïndexeerd als de indexatie zoals opgenomen in het gemeentefonds. Daarbij neemt men echter opnieuw de prognoses op van het CPB mee (tabel 4.2.2. septembercirculaire) en gaat de Veiligheidsregio o.i. niet uit van de percentages op grond waarvan gemeenten via het gemeentefonds bekostigd worden. Daarnaast worden de gemeenten o.i. ook niet bekostigd op grond van het consumentenprijsindex (CPI), maar voor de jaren 2024-2026 op grond van een mix van de index prijs materiele overheidsconsumptie (IMOC) en index prijs overheidsinvesteringen (IBOI). Graag onderstaande vragen per onderdeel (afzonderlijk) beantwoorden: A. De consumentenprijsindex (CPI) is een index die het prijsverloop aangeeft van een mandje goederen en diensten zoals gemiddeld wordt aangeschaft door PARTICULIERE huishoudens of te wel gezinnen. Wordt het gemeentefonds en dus de gemeenten door het rijk voor materiële uitgaven ook bekostigd op grond van de CPI? Zo neen: Met welke indexen worden gemeenten voor de prijsontwikkeling in 2024 – 2026 danwel via het gemeentefonds dan bekostigd? B.
Indien het gemeenten via het gemeentefonds voor materiele uitgaven niet volgens het CPI bekostigd worden hoe beoordeeld u dan het schrijven van de Veiligheidsregio (pagina 17), dat de materiële kosten in de begroting van de Veiligheidsregio op dezelfde wijze worden geïndexeerd als de indexatie zoals opgenomen in het gemeentefonds? Klopt dat volgens u? Is dat een juiste weergave van de feiten? C. Wat is uw zienswijze over het feit dat de Veiligheidsregio voor materiele uitgaven een indexcijfer hanteert die bedoeld is voor particuliere huishoudens en die niet bedoeld is voor overheidslichamen? D. Om aansluiting bij het gemeentefonds te houden zouden in uw beleving dan ook de indices gebruikt moeten worden die de fondsbeheerders hanteren m.b.t. de bekostiging van gemeenten? Graag motiveren. E. In de nieuw voorgelegde financiële verordening wordt in artikel 4 lid 1.a voorgesteld om voor materiële kosten in het vervolg uit te gaan van het CPI. Waarom wordt hiervan uitgegaan als dit niet aansluit bij de bekostiging van gemeenten? Graag uitleg en uw zienswijze daarover. F. Hoe is het proces verlopen om te komen tot een gewijzigde financiële verordening in het algemeen en tot artikel 4 in het bijzonder.
Zijn de bestuurders er daadwerkelijk van op de hoogte dat de materiële uitgaven met een index voor particuliere huishoudens worden gecompenseerd? Antwoorden: Financiële verordening: Ten behoeve van de indexatie van materiële kosten naar het volgende begrotingsjaar wordt uitgegaan van de consumentenprijsindex (CPI) zoals gepresenteerd in de septembercirculaire gemeentefonds twee jaar voorafgaand aan het betreffende begrotingsjaar (i.e. T-2). Dit bedrag wordt in het lopende begrotingsjaar middels een begrotingswijziging verrekend met de werkelijke loonprijscompensatie zoals opgenomen in het gemeentefonds. Uitgangspunt hierbij is de informatie zoals opgenomen in de
meicirculaire van het betreffende begrotingsjaar. Er is sprake van twee stappen: 1. Voor de begroting hanteren wij het cpi percentage zoals dit in bovenstaande tabel (zie vraag 4) genoemd wordt. 2. In het lopende begrotingsjaar passen wij dit aan naar de werkelijke compensatie zoals de gemeenten deze ontvangen op het gemeentefonds (pas bekend bij meicirculaire in het lopende jaar). Oftewel, de cpi is de voorlopige basis en er wordt afgerekend op basis van de IMOC en de IBOI. De index op de materiële kosten sluit daarmee 1 op 1 aan. B. Dit is een voorlopige indexatie, de verrekening vindt plaats op basis van de imoc en de iboi. C. Zie A. en B. D. Zie A. en B. E. Zie A. en B. F. Dit is de uitkomst van de evaluatie zoals deze samen met de auditcommissie is uitgevoerd. De systematiek om de verrekening van de indexatie van de materiële kosten te baseren op de IMOC en IBOI en daarmee aansluiting te leggen met het gemeentefonds, is nadrukkelijk besproken in de divers bestuurscommissies. 6
Op pagina 15 van de kaderbrief staan de effecten van scenario 3 vermeld oplopend naar een cumulatief verschil van min € 2.570.000. Ook wordt hier in de begrotingswijziging op ingegaan. A. Wij ontvangen graag per jaar de verschillen analyse met bedragen en gehanteerde percentages. B. Op pagina 2 van de begrotingswijziging wordt een grafiek gepresenteerd. Daar worden percentages globaal zichtbaar gemaakt o.b.v. de septembercirculaire en de VRF begroting. Ook hiervan graag (in samenhang wellicht met bovenstaande vraag a) de exact gehanteerde indices per jaar plus de bedragen die uiteindelijk een structurele doorwerking geven. Antwoorden: A. Zie de analyse zoals deze is meegestuurd naar aanleiding van vraag 3. B. Idem.
7
Op pagina 14 van de kaderbrief is vermeld dat als gevolg van de doorlichting de gemeenten € 415.000 extra moeten betalen. Dit heeft betrekking op de organisatie. A. Kan een opgave worden gedaan waar die extra uitgaven voor de organisatie uit bestaan? B. Waarom wordt dit bedrag niet gedekt binnen de eigen organisatie. In plaats de rekening bij de gemeenten neer te leggen die al met ravijnjaren worden geconfronteerd? Antwoorden: A. Deze extra uitgaven betreffen onder meer extra formatie i.v.m. toenemende verantwoordings- en beheerskosten (zoals activabeheer, accountantskosten, arbokosten) en toenemende huisvestingskosten (energielasten, schoonmaakkosten en onderhoudskosten). B. Uit de analyse van de doorlichting blijkt dat deze kosten niet binnen de huidige begroting zijn op te vangen, zonder concessies te doen aan de dienstverlening. De rekening wordt uiteraard niet zonder een grondige interne analyse bij de gemeente neergelegd. Zoals uit de toelichtende video bij de stukken blijkt, heeft Veiligheidsregio Fryslân de CAO-effecten voor 2023 en de incidentele verschillen van scenario over 2022 en 2023 niet bij de gemeenten in rekening gebracht, maar incidenteel binnen de begroting opgevangen. Daarnaast wordt in de kaderbrief 2025 voorgesteld om de eerder begrote stortingen in de egalisatiereserve terug te draaien, waarmee structureel € 350.000 ruimte wordt gecreëerd.
Tenslotte is er geen sprake van nieuw beleid in de kaderbrief 2025.
8
Op pagina 16 van de kaderbrief staan de nieuwe bedragen vermeld die gemeenten totaal moeten afdragen. Dit loopt op naar € 100.847.000 in 2028.
Graag ontvangen wij een overzicht van bijdragen per gemeente per jaar tot en met 2028. Antwoord: In bijlage 4 is de bijdrage per gemeente 2025 – 2028 opgenomen.