9. TV CIE CDA - antwoorden 1
Tekst van het document
TECHNISCHE VRAGEN (over lopende agendapunten) Naam indiener Fractie
: Bob van der Werf : CDA
Commissievergadering
: BM
Datum
: 20-6-2025
Agendapunt
:7
Onderwerp
: IHP
1.
Vanaf 2033 wordt er structureel veel financiële ruimte gevraagd. Tot die tijd schommelen de structurele lasten rond de € 1 miljoen. Vanaf 2033 nemen deze structurele lasten fors toe, naar circa € 7 à 8 miljoen. Wie dragen deze structurele lasten vanaf 2033? Antwoord: Vanaf 2033 nemen de structurele kapitaallasten toe tot een niveau van circa € 7 à 8 miljoen per jaar. Deze toename komt grotendeels uit de investeringen in de VO-huisvesting. Om deze stijging beheersbaar en voorspelbaar te maken, is in de meerjarenbegroting gekozen voor een structureel ingroeimodel voor de kapitaallasten. Concreet betekent dit dat we in de jaren tot 2033 stapsgewijs budget opbouwen voor kapitaallasten. Jaarlijks wordt structureel extra ruimte opgenomen in de begroting, oplopend van circa € 500.000 per jaar in 2027 naar circa € 6 miljoen structureel vanaf 2033. Deze aanpak zorgt ervoor dat de lasten over een langere periode gespreid worden en voorkomt dat in 2033 ineens een grote financiële sprong nodig is. In de tussenliggende jaren (2027 t/m 2033) wordt gebruikgemaakt van de mogelijkheid om onderuitputting op kapitaallasten incidenteel in te zetten. Omdat investeringen vaak later tot daadwerkelijke kapitaallasten leiden, ontstaat er in deze periode tijdelijk incidentele ruimte in de begroting.
De structurele lasten vanaf 2033 worden daarmee gedragen door de gemeentelijke begroting, waarvoor nu al de benodigde stappen worden gezet om die ruimte op te bouwen. Dit voorkomt financiële schokken en zorgt voor een stabieler meerjarenbeeld.
2.
In het raadsvoorstel is aangegeven dat de voorkeur uitgaat naar het loslaten van de VNG-norm, ten gunste van de BDB-norm. Hoe verhoudt deze keuze zich tot het beleid in andere gemeenten? Komt de rijksvergoeding nog overeen met de uitgaven zoals opgenomen in het IHP, of moeten wij als gemeente extra bijdragen om de ambities in het IHP te kunnen realiseren? Antwoord: BDB-norm is hoger dan de VNG-norm, omdat deze realistischer aansluit bij de actuele bouwkosten en opgaven rond duurzaamheid.
De VNG-norm is de norm die gehanteerd wordt om aan de minimale eisen van het Bouwbesluit te kunnen voldoen. Deze is echter in de praktijk onvoldoende om moderne, gezonde, en duurzame schoolgebouwen te realiseren. Zo voorziet deze VNG norm niet in de bekostiging van Frisse scholen klasse B. Scholen gebouwd volgens Frisse scholen klasse B hebben een aantoonbaar beter en gezond binnenklimaat. Dit bevordert de leerprestaties tot wel 20%. Nb. De Frisse scholen B normering hanteren we in het huidige IHP 2017-2027 overigens al. Dit betekent dus dat de raad al eerder heeft gekozen voor een plus boven op de VNG-norm. Indien de raad nu zou kiezen voor de VNG-norm betekent een significante achteruitgang. De verhouding tussen deze keuzes verschilt per gemeente en hangt af van het gemeentelijke beleid en de financiële ruimte. En het hangt af van de opgave op het gebied van duurzaamheid en toekomstbestendig bouwen. In de bestuurlijke verkenningen en opiniërende en informatieve raadsbijeenkomsten hebben het college en de raad herhaaldelijk aangegeven de opgaven op het gebied van duurzaamheid en toekomstbestendigheid van de nieuwe en te renoveren schoolgebouwen adequaat te willen adresseren. De rijksvergoeding voor onderwijshuisvesting komt uit het gemeentefonds. De uitgaven, zoals opgenomen in het nieuwe voorliggende IHP zijn hoger dan de inkomsten uit het gemeentefonds.
Dit komt met name omdat de gemeente nu voor de opgave staat om de VO-huisvesting te financieren. De gemeente heeft de afgelopen jaren geen geld voor onderwijshuisvesting (VO) gereserveerd. 3.
