8. TV CIE PRO - antwoorden deel 3
Tekst van het document
TECHNISCHE VRAGEN (over lopende agendapunten) Naam indiener Fractie
: Mark Konst : PRO Súdwest-Fryslân
Commissievergadering
: Commissie DSO/MBF
Datum
: 16-06-2026
Agendapunt
:5
Onderwerp
: Jaarstukken 2025
1.
In de beantwoording van de technische vragen over de verduurzaming van dorpshuizen, multifunctionele centra en wijkgebouwen geeft het college aan dat de onderschrijding van circa € 0,5 miljoen samenhangt met de fasering en planning van projecten en dat de budgetruimte voor deze meerjarige opgave structureel beschikbaar blijft binnen de begroting. Kan het college aangeven in hoeverre de voor 2025 beoogde doelstellingen binnen deze verduurzamingsopgave volledig zijn gerealiseerd? Indien hiervan sprake is, kan het college toelichten welke onderdelen zijn doorgeschoven naar latere jaren en op welke wijze wordt geborgd dat deze achterstand binnen de beschikbare middelen en planning alsnog wordt ingehaald? Antwoord: Het college heeft voor 2025 geen kwantitatieve doelstellingen geformuleerd, zoals een vooraf vastgesteld aantal te verduurzamen ontmoetingsplaatsen. Uitgangspunt van het beleid, op basis waarvan het investeringskrediet beschikbaar is gesteld, is dat de gemeente de ontmoetingsplaatsen actief ondersteunt bij verduurzaming, het moment van investering is afhankelijk is van de besturen zelf. Een lagere besteding t.o.v. het geraamde jaarbudget betekent daarom niet dat gemeentelijke doelstellingen niet zijn gehaald, maar dat een aantal verwachte investeringen later ten uitvoering komen dan vooraf ingeschat.
De betreffende ambitie om alle 63 ontmoetingsplaatsen te verduurzamen, toekomstbestendig te maken en besturen hierbij te ondersteunen blijft hiermee bestaan. De gemeente blijft hier de komende jaren op inzetten door o.a. het geven van advies, meedenken over de mogelijkheden en aanpak van verduurzamingstrajecten, het delen van kennis en ervaringen en het met elkaar in contact brengen van besturen onderling. Het investeringskrediet blijft beschikbaar om ook financieel te kunnen ondersteunen bij toekomstbestendige en duurzame ontmoetingsplaatsen.
2.
De jaarstukken vermelden binnen het Onderwijsachterstandenbeleid een voordeel van circa € 0,8 miljoen als gevolg van een herijking van projecten en subsidies. Kan het college op hoofdlijnen toelichten welke keuzes binnen deze herijking zijn gemaakt? Daarbij ontvangen wij graag inzicht in de mate waarin projecten, activiteiten of subsidieregelingen zijn aangepast, verlaagd of niet zijn voortgezet ten opzichte van de oorspronkelijke begroting en welke gevolgen dit heeft gehad voor de uitvoering van het Onderwijsachterstandenbeleid. Antwoord: Op hoofdlijnen is er onder andere in 2024 een strengere interne controle geweest op de verleende subsidies, dit is verder door gezet in 2025. Dit heeft tot een aantal terugvorderingen geleid. Tevens is de subsidieregeling extra activiteiten kinderopvang afgeschaft in 2025. Beide maatregelen hebben geen effect gehad op de uitvoering van het Onderwijsachterstandenbeleid.
Daarnaast is bijvoorbeeld gekeken naar de subsidies voor de Weekend- en de zomerschool. Er zijn gesprekken gevoerd met stichting Weekendschool over de voorgenomen activiteiten en de bekostiging hiervan. Omdat de zomerschool een kostbaar aanbod is, is onderzocht of er andere mogelijkheden zijn om de kosten te dekken en activiteiten efficiënter te organiseren. Dit heeft ertoe geleidt dat de incidentele subsidie trapsgewijs is afgebouwd en deze activiteiten beter binnen het financiële kader van de jaarlijkse subsidie past. Ook dit heeft geen effect gehad op de uitvoering van het Onderwijsachterstandenbeleid. Verder is er binnen een enkele subsidieregelingen wat meer begroot dan uiteindelijk is uitgegeven, wat ook weer tot een aantal terugvorderingen heeft geleid. Voor de komende periode zijn we bezig met een aantal nieuwe projecten, zoals het versterken van de verbinding jeugdhulp, kinderopvang en onderwijs. Samen met onze ketenpartners kijken we naar nieuwe subsidieaanvragen die in 2026-2027 gefaciliteerd/gerealiseerd zullen worden. 3.
