CConstaterende datSúdwest-Fryslân
Koppel je AI →
Document · PDF

8. TV RAAD GB -antwoorden

Raadsvergadering 29 januari 2026, gemeente Súdwest-FryslânBij agendapunt: ‘Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Súdwest-Fryslân 2026’3.195 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

TECHNISCHE VRAGEN (over lopende agendapunten) Naam indiener Fractie

: Sjoerd Hettinga : Gemeentebelangen

Raad

: Raad

Datum

: 29 januari 2026

Agendapunt

:8

Onderwerp

: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Súdwest-Fryslân 2026

Naar aanleiding van de commissievergadering van 14-01-2026, de reactie van de wethouder over het VN verdrag handicap en gezien de juridische complexiteit en ontbrekende implementatie, heeft onze factie besloten een orde verzoek te doen, in de raadsvergadering van 29-01-2026, en ter inleiding hiervan, deze vragen in te dienen. Wij achten het raadsvoorstel niet behandelingsrijp en hechten grote waarde aan de juridische juistheid en borging. De raad kan niet een verorderning goedkeuren waar verdragsverplichtingen in ontbreken of mogelijk deels strijdig is met de WGBH/CZ. Artikel 2.1.2, tweede lid, onder h WMO 2015 verplicht de raad om in het WMO-beleidsplan (en uitwerkingsverordening) concreet te maken hoe de gemeente uitvoering geeft aan het VN-Verdrag Handicap en de toegankelijkheid en inclusie van inwoners, met een beperking, te waarborgen.

Als deze uitwerking in het raadsvoorstel en de conceptverordening ontbreekt of alleen impliciet is, ontstaat een juridisch en beleidsmatig gat: de link tussen WMO-beleid, uitvoering (verordening) en de verplichtingen uit het Verdrag is dan niet transparant, niet toetsbaar en zijn er mogelijk bepalingen in strijd met de bedoeling van de wetgever en het VN Verdrag en eventueel met de grondwet artikel 1 mede gelet op de beperkte beleidsvrijheid welke voorvloeit uit het EVRM en VN verdrag handicap, bij (in)direct onderscheid op basis van handicap. Juridisch kader in het kort • Artikel 2.1.2 WMO verplicht tot een beleidsplan maatschappelijke ondersteuning waarin o.a. wordt vastgelegd hoe het gemeentebestuur de zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang én de toegankelijkheid van voorzieningen voor mensen met een beperking bevordert. •

Onderdeel h (en aanpalende onderdelen) veronderstelt dat de gemeente in het plan expliciet ingaat op de uitvoering van het VN-Verdrag Handicap (gelijke behandeling, toegankelijkheid, redelijke aanpassingen, betrokkenheid van mensen met een beperking).

•

Het VN-Verdrag Handicap verplicht overheden om bij al hun beleid en regelgeving rekening te houden met rechten van mensen met een beperking (art. 4) en discriminatie en uitsluiting actief tegen te gaan (o.a. art. 5, 9, 19 en 28).

Omdat artikel 2.1.2 (tweede lid, onder h) WMO in het raadsvoorstel/conceptverordening niet expliciet terugkomt, maakt fractie Gemeentebelangen zich zorgen over de borging en juridische juistheid hiervan.

1.

