8. TV CIE SP - antwoorden
Tekst van het document
TECHNISCHE VRAGEN (over lopende agendapunten) Naam indiener Fractie
:Eddie Jorwerda :SP
Commissievergadering
:BM
Datum
:14 Januari 2026
Agendapunt
:6
Onderwerp
: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Súdwest-Fryslân 2026
1.
Kan het college aangeven hoeveel gebruikers de Wmo-taxi in 2024–2025 had en wat de gemiddelde en maximale stijging van de eigen bijdrage per gebruiker is door invoering van het starttarief en kilometertarief? Antwoord: Wij kunnen alleen de gemiddelde cijfers geven over het totaal aantal gebruikers per jaar. In onderstaande tabel zijn dus de gemiddelde kosten berekend. Uiteindelijk is dit per inwoner verschillend. Sommige inwoners maken maar een paar keer per jaar gebruik van de Wmo-taxi en andere een paar keer per week. Uit onderstaande tabel blijkt dat de kosten gemiddeld met ca € 78,46 per jaar stijgen. Omschrijving Gemiddeld aantal gebruikers Totaal aantal ritten Totaal eigen bijdrage gebruikers (24 cent per kilometer) Gemiddelde eigen bijdrage per gebruiker Gemiddelde eigen bijdrage per rit Gemiddelde stijging per gebruiker per jaar Gemiddelde kosten per gebruiker per jaar met starttarief
2.
2024 1.483 117.049 € 189.505,16
2025 1.589 123.905 € 198.501,65
€ 127,79
€ 124,92
€ 189.505,16 / 1.483 € 1,62
€198.501,65 / 1.589 € 1,60
€ 189.505,16 / 117.049
€ 198.501,65 / 123.905
€ 78,93 = 62% stijging
€ 77,98 = 62% stijging
117.049 / 1.483 = 78,93 ritten per gebruiker * € 1 starttarief
123.905 / 1.589 = 77,98 ritten per gebruiker * € 1 starttarief
€ 206,72
€ 202,90
Kan er op papier komen te staan dat inwoners die verder dan 25 kilometer van het ziekenhuis wonen daarvoor geen eigenbijdrage hoeven te betalen? Antwoord: Nee, het is niet mogelijk om vast te leggen dat inwoners die verder dan 25 kilometer van het ziekenhuis wonen geen eigen bijdrage hoeven te betalen. Dit heeft te maken met de gemaakte afspraken met de taxibedrijven (vastgelegd in de aanbesteding).
Omdat er voor alle vormen van vervoer boven de 25 kilometer (of dat nu via Valys of de zorgverzekeraar is) al wettelijke of contractuele eigen bijdragen bestaan, kan de gemeente niet zwart-op-wit zetten dat deze ritten kosteloos zijn. Bovendien vallen deze ritten en de bijbehorende kosten buiten de financiële verantwoordelijkheid van de gemeente. Hieronder de belangrijkste redenen: 1. Afspraken met taxibedrijven Inwoners betalen altijd een eigen bijdrage per rit en per kilometer. Dit is zo vastgelegd in de contracten en afspraken met de taxibedrijven. Er kan geen uitzondering worden gemaakt op basis van de afstand tot het ziekenhuis, omdat de systematiek van de eigen bijdrage voor iedereen gelijk is. 2. Boven de 25 kilometer (straal rondom de woning): Valys Voor ritten verder dan 25 kilometer (met uitzondering van het ziekenhuis) zijn inwoners aangewezen op Valys. Ook bij Valys is er sprake van een eigen bijdrage. De kosten hiervoor zijn als volgt: • Binnen het persoonlijk kilometerbudget (PKB): € 0,29 per kilometer (afgerond). • Buiten het persoonlijk kilometerbudget: € 1,78 per kilometer (afgerond). • Overige details: Valys hanteert geen starttarief. De Valyspas kost eenmalig € 6,80. • Kilometerbudgetten: Er zijn twee soorten persoonlijke kilometer budgetten: het lage budget van 700 km en het hoge budget van 2.350 kilometer per jaar. Dit zijn maximale budgetten.
