8. TV CIE PRO - antwoorden deel 2
Tekst van het document
TECHNISCHE VRAGEN (over lopende agendapunten) Naam indiener Fractie
: Erik de Vries : PRO Súdwest-Fryslân
Commissievergadering
: Commissie MBF
Datum
: 18-06-2026
Agendapunt
:5
Onderwerp
: Jaarstukken 2025
1.
Op pagina 9 vierde bullit wordt gesproken over tijdschrijvenprojecten wat wordt hier precies onder verstaan? Antwoord: Met tijdschrijven op projecten en opdrachten wordt bedoeld dat medewerkers de uren die zij aan een project of opdracht werken, registreren in het tijdschrijfsysteem. Deze uren worden vervolgens financieel toegerekend aan dat project of die opdracht. De bijbehorende inkomsten of kostenverrekening worden op deze post verantwoord. Het genoemde voordeel ontstaat doordat een deel van de personeelskosten op deze manier wordt gedekt vanuit projecten en opdrachten, in plaats van vanuit de reguliere exploitatie. Dit voordeel is in dit jaar lager dan in voorgaande jaren, omdat er minder uren op projecten en opdrachten zijn geschreven.
2.
Pagina 16. Voor het transformatieplan Mentale Gezondheid en Veerkracht is een bedrag van 43 miljoen euro aan transformatiegelden beschikbaar. Daarover staat vermeld dat € 23 miljoen daarvan bestemd is voor de Friese gemeenten en welzijnsorganisaties. Waar is de overige 20 miljoen euro voor bestemd? Antwoord: De overige € 20 miljoen is bestemd voor de overige partijen die deelnemen aan het transformatieplan, met name de GGZ-instellingen en huisartsen. Deze middelen worden ingezet voor hun bijdrage aan de uitvoering van de beoogde veranderingen binnen de mentale gezondheidszorg en veerkracht.
3.
Wat wordt verstaan onder specialistische jeugdhulp buiten SDF? Kan een overzicht worden gegeven waarbij een vergelijking wordt gemaakt tussen enerzijds het begrote bedrag van alle vormen van jeugdhulp en anderzijds de in werkelijkheid in 2025 daarvoor gemaakte kosten? Antwoord: Onder specialistische jeugdhulp buiten SDF verstaan wij jeugdhulp die niet regionaal via Sociaal Domein Fryslân (SDF) is ingekocht of georganiseerd. Dit bestaat uit drie categorieën: • Persoonsgebonden budget (PGB): een budget waarmee ouders of jongeren zelf jeugdhulp kunnen inkopen en organiseren. • Maatwerkcontracten: individueel afgesloten overeenkomsten met zorgaanbieders buiten de reguliere inkoopstructuur. • Landelijk Transitiearrangement (LTA): landelijk georganiseerd aanbod via de VNG voor zeer specialistische en weinig voorkomende zorgvragen.
Hieronder is een overzicht opgenomen van de begrote en gerealiseerde kosten voor alle vormen van jeugdhulp in 2025: 2025 2025 Uitgaven jeugd Begroting Realisatie Overig € 562.419 € 540.670 Dyslexie € 499.509 € 589.785 Pleegzorg € 1.580.918 € 1.507.804 Jeugdbescherming en reclassering € 3.225.000 € 3.147.200 Specialistische jeugdhulp - buiten SDF € 3.605.776 € 5.268.716 Specialistische jeugdhulp - licht € 2.486.369 € 3.288.178 Specialistische jeugdhulp € 15.261.172 € 17.017.170 Specialistische jeugdhulp - zwaar € 4.820.538 € 5.249.116 Wonen € 4.873.152 € 4.284.796 Totaal € 36.914.853 € 40.893.435 Uit het overzicht blijkt dat de totale uitgaven in 2025 circa € 4 miljoen hoger liggen dan begroot, waarbij met name de specialistische jeugdhulp (waaronder buiten SDF) een belangrijke bijdrage levert aan de overschrijding. 4.