Wettelijke verplichting artikel 2.1.2, tweede lid, onder h WMO 1. Kan het college inzichtelijk maken op welke wijze bij de voorbereiding van beleidsplan en verordening concreet invulling is gegeven aan de verplichting uit artikel 2.1.2, tweede lid, onder h WMO om in het beleid vast te leggen hoe wordt omgegaan met de positie en rechten van mensen met een beperking in het licht van het VN Verdrag Handicap? 2. Waarom is deze wettelijke bepaling niet expliciet benoemd in de considerans en/of het raadsvoorstel bij de conceptverordening, terwijl dit artikel de noodzakelijke koppeling legt tussen WMO beleid en de uitvoering van het VN Verdrag Handicap? Antwoord: Vraag 1 en 2 Hoewel artikel 2.1.2, tweede lid, onder h Wmo 2015 niet letterlijk in de considerans van de Verordening wordt geciteerd, is de materiële uitwerking hiervan de rode draad in het beleid. In het Raadsvoorstel (pagina 2) wordt onder het kopje ‘Global Goals’ expliciet verwezen naar het doel ‘Gelijke kansen voor iedereen’. Hierin staat dat de verordening bedoeld is om mensen met een beperking de noodzakelijke ondersteuning te bieden om volwaardig te kunnen participeren. De concrete invulling vindt plaats in hoofdstuk 3 van de Verordening (Melding en onderzoek). Artikel 3.2.1 verplicht het college om tijdens het gesprek de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de inwoner integraal te onderzoeken.

Dit is de praktische vertaling van de verdragsverplichting tot maatwerk. Dat dit niet in de considerans staat, is een wetstechnische keuze; de considerans beperkt zich doorgaans tot de formele bevoegdheidsgrondslagen (zoals artikel 147 Gemeentewet). De inhoudelijke borging zit echter in de artikelen over de ‘brede vraagverheldering’, die verder gaan dan alleen een medische toets.

2.

Systematische VN Verdrag toets op de verordening 3. Heeft het college een systematische toets uitgevoerd van de conceptverordening aan het VN Verdrag Handicap (bijvoorbeeld langs de artikelen 4, 5, 9, 12, 19, 20 en 28) en kan deze toets inclusief onderbouwing met de raad worden gedeeld? Zo niet, is het college bereid deze alsnog uit te voeren en de verordening hierop aan te passen? 4. Op welke manier zijn organisaties van en voor mensen met een beperking, inclusief de lokale belangenorganisaties en ervaringsdeskundigen, in een vroeg stadium betrokken bij de totstandkoming van beleidsplan en verordening, zoals het VN Verdrag voorschrijft? Antwoord: Vraag 3 Uit het Raadsvoorstel (pagina 1-2) blijkt dat de verordening integraal is herzien op basis van recente jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (CRvB). Omdat de CRvB de nationale wetgeving (Wmo) voortdurend toetst aan het VN-verdrag Handicap, is deze jurisprudentie de facto een verdragstoets. Een voorbeeld hiervan is de verplichting om criteria zoals ‘eigen kracht’ en ‘gebruikelijke hulp’ expliciet in de verordening op te nemen (pagina 2 onder A1) in plaats van in de beleidsregels. Hiermee wordt de rechtszekerheid en toetsbaarheid voor de inwoner vergroot, wat een kernvereiste is van het VN-verdrag. Een systematische toets uitvoeren is derhalve niet aan de orde.

Vraag 4 De participatie is geborgd via de Adviesraad Sociaal Domein. In het Raadsvoorstel (pagina 3) wordt vermeld dat zij op 17 november 2025 uitgebreid zijn geconsulteerd over de wijzigingen. Ook is een reactie van de adviesraad Sociaal Domein en de reactie van het college toegevoegd aan de stukken. De Verordening zelf bevat in hoofdstuk 14 (artikel 14.1) een structurele verplichting om ingezetenen en hun vertegenwoordigers vroegtijdig te betrekken bij de beleidsvorming. Dit sluit aan bij artikel 4 lid 3 van het VN-verdrag, dat staten verplicht om nauw te overleggen met mensen met een beperking via hun representatieve organisaties.

3.

