CConstaterende datSudwest Fryslan
Koppel je AI →
Document · PDF

9. TV RAAD CDA - antwoorden

Raadsvergadering 19 december 2024, gemeente Sudwest FryslanBij agendapunt: Oprjochting Gemeentlik Enerzjybedriuw1.329 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

TECHNISCHE VRAGEN (over lopende agendapunten) Naam indiener Fractie

: Bob van der Werf : CDA

Raadsvergadering Datum

: 19 december 2024

Agendapunt

:9

Onderwerp

: Gemeentelijk energiebedrijf

1. Welke specifieke maatregelen heeft het college voorbereid als subsidies zoals de CDOKEsubsidie lager uitvallen of verdwijnen? Kan het college aantonen dat het energiebedrijf zonder deze subsidies financieel levensvatbaar blijft? Antwoord: Het college heeft nog geen specifieke maatregelen voorbereid voor het scenario waarin de CDOKE-subsidie lager uitvalt of verdwijnt, aangezien er geen signalen in deze richting zijn. Het rijk heeft aangegeven de subsidies tot 2025 te verhogen, en eventuele afbouw of beëindiging wordt niet verwacht zonder gevolgen voor klimaatdoelen. Doel is dat het energiebedrijf in de uitvoeringsfase financieel levensvatbaar is, zonder directe gemeentelijke middelen. De haalbaarheid van het bedrijf wordt op zakelijke en technische mogelijkheden beoordeeld, mochten subsidies wegvallen, worden businesscases opnieuw onderzocht en pas goedgekeurd wanneer deze haalbaar zijn. 2. Hoe borgt het energiebedrijf zijn flexibiliteit als toekomstige wetgeving zoals de nieuwe Wet Collectieve Warmte (WcW) aanvullende eisen stelt of beleid drastisch verandert? Kan het college voorbeelden geven van hoe eerdere aanpassingen succesvol zijn doorgevoerd? Antwoord: Het energiebedrijf moet wendbaar zijn bij prijsfluctuaties, veranderende wetgeving en andere omstandigheden.

De gemeente, (publieke) financier en de ACM (toezichthouder warmteleveringsvergunning) waarborgen de financiële haalbaarheid per project, met de mogelijkheid voor de gemeente als aandeelhouder om afwegingen te maken. Het Deense model toont aan dat warmtebedrijven stabiel blijven, zelfs bij veranderend beleid, omdat warmte een constante basisbehoefte is. Dit biedt zekerheid voor de lange termijn, zolang er haalbare en betaalbare projecten blijven bestaan. 3. Aangezien de juridische en regelgevende kaders in Nederland nog volop in ontwikkeling zijn, welke concrete stappen worden genomen om onzekerheden op te vangen? Welke lessen zijn getrokken uit vergelijkbare projecten in andere gemeenten? Antwoord:

De WgiW is op 10 december 2024 door de Eerste kamer aangenomen, deze wet geeft de

gemeente de instrumenten om door te pakken bij het verduurzamen van de gebouwde omgeving. Het geeft de gemeente de verantwoordelijkheid en instrumenten om door te pakken bij het verduurzamen van de gebouwde omgeving. Dit onderstreept dat het juist is om nu stappen te zetten en bevestigt de verwachting dat dit kabinet door zal gaan met dit pakket wetgeving, waar de Wet collectieve warmtevoorziening (WcW) ook toe gerekend kan worden. De WcW ken al een lange ontwikkeling en er worden geen fundamentele veranderingen verwacht. Wel zoekt de Tweede kamer naar oplossingen voor zeker stellen van de betaalbaarheid middels flankerend beleid. Daarnaast biedt het de gemeente ook de mogelijkheid om over onvoorziene onzekerheden in gesprek te gaan. De invloed vanuit onze ontwikkelingen heeft ervoor gezorgd dat het landelijk gebied en de warmtetransitie beter zijn geborgd in de toekomstige wetgeving. Dit helpt ons om goede keuzes te maken voor onze inwoners en bedrijven. 4.

Wat zijn de concrete garanties die het college biedt met betrekking tot de technische haalbaarheid en betaalbaarheid van complexe projecten zoals geothermie, aquathermie en restwarmte? Heeft het college onafhankelijke expertise geraadpleegd om deze garanties te onderbouwen? Antwoord: De gemeente werkt continu samen met onafhankelijke experts, zowel intern als extern, en heeft de locatie van (rest)warmtebronnen in kaart gebracht. We onderhouden contacten met bedrijven in de belangrijkste kernen over hun warmteaanbod en benodigde investeringen. Voor veel bedrijven is het aantrekkelijk om restwarmte beschikbaar te stellen, het restproduct vereist in veel gevallen diverse vergunningen en moet in sommige gevallen gekoeld worden. Potentiële locaties voor aquathermie en geothermie zijn al geïdentificeerd. 5. Wat doet de gemeente als blijkt dat de benodigde technische en bestuurlijke expertise ontbreekt om een energiebedrijf professioneel op te zetten? Hoe wordt dit tekort structureel opgevangen? Antwoord: De gemeente Súdwest-Fryslân heeft de benodigde expertise al opgebouwd, oa. via verschillende pilotprojecten. In de eerste fase wordt een gemeentelijk energiebedrijf opgericht, met een dochtermaatschappij voor de ontwikkeling van warmteprojecten. Er wordt €100.000 gereserveerd voor externe expertise en €150.000 voor intern personeel binnen het programma Energietransitie.

