9. TV CIE CDA - antwoorden 2
Tekst van het document
TECHNISCHE VRAGEN (over lopende agendapunten) Naam indiener Fractie
: Jos de Boer : CDA
Commissievergadering/Raad
: BM
Datum
: 25-06-2025
Agendapunt
:7
Onderwerp
: Yntegraal húsfestingsplan ûnderwiis Súdwest-Fryslân 2025–2040
1.
Waarom kiest de gemeente voor de BDB-norm, terwijl uit gegevens van de VNG blijkt dat de bouwkosten in 2024 veel sterker zijn gestegen? Antwoord: We hebben voor de BDB-norm gekozen op basis van visie. Bij de ontwikkeling van het IHP hebben gemeenteraad, college en schoolbesturen aangegeven de voorkeur voor kwalitatief goede en toekomstgerichte schoolgebouwen te hebben. Bij deze visie past de basiskwaliteit die staat omschreven in het Kwaliteitskader Huisvesting van kenniscentrum Ruimte-OK. De basiskwaliteit bestaat uit het basisscenario plus aanvullende gebouwprestaties naar thema’s als: energieneutraal, duurzaamheid, frisse scholen, exploitatie, kwaliteit buitenruimte. Ruimte-OK beheert, onderhoudt en werkt dit Kwaliteitskader verder uit op verzoek van VNG, PO-raad en VO-raad.
2.
Wordt er bij het bepalen van de bouwkosten ook gekeken naar de kwaliteit en levensduur die we verwachten van schoolgebouwen voor de komende 40 jaar? Antwoord: Ja, het Kwaliteitskader Huisvesting kent een duidelijke koppeling met levensduurscenario’s/Total Cost of Ownership, afstemming met nationale opgaven die er liggen vanuit het Klimaatakkoord , het grondstoffenakkoord en benodigde verbetering van het binnenklimaat op scholen. Afstemming met de praktische beschrijvingen uit de Arbocatalogus PO en VO op gebied van veiligheid en gezondheid van schoolgebouwen. In 2024 is het ministerie van OCW gestart met het Nationale Programma Onderwijshuisvesting. Samen met de sectoren en de markt wordt een integrale aanpak ontwikkeld, waarmee de versnelling en kwalitatieve verbetering van de (verouderde) huisvestingsvoorraad gerealiseerd kan worden. In de werkzaamheden wordt zoveel als mogelijk gewerkt met bestaande standaarden zoals het Kwaliteitskader Huisvesting.
3.
Kan het hanteren van een relatief lage norm ertoe leiden dat projecten versoberd moeten worden of vertragen door tekorten bij aanbestedingen? Antwoord: Jazeker. Met de lagere VNG-norm voldoet een schoolgebouw aan de minimale eisen van het bouwbesluit (Bbl) Met deze norm geef je invulling aan de visie op sobere en doelmatige schoolgebouwen. De versnelling en kwalitatieve verbetering, zoals bij antwoord 2 staat beschreven, zal niet gehaald worden, omdat deze uitgaat van het beschikbaar hebben van de BDB-norm.
Het risico is daarnaast aanwezig dat aannemers niet inschrijven op sobere voorstellen en dat er tekorten ontstaan/zijn bij aanbestedingen. Dan moet de aanbesteding opnieuw en moet de raad gevraagd worden te besluiten over extra krediet. Dit vertraagt de toch al complexe bouwprocessen aanzienlijk. Met als mogelijk gevolg dat er alsnog kostenstijgingen zijn vanwege benodigde actualisatie/indexatie. 4.
Om hoeveel schoolgebouwen van 100 jaar of ouder gaat het in onze gemeente? En welke van deze gebouwen vallen onder het bestuur van de Bisschop Möller Stichting? Antwoord: Vijf hoofdlocaties zijn van 1921/1922. Daarnaast is er een dislocatie van 1886 en een school uit 1936 (bijna 100 jaar oud). In totaal zijn dit zeven schoolgebouwen. Vijf vallen er onder het bestuur van Bisschop Möller Stichting. De andere twee vallen onder het bestuur van Wiis Scholengroep.
5.
Waarom zijn deze gebouwen niet meer opgenomen in de scenario-overzichten van het IHP, terwijl ze in eerdere versies wel voorkwamen? Antwoord: Dit IHP loopt vooruit op de nieuwe wetgeving “Wet planmatige aanpak onderwijshuisvesting”. Deze wet wordt verwacht in 2026. Een verplicht onderdeel is dat er per schoolgebouw een concreet toekomstscenario wordt opgesteld. Voor alle scholen zo ook voornoemde scholen is een toekomstscenario in het IHP opgenomen. Zie paragraaf 4.6, vanaf blz. 31 treft u de door u genoemde gebouwen aan.
6.
Welke risico’s ziet de gemeente op het gebied van vertragingen of kostenstijgingen, bijvoorbeeld door netcongestie of het tekort aan personeel in de bouw? Antwoord: Algemeen bekend is dat er vertraging is op het gebied van “de bouw” in Nederland en Fryslân. Dit heeft veel oorzaken: netcongestie, tekort aan personeel, stikstofproblematiek, enzovoort. Deze algemene problemen gelden ook voor de scholenbouw. We kunnen de risico’s ondervangen door goed te plannen en vertraging in besluitvorming te voorkomen. Mede daarom voegen we een gemeentelijke projectleider toe aan ieder project. Wanneer er bijvoorbeeld sprake is van netcongestie op de ene plek kan het gebeuren dat we beredeneerd afwijken van het uitvoeringsprogramma, en dat we alvast gaan bouwen aan een school op een plek waar geen netcongesties is.
7.
Wat gebeurt er als bijvoorbeeld een kinderopvangorganisatie na 15 jaar vertrekt? Komt het leegstandsrisico dan volledig bij de gemeente te liggen? Antwoord: Het leegstandrisico ligt bij de gemeente wanneer na 15 jaar een kinderopvangorganisatie de huur opzegt. Het schoolbestuur heeft een inspanningsverplichting om actief mee te werken in de zoektocht naar een nieuwe kinderopvangpartner die de huur overneemt. De gemeente wil kinderopvang in schoolgebouwen stimuleren onder voorwaarden. Onze inwoners verwachten dit ook van de gemeente. Bij de scholen die we de afgelopen periode hebben gebouwd is deze werkwijze al ingezet. In het huidige IHP wordt deze werkwijze uitgewerkt en vastgelegd in beleid. We schatten het risico laag in dat er leegstand ontstaat na 15 jaar. Kinderopvang is een basisvoorziening waar nog lang en veel gebruik van gemaakt zal worden. Zeker ook in samenwerking met basisscholen waarbij de toegevoegde waarde is dat er een doorgaande ontwikkelingslijn kan ontstaan. Kinderopvang in een basisschool is een aantrekkelijke locatie waarvan wij doorlopende interesse vanuit kinderopvangorganisaties of andere maatschappelijke organisaties verwachten.