Gelijke behandeling, eigen kracht en sociaal netwerk 5. Hoe borgt het college dat bepalingen over “eigen kracht”, “gebruikelijke hulp” en “sociaal netwerk” niet leiden tot een feitelijke verplichting voor mensen met een beperking om primair afhankelijk te zijn van vrijblijvende ondersteuning van familie (sociaal netwerk) of vrijwilligers, in plaats van toegang te hebben tot gegarandeerd en passende ondersteuning, in het licht van het

discriminatieverbod en het recht op zelfstandig privéleven (o.a. art. 5, 19 en 22 VN Verdrag handicap)? 6. Op welke wijze wordt door het college in de uitvoering getoetst of het beroep op eigen kracht en sociaal netwerk in een individueel geval nog redelijk en niet disproportioneel belastend is, en hoe wordt voorkomen dat mensen zonder sterk netwerk slechter af zijn dan mensen mét een groot netwerk? 7. Hoe ziet het college in haar beleidsregels en verordening expliciet, dat inzet van vrijblijvende ondersteuning zoals het sociaal netwerk of vrijwilligers nooit in de plaats komt van noodzakelijke betaalde ondersteuning, indien dit nodig is om de rechten uit het VN Verdrag Handicap te waarborgen (zelfredzaamheid, veiligheid, autonomie)? Antwoord: Vraag 5, 6 en 7 De fractie uit terecht zorgen over het risico op overbelasting van het netwerk. De verordening bouwt echter een cruciale veiligheidsklep in via artikel 4.1.3 sub c: het college moet bij de beoordeling van eigen kracht expliciet onderzoeken of de inwoner hierdoor "niet in de problemen komt". Daarnaast is artikel 4.2.5 essentieel: er wordt géén beroep gedaan op gebruikelijke hulp of het sociaal netwerk als de betreffende personen overbelast zijn of dreigen te raken. De inwoner en/of de mantelzorger hoeft dus niet eerst volledig overbelast te raken voordat professionele hulp wordt ingezet.

Bovendien stelt het Financieel Besluit (artikel 1.1.2) dat het PGB-tarief zodanig moet zijn dat het "redelijkerwijs verzekerd is dat het toereikend is om veilige en kwalitatief goede diensten" in te kopen. Dit betekent dat als het netwerk niet vrijwillig en bekwaam kan helpen, de gemeente verplicht is een betaald alternatief (Zorg in Natura of PGB) te bieden. Bij het verstrekken van een PGB moet de inwoner wel PGB-vaardig zijn en dit wordt getoetst aan de hand van landelijk vastgestelde 10-punten zoals deze ook door de Rijksoverheid zijn vastgesteld. 4.

Administratieve en andere ondersteuning en toegankelijkheid 8. Hoe borgt het college, in het licht van het VN Verdrag Handicap (met name artikelen 9`, 12 en 19), dat ondersteuning bij administratie, het begrijpen van informatie en het gebruik van digitale voorzieningen of begeleiding (welke structureel) noodzakelijk is, beschikbaar is voor inwoners met een fysieke beperking en/of psychische problemen die anders niet in staat zijn hun rechten uit te oefenen of passende ondersteuning te regelen of naar hun afspraken toe te kunnen gaan? 9. Wordt ondersteuning bijv. bij administratie door de gemeente beschouwd als een vorm van “toegankelijkheidsvoorziening” en “ondersteuning bij uitoefening van handelingsbekwaamheid” in de zin van het VN Verdrag, en zo ja, waar is dat in beleid, verordening of uitvoeringsregels vastgelegd/gewaarborgd? Antwoord: Vraag 8 en 9 Toegankelijkheid is breder dan alleen fysieke drempels. De Verordening borgt dit via de onafhankelijke cliëntondersteuning (artikel 3.1.5). Elke inwoner heeft recht op gratis bijstand door een onafhankelijke partij die helpt bij het begrijpen van informatie en het voeren van het gesprek. Wij hebben hiervoor een aantal overeenkomsten met partijen afgesloten, zodat er een beroep kan worden gedaan op een onafhankelijk cliëntondersteuner (OCO). Daarnaast kan SWF Tichtby gevraagd worden bij het invullen van aanvraagformulieren.