Een groot deel van de werkzaamheden vinden plaats binnen de gemeentelijke organisatie. Ook werkt de gemeente samen met externe deskundigen en bedrijven om verdere kennis op te bouwen. Mocht er onvoldoende capaciteit of expertise beschikbaar zijn op enig moment, dan zal extra capaciteit worden gevraagd; een verzoek hiertoe komt dan richting uw raad. Súdwest-Fryslân heeft zich al gepositioneerd als een aantrekkelijke werkgever en sparringpartner voor ministeries, Nationaal programma Lokale Warmte, VNG en internationale partners. Door deze positie verder te ontwikkelen, trekt de gemeente kennis en nieuwe werkgelegenheid aan, wat de lokale expertise vergroot en bijdraagt aan een succesvolle uitvoering van de energietransitie. 6. Hoe groot acht het college het risico dat de personeelsbehoefte en kosten worden onderschat? Wat zijn de specifieke noodplannen om deze risico’s af te dekken? Antwoord: Wij ontvangen CDOKE middelen die we hiervoor aanwenden. In deze middelen zit voldoende ruimte. Daarom lijkt het genoemde risico laag. Op basis van de huidige beschikbare gegevens hebben wij de kosten scherp in beeld. Zoals de arbeidsmarkt er nu voor ligt, zal de vraag naar gekwalificeerd personeel om te voorzien in onze personeelsbehoefte hoger in schatten. Dit is niet alleen voor het gemeentelijke energiebedrijf een risico.

Dit geldt namelijk voor de gehele organisatie en ook in onze gemeente voor andere branches.

7. Kan het college met voorbeelden onderbouwen hoe de gemeente beschermd is tegen aansprakelijkheid bij een faillissement van het energiebedrijf? Welke juridische en financiële stappen zijn genomen om verliezen zoals die bij Warmtebedrijf Rotterdam en Purmerend (waarbij een vergelijkbare BV-structuur wordt gehanteerd) te voorkomen? Antwoord: Het gemeentelijk energiebedrijf wordt opgezet in de vorm van een BV-structuur, zodat het zelf rechtspersoonlijkheid heeft. Dat betekent dat de gemeente in principe niet juridisch/financieel verantwoordelijk is voor het warmtebedrijf. Dit kan anders zijn als er bijvoorbeeld door de gemeente garanties/borgstellingen worden afgegeven voor schulden van de BV of als de gemeente zelf leningen verstrekt aan de BV. In Purmerend en Rotterdam is gekozen om het warmtebedrijf financieel bij te staan, dat zal ook in onze gemeente, indien nodig, een keuze van de raad zijn. 8. Gezien de financiële uitdagingen waarmee onze gemeente kampt, heeft het college overwogen om de oprichting van een energiebedrijf uit te stellen of alternatieve prioriteiten te stellen? Zo nee, waarom niet? Antwoord: Het college heeft verschillende scenario tegen het licht gehouden.

Om de klimaatdoelen te behalen is er meer nodig dan alleen een aantal alternatieven, regie vanuit de gemeente is nodig om de warmtetransitie goed te positioneren en de leidende principes te borgen voor onze inwoner en bedrijven. Er is nu een kans stappen te zetten om tot betaalbare oplossingen te komen door de CODKE middelen. Een energiebedrijf kan hierin helpen sneller tot resultaat te komen. Zo zijn we sneller onafhankelijk van gas en sneller los onzekere gasprijzen. De investering isbeperkt. We volgen voorbeelden van Eindhoven, REKS Tilburg, Groningen etc. Het oprichten van een energiebedrijf is in lijn met prioriteiten en andere prioriteiten komen erdoor niet in gevaar. 9. Klopt het dat CDOKE-gelden breder inzetbaar zijn voor klimaat- en energiedoelen? Is er een verplichting vanuit het Rijk om deze gelden specifiek te gebruiken voor het energiebedrijf, of kunnen ze anders worden toegewezen? Antwoord: De CDOKE-gelden (Compensatie Duurzaam Opwekken en Klimaat Energie) kunnen breder ingezet worden voor klimaat- en energiedoelen, en er is geen verplichting om ze specifiek voor een energiebedrijf te gebruiken. Gemeenten hebben de vrijheid om de gelden toe te wijzen aan projecten die bijdragen aan de energietransitie en klimaatdoelen, zoals CO₂-reductie, duurzame energieopwekking of energiebesparing.

Hoewel er geen verplichte toewijzing naar een energiebedrijf is, sluit een gemeentelijk energiebedrijf goed aan bij de doelen van de energietransitie en de nationale klimaatdoelstellingen. Het kan bijdragen aan het faciliteren van duurzame warmtevoorziening, energiebesparing en het versnellen van de transitie naar een CO₂-neutrale energievoorziening.

10. Welke strategieën hanteren onze buurgemeenten ten aanzien van lokale energiebedrijven, en waarom heeft onze gemeente gekozen voor een afwijkende aanpak? Wat leren wij van hun ervaringen? Antwoord: Een aantal buurgemeenten werken met publiek-private samenwerkingen. Vaker nog ondersteunen zij initiatieven om de energietransitie te versnellen, dat laatste is vergelijkbaar met onze eerdere aanpak.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14974315/1