CConstaterende datSudwest Fryslan
Koppel je AI →
Document · PDF

9. TV CIE CDA I antwoorden

Raadsvergadering 3 maart 2022, gemeente Sudwest FryslanBij agendapunt: Untwikkelkader sliepplakakkommodaasjes1.657 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

TECHNISCHE VRAGEN (over lopende agendapunten) Naam indiener:

Douwe Attema

Fractie:

CDA

Commissievergadering:

Bestjoer en Finânsjes

Datum:

17 februari 2022

Agendapunt:

7

Onderwerp:

Ontwikkelkader logiesaccomodaties gemeente Súdwest-Fryslân

Vraag: Op bladzijde 2 van het Ontwikkelkader staat ‘door bij te dragen (….) aan het ontwikkelen van 2 nieuwe vitale logiesbedrijven, en het transformeren van 5 niet-vitale logiesbedrijven…’. Waar moeten we dan aan denken? Welke situaties en (bouw)plannen kunnen dat zijn? En: kunnen hier een aantal concrete voorbeelden worden genoemd om dit scherper in beeld te krijgen? Antwoord: De kwantitatief benoemde doelen kennen een tijdshorizon van zes jaar, van 2022 tot 2028. Nieuwe ontwikkelingen zijn vernieuwend en sluiten aan bij trends en ontwikkelingen in de sector, ze verrijken de omgeving en dragen substantieel bij aan het oplossen van maatschappelijke opgaven. Ze spelen in op de kwaliteitstoerist die authentieke ervaringen zoekt. Voor geheel nieuwe bedrijven ligt de lat heel hoog. Het plan moet daadwerkelijk de diversiteit (bijv. in nieuwe doelgroepen, architectuur, hybride vormen van logies, samen met agrarisch erfgoed) van het aanbod in de gemeente vergroten. Nieuwe logiesbedrijven voegen daadwerkelijk landschappelijke kwaliteit toe. We hebben in dit ontwikkelkader gekoerst op twee potentieel nieuwe bedrijven. Dat is minder dan waar de markt om vraagt. We laten ons graag verrassen door marktpartijen om te komen met de beste plannen. Maar dat ze maatschappelijk echt wat moeten toevoegen en van een hoge omgevingskwaliteit moge duidelijk zijn.

Het saneren/transformeren van vijf niet vitale reguliere logiesbedrijven staat inderdaad op pagina 2 genoemd. Dit doel valt overigens buiten de scope van het ontwikkelkader zoals aangegeven in hoofdstuk 2.1, pagina 16. Het accent van dit ontwikkelkader ligt op de revitalisering van de bestaande logiesbedrijven. Vraag: Op bladzijde 3 staat ‘dat ambtenaren, bestuurders, en raadsleden moeten leren loslaten (...) waarop de markt de ontwikkelprincipes invult binnen het gestelde kader’. Wanneer komt de gemeenteraad (dan nog) in beeld voor besluitvorming? En, wordt dan wel steeds gewerkt met startnotities voor de raad? Antwoord: Er zijn afspraken gemaakt over de betrokkenheid van de raad bij RO-procedures. Voor herzieningen van bestemmingsplannen zijn deze vastgelegd in de notitie ‘rol van de raad bij RO-procedures 2017-2019’ en voor uitgebreide omgevingsvergunningen in de lijst ‘categorieën van gevallen waarvoor geen verklaring van geen bedenkingen van de raad nodig is’.

Het ontwikkelkader zoals dat nu voorligt bevat algemene ontwikkelprincipes en zijn niet gebieds- of locatiegericht. In dergelijke gevallen is de afspraak dat initiatieven aan de raad worden voorgelegd als deze in strijd zijn met het bestemmingsplan en alleen kunnen worden gerealiseerd met een herziening van het bestemmingsplan of uitgebreide omgevingsvergunning (vaststellen startdocument respectievelijk verlenen planologische instemming). Vraag: Bladzijde 16 gaat verder in op de logiesdoelstellingen. ‘Het toekomstbestendig maken van 54 bestaande reguliere logies bedrijven, 2 nieuwe bedrijven, en saneren van 5 niet vitale reguliere logiesbedrijven’. Biedt dit kader de mogelijkheden om op campings en kampeerterreinen vakantiewoningen toe te staan? Antwoord: Het ontwikkelkader is bedoeld om handvatten te bieden om geweldige plannen te maken. Als dit een transformatie van (enkele) kampeerplaatsen naar vakantiewoningen betekent, dan kan hiertoe alleen een voorstel tot medewerking worden voorbereid als het plan aan alle vier ontwikkelprincipes en onderliggende criteria voldoet.