Gemeente kent in basis 1.500 kilometer per kalenderjaar toe. Is er meer nodig, dan wordt dit beoordeeld en kan er een hoger aantal kilometers toegekend worden. • Gemeentelijke kosten: Belangrijk is dat de kosten voor Valys-ritten niet worden doorberekend aan de gemeente. 3. Vervoer via de zorgverzekering (Zittend ziekenvervoer) Naast het Wmo-vervoer en Valys worden er ritten gemaakt die rechtstreeks via de zorgverzekering worden vergoed. • Deze ritten heeft de gemeente niet in beeld, omdat ze buiten de gemeentelijke regelingen om gaan. • Voor dit vervoer geldt een wettelijke eigen bijdrage van € 134,- per jaar (bedrag voor 2026). • Dit betreft specifiek ritten naar het ziekenhuis of andere medische behandelaars. • Ook deze kosten worden niet doorberekend aan de gemeente. 3.
Hoe is de geraamde besparing van circa € 100.000 per jaar precies opgebouwd, en welk deel hiervan is gebaseerd op hogere bijdragen en welk deel op verwacht minder gebruik? Antwoord: Een deel van de besparing komt voort uit het feit dat de eigen bijdrage per rit en per kilometer wordt verhoogd. Hierdoor stijgt de eigen bijdrage van de gebruiker, waardoor de netto bijdrage die de gemeente per rit moet bijleggen, lager uitvalt. Het overige deel van de besparing wordt verwacht door een daling in het volume (het totaal aantal gereden kilometers/ritten). De raming is gemaakt op basis van het aantal ritten en we gaan er vanuit dat er minder korte ritten gereden gaan worden. In de praktijk zien we dat een verhoging van de kosten vaak leidt tot een gedragsverandering. Inwoners gaan bewuster kijken naar hun reisbehoefte of maken vaker gebruik van alternatieven, zoals het eigen netwerk (familie/buren). Deze aanname van een lager aantal ritten vormt een essentieel onderdeel van de totale berekening om tot de besparing van € 100.000 te komen.
4.
Is onderzocht of hogere eigen bijdragen bij de Wmo-taxi leiden tot verminderd gebruik of zorgmijding (medisch, sociaal of maatschappelijk)? Zo ja, kan dit worden gedeeld; zo nee, waarop is het ontbreken van dit effect gebaseerd? Antwoord: Nee, er is op dit moment geen specifiek onderzoek gedaan naar de vraag of hogere eigen bijdragen leiden tot verminderd gebruik of zorgmijding. De Wmo-taxi is primair bedoeld voor sociaal en maatschappelijk vervoer. Het medisch vervoer (het zittend ziekenvervoer) valt vaak onder de Zorgverzekeringswet (Zvw) en niet onder de Wmo. Dit geldt bijvoorbeeld voor specifieke groepen en behandelingen, zoals vervoer voor nierdialyse, chemotherapie, bestraling, voor rolstoelgebruikers of voor blinden. Omdat dit type vervoer via de zorgverzekeraar loopt, heeft een wijziging in de Wmo-bijdrage hier geen invloed op.
De Wmo is bedoeld voor sociale en maatschappelijke participatie. In de praktijk zien we dat de korte ritten momenteel met name worden gebruikt voor dagelijkse activiteiten, zoals het doen van boodschappen of een bezoek aan de kapper. De verwachting is dat mensen bij een hogere bijdrage bewuster kijken naar deze ritten, maar dat dit niet direct leidt tot zorgmijding in de medische zin. Hoewel er geen voorafgaand onderzoek is verricht, is dit wel een aandachtspunt voor de nabije toekomst. We nemen dit aspect dan ook expliciet mee met de evaluatie. Tijdens die evaluatie zal worden bekeken of de verhoging van de eigen bijdrage effect heeft gehad op de mobiliteit en de maatschappelijke deelname van de inwoners. 5
Kan inzicht worden gegeven in het aantal Wmo-aanvragen dat de afgelopen drie jaar (gedeeltelijk) is afgewezen op grond van eigen kracht of sociaal netwerk, en of hierin een toename wordt verwacht onder de nieuwe verordening? Antwoord: Ja, hierover kan inzicht worden gegeven. Over de afgelopen drie jaar is het aantal Wmo-aanvragen dat officieel is afgewezen op grond van eigen kracht of het sociaal netwerk zeer beperkt: Het aantal afwijzingen op basis van eigen kracht of het sociaal netwerk hebben wij geen beeld bij omdat wij dit niet apart registreren. Het totaal aantal afwijzingen op jaarbasis weten we wel. Dat is in 2023 een aantal van 62. Voor 2024 was dit 52 en voor 2025 is dit 50. Dit lage aantal afwijzingen hangt samen met de werkwijze aan de voorkant. Alle binnengekomen meldingen worden uitgebreid onderzocht. Tijdens dit onderzoeksproces wordt er samen met de inwoner gekeken naar de specifieke situatie en behoefte. In plaats van een snelle afwijzing, kijken we naar een adequate oplossing. Dit kan een individuele voorziening zijn, maar ook een oplossing in de vorm van ondersteuning uit de omgeving of een voorliggende voorziening, mits dit passend en haalbaar is voor de inwoner. Hier hebben wij geen cijfers van.