De financiële ontwikkelingen binnen de jeugdzorg worden in de jaarstukken op verschillende plaatsen toegelicht. Hierdoor is er een minder duidelijk integraal beeld van de totale ontwikkeling van de jeugdzorg. Kan het college op hoofdlijnen een samenhangend overzicht verstrekken van de jeugdzorg over 2025, waarin inzicht wordt gegeven in de belangrijkste uitgaven- en inkomstenstromen, de grootste afwijkingen ten opzichte van de begroting en de belangrijkste oorzaken van het uiteindelijke financiële resultaat? Antwoord: Uitgaven jeugd Overig Dyslexie Pleegzorg Jeugdbescherming en reclassering Specialistische jeugdhulp - buiten SDF Specialistische jeugdhulp - licht Specialistische jeugdhulp Specialistische jeugdhulp - zwaar Wonen Totaal
2025 Begroting € 562.419 € 499.509 € 1.580.918 € 3.225.000 € 3.605.776 € 2.486.369 € 15.261.172 € 4.820.538 € 4.873.152 € 36.914.853
2025 Realisatie € 540.670 € 589.785 € 1.507.804 € 3.147.200 € 5.268.716 € 3.288.178 € 17.017.170 € 5.249.116 € 4.284.796 € 40.893.435
Grootste afwijkingen en oorzaken: Jeugd - Specialistische jeugdzorg buiten SDF: - € 1.511.000 Er is sprake van een toename in duurdere maatwerkcontracten waarbij zeer intensieve begeleiding zoals 1-op-1 begeleiding benodigd is. Door onder andere de versnelde afbouw van ‘gesloten plekken’ en een toenemende vraag naar, maar beperkt aanbod in, zeer complexe zorg zijn wij als gemeente steeds vaker aangewezen op maatwerkcontracten buiten het ingekochte aanbod. De tarieven van deze contracten liggen hoger, zowel vanwege de intensieve zorg die benodigd is als door marktwerking. Jeugd – Specialistische jeugdzorg: - € 1.544.000 Het totaal aantal unieke jeugdigen met een vorm van jeugdzorg in 2025 is nagenoeg gelijk gebleven ten opzichte van 2024. Wel is sprake van een verschuiving van lichte ondersteuning naar specialistische ondersteuning. Dit betreft zo'n 200 unieke jeugdigen. Dit betekent dat de gemiddelde zorgkosten per jeugdige toeneemt. Jeugd – Dagopvang/dagbehandeling: - € 1.249.000 De kosten voor dagopvang nemen toe. Voor een deel komt dit door de verschuiving van oude productcodes naar nieuwe productcodes en een herstelactie in de vergoeding voor vervoerskosten, wat een tariefsverhoging tot gevolg had. Daarnaast zien wij een toename van het aantal dagdelen per jeugdige.
Een aanvullende verklaring is het grijze gebied tussen de verantwoordelijkheid van het passend onderwijs en de inzet van zorgboerderijen door scholen, enerzijds, en de verantwoordelijkheid van de gemeentelijke jeugdhulp, anderzijds.
Jeugd – Landelijke zorg (LTA): - € 128.000 Dit bedrag is per jaar erg verschillend en daarmee lastig te begroten. Een enkele casus kan al een groot verschil maken. Dit jaar is er een toename van casuïstiek met loverboyproblematiek. Jeugd – Wonen: € 384.000 De uitgaven voor de producten kleinschalige woonvoorziening blijven achter ten opzichte van de begroting en de uitgaven vorig jaar. Hier is geen duidelijke verklaring voor. 4.
De jaarstukken noemen onder meer een verschuiving naar zwaardere vormen van jeugdhulp als oorzaak van het tekort op de specialistische jeugdzorg. Kan het college aangeven welke ontwikkelingen in 2025 de grootste bijdrage hebben geleverd aan dit tekort en in hoeverre sprake is van volumegroei, zwaardere zorgvraag of prijsontwikkelingen? Antwoord: Voor een nadere toelichting op de ontwikkelingen wordt verwezen naar het antwoord op vraag 3. In termen van bijdrage aan het tekort zien wij dat de grootste bijdrage in 2025 wordt veroorzaakt door een verschuiving naar zwaardere zorgvragen. Wanneer namelijk wordt gekeken naar de uitgaven per jeugdige met een indicatie, exclusief de effecten van indexatie, blijkt dat de gemiddelde kosten met 7,8% zijn toegenomen. Dit onderstreept dat vooral de toename in zwaarte van de zorgvraag bepalend is voor de kostenontwikkeling. De tweede belangrijke factor betreft de prijsontwikkeling (indexatie). De tarieven zijn gemiddeld met circa 5,43% gestegen, conform de gehanteerde indexatie. De volumegroei – het aantal unieke jeugdigen met een indicatie – laat in 2025 slechts een zeer beperkte stijging zien en draagt daarmee niet of nauwelijks bij aan het ontstane tekort.