9. TV RAAD PvdA - antwoorden
Tekst van het document
TECHNISCHE VRAGEN (over lopende agendapunten) Naam indiener Fractie
: Aagje Bouwhuis : PvdA
Raad Datum
: 10 juli 2025
Agendapunt
:9
Onderwerp
: Yntegraal húsfestingsplan ûnderwiis Súdwest-Fryslân 2025 – 2040
Onderwerp: Voorbereiding op nieuwe wet onderwijshuisvesting en gevolgen voor het Integraal Huisvestingsplan In het Integraal Huisvestingsplan Onderwijs 2025–2040 wordt vooruitgelopen op de nieuwe wet 'planmatige en doelmatige aanpak van onderwijshuisvesting', die naar verwachting in januari 2026 in werking treedt. Ook in de commissie BM van 25 juni kwam deze wet ter sprake. 1.
a. Kunt u toelichten wat de belangrijkste elementen zijn van deze nieuwe wet? b. Wat verandert er ten opzichte van de huidige wetgeving? Antwoord: a. Het wetsvoorstel beoogt de eerste stappen te zetten om te komen tot een meer ‘planmatige en doelmatige’ aanpak van de bouw en het onderhoud van onderwijshuisvesting. Het voorstel moet leiden tot een beter gesprek tussen gemeenten en schoolbesturen over nieuwbouw, verbouw en (groot) onderhoud van onderwijsgebouwen, en daardoor betere besluitvorming. -Het voorstel regelt dat gemeenteraden een integraal huisvestingsplan (hierna: IHP) vaststellen ten aanzien van onderwijshuisvesting (voor zowel het PO als het VO). -Op het bevoegd gezag van een onderwijsinstelling komt de verplichting te rusten om iedere vier jaar een meerjarenonderhoudsplan (hierna: MJOP) vast te stellen voor hun schoolgebouw(-en). - Daarnaast regelt het voorstel dat de minister meer informatie krijgt over de staat van schoolgebouwen. - Verder treft het voorstel een voorziening om een impasse te doorbreken rondom renovatie van schoolgebouwen. - Tot slot regelt het voorstel dat schoolbesturen in het primair onderwijs en het (voortgezet) speciaal onderwijs, een eventueel overschot op hun bekostiging voor personeel en exploitatie (‘lumpsum’) mogen besteden aan voorzieningen in de huisvesting, waarvoor in de regel de gemeente verantwoordelijk is. b.
Vanaf (naar verwachting) 1 januari 2026 treed de wet planmatige en doelmatige aanpak van onderwijshuisvesting in werking en vanaf dat moment is het verplicht om een IHP op te stellen voor zowel het PO als het VO en SO.
2.
Wat wordt er concreet verwacht van gemeenten, zoals Súdwest-Fryslân, zodra deze wet in werking treedt in 2026? (denk aan verplichtingen en acties) Antwoord: Wat er met name concreet wordt verwacht van gemeenten is dat zij een IHP maken in samenwerking met de schoolbesturen. Het IHP bestrijkt een periode van vier jaar. Het beschrijft het beleid van de gemeente voor de onderwijshuisvesting in relatie tot de prognose van het aantal leerlingen in die periode. Verder moet het IHP de voornemens bevatten voor de twaalf jaar volgend op de vier jaar die het IHP bestrijkt. In dit IHP dient de gemeente de renovatie als nieuwe voorziening op te nemen. Voorheen was de gemeente alleen verantwoordelijk voor nieuwbouw en uitbreiding en was renovatie een grijs gebied. Hierdoor moeten de investeringsplannen (voor 4 jaar) t.a.v. onderwijshuisvesting door de gemeente expliciet inzichtelijk gemaakt worden (vastgesteld), wat zorgt voor duidelijkheid voor de schoolbesturen.