In dit geval – ‘deelkader: klein cluster vakantiewoningen’1 - zal het dan gaan om 34 te onderbouwen criteria gerubriceerd naar: - Bevordert diversiteit in het toeristisch cluster, - Toekomstbestendig logiesaanbod, - Voegt landschappelijke kwaliteit toe, - Benut culturele gebiedskwaliteiten, - Sluit aan bij de omgevingsaspecten van de provinciale verordening Fryslân, - Aantoonbare financiële haalbaarheid, - Voorkomen oneigenlijk gebruik en verloedering, - Aantoonbare organisatorische haalbaarheid, - Draagt bij aan maatschappelijke opgaven, - Participatie omgeving. Veranderingen kunnen pas in gang worden gezet als de uitkomst van de toetsing is dat het een geweldig plan is. Daarbij is de wetgeving altijd leidend. Denk aan juridische aspecten binnen de natuurwetgeving, de omgevingsverordening Fryslân, kansrijke gebieden voor weidevogels en richtlijnen vanuit de vaarwegenverordening. Vraag: Op bladzijde 19 staat ‘dat SWF kansrijk is voor de ombouw van jachthavens en kampeerterreinen in de richting van ... vakantiebungalows en (combinaties met)hotels’. Ook schrijft het college ‘we willen inzetten op meer vakantiewoningen’. Inmiddels hebben we de weerstand hiervan in het recreatiegebied de Potten vernomen en recentelijke in Heeg op de bouw van tweede woningen op de Waterportcamping.

In Heeg, Woudsend, Gaastmeer, Oudega, Top en Twel zijn meerdere vakantieparken op de mooiste plekken, vaak langs de randen van de meren. Vindt het college het gezien deze weerstanden vanuit onze inwoners het verantwoord dit beleidskader vast te stellen? Antwoord: Samen met het CDA zijn we ons bewust van de signalen over recente plannen in de gemeente. Dit ontwikkelkader geeft nu de juiste input om willekeur in de beoordeling over nieuwe plannen te voorkomen. Zo hebben we ook vernomen uit ingediende reacties op de tervisielegging. Overigens is de realisatie van een paar van de in de vraag genoemde plannen gebaseerd op de mogelijkheden in eerder vastgestelde bestemmingsplannen. Op pagina 19 gaat het ons juist om nieuwe toeristische concepten. Niet meer van hetzelfde maar innovatieve plannen, gericht op de toekomst. We zeggen ‘nee’ tegen tweede-woningparken. Het ontwikkelkader biedt ook de mogelijkheid om als omgeving en belanghebbenden beter en inhoudelijk te kunnen reageren op nieuwe initiatieven. Ondernemers moeten bij het uitwerken van hun plan namelijk 1

We onderscheiden 26 deelkaders met voor elk kader toe te lichten criteria: van hotels groot/klein tot groepsaccommodaties klein/groot)

vooraf aangeven hoe de omgeving wordt betrokken en wat met de resultaten van dit overleg met de omgeving is gedaan. Het beleidskader is dus een belangrijk richtinggevend document voor ons allemaal. Vraag: Bladzijde 23: Hier staat, ‘SWF kiest voor nieuwe logiesparken die bestaan uit maximaal 1/3 tweede woningen’. Is de overige 2/3 bestemd voor recreatiewoningen? En hebben we voldoende capaciteit om het eigen gebruik van acht weken te controleren en te handhaven? Aansluitend de bouw van tweede woningen: Onze inwoners hebben kritiek op de tweede woningen. Zowel bestaande woningen als nieuwe tweede woningen. Het risico op snel en groot geld verdienen is reëel aanwezig ten koste van ons gouden landschap. Waarom slaat de weegschaal van het college deze kant op: nieuwe tweede woningen en recreatiewoningen. Antwoord: Goed dat nader wordt gevraagd naar de interpretatie van dit ontwikkelprincipe. Het is namelijk zo geformuleerd om juist de nadelige aspecten te keren en uit de discussie van ‘snel en groot geld’ te blijven. Het gaat hier niet om solitaire woningen in kernen en/of het buitengebied, maar om eventuele nieuwe logiesparken die centraal bedrijfsmatig geëxploiteerd worden.