Wat betreft administratieve ondersteuning: in het Financieel Besluit (artikel 7.4.1 sub d) wordt eenvoudige hulp bij administratie nog als informele hulp gezien, maar als de beperking (fysiek of psychisch) zodanig is dat de inwoner hierdoor zijn rechten niet kan effectueren, kan dit worden opgeschaald naar de maatwerkvoorziening 'begeleiding'. Dit wordt door de gemeente beschouwd als een vorm van "ondersteuning bij uitoefening van handelingsbekwaamheid", conform de geest van het VN-verdrag. Ook zijn er diverse organisaties waar je terecht kunt voor administratieve ondersteuning. Denk hierbij aan bijvoorbeeld Humanitas.

5.

PGB, keuzevrijheid en sociaal netwerk 10. Hoe wordt in beleid en uitvoering gewaarborgd dat cliënten daadwerkelijk een vrije keuze hebben tussen zorg in natura en een persoonsgebonden budget, ook tijdens de looptijd van een voorziening of bij spoed, conform het recht op zelfbeschikking en eigen regie uit het VN Verdrag Handicap? (bijv. 1x per 12 maanden kunnen wisselen binnen de indicatie) 11. Hoe gaat het college om met situaties waarin zorgverleners, met een formele arbeidsrelatie, tot de cliënt staan (als werknemer via PGB), en hoe wordt daarbij voorkomen dat deze relaties ten onrechte als “informele hulp uit het sociaal netwerk” worden gekwalificeerd met lagere vergoedingen, mede gelet op de afschaffing regeling dienstverlening aan huis en art. 3:2 en 3:4 AWB? 12. Ter verbetering van de flexibiliteit; Waarom heeft het college gekozen om niet standaard het hoogste PGB-tarief in de PGB beschikkingen vast te leggen zodat er verschillende contract vormen en meer keuze mogelijk is zonder herindicatie mede gelet op dat alle contracten toch eerst geaccordeerd moeten worden met maximum uurloon en de SVB de controles en uitvoering doet? Extra toelichting: 1e of 2e-graads familie leden vallen niet onder het arbeidsrecht dus volstaat alleen geleverde zorg uitbetalen. Dit is bij een arbeidsovereenkomst onmogelijk vanwege doorbetalingsverplichtingen en andere arbeidsrechten.

Vooral met de afschaffing dienstverlening aan huis wat meer kosten en verantwoordelijkheden met zich meebrengt. Antwoord: Vraag 10 De Verordening verplicht het college in artikel 3.2.1 lid 3 sub b om de inwoner in begrijpelijke bewoordingen in te lichten over de keuze tussen ZIN en PGB. Het recht op zelfbeschikking staat hierbij centraal. Maar er is wel een PGB vaardigheidstoets zoals ook is genoemd bij de beantwoording van vraag 5, 6 en 7. Als inwoners niet in staat zijn om een PGB te beheren dat zal gekozen moeten worden voor ZIN of ze moeten een budgetbeheerder regelen. Vraag 11 en 12 Het college maakt een scherp onderscheid om misbruik te voorkomen, maar ook om kwaliteit te borgen. In het Financieel Besluit (artikel 1.1.3 en 1.1.4) is vastgelegd dat: • Professionele (formele) hulp wordt vergoed op 80% van het natura-tarief. • Informele hulp (netwerk/familie) wordt vergoed op 50% van het natura-tarief, met een hard maximum van € 20,00 per uur. De fractie merkt terecht op dat 1e en 2e graads familieleden (artikel 7.3.4 Verordening) altijd als informeel worden aangemerkt. Dit is een beleidsmatige keuze om de 'sociale solidariteit' niet volledig te verzakelijken.

Echter, door de koppeling met de Regeling Dienstverlening aan Huis (Raadsvoorstel pagina 2 onder A5) is geborgd dat het PGB nooit lager is dan het wettelijk minimumloon, inclusief vakantiegeld, wat een harde juridische ondergrens is. Tevens controleren wij of iemand een relatie is in de zin van ‘informele hulp uit het sociaal netwerk’. Hiermee voorkomen wij dat we relaties ten onrechte zo aanmerken. Daarnaast is het zo dat de inwoner op voorhand in het gesprek met het gebiedsteam een persoonlijk (budget) plan moet aanleveren (artikel 3.1.4 van de verordening). In het budgetplan moet ook een begroting worden opgenomen. Aan de hand daarvan wordt een PGB wel of niet toegekend. Ook wordt aangegeven wat het tarief dan zal zijn.