3.
a. Dient het IHP per 2026 volledig uitgewerkt te zijn, inclusief PO, VO en SO? b. Blijft het toegestaan om het IHP na 2026 gefaseerd aan te vullen (bijvoorbeeld bij nieuwe prognoses of beleidsontwikkelingen)? Antwoord: a. Ja. De wet geldt voor PO, VO, SO en voortgezet SO. Een IHP en MJOP moet binnen drie respectievelijk twee jaar na inwerkingtreding van de wet zijn vastgesteld. b. Het IHP wordt elke vier jaar opnieuw vastgesteld (geactualiseerd) volgens de wettelijke
procedure. Daarmee wordt ook de doorkijk voor de twaalf volgende jaren elke vier jaar vernieuwd. Tussentijds kan het IHP opnieuw worden vastgesteld als het schoolbestuur en de gemeente dit nodig achten, maar ook dan dient de wettelijke procedure te worden gevolgd.
4.
a. Wat is de actuele stand van zaken in het wetgevingstraject van de Wet planmatige aanpak onderwijshuisvesting (behandeling in Tweede en Eerste Kamer)? b. Heeft de val van het kabinet invloed op de inhoud of de invoeringsdatum (per 2026) van deze wet? c. Zijn er signalen van OCW of VNG over mogelijke uitstel of aanpassingen? Antwoord: a. De beoogde inwerkingtreding van de Wet planmatige aanpak onderwijshuisvesting is op 1 januari 2026. b. De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft op 19 juni jl. besloten het wetsvoorstel niet controversieel te verklaren. De betekent dat de geplande behandeling doorgaat ondanks de val van het kabinet. c. Nee.
5.
Op grond van de huidige wet- en regelgeving (2025), is het verplicht om het VO nu al op te nemen in het IHP? Zo ja, op grond van welke wettelijke artikelen? Antwoord: Het is in de huidige wetgeving niet verplicht het VO op te nemen in het IHP. Het is namelijk niet wettelijk verplicht een IHP te maken.
6.
Is de stellingname juist, dat wanneer de voorgenomen plannen m.b.t. het VO buiten het thans voorgelegde IHP worden geplaatst, de gemeente vervolgens binnen 4 jaren na 2026 (bij het aannemen van de wet) deze wel in een IHP dient vast te leggen? Antwoord: Nee. Zodra de wet in werking treed dan moet er binnen 3 jaar een IHP zijn vastgesteld en binnen twee jaar een MJOP. De totstandkoming van het IHP neemt doorgaans een tot twee jaar in beslag vanwege de veelomvattendheid van het document en de complexiteit van de technische en financiële gegevens.
Wel geldt er een zorgplicht voor gemeenten in het kader van passend onderwijs en deze houdt in dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor de huisvesting van scholen ook die van het VO. 7.
Dient er elke 4 jaren een IHP te worden vastgesteld door de gemeenteraad? Antwoord: Zodra de wet in werking is getreden dient het IHP iedere 4 jaar te worden geactualiseerd.
8.
Op pagina 30 van het IHP staat: “Om tot een zorgvuldig afgewogen besluit te komen zijn de kosten van een alternatief, lees renovatie, ook onderzocht. Deze onderzoeken leiden allemaal naar dezelfde conclusie: nieuwbouw van een gezamenlijke onderwijscampus is de beste keuze zowel inhoudelijk als financieel”. a. Uit deze passage blijkt dat er een afgewogen besluit is genomen; door wie en wanneer? b. De kosten van een alternatief (t.o.v. een campus) zijn ook onderzocht waaronder renovatie. Welke onderzoeken zijn dat? En wij willen graag al deze onderzoeken ontvangen en met het verzoek deze aan de vergaderstukken toe te voegen? c. Graag ontvangen we de uitkomsten van de onderzoeken in een beknopte samenvatting met de financiële consequenties. Antwoord: a. Er staat niet dat er een besluit is genomen er staat dat de informatie nodig is voor het uiteindelijk nemen van een zorgvuldig besluit over huisvesting van het VO. De raad neemt uiteindelijk een besluit over het voorliggende IHP. b. De onderzoeken zijn beschikbaar gesteld voor de informerende bijeenkomst over het IHP op 17 juni jl. Deze stukken kunt u terugvinden in IBABS bij de informerende bijeenkomst over het IHP. c. De gebouwen van RSG en Bogerman zijn door twee verschillende bureaus onderzocht. Beide bureaus hebben een samenvattend overzicht aangeleverd: een factsheet respectievelijk oplegnotitie.
Deze stukken kunt u terugvinden in IBABS bij de informerende bijeenkomst over het IHP.