In bijlage 1 van het IHP (pagina 115) staan de Julianaschool en de Wilhelminaschool (beide in Sneek) in 2025 en 2026 aangemerkt als ‘onderzoeksjaar’. Bij andere scholen worden verschillende fasen benoemd: onderzoek, voorbereiding, nieuwbouw, levensduurverlengende renovatie of uitbreiding. Bij deze twee scholen niet. Hoe zit dit? Antwoord: Het onderzoek richt zich bij beide scholen met name op de kinderopvang en de mogelijke uitbreiding van de school daarmee. Voor de Kon. Wilhelminaschool is dit afgerond. Voor de Julianaschool is het onderzoek al gestart. Mocht er bij de Julianaschool sprake van zijn dat de school wordt uitgebreid met kinderopvang dan wordt dit niet met middelen van onderwijshuisvesting betaald, maar met andere gemeentelijke middelen. Daarom staat dit niet verder uitgewerkt in het uitvoeringsprogramma. Hierin staan alleen de voorzieningen die worden gefinancierd met middelen voor onderwijshuisvesting.
4.
Is het mogelijk om per school ook aan te geven wat het kwaliteitsniveau is, aan de hand van de parameters op pagina 23? Bijvoorbeeld: Duurzaam: De voorzieningen: - hebben een gezond binnenklimaat - zijn flexibel/aanpasbaar aan het onderwijsconcept - zijn passend bij het aantal kinderen, toegankelijk en inclusief - hebben een gezonde exploitatie Verduurzaamd De voorzieningen: - zijn energie neutraal gebouwd (ENG)* - zijn aardgasvrij - zijn CO₂ - arm - hebben een laag energieverbruik - wekken zoveel mogelijk zelf de energie op (bijvoorbeeld door middel van zonnepanelen) Inspirerend: Comfortabele gebouwen waarin leerlingen en teams goed kunnen werken en leren en die uitnodigen tot ontmoeting. Minimaal ENG: Bij nieuwbouw en zo mogelijk ook bij renovatie. De investering voor ‘upgrading’ naar NOM is voor rekening van het schoolbestuur.
Antwoord: In de scenario’s per school is vanaf blz. 31 van het IHP een globaal inzicht gegeven van duuurzaamheid. In het kader van de ontwikkeling van het IHP hebben we echter geen uitgebreide nulmeting gemaakt per school op basis van deze onderwerpen. Die informatie is derhalve niet beschikbaar. Zie voor een uitgebreide toelichting op die keuze paragraaf 4.3, blz. 27 van het IHP. Voor het VO is er wel een scan gemaakt deze stukken hebben wij in ibabs bij de stukken voor de informerende bijeenkomst (17 juni 2025) over het IHP gevoegd. 5
Op pagina 11 van het IHP staat vermeld dat de landelijke opheffingsnorm voor het primair onderwijs 23 leerlingen bedraagt. De gemeentelijke opheffingsnorm ligt op 33 leerlingen. Wat was destijds de argumentatie om van de landelijke norm af te wijken? Wat zijn de verwachtingen richting 2028, wanneer de regeling voor aanpassing van stichtings- en opheffingsnormen opnieuw wordt voorgelegd? Antwoord: De landelijke opheffingsnorm voor het primair onderwijs bedraagt 23 leerlingen. Dat betekent dat een school onder de 23 leerlingen geen vergoeding meer ontvangt van het Rijk. De gemeentelijke opheffingsnorm voor de gemeente Súdwest-Fryslân is gesplitst: - In stedelijk gebied is dit: 141 leerlingen (Sneek en Bolsward) - In landelijk gebied: is het 33 leerlingen Deze gemeentelijke opheffingsnorm is gebaseerd op het aantal inwoners en de leerlingdichtheid en wordt iedere vijf jaar aangepast conform de Wet Primair Onderwijs (WPO) op basis van CBS-gegevens. Deze norm wordt toegekend. De gemeente heeft hier geen invloed op. We wijken derhalve niet af van de landelijke norm. We hebben op dit moment geen indicatie en verwachting over hoe de nieuwe opheffingsnorm eruit zal zien richting 2028.
6
In het IHP wordt op meerdere plekken gesproken over een VO-campus, bijvoorbeeld op pagina 87 bij het scenario: "Realisatie van een nieuwe VO-campus met bundeling van VO/VSO/PRO." Ook VSO Sneek wordt daarin genoemd als onderdeel van de campus. Kunt u toelichten op basis waarvan dit scenario is opgenomen? Is dit bedoeld als verkenning, of betreft het een uitgewerkt plan? Hoe is de relatie tussen dit scenario en de in de raad aangekondigde onderzoeksfase? Antwoord: Dit scenario is op basis van de uitkomst van verkenningen door het college opgenomen als voorkeurscenario. Er is nog geen uitgewerkt plan. Op dit moment wordt het plan en de planning verder uitgewerkt. Uw raad wordt bijvoorbeeld via actieve informatie in het vervolgproces meegenomen. De raad bepaalt op welke wijze het om wil gaan met onderwijshuisvesting van het VO.