6.

Terugvordering, arbeidsrecht en rechtszekerheid 13. Op welke wijze houdt het college bij mogelijke terugvordering van PGB middelen rekening met dwingende arbeidsrechtelijke verplichtingen (loon bij vervanging ziekte (min. 3 uren), oproeptermijnen, doorbetalingsverplichtingen zoals tijdens afwezigheid budgethouder) die voortvloeien uit een door de gemeente geaccordeerde arbeidsrelatie, en hoe wordt voorkomen dat cliënten hierdoor worden benadeeld en hier zelf de kosten en risico’s voor dragen? 14. Hoe wordt in beleid en uitvoering geborgd dat cliënten niet geconfronteerd worden met terugvordering van PGB middelen wanneer zij te goeder trouw hebben gehandeld en uitgaven hebben gedaan die rechtstreeks voortvloeien uit op hen rustende arbeidsrechtelijke verplichtingen?

Antwoord: Vraag 13 en 14 Een PGB-houder is juridisch een werkgever. Wij gaan er vanuit dat u in de vraagstelling de werkgeverslasten bedoelt. Hiervoor worden inwoners gecompenseerd. De SVB zal dit controleren en informeert de gemeente daar waar nodig. PGB-aanbieders worden reeds met ingang van medio mei 2025 getoetst door middel van een digitale vragenlijst. De toezichthouders van de gemeente toetsen daarmee of de PGB-zorgaanbieder voldoet aan de kwaliteitseisen zoals deze in de Wmo 2015 en in de verordening staan. Als een PGB-aanbieder voldoet aan de eisen, krijgen ze van de gemeente een instemmingsbrief dat ze als PGB-aanbieder ingezet mogen worden. 7.

Financiële drempels en eigen bijdragen 15. Hoe wordt bij de vaststelling van eigen bijdragen, WMO taxi starttarieven en overige financiële voorwaarden beoordeeld of deze niet leiden tot feitelijke uitsluiting van ondersteuning voor mensen met een beperking, in strijd met het VN Verdrag Handicap en de bedoeling van de WMO 2015 gelet op de stapeling en beperkte financiële bestedingsruimte of geen andere vergelijkbare oplossingen, zoals niet gebruik kunnen maken van auto of openbaar vervoer met korting bij de WMO taxi? 16. Heeft het college specifiek onderzocht of de cumulatie van eigen bijdragen (zorg, ondersteuning, vervoer) en andere kosten mensen met een beperking onevenredig treft, en hoe zijn de uitkomsten daarvan verwerkt in de beleidskeuzes (zoals Nibud gegevens)? 17. Is het college bereid een periodieke toets op de betaalbaarheid van WMO voorzieningen te introduceren, expliciet gekoppeld aan de eisen van het VN Verdrag Handicap, en de raad hierover te informeren? 18.