Hoewel de nieuwe verordening meer nadruk legt op de eigen kracht en het sociaal netwerk, is de verwachting niet dat het aantal formele afwijzingen direct fors zal toenemen. De focus blijft namelijk liggen op het gezamenlijke onderzoek naar wat er nodig is om de inwoner zelfredzaam te houden, waarbij altijd gestreefd wordt naar een oplossing die aansluit bij de persoonlijke omstandigheden.
6
Welke concrete indicatoren worden gebruikt om na invoering te monitoren of de verordening leidt tot verminderde toegankelijkheid of betaalbaarheid en wanneer wordt de raad hierover geïnformeerd? Antwoord: De concrete indicatoren die gebruikt gaan worden om de effecten van de nieuwe verordening op de toegankelijkheid en betaalbaarheid te monitoren, zijn op dit moment nog niet definitief. De verdere uitwerking hiervan vindt als volgt plaats: • Vaststelling indicatoren: Deze moeten nog worden vastgesteld in overleg met de Adviesraad Sociaal Domein. Door de adviesraad hier nauw bij te betrekken, borgen we dat de signalen uit de samenleving en de ervaringen van inwoners goed worden meegewogen in de monitoring. • Informatievoorziening aan de raad: Wij zullen de raad jaarlijks informeren over de uitkomsten van deze monitoring. Tijdens deze jaarlijkse rapportage zal onder andere worden gekeken naar de ontwikkelingen in het gebruik van voorzieningen en de effecten van de beleidswijzigingen, zodat de raad de vinger aan de pols kan houden wat betreft de maatschappelijke effecten van de verordening.
7
Als het gaat om het actualiseren van de regels rondom PGB, zijn er lijsten waarop hoofdaannemers en onderaannemers staan die een contract hebben met SWF. Zo ja, kan het college deze delen? Zo nee, waarom niet, dit is overzichtelijker voor gebruikers van PGB. Antwoord: Er zijn geen lijsten van gecontracteerde aanbieders voor het Persoonsgebonden Budget (PGB). Dit heeft te maken met het fundamentele verschil tussen Zorg in Natura (ZIN) en een PGB.
De hoofdaannemers en onderaannemers waar de gemeente afspraken mee heeft gemaakt, vallen onder Zorg in Natura (ZIN). Wanneer een inwoner kiest voor hulp via een van deze gecontracteerde partijen, dan is er sprake van ZIN en niet van een PGB. De gemeente regelt in dat geval de administratie en de betaling rechtstreeks met de aanbieder. Bij een PGB werkt het anders: • Geen PGB-lijsten: Wij hebben geen lijsten met PGB-aanbieders. Een PGB is juist bedoeld om inwoners de vrijheid te geven zelf hun zorgverlener te kiezen. • Eigen verantwoordelijkheid: Met een PGB heeft de inwoner de eigen verantwoordelijkheid en de volledige keuzevrijheid in de aanbieder. Dit kan een professionele organisatie zijn, maar bijvoorbeeld ook een zelfstandige zonder personeel (ZZP'er) of iemand uit het sociale netwerk. Wil iemand gebruikmaken van een door de gemeente gecontracteerde hoofd- of onderaannemer? Dan wordt dit geregeld via ZIN. Kiest iemand voor een PGB, dan regelt en kiest de inwoner deze ondersteuning zelf buiten de gemeentelijke contracten om. Het delen van een lijst met gecontracteerde partijen voor PGB-gebruikers zou dus verwarrend werken en nooit volledig kunnen zijn.