Als ontwikkeling, eigendom en exploitatie door afzonderlijke rechtspersonen plaatsvindt, is het van belang dat de exploitant (of managementorganisatie) ondernemersrisico loopt waardoor er blijvend aandacht ontstaat voor de kwaliteit en recreatief gebruik van de locatie. En er dus alles aan gedaan wordt om toeristische bestedingen te genereren. Logiesaccommodaties moeten worden gezien als bedrijfsmiddelen en niet als tweede-woningproduct. We gaan daarom voor vakantieverhuur en toeristisch recreatief ondernemerschap in plaats van nieuwe tweede woningparken en vastgoedproducten. Om eventueel nieuwe logiesparken mogelijk te maken is altijd ten minste 2/3 deel bestemd voor recreatiewoningen voor toeristische verhuur. Het toevoegen van enkele tweede woningen (ten hoogste 1/3 deel) is bespreekbaar om een deel van het bedrijfsconcept mee te financieren dan wel het verdienmodel rendabel te maken (niet alleen bij de start) en interessant te houden. Hierdoor blijft het vakantieproduct ook beschikbaar voor gasten met een kleinere portemonnee. Daarnaast krijgen de inpassing en ontsluiting een impuls door een bredere financiering. Voor de kwaliteit en het recreatieve gebruik van nieuwe logiesaccommodaties is blijvende aandacht nodig.

Bij realisatie wordt daarom ingezet op afspraken over toeristisch versus eigen gebruik en vastgelegd in anterieure overeenkomsten die worden voorzien van een kettingbeding. De wijze van toezicht op dit gebruik kan meegenomen worden in het lokaal uitvoeringsplan logiesaccommodaties dat jaarlijks wordt opgesteld. Het aantal bedrijven dat in aanmerking komt voor genoemd toezicht is laag in aantal en daarom goed te organiseren. De vergelijking met de weegschaal achten we niet juist. De essentie van dit ontwikkelkader is dat we de vitaliteit van onze logiesaccommodaties naar een hoger plan willen tillen, en daarin pas geen nieuwe tweede-woningparken.

Vraag: Op bladzijde 24 wordt aangehaald ‘de A-locaties’. A-locaties zijn de mooiste gebieden langs de randen van onze meren en dorpen. Kunt u voorbeelden geven waar A- lokaties kunnen liggen? Antwoord: Een interessante vraag die vanuit verschillende gezichtspunten beantwoord kan worden. In het ontwikkelkader is de duiding ‘A-locaties’ bedoeld voor gebieden die in het meest interessante toeristische deel van de gemeente/regio liggen. De waarde van een toeristische regio is afhankelijk van de ligging (bijv. ten opzichte van kust, stads- en dorpskern) en ruimtelijke kwaliteit (landschap, imago kern). De gebiedswaarde staat los van de waarde van individuele bedrijven, omdat ondernemers in een C-locatie (staat voor ‘nauwelijks toeristische aantrekkingskracht’) wel degelijk een hoge bedrijfswaarde kunnen realiseren.

Over het algemeen is er echter wel een verband tussen de economische prestaties van toeristische bedrijven en de toeristische waarde van het gebied waarin bedrijven gesitueerd zijn. Een omschrijving van een A-locatie in dit verband2: - gebied (cluster, stad, kuststrook) met landelijke bekendheid en aantrekkingskracht op de toerist. Ook populair onder buitenlandse toeristen omdat deze gebieden symbool staan voor Nederland. Toeristische infrastructuur in de basis prima op orde. Prijs en bezettingsniveaus van exploitaties goed. De grondwaardes (economische waarde per m2) goed. Goede voorbeelden hiervan in Súdwest-Fryslân zijn de meren en de IJsselmeerkust. Voorbeelden van A-locaties kunnen ook benoemd worden in de op te stellen ‘Agenda Sterke kernwaarden: cultureel erfgoed, natuur, weids en waterrijk landschap’, zoals beschreven staat in de omgevingsvisie Súdwest-Fryslân (april 2021). Vanuit die optiek gaat Súdwest-Fryslân aan de slag met het programma Omgevingskwaliteit. Centraal daarin staat onder meer de integrale atlas voor de leefomgeving, en onderzoek naar wat belangrijk is voor de identiteit van het landschap en de kernen. Dit wordt meegenomen in de samen met de inwoners op te stellen ontwikkelingsrichting voor het landschap en de kernen.

Daar kunnen dan bijvoorbeeld unieke locaties worden aangegeven waar wel of juist geen nieuwe toeristische ontwikkelingen wenselijk zijn, naast de bekende beschermde stads- en dorpsgezichten en Natura 2000 gebieden.

2

Bron: ZKA Strategy

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11210642/2