8. TV CIE PvdA - antwoorden 3
Tekst van het document
TECHNISCHE VRAGEN (over lopende agendapunten) Naam indiener Fractie
: Mark Konst : Partij van de arbeid
Commissievergadering/Raad
: Commissie DSO/BM/BF
Datum
: 15/16/17-04-2026
Agendapunt
:5
Onderwerp
: Voorjaarsnota
1.
Op pagina 5 van de Voorjaarsnota 2025 wordt de stelpost 'inzet behoud brede welvaart' geïntroduceerd, waarmee wordt aangegeven dat aanvullende inzet nodig is om op lange termijn de brede welvaart in onze gemeente te waarborgen. Op pagina 7 en verder wordt duidelijk dat het hierbij gaat om oplopende bedragen van €2 miljoen in 2025 tot ruim €8 miljoen in 2029. Dit roept de volgende vraag op: Kan het college per programma – sociaal, ruimte en bestuur – een volledig overzicht aanleveren van: • Welke concrete dossiers, projecten en beleidsstukken (graag met naam) verbonden zijn aan deze stelpost; • De status van elk van deze onderdelen: betreft het reeds vastgesteld beleid, lopende beleidsontwikkeling, of nieuwe beleidsinitiatieven? • De gekoppelde financiële inzet per onderdeel per jaar, zoals die is verwerkt in het overzicht op pagina 7 van de voorjaarsnota? • Antwoord: De opbouw van de Inzet op behoud brede welvaart van € 2 miljoen oplopend naar € 8,4 miljoen is zichtbaar op pagina 1 van het financiële overzicht. Voor het programma Sociaal betreft het de onderdelen: • BUIG: Dit is een ingeschat tekort van € 2,0 miljoen als gevolg van een lagere uitkering van het Rijk (minder inkomsten). Wij hebben geen directe invloed op het Rijksbudget dat wij ontvangen van het Rijk.
Wel zetten we er op in om deze korting op te vangen door ook onze uitgaven te verlagen, zodat er weer evenwicht is tussen Rijksbudget en onze uitgaven. Dat doen we door bovenop de opbrengst vanuit de Kansrijke Sporen een Extra inzet te doen om daarmee extra uitstroom, doorstroom en beperking instroom te bewerkstelligen. Ook deze extra inzet (twee keer € 0,5 miljoen in 2025 en 2026) is onderdeel van de Inzet behoud brede welvaart. • Onderwijshuisvesting Primair Onderwijs (een kapitaallast oplopend van € 146.000 in 2027 naar € 438.000 in 2029). Een nadere uitwerking/toelichting op dit bedrag volgt in het komende IHP. Betreffende de Onderwijshuisvesting van PO hebben we een wettelijke verplichting. • Onderwijshuisvesting Voortgezet Onderwijs (een ingroeiende kapitaallast van € 0,5 miljoen in 2027 oplopend naar € 2,0 miljoen in 2029), bedoeld voor een investering in onderwijshuisvesting VO. In het komende IHP wordt hier nader op ingegaan. Dit betreft een begrote ingroeiende kapitaallast, die na 2029 nog verder zal toenemen. Zolang er geen investeringen zijn gedaan, kan deze kapitaallast (tijdelijk) elders worden ingezet. Betreffende de Onderwijshuisvesting van VO hebben we een wettelijke verplichting. • Bewegingsonderwijs/sportaccommodaties: Dit betreft een bedrag van twee keer € 500.000 in 2025 en 2026 voor noodzakelijk onderhoud, renovatie, vervanging en/of verduurzaming.
Dit is een inzet vooruitlopend op de Visie en Aanpak op sportaccommodaties. Daaruit moet de claim voor latere jaren blijken.
Bij Inzet behoud brede welvaart hoort ook een bedrag voor indexatie in de meerjarenraming. Het betreft een bedrag van € 691.000 in 2027 oplopend naar 2,9 miljoen in 2029. Dit is een indexatie die betrekking zal hebben op alle drie de programma’s. Hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan indexatie van subsidierelaties, indexatie van kapitaalgoederen en indexatie van overige inkoopbudgetten. Tot slot is er nog de Stelpost Inzet behoud brede welvaart, die ook onderdeel uitmaakt van de Inzet op behoud brede welvaart. Het betreft een bedrag van € 700.000 in 2026 en een bedrag van € 3 miljoen vanaf 2027. De onderwerpen die hierbij horen zijn benoemd in de Voorjaarsnota op pagina 12 en 13. Een nadere verdeling van de stelpost is nog niet te geven. Wel kunnen we aangeven op welke programma’s de onderwerpen betrekking hebben en de status van deze onderdelen. Programma Sociaal: • Bestaanszekerheid • Jaarrond cultuur
Vastgesteld (Hulpfonds Bestaanszekerheid loopt tot 1 januari 2026). Vastgesteld (incidenteel budget voor 2025).
