CConstaterende datSudwest Fryslan
Koppel je AI →
Document · PDF

8. TV CIE PRO - antwoorden deel 1

Raadsvergadering 2 juli 2026, gemeente Sudwest FryslanBij agendapunt: Jierstikken 20251.791 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

TECHNISCHE VRAGEN

(over lopende agendapunten) Naam indiener Fractie

: Mark Konst : PRO Súdwest-Fryslân

Commissievergadering

: Commissie DSO

Datum

: 16-06-2026

Agendapunt

:5

Onderwerp

: Jaarstukken 2025

1.

Ten aanzien van de begrotingsrechtmatigheid binnen Programma 2 is er aan de lastenkant een formele overschrijding van ruim € 10 miljoen ontstaan door de administratieve verwerking van de grondexploitatie, welke aan de batenkant direct is gecompenseerd. A. Kan het college toelichten of deze omvangrijke boekhoudkundige mutatie het gevolg is van een specifieke fysieke versnelling of vroege oplevering van bepaalde woningbouw- of bedrijventerreinprojecten in 2025, en zo ja, om welke locaties dit met name gaat? B. In hoeverre heeft deze extra omzet conform de BBV-systematiek in 2025 ook geleid tot tussentijdse winstnemingen (positieve exploitatieresultaten), en op welke wijze zien we deze eventuele baten terug in het uiteindelijke voordelige saldo van € 13,2 miljoen van de gemeente? C. Op welk moment in het begrotingsjaar werd duidelijk dat deze administratieve verwerking van de grondexploitatie tot een overschrijding van deze omvang aan de lastenkant zou leiden, en hoe verhoudt dit zich tot de reguliere begrotingswijzigingen gedurende het jaar? Antwoord: Allereerst is het van belang het uitgangspunt bij de vraag te nuanceren. De overschrijding van ruim € 10 miljoen op de lastenkant binnen Programma 2 betreft niet uitsluitend de administratieve verwerking van de grondexploitatie, maar het totaal van meerdere onderdelen binnen dit programma.

De bouwgrondexploitatie maakt hier onderdeel van uit. De belangrijkste componenten binnen deze overschrijding zijn: • Woningbouw: € 3,6 miljoen • Bedrijventerreinen: € 0,4 miljoen • Verliesneming: € 2,4 miljoen Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar de jaarstukken (pagina 187 en 188). A. De geconstateerde overschrijding staat los van een fysieke versnelling of vervroegde oplevering van woningbouw- of bedrijventerreinprojecten. Dit hangt samen met de systematiek van begroten en verantwoorden binnen de grondexploitatie: budgetten worden eenmalig begroot, restantbudgetten worden niet automatisch overgeheveld naar volgende jaren, terwijl kosten en opbrengsten van projecten meerjarig doorlopen. Hierdoor ontstaat een verschil tussen begroting en realisatie dat niet één-op-één is te relateren aan de feitelijke voortgang van projecten. Kortom: de overschrijding is primair het gevolg van begrotingssystematiek en timingverschillen en niet van specifieke locaties waar versneld is opgeleverd.

B. Voor wat betreft eventuele tussentijdse winstnemingen geldt dat deze plaatsvinden conform de geldende BBV-systematiek. De concrete verwerking en omvang hiervan zijn opgenomen in de jaarstukken (pagina 143 en 192). In algemene zin geldt dat winst- en verliesnemingen zorgvuldig en conform BBV worden verwerkt en integraal onderdeel uitmaken van het totale jaarrekeningresultaat. Eventuele positieve of negatieve effecten vanuit grondexploitaties zijn daarmee verdisconteerd in het uiteindelijke saldo van € 13,2 miljoen. De relatie is daarmee aanwezig, maar niet direct één-op-één terug te voeren op deze specifieke mutatie, omdat het saldo door meerdere factoren wordt bepaald. C. Zoals bij A aangegeven, hangt het beeld van de overschrijding samen met de systematiek van begroten en verantwoorden binnen de grondexploitatie. Hierdoor ontstaan verschillen tussen begroting en realisatie die niet direct zijn toe te schrijven aan één concreet moment in het begrotingsjaar. Ontwikkelingen zoals winst- en verliesnemingen en actualisaties van grondexploitaties worden gedurende het jaar gevolgd en betrokken bij de reguliere planning- en controlcyclus. Deze leiden echter niet in alle gevallen tot afzonderlijke of volledige begrotingsbijstellingen, waardoor effecten zich met name bij de jaarrekening in samenhang manifesteren.

Binnen de bestaande rapportagemomenten wordt bezien op welke wijze dergelijke ontwikkelingen passend kunnen worden geduid. Daarbij wordt aangesloten bij de huidige planning- en controlcyclus en wordt telkens afgewogen wat daarin logisch en mogelijk is, zonder dat dit automatisch leidt tot een afzonderlijke tussentijdse bijstelling. 2.

Er is sprake van een nadeel van € 2,1 miljoen op het onderhoud van wegen, veroorzaakt doordat asfaltwerkzaamheden vanuit 2024 zijn doorgeschoven naar 2025 (gedekt uit de reserve wegen en water). Betekent dit dat de achterstanden uit 2024 hiermee volledig zijn ingelopen, of heeft dit verschuivingen veroorzaakt voor de planning van andere wegenprojecten in 2025 en verder? Antwoord: De asfaltwerkzaamheden die oorspronkelijk in 2024 waren gepland en toen niet tot uitvoering zijn gekomen, zijn in 2025 alsnog volledig uitgevoerd. Hiermee zijn de achterstanden uit 2024 in dat opzicht ingelopen. De uitvoering van deze werkzaamheden heeft niet geleid tot verschuivingen in de planning of uitvoering van het overige wegenonderhoud in 2025 en de daaropvolgende jaren.

3.

Het grootste deel van de baggerwerkzaamheden vond later in het seizoen plaats, waardoor € 379.000 doorschuift naar de reserve Wegen en Water. Heeft deze verschuiving geleid tot operationele knelpunten, of ligt de planning voor het onderhoud van deze waterwegen inmiddels in 2026 weer volledig op schema? Antwoord: De planning voor de baggerwerkzaamheden ligt inmiddels weer volledig op schema. Het later uitvoeren van een deel van de werkzaamheden in het seizoen heeft niet geleid tot operationele knelpunten. De verschuiving heeft derhalve geen negatieve gevolgen gehad voor de voortgang van het onderhoud van de waterwegen en de uitvoering is weer in lijn met de reguliere planning richting 2026.

4.

Ten aanzien van het extra noodzakelijke onderhoud aan de Lemmerbrug en Oppenhuizerbrug (€ 346.000): betreft dit een eenmalige onvoorziene tegenvaller? Antwoord: Dit betreft een eenmalige, onvoorziene tegenvaller. Voor zowel de Lemmerbrug als de Oppenhuizerbrug was reeds groot onderhoud gepland. Tijdens de uitvoering hiervan zijn echter aanvullende gebreken geconstateerd die directe aandacht vereisten. Er is voor gekozen deze werkzaamheden direct mee te nemen, zodat beide bruggen tijdig, bij aanvang van het vaarseizoen 2026, weer volledig gereed waren voor bediening.

5.

Het dossier Afval laat een voordeel zien van € 0,9 miljoen, mede dankzij hogere grondstofprijzen en afrekeningen over 2023 en 2024. Kan het college aangeven of de trend van hogere opbrengsten voor grondstoffen zich in 2026 doorzet, en wat de betekenis hiervan is voor de meerjarige kostendekkendheid van de afvalstoffenheffing?

Antwoord: De opbrengsten van grondstoffen zijn afhankelijk van marktprijzen en kennen van nature schommelingen. Het is daarom onzeker of de hogere opbrengsten zich in 2026 in dezelfde mate zullen voortzetten. In de meerjarenbegroting wordt hier voorzichtig en realistisch mee omgegaan, waarbij geen structurele stijging van deze opbrengsten wordt verondersteld. Eventuele meevallers werken daarmee incidenteel door en dragen bij aan de kostendekkendheid, maar vormen geen structurele basis voor de afvalstoffenheffing. 6.

In de toelichting op het raadsvoorstel wordt aangegeven dat de onderschrijding binnen het programma Wonen voor een belangrijk deel wordt veroorzaakt door vertraging in de Kleine Kernenaanpak als gevolg van ambtelijke onderbezetting. Er wordt voorgesteld om deze resterende middelen uit 2025 over te hevelen naar 2026. Deze middelen worden echter breed ingezet voor andere prioriteiten binnen het programma Wonen (zoals de Wet versterking regie op de volkshuisvesting, de Urgentieverordening, ouderenhuisvesting en de verdere inzet van de Taskforce). A. Welke concrete projecten, maatwerktrajecten of ambities binnen de Kleine Kernenaanpak hebben in 2025 exact vertraging opgelopen door de genoemde ambtelijke onderbezetting? Wat zijn hiervan de tastbare gevolgen voor de leefbaarheid en woningbouwinitiatieven in de dorpen? B. Wordt er naast de 'externe inzet' voor het Volkshuisvestingsprogramma ook specifiek extra ambtelijke capaciteit of evt. externe expertise ingezet om de onderbezetting bij de Kleine Kernenaanpak zelf te herstellen, zodat deze projecten in 2026 versneld kunnen worden uitgevoerd? Zo nee, betekent dit dat de Kleine Kernenaanpak in 2026 verdere vertraging oploopt ten gunste van de nieuwe wettelijke taken? Antwoord: A.

Door ambtelijke wisselingen heeft het opleveren van de eindrapportages van de Kleine Kernenaanpak in de drie kernen Kimswerd, Gaastmeer en Warns in 2025 vertraging opgelopen. Daarnaast zijn er, doordat er minder ambtelijke inzet beschikbaar was, in 2025 ook geen nieuwe trajecten binnen de Kleine Kernenaanpak opgestart. B. Voor de Kleine Kernenaanpak wordt voor 2026 voldoende ambtelijke capaciteit ingezet. De eindrapportages van de kernen Kimswerd, Gaastmeer en Warns zijn in maart 2026 door het college vastgesteld. Er wordt momenteel bekeken voor welke kernen een aanpak voorbereid kan worden en of en hoe de aanpak uitgebreid en verbreed kan worden.

7.

In de toelichting op de jaarstukken wordt gesproken over een voordeel (onderschrijding) van € 0,5 miljoen op het budget voor dorpshuizen, multifunctionele centra (MFC's) en wijkgebouwen, veroorzaakt door een 'gefaseerde uitvoering' van het nieuwe verduurzamingsbeleid. Dit terwijl de signalen uit de samenleving juist wijzen op een grote en urgente behoefte aan ondersteuning bij de verduurzaming van deze maatschappelijke ontmoetingsplaatsen. A. In welke concrete projecten, dorpshuizen of MFC's is het afgelopen begrotingsjaar wel daadwerkelijk geïnvesteerd vanuit dit budget, en welke resultaten zijn hiermee behaald? B. Hoe verklaart het college dat er sprake is van een aanzienlijke onder uitputting van € 0,5 miljoen, terwijl er vanuit ontmoetingsplaatsen juist veel vragen en verzoeken om verduurzamingssteun lijken te komen? Is deze 'gefaseerde uitvoering' een bewuste beleidskeuze geweest, of is dit bijvoorbeeld het gevolg van een gebrek aan ambtelijke capaciteit om aanvragen in behandeling te nemen? C. Op welke wijze borgt het college dat deze niet-bestede middelen (€ 0,5 miljoen) in de jaren 2026 en verder alsnog specifiek en geoormerkt ten goede komen aan de verduurzaming van deze ontmoetingsplaatsen? Antwoord: A. In 2025 is vanuit dit budget geïnvesteerd in groot onderhoud en verduurzaming van 18 ontmoetingsplaatsen.

Het resultaat is dat op deze locaties een belangrijke verduurzamingsslag is

gerealiseerd en is bijgedragen aan het toekomstbestendig maken van dorpshuizen en wijkgebouwen. Het betreft 15 subