8. TV CIE VVD - antwoorden
Tekst van het document
TECHNISCHE VRAGEN (over lopende agendapunten) Naam indiener Fractie
: Lianne van der Wal : VVD
Commissievergadering
: DSO & MBF
Datum
: 16-6-2026 / 18-6-2026
Agendapunt
:5
Onderwerp
: Jaarstukken 2025
1.
Algemeen: Hoeveel van het positieve resultaat van €13,2 miljoen zou overblijven als alle uitgestelde werkzaamheden van 2025 gewoon in 2025 waren uitgevoerd? Antwoord: Het jaarresultaat van € 13,2 miljoen bestaat uit een combinatie van verschillende factoren. Binnen de gemeentefinanciën wordt gewerkt met zowel structurele als incidentele budgetten. Structurele budgetten keren jaarlijks terug en zijn bedoeld voor reguliere taken, terwijl incidentele budgetten vaak gericht zijn op specifieke projecten of tijdelijke opgaven. Daarbij geldt dat niet alle begrote lasten zich elk jaar precies volgens planning voordoen. Dit kan verschillende oorzaken hebben. Enerzijds kan sprake zijn van uitstel of fasering van werkzaamheden. Anderzijds spelen ook externe omstandigheden een rol. Zo zijn er budgetten die afhankelijk zijn van factoren waarop de gemeente beperkt invloed heeft. Een bekend voorbeeld is het budget voor gladheidsbestrijding: bij een zachte winter wordt dit budget (gedeeltelijk) niet benut en valt dit automatisch vrij in het jaarresultaat, zonder dat sprake is van niet uitgevoerde werkzaamheden. Het is daarom niet goed mogelijk om het positieve resultaat één-op-één te corrigeren voor alle “uitgestelde werkzaamheden”. Het resultaat wordt namelijk beïnvloed door een bredere mix van incidentele meevallers, timingverschillen en externe invloeden.
Voor de werkzaamheden waarvoor middelen bewust zijn doorgeschoven geldt dat deze expliciet zijn meegenomen in de resultaatbestemming. Hierbij is aangegeven dat deze budgetten in 2026 en eventueel latere jaren alsnog worden ingezet voor het oorspronkelijke doel. Het gaat hierbij om een bedrag van circa € 4,1 miljoen. Daarmee is geborgd dat deze middelen beschikbaar blijven voor de uitvoering van de betreffende opgaven en niet vrijvallen in het resultaat. Daarnaast zit in het resultaat een voordeel op onderuitputting van kapitaallasten van € 1,9 miljoen verwerkt. Dit is het gevolg van een latere in gebruik name van investeringen dan begroot. Voor een nadere toelichting zie de Bestuursrapportage juli, augustus, september 2025. Anderzijds is er extra onderhoud aan wegen uitgevoerd voor een bedrag van € 2,0 miljoen. Aangezien dit grotendeels ten laste is gebracht van de bij de vorige jaarrekening gevormde reserve, is dit minder zichtbaar in het resultaat.
2.
Pagina 7: Er is €0,5 miljoen over in de pot verduurzamen ontmoetingsplaatsen. Dit komt omdat er een gefaseerde uitvoering is. Wat is hiervoor de reden, vertraagd de gemeente of komt dit vanuit de ontmoetingsplaatsen zelf. Antwoord:
De belangrijkste oorzaak is dat de planning en uitvoering van verduurzamingsprojecten afhankelijk zijn van de ontmoetingsplaatsen zelf. Vaak gaat het om omvangrijke trajecten die worden voorbereid door vrijwilligersbesturen. Daarbij spelen factoren als beschikbare vrijwilligerscapaciteit, financiële haalbaarheid, de samenhang met andere onderhoudswerkzaamheden en de gevolgen voor de exploitatie tijdens de uitvoering (vaak moeten ontmoetingsplaatsen dan tijdelijk deuren sluiten) een belangrijke rol. Hoewel de subsidieregeling ruimte biedt om projecten gefaseerd uit te voeren, blijkt in de praktijk dat steeds meer ontmoetingsplaatsen ervoor kiezen om verduurzaming in een keer aan ter pakken. Omdat er sprake is van maatwerk per ontmoetingsplaats en de gemeente niet rechtstreeks bepaalt en invloed heeft op wanneer er bij plannen daadwerkelijk tot uitvoering wordt overgegaan, kunnen investeringen in de tijd verschuiven. De gemeente blijft hier de komende jaren op inzetten door o.a. het geven advies, meedenken over mogelijkheden en aanpak van verduurzamingstrajecten, het delen van kennis en ervaringen en het met elkaar in contact brengen van besturen onderling. De beschikbare middelen blijven gekoppeld aan de uitvoering van deze verduurzamingsopgaven. 3.
Pagina 7: Er is een voordeel van €0,4 miljoen op Jeugdzorg wonen. Is er sprake van uitgestelde zorg omdat er geen plek is of is er minder vraag? Antwoord: We hebben in 2025 minder kosten binnen perceel Wonen dan vooraf begroot op deze jeugdhulpvorm. Vanuit onze data zien we een afname van 96 unieke jeugdigen in 2024 naar 59 unieke jeugdigen in 2025 binnen perceel Wonen. Is er minder vraag? Hoewel het daadwerkelijke gebruik dus afneemt, kunnen we geen uitspraak doen over een daadwerkelijke afname van de vraag. Vanuit de inhoud weten we namelijk dat er meerdere jeugdigen zijn geweigerd bij woonlocaties, vanwege contra-indicatie. Een voorbeeld van een contra-indicatie is een jeugdige die naast gedragsproblematiek, ook een verslaving heeft. Wanneer een jeugdige een contra-indicatie heeft volgens meerdere aanbieders, kunnen we uitwijken naar een maatwerkcontract. Daarnaast hanteren we de visie dat kinderen zoveel mogelijk thuis opgroeien. Als er hulp nodig is sturen we daarom minder op ergens ander wonen en meer op dagopvang of logeren (kortdurend, bijvoorbeeld in het weekend).
4.
Pagina 8: Er is een nadeel van €2,9 miljoen vanuit specialistische jeugdzorg, dit komt doordat er 200 gevallen zijn verschoven. Is dit een trend waarvan de deskundigen verwachten dat dit doorzet in een structurele trend? Zijn hierin ook uitschieters van hele dure gevallen? Hoe verhoud dit zich tot het vaker inzetten van de POH GGZ medewerkers, waarbij juist het doel was om de jongeren eerder te helpen? Antwoord: Op basis van de ontwikkeling sinds 2020 zien wij een verschuiving van lichtere naar zwaardere vormen van specialistische jeugdzorg. Dit duidt erop dat de ondersteuningsvraag in de praktijk complexer en intensiever wordt. Het is daarom aannemelijk dat deze ontwikkeling niet incidenteel is, maar kenmerken vertoont van een meer structurele trend. Tegelijk is het belangrijk om te vermelden dat per 1 januari 2024 een nieuwe inkoop en indeling van zorgvormen is ingevoerd. Hierdoor zijn cijfers vóór en na die datum minder goed met elkaar te vergelijken. De uitschieters van hele dure trajecten zitten met name in de maatwerkvoorzieningen in de specialistische jeugdzorg buiten SDF. De trajecten binnen specialistische ondersteuning zijn gemiddeld wel duurder dan de trajecten binnen lichte ondersteuning. Met de inzet van de POH-GGZ Jeugd bieden we inderdaad vroegtijdige en lichtere ondersteuning aan de jeugdigen. De uren inzet van POH-GGZ Jeugd is de afgelopen jaren stabiel.
Er wordt gewerkt aan een dashboard om beter zicht te krijgen op hun inzet. De POH-GGZ Jeugd handelt op dit moment zo’n 50% van de vragen zelf af, 35% wordt doorverwezen naar specialistische jeugdhulp en 15% wordt naar voorliggend veld, school of de al betrokken aanbieder (terug) doorverwezen.
5.
Pagina 15 onder participatie: Er hebben bijna 100 mensen gebruik gemaakt van het Hulpfonds Bestaanszekerheid. Zijn er ook aanvragen afgewezen? Hoeveel en waarom? Een inwoner kan eenmalig een beroep doen op het Hulpfonds Bestaanszekerheid als er sprake is van acute financiële nood en er geen voorliggende voorzieningen mogelijk zijn. Indien de inwoner geen gebruik kan maken van het Hulpfonds Bestaanszekerheid, kan dit zijn omdat er al eens eerder een beroep gedaan is, er geen sprake is van acute financiële nood of er andere voorliggende voorzieningen
mogelijk zijn. In dit laatste geval wordt de inwoner geholpen met het aanvragen van de juiste, voorliggende voorziening. Het aantal mensen waarvan de aanvraag niet gehonoreerd is kunnen we niet meten. Mensen doen geen aanvraag, maar melden zich voor deze regeling. Wanneer er aan de voorwoorden wordt voldaan wordt een aanvraag gedaan en toegekend. De meldingen die niet leiden tot een aanvraag helpen we met het aanvragen van een voorliggende voorziening of alternatieve hulp. Dit betekent dus niet dat we de mensen niet verder helpen. Pagina 15 onder opvang en integratie: in 2024 hebben we taakstelling huisvesting statushouders niet gehaald. De achterstand was eind 2025 circa 70 personen. Wat is de huidige stand van zaken? Antwoord: De achterstand op 1 januari 2026 bedroeg 70 statushouders. De taakstelling voor de eerste helft van 2026 bedraagt 75, waarmee de totale opgave voor deze periode uitkomt op 145. In de eerste vijf maanden van 2026 is voor 71 statushouders huisvesting gerealiseerd. Daarmee ligt de realisatie op schema. Het college verwacht dat in de eerste helft van 2026 aan de wettelijke taakstelling kan worden voldaan en dat daarnaast een deel van de opgelopen achterstand wordt ingelopen. 6.
Pagina 49: Suïcidepreventie, hoeveel mensen hebben gebruik gemaakt van de gatekeeperstraining? Geef bij deze cijfers ook aan hoeveel mensen vanuit de organisatie en hoeveel externen? Antwoord: Er zijn in 2025 drie gatekeeperstrainingen geweest, tweemaal met acht deelnemers en eenmaal met vijftien deelnemers. Hiervan waren er 18 interne deelnemers en 13 extern, met een breed scala aan functies.
7.
Pagina 65 punt 25: in oktober vorig jaar is besloten om de geslotenverklaring op de Prins Hendrikkade op te heffen etc. Is dit wel correct? Was dit niet in 2024? Antwoord: Het besluit om de geslotenverklaring op de Prins Hendrikkade definitief op te heffen is genomen in oktober 2024. In de tekst wordt gesproken over “vorig jaar”. Daarmee wordt in de context van de jaarstukken 2025 inderdaad gerefereerd aan 2024. In die zin is de formulering passend, al is geen specifiek jaartal genoemd. De evaluatie van dit besluit heeft wel in 2025 plaatsgevonden.
8.
Pagina 139: CSV Amsterdam BV – is deze BV dan nu ook opgeheven? Dat moest toch bekend zijn bij het opstellen van de jaarrekening. Antwoord: Bij het opstellen van de paragraaf Verbonden Partijen voor de jaarstukken zijn de jaarstukken van de verbonden partijen over het meest recente afgesloten jaar nog niet beschikbaar. Daarom wordt in deze paragraaf gewerkt met de laatst beschikbare (veelal een jaar oudere) informatie. CSV Amsterdam BV is inderdaad in 2025 opgeheven en de afwikkeling heeft plaatsgevonden. De definitieve jaarstukken 2025 van deze BV waren ten tijde van het opstellen van onze jaarrekening echter nog niet ontvangen. Hierdoor kon deze ontwikkeling nog niet in de paragraaf worden verwerkt.
9.
Pagina 166/167: er staan nog grote bedragen open aan het eind van 2025, met name op het gebied van energie(-besparing en -transitie) en klimaat: J55 aanpak energiearmoede J72 derde ronde proeftuinen van het programma aardgasvrije wijken J94 lokale aanpak isolatie K28 capaciteit decentrale overheden voor klimaat- en energiebeleid Is dit een algemeen beeld bij gemeentes of loopt SWF hier achter?
Antwoord: De genoemde regelingen betreffen specifieke uitkeringen (SiSa-regelingen) van het Rijk met een meerjarige looptijd. Deze regelingen kennen vaak een langere uitvoeringsperiode en worden in sommige gevallen in meerdere tranches beschikbaar gesteld. Zo lopen de genoemde regelingen tot respectievelijk 2027 (J55 en K28), 2028 (J94) en 2030 (J72). De middelen worden veelal vooraf door het Rijk beschikbaar gesteld. Voor zover deze middelen nog niet zijn besteed, worden zij verantwoord op de balans onder de overlopende passiva. Dit betreft vooruit ontvangen bedragen die in latere jaren worden ingezet voor de uitvoering van de betreffende opgaven. Deze systematiek is gebruikelijk bij gemeenten en hangt samen met de aard van deze specifieke uitkeringen: middelen worden eerder ontvangen dan dat ze volledig tot besteding komen. Het feit dat er eind 2025 nog substantiële bedragen openstaan, past daarom binnen het normale beeld bij dit type regelingen en betekent niet dat sprake is van een achterstand specifiek voor Súdwest-Fryslân. 10. 1Pagina 168 langlopende contracten / opvang ontheemden Oekraïne: bij Amicitia is het huurbedrag nu 0€ 1.875 en in de toekomst (2026?) € 3.243. Dit is een verhoging van ongeveer 73%. Hoe wordt dit verklaard en is hier niets tegen te doen Antwoord: De tabel vraagt om een juiste interpretatie.
Het bedrag van € 1.875 (x € 1.000) betreft het huurbedrag dat in 2025 is betaald. Het bedrag van € 3.243 (x € 1.000) betreft niet een jaartotaal voor 2026, maar de totale resterende contractwaarde voor de periode van 1 januari 2026 tot en met 1 maart 2028 (in totaal 26 maanden). Er is daarmee geen sprake van een stijging van de huur met circa 73%. Integendeel, omgerekend naar een maandbedrag is juist sprake van een lagere huurprijs per maand in de resterende contractperiode. 11. 1Pagina 174 leerlingenvervoer: de laatste jaren lijken de kosten voor leerlingenvervoer alleen maar op 1te lopen. Als verklaring staat dat het wordt veroorzaakt door prikkelgevoelige kinderen die niet in het groepstaxivervoer of het OV kunnen. Stijgt het aantal prikkelgevoelige kinderen dan zo enorm? Ziet het college hier ook een reden voor. Antwoord: Het college herkent de druk op het budget voor het leerlingenvervoer. Binnen passend onderwijs zien wij steeds vaker dat scholen gebruik maken van onderwijstijdverkorting en op basis daarvan aangepaste schooltijden. Tevens is er een stijging van het aantal leerlingen voor speciaal onderwijs en dan met name de groep met ASS. Zij zijn te prikkelgevoelig en kunnen geen gebruik maken van het openbaar vervoer. Hierdoor is er een toenemende vraag naar individueel vervoer en heeft dit geleid tot een kostenstijging.
Daarnaast zijn de tarieven in 2023 enorm gestegen door de hogere brandstofprijzen. Omdat de begroting de afgelopen jaren niet op deze ontwikkelingen is aangepast, kampt deze post met een verwacht structureel tekort van circa € 150.000,-. Via de reguliere planningen controlcyclus en het onderdeel autonome ontwikkelingen zal daarom worden voorgesteld om vanaf de begroting 2027 het budget weer in lijn te brengen met de actuele realiteit. 12. 1Pagina 175 Pand Bibliotheek Sneek: het lijkt alsof dit groot onderhoud onvoorzien was. Hoe is dit 2mogelijk? Was er geen MJOP gemaakt voor dit gebouw? Is dit nu inmiddels wel gebeurd? Antwoord: In 2024 is gestart met groot onderhoud aan de Bibliotheek Sneek, waarbij onder andere alle beglazing is vervangen en schilderwerk is uitgevoerd. In de voorbereiding was ook rekening gehouden met een post voor houtrot. Tijdens de uitvoering is echter gebleken dat een aanzienlijk aantal deuren en kozijnen in slechtere staat verkeerde dan vooraf kon worden vastgesteld. Door de constructie, ligging en aanwezige afwerking was dit bij inspectie niet volledig zichtbaar. Een deel van de deuren en kozijnen bleek niet meer herstelbaar, waardoor vervanging noodzakelijk was. Daarnaast stond het vervangen van de gevelbekleding volgens de MJOP gepland voor 2027. Door de vervanging van kozijnen moest op enkele plekken de gevelbekleding al eerder worden meegenomen.
Daarbij is ervoor gekozen om ook de achterliggende isolatie direct te verbeteren. De combinatie van deze factoren heeft geleid tot hogere kosten dan vooraf voorzien.
Voor het pand was een MJOP aanwezig. Na uitvoering van de werkzaamheden is deze MJOP geactualiseerd, zodat deze weer aansluit op de huidige staat van het gebouw en de recente investeringen.