Programma Ruimte: • Wonen • • • • • • •
Strategie woningbouw 2020-2030, Ambitiedocument wonen SWF 2019 Actieplan SWF bouwt 2023-2024. Allen vastgesteld. Kapitaalgoederen Nota openbare ruimte. In 2025 wordt gewerkt aan nieuwe nota. Verkeersveiligheid Gemeentelijke verkeersvisie. Nieuw mobiliteitsprogramma wordt opgesteld (2025). Gemeente heeft wettelijke plicht in openbare ruimte, veiligheid etc. Fietsverbindingen Gemeentelijke verkeersvisie. Nieuw mobiliteitsprogramma wordt opgesteld (2025). Gemeente heeft wettelijke plicht in openbare ruimte, veiligheid etc. Evenementen Evenementenvisie (2024), vastgesteld. Niet wettelijk verplicht Economie/arbeidsmarkt Economisch actieplan (vastgesteld in 2023), Meerjarenplan circulaire economie (vastgesteld 2024). Regiodeal lijn economie. Niet wettelijk verplicht. Gastvrijheidseconomie Visie- en uitvoeringsprogramma gastvrijheidseconomie, vastgesteld, niet wettelijk verplicht. Landschapsbeheer Uitvoeringsprogramma impuls nationaal landschap uit 2023.
Programma Bestuur: • Veiligheid 2.
Integraal Veiligheidsplan 2024-2028 vastgesteld, betreft doorontwikkeling handhaving en uitvoering en actualisatie BIBOB-beleid.
In de tabel op pagina 10 van de Voorjaarsnota wordt bij de uitwerking van de kansrijke sporen onder het onderdeel "opgaven" een post opgenomen die lijkt te duiden op een extra storting in de Algemene Reserve (AR) van €3 miljoen. 2a. Klopt het dat dit bedrag een extra versterking betreft van de Algemene Reserve, boven op de bestaande buffer? Zo ja, wat is de reden of noodzaak van deze toevoeging? 2b. In hoeverre hangt de voorgestelde verhoging van de OZB met 4% bovenop de reguliere indexatie van 3% samen met deze reservering voor de AR? 2c. Zou het achterwege laten van (een deel van) deze toevoeging ruimte kunnen bieden om de OZBverhoging te beperken of alternatieve keuzes mogelijk maken? Antwoord: 2a. Het bedrag van € 3,0 miljoen dat wordt genoemd als Versterking AR in het plaatje met de hoofdknoppen, is het resultaat van de jaarschijf 2028, uitgaande van de inzet/cijfers zoals vermeld op het financiële totaaloverzicht. Dit bedrag is ook te vinden op pagina 6 van dit overzicht als € 2.979.317. Het is gebruikelijk om de uitkomst van een jaarschijf te verrekenen met de Algemene Reserve. Dat doen we met de resultaten van alle jaarschijven 2025 t/m 2029, zoals ook zichtbaar is in de Ontwikkeling van de Algemene Reserve op pagina 6 van het financiële overzicht. 2b.
De verhoging van de OZB met een 4% bovenop de reguliere indexatie van 3% geeft een jaarlijkse extra opbrengst van € 1.073.225 vanaf 2026. Deze opbrengst is onderdeel van de resultaten van de jaarschijven en bepaalt daarmee mede de omvang van de toevoeging of onttrekking aan de Algemene Reserve.
2c. De € 3 miljoen is het resultaat van diverse keuzes. Zonder de OZB-verhoging zou de toevoeging aan de AR nog € 1,9 miljoen zijn (in 2028). De jaarschijf 2028 kan dat wel dragen, maar de jaren 2026 en 2027 zijn beperkender. Een verlaging van het resultaat met € 1.073.225 betekent dat er in 2026 en 2027 niet meer sprake is van een structureel sluitende begroting. 3.