Is het college bereid om voorzieningen bij chronische aandoeningen voor levenslang of voor langere tijd (zoals 10 jaar) af te geven mede gelet op de WGBH/CZ en artikel 1 grondwet, zoals in de WLZ het geval is? Waarom zou dit indirect onderscheid op basis van chronische handicap gerechtvaardigd zijn? Antwoord: Vraag 15, 16, 17 en 18 Het Financieel Besluit (artikel 3.7) bevat de mogelijkheid om een lagere of geen eigen bijdrage op te leggen als de betalingscapaciteit onvoldoende is of als de bijdrage de zorgdoelen schaadt. De gemeente volgt de landelijke regels van het CAK (artikel 3.1.4 Financieel Besluit), maar heeft in artikel 3.1.3 van het Financieel Besluit bepaald dat voor rolstoelen en doventolken géén eigen bijdrage verschuldigd is. Dit is een directe maatregel om de mobiliteit van de zwaarst getroffenen te beschermen. In vraag 16 verwijst u naar cumulatie van eigen bijdrage en het NIBUD. Wij mogen als gemeente bij de Wmo niet vragen om inkomens- en vermogensgegevens. Echter zoals eerder aangegeven leveren wij maatwerk indien dit noodzakelijk is. Daarbij houden we dan ook rekening met de cumulatie van eigen bijdragen. Hoewel de Verordening spreekt over evaluatieperiodes (artikel 15.1), staat de wet niet in de weg aan indicaties voor 10 jaar of langer bij stabiele, chronische aandoeningen. Echter wij hebben in het beleid staan dat we periodiek indiceren.

Inwoners kunnen ook een andere hulpvraag krijgen en door kortere indicaties te stellen houden wij de inwoners ook in beeld. Wij vinden dit belangrijker dan het verstrekken van een langdurige indicatie waarmee we een risico lopen dat een inwoner buiten beeld raakt. Met betrekking tot de betaalbaarheid van de Wmo is dat geregeld in de begroting en rapporteren wij hier periodiek over aan uw raad.

Mobiliteit en vervoersvoorzieningen

19. Hoe ziet het college de 25 k/m taxilimiet mede gelet op de WGBH/CZ ten opzichten van personen welke wel andere vervoersmiddelen zonder limiet hebben, mede gelet dat bij Valys er niet op de dag zelf praktisch een rit geboekt kan worden door de min. 8 uren boekingsvereiste en zeer beperkt kilometerbudget? (Een handicap is geen keuze) 20. Kan het college aangeven op basis van de WGBH/CZ en art. 1 grondwet hoe het taxitarief gerechtvaardigd verhoogd wordt zonder kortingsmogelijkheden mede gelet op dat het om personen gaat met een handicap waar dit onderscheidt )in)direct betrekking op heeft, Waarbij deze personen veelal geen alternatieven hebben en hoe dit zich verhoudt met het non-discriminatiebeginsel? 21. Kan het college aangeven hoe de uitgebreide ritregistratie zich verhoudt met het recht op privéleven art. 22 van het VN verdrag handicap, 8 EVRM en de AVG? Antwoord: Vraag 19

In de aanbesteding en het Financieel Besluit (artikel 3.2.1) is de grens van 25 kilometer (dit is een straal rondom het woonadres van de inwoner en niet de afstand over de weg) vastgelegd. Dit wordt juridisch beschouwd als de grens van het "lokaal verplaatsen". Voor langere afstanden is de inwoner aangewezen op Valys. De gemeente stelt dat deze grens voor het merendeel van de sociale contacten toereikend is en daarmee voldoet aan de compensatieplicht. Landelijk is dit veelal een afstand van 15 kilometer. Vraag 20

Het starttarief van € 1,00 en de kilometerprijs van € 0,24 (Art. 3.2.4 en 3.2.5 FB) zijn ook bedoeld als "besparingsmiddel" om de voorziening betaalbaar te houden. Zo heeft uw raad ook besloten in de Kansrijke Sporen. Het college stelt dat dit tarief vergelijkbaar is met het openbaar vervoer en dus niet discriminerend is. Daarbij is een auto veelal duurder en heb je ook te maken met bijkomende kosten zoals wegenbelasting, maar ook bijvoorbeeld parkeergeld. Vraag 21

De ritregistratie (hoofdstuk 10 Verordening) is noodzakelijk voor facturatie. Het college benadrukt dat dit gebeurt conform de AVG, waarbij alleen de noodzakelijke data worden verwerkt. Het recht op een privéleven (artikel 22 VN-verdrag) wordt hierbij afgewogen tegen het rechtmatige belang van de gemeente om publieke middelen te controleren.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16543022/1