Pagina 104 financiële risico’s Nr. 6 Energietransitie. Klopt het dat er nog geen besluit is genomen over de garantstelling voor Warm Heeg? Zo ja, waarom wordt dit financiële risico dan toch wel meengenomen in de risicobeoordeling? Antwoord: Het is juist dat het financiële risico rondom Warm Heeg is opgenomen in de risicoparagraaf. Daarbij wordt uitgegaan van het besluit dat in 2023 door de toenmalige raad is genomen ten aanzien van de garantstelling. Op basis van dit raadsbesluit bestaat er voor de gemeente een potentieel financieel risico, dat conform de geldende systematiek wordt meegenomen in de risicobeoordeling. Hierbij geldt dat in de risicoparagraaf niet alleen actuele verplichtingen worden opgenomen, maar ook potentiële financiële risico’s die voortvloeien uit eerder genomen besluiten. Daarmee is de opname van Warm Heeg op pagina 104 in lijn met de wijze waarop risico’s integraal en voorzichtig worden weergegeven in de jaarstukken.
5.
Pagina 100 Toeristenbelasting Er wordt gesteld dat de opbrengst Toeristenbelasting niet door de gemeente beïnvloedbaar is. Is dat een correcte veronderstelling? Immers de belasting leidt tot hogere kosten wat kan betekenen dat toeristen om die reden kiezen voor een overnachting elders. Antwoord: De gemeente stelt het tarief voor de toeristenbelasting vast. Bij het bepalen hiervan wordt onder andere gekeken naar de tarieven in omliggende gemeenten, om te voorkomen dat er grote afwijkingen ontstaan. De totale opbrengst van de toeristenbelasting is echter vooral afhankelijk van het aantal toeristen en het aantal overnachtingen. Deze factoren worden beïnvloed door meerdere aspecten, zoals aantrekkelijkheid van de bestemming, aanbod van voorzieningen en algemene marktontwikkelingen, en liggen daarmee niet direct binnen de invloedssfeer van de gemeente. Indien het tarief voor toeristenbelasting duidelijk hoger zou liggen dan in vergelijkbare gemeenten, kan dit inderdaad effect hebben op de keuze van toeristen. In die zin is er sprake van een zekere mate van prijsgevoeligheid. Tegelijkertijd geldt dat de aantrekkingskracht van de gemeente en de kwaliteit van het aanbod eveneens bepalend zijn. Bij een marktconform tarief mag worden verwacht dat accommodaties goed bezet blijven.
6.
Pagina 129 Ontwikkeling bezetting Vermeld wordt dat de stijging van het aantal fte’s te verklaren valt uit het organisatiebreed invullen van vacatureruimte. Wat is per 31-12-2025 het verschil tussen enerzijds formatie en anderzijds de personele bezetting. Met andere woorden wat was per 31-12-2025 de vacatureruimte?
Antwoord: De vacatureruimte per 31 december 2025 bedraagt 12,96 fte. Daarbij wordt opgemerkt dat de vacatureruimte een momentopname is. Binnen de organisatie is continu sprake van in-, door- en uitstroom van personeel, waardoor de omvang van de vacatureruimte gedurende het jaar fluctueert. Daarnaast kan een deel van de openstaande ruimte tijdelijk worden ingevuld via interne verschuivingen, tijdelijke contracten of externe inhuur. Uit de jaarrekening 2025 blijkt dat de verhouding tussen formatie en bezetting dicht bij elkaar ligt. Dit bevestigt dat de organisatie over het algemeen goed is bezet en dat sprake is van een beperkte, reguliere vacatureruimte. 7.
Pagina 130 Inhuur Heeft het ziekteverzuim invloed op de inhuur en wat was over 2025 gerekend het gemiddeld verzuimpercentage? Kan het college aangeven voor welke functies/afdelingen geldt dat het verzuim hoog is en welke maatregelen zijn getroffen om het verzuim omlaag te brengen? Antwoord: Het gemiddeld verzuimpercentage voor de gemeente Súdwest-Fryslân over 2025 bedraagt 6,65%. Het verzuimpercentage is relatief het hoogst binnen het KlantContactCentrum (keten Dienstverlenen) en de Gebiedsteams (keten Sociaal Domein). In deze onderdelen van de organisatie spelen de aard van het werk en de werkdruk een rol. Het ziekteverzuim heeft in algemene zin invloed op de inzet van inhuur, omdat bij uitval van medewerkers continuïteit van dienstverlening en uitvoering van taken geborgd moet blijven. In 2026 zijn en worden diverse acties in gang gezet om het verzuim terug te dringen. Deze acties hebben zowel een preventief als curatief karakter en richten zich onder andere op duurzame inzetbaarheid, werkdrukvermindering en begeleiding bij verzuim. Hiervoor is een jaarplanning opgesteld, die in het eerste kwartaal van 2026 door het directieteam is vastgesteld en waarin concrete maatregelen zijn opgenomen.
8.
Pagina 130 Inhuur Heeft het personeelsverloop invloed op de inhuur en wat was over 2025 gerekend het personeelsverloop? Antwoord: Het personeelsverloop over 2025 bedraagt 10,11% (143 ambtelijke uitdiensttredingen op een totaal van 1.415 medewerkers, exclusief bestuurlijke functies). Personeelsverloop heeft invloed op de inzet van externe inhuur. Bij het ontstaan van vacatures, met name bij schaarse of moeilijk vervulbare functies, wordt inhuur ingezet om de continuïteit van werkzaamheden te waarborgen. Daarnaast wordt inhuur gebruikt om piekbelasting in de organisatie op te vangen. De inzet van externe capaciteit hangt daarmee deels samen met het personeelsverloop, maar ook met de beschikbaarheid van geschikte kandidaten en de aard van de werkzaamheden.
9.
Pagina 165 Verloopoverzicht voorzieningen Wat zijn de oorzaken van de sterke toename van de voorziening spaarverlof en wat zijn daar de gevolgen van? Antwoord: De sterke toename van de voorziening spaarverlof kent twee belangrijke oorzaken. In de eerste plaats is het aantal door medewerkers opgebouwde verlofuren in de afgelopen periode toegenomen. Het gaat daarbij onder meer om gespaarde verlofuren en opgebouwd overwerkverlof. Deze groei vertaalt zich direct in een hogere financiële verplichting en daarmee in een stijging van de voorziening.
Daarnaast is gebleken dat in de berekening van het voorgaande jaar het werkgeversdeel van de sociale lasten niet is meegenomen, terwijl dit wel onderdeel hoort te zijn van de voorziening. Deze omissie is in het huidige jaar gecorrigeerd, wat heeft geleid tot een aanvullende dotatie van € 376.000. De combinatie van deze ontwikkelingen heeft tot gevolg dat de voorziening structureel op een hoger niveau komt te liggen. Toekomstige berekeningen zullen immers volledig en op basis van een hoger saldo aan verlofuren plaatsvinden. De correctie leidt daarnaast tot een hogere last in de exploitatie in het huidige jaar. Verder betekent het grotere saldo aan opgebouwde verlofuren dat medewerkers in de toekomst meer verlof zullen opnemen of dat dit (gedeeltelijk) wordt uitbetaald. Dit vraagt aandacht in de personele planning en inzetbaarheid, omdat het effect kan hebben op de continuïteit van werkzaamheden. 10.
Het jaar 2025 is afgesloten met een aanzienlijk positief financieel resultaat. Begroot was in eerste instantie een nul-resultaat. Vertraging in de uitvoering van beleid is één van de oorzaken van deze afwijking. Hoe wordt dit door het college beoordeeld? Is dit een ‘verschijnsel’ wat zich min of meer structureel lijkt voor te doen? Antwoord: Het positieve resultaat over 2025 wordt door het college in samenhang beoordeeld. Een belangrijk onderdeel daarvan is dat een deel van de middelen later tot besteding komt dan oorspronkelijk voorzien. Dit hangt samen met factoren zoals het moment waarop middelen beschikbaar komen, de noodzakelijke voorbereidingstijd voorafgaand aan uitvoering, fasering van activiteiten, capaciteitsvraagstukken en externe ontwikkelingen zoals de algemene uitkering (decembercirculaire) en uitstel in dossiers zoals beschermd wonen. Dit leidt ertoe dat lasten in de tijd kunnen verschuiven en daarmee invloed hebben op het jaarresultaat. Het college ziet dit niet als een op zichzelf staand verschijnsel, maar als onderdeel van de dynamiek die hoort bij de uitvoering van beleid en projecten. Daarbij is van belang te benadrukken dat dit niet automatisch leidt tot structureel positieve resultaten. Dit blijkt ook uit eerdere jaren; zo kende 2023 bijvoorbeeld juist een negatief resultaat van € 6,6 miljoen.
Het college beziet de afwijkingen daarom steeds in hun context en op basis van het meerjarige financiële beeld, waarbij incidentele voor- en nadelen elkaar over de jaren heen kunnen afwisselen.
11.
In het sociaal domein zijn niet alle te behalen resultaten te vertalen naar harde cijfers. Vaak lukt het wel te duiden ‘wat’ er gebeurt maar kan vaak niet feitelijk worden vastgesteld wat de impact/het resultaat is van dat beleid. Dat zie je ook terug in de indicatoren zoals die voor 2025 zijn vastgesteld. Hoe wordt hier door het college tegenaan gekeken en is er een ontwikkeling waardoor de impact van het vastgestelde beleid en de uitvoering daarvan meer feitelijk en dus ook meetbaar, wordt gemaakt? Antwoord: Het klopt dat het in het sociaal domein lastig is om de impact van beleid eenduidig en in harde cijfers uit te drukken. Dit speelt bijvoorbeeld bij preventieve maatregelen, waarbij het moeilijk is vast te stellen welke zorg is voorkomen en in hoeverre dat direct toe te schrijven is aan gemeentelijk beleid of aan andere factoren. Dat neemt niet weg dat er wel een ontwikkeling gaande is om de effecten van beleid beter zichtbaar en onderbouwd te maken. Met de vaststelling van de Sociale Koers eind 2025 is hier nadrukkelijk aandacht voor gevraagd. Een belangrijk onderdeel daarvan is het versterken van de monitoring op maatschappelijke effecten. Vanaf dit najaar wordt gewerkt aan de ontwikkeling van een monitoringssystematiek met een set van indicatoren, waarbij niet alleen wordt gekeken naar output (wat doen we), maar ook meer naar outcome (wat levert het op).
Daarbij wordt gezocht naar een combinatie van kwantitatieve en kwalitatieve informatie, zodat een beter beeld ontstaat van de effecten van beleid en uitvoering. Hoewel het niet mogelijk zal zijn om alle effecten volledig meetbaar te maken, is de inzet om de zichtbaarheid en onderbouwing van de impact van beleid stap voor stap te verbeteren.
12.
Op pagina 168 wordt een opsomming gegeven van de lumpsumcontracten die de gemeente heeft afgesloten. In totaal gaat het daarbij op jaarbasis om een bedrag van bijna 17 miljoen euro. Lumpsumfinanciering heeft als voordeel voor de gemeente dat het exacte bedrag van de verplichting al bij het opstellen van het contract helder is en de gemeente niet voor financiële verrassingen komt te staan. Dit betekent wel dat er gestuurd moet worden op de ‘kwaliteit’ van de naleving van de contracten. In het jaarverslag 2025 worden slechts de financiële kanten belicht en niet de meer kwalitatieve/kwantitatieve uitvoering van de contracten waardoor er geen volledig en evenwichtig beeld bestaat van de wijze waarop door de contractpartijen uitvoering wordt gegeven aan de contracten. Kan het college inzicht geven in de kwaliteit en kwantiteit van de uitgevoerde lumpsumcontracten? Antwoord: De uitvoering van de lumpsumcontracten wordt gedurende het jaar gevolgd op zowel kwantiteit als kwaliteit. Met de hoofdaanbieders voor begeleiding en Hulp bij het Huishouden vindt ieder kwartaal overleg plaats op basis van kwartaalrapportages. In deze overleggen, waar onder andere de contractmanager en de gebiedsteammanager bij aanwezig zijn, wordt gekeken naar de voortgang, volumes en signalen over de uitvoering. Daarnaast leveren de hoofdaanbieders jaarlijks een eindrapportage aan.
Hierin wordt naast de financiële verantwoording ook ingegaan op kwantitatieve gegevens, zoals aantallen cliënten en ingezette ondersteuning, en op kwalitatieve aspecten van de dienstverlening. Voor Hulp bij het Huishouden wordt de kwaliteit aanvullend jaarlijks getoetst door een extern bureau. Hierbij wordt gekeken naar zowel de technische kwaliteit, zoals de staat van de huishouding, als naar sociaal-organisatorische aspecten, zoals communicatie, bejegening en vervanging. Verder worden cliënt-ervaringsonderzoeken uitgevoerd, waarin inwoners worden bevraagd over hun ervaringen met de ondersteuning en de behaalde resultaten. Ook de Adviesraad Sociaal Domein geeft signalen door die zij vanuit de achterban ontvangen.
13.
Accountantsverslag. De accountant doet in het verslag een aantal aanbevelingen. Neemt het college deze aanbevelingen over? Zo niet, wat zijn daarvoor de argumenten? Antwoord: Het college neemt de punten en aanbevelingen van Baker Tilly over. De opvolging hiervan wordt meegenomen in de reguliere bedrijfsvoering en verbeterprocessen. Baker Tilly zal in het accountantsverslag bij het volgende jaarverslag tevens terugkomen op de opvolging van de bevindingen die zij hebben gedaan.