In de uitwerking van de kansrijke sporen wordt structureel gerekend met een extra rijksinkomst van €3 miljoen per jaar vanaf 2026. Deze verwachting is opgenomen in de financiële overzichten en vormt een wezenlijk onderdeel van het sluitend maken van de begroting. 3a. Op basis van welke concrete bronnen, toezeggingen of signalen gaat het college ervan uit dat Súdwest-Fryslân structureel een extra bijdrage van circa €3 miljoen van het Rijk ontvangt vanaf 2026? 3b. Wat is de invloed op het begrotingsbeeld indien deze extra bijdrage lager uitvalt dan geraamd, of helemaal niet wordt toegekend? 3c. Welke invloed hebben de hierboven genoemde risico’s op het niveau van de gemeentelijke belastingen, in het bijzonder de voorgestelde verhoging van de OZB, toeristen- en forensenbelasting? Antwoord: 3a. Wij hebben vooral verwachtingen vanwege het zwaarwegende advies van de commissie Van Ark over de Jeugdzorg. De VNG zet er op in dat dit “van kaft tot kaft” wordt doorgevoerd. Uit een ledenbrief van de VNG blijkt dat dit kan oplopen tot een bedrag van landelijk ruim € 2 miljard in 2026. Zie hieronder de berekening van de VNG (het betreft de regel “Door het rijk toe te voegen aan gemeentefonds (bóvenop regulier accres bbp)” voor een bedrag van € 2,182 miljard:
Indicatief is € 2 miljard landelijk voor onze gemeente ongeveer € 10 miljoen. Op dit moment hebben we dus te maken met een bandbreedte van € 0 (Rijk beweegt niet) tot € 10 miljoen (Rijk gaat volledig mee in de inzet van de VNG). Met een inschatting van € 3 miljoen hopen we redelijk goed te zitten. We hopen hier na het overhedenoverleg van 16 april meer zicht op te hebben. 3b. Mèt deze bijdrage van € 3 miljoen is de jaarschijf 2026 net structureel sluitend (+ € 18.000). Wanneer we minder krijgen, dan is de jaarschijf 2026 al snel niet meer structureel sluitend. Zonder deze € 3 miljoen jaarlijkse bijdrage komt de jaarschijf uit op een structureel tekort van ca € 3 miljoen. 3c. Om 2026 structureel sluitend te krijgen, met een lagere bijdrage vanuit het Rijk, moeten andere maatregelen getroffen worden om de lagere bijdrage op te vangen. Dat kan zijn een verdere verhoging van inkomsten (belastingen), een verhoging van ombuigingen, of een verlaging van een inzet op behoud brede welvaart.
4.
Op pagina 12 staat een beschrijving van de loon- en prijscompensatie in de meerjarenraming. Voorgesteld wordt bij de begroting 2026 o.b.v. 50% hiervan op te nemen en financiële middelen voor te reserveren. 4a. Is er in eerdere jaren (bijvoorbeeld in de begrotingen van 2023, 2024 of 2025) eveneens gewerkt met stelposten of reserveringen voor loon- en prijsontwikkelingen waarbij het verschil tussen de verwachte en feitelijke indexatie werd meegenomen? Zo ja, kunt u aangeven hoe dit destijds is verwerkt in de begroting en of er correcties nodig waren op basis van de meicirculaire of daadwerkelijke kostenontwikkelingen? 4b. welke invloed en/of risico’s heeft het niet opnemen van deze stelpost op de voorjaarsnota/begroting 2026. Antwoord: 4a. Als voorbeeld de meest recente begroting 2025. Daar is niet gewerkt met een extra stelpost of reservering voor loon- en prijsontwikkelingen. Daar is uitgegaan van het bedrag wat volgens het Rijk in de Algemene Uitkering beschikbaar zou moeten zijn voor loon- en prijscompensatie. Dat basisbedrag is berekend op € 7 miljoen. De werkelijke indexeringen die wij ervaren waren veel hoger dan dit bedrag van € 7 miljoen.
Zo vergde de salarisontwikkeling een bedrag van € 2,8 miljoen, verplichte/contractueel vastgelegde indexaties in het Sociaal Domein (Wmo en Jeugd) een bedrag van € 2,8 miljoen en de Gemeenschappelijke Regeling Veiligheidsregio Fryslân een bedrag van € 1,2 miljoen. Samen is dit al ongeveer € 7 miljoen. Maar we hebben te maken met meer indexaties, zoals onze subsidierelaties, de kapitaalgoederen en alle overige inkoopbudgetten (bijvoorbeeld prijsstijgingen ICT). Aan de reguliere € 7 miljoen hadden we dus tekort. In de begroting 2025 is uiteindelijk wel geïndexeerd voor Subsidiebedragen (€ 330.000), Stichting Sociaal Collectief (€ 133.000), Onderhoudsbudgetten kapitaalgoederen (€ 1.300.000), Bestuurlijke samenwerking VNG en VFG (€ 150.000) en Schoonmaakkosten (€ 130.000). Uiteindelijk is dit dus wel ten laste gekomen van de begroting 2025, maar dit was lastig begroten. Het voorstel om in de meerjarenbegroting alvast extra te reserveren voor toekomstige indexaties, betekent dat we alvast meer middelen vanuit de Algemene Uitkering opzijzetten om voldoende budget te hebben voor een nette indexatie van alle nodige begrotingsposten. Ook in eerdere begrotingen hebben we nooit gewerkt met een extra reservering voor indexatie. Ook in die begrotingen is altijd geconstateerd dat er te weinig middelen beschikbaar waren voor indexatie.
In die jaren hebben we niet altijd volledig kunnen indexeren. Die situatie willen we voorkomen. 4b. Niet opnemen van deze stelpost betekent dat we minder achterhouden voor indexatie. Deze ruimte kan dan gebruikt worden voor meer ambities, minder ombuigingen, of lagere inkomsten (belastingen). Daarmee is de financiële ruimte dan “weggegeven” en zal er t.z.t. minder ruimte zijn om te indexeren. Gezien de zaken die verplicht zijn (en voorrang hebben), zal het erop neerkomen dat de indexaties van subsidierelaties, onderhoud kapitaalgoederen en overige inkoopbudgetten in de knel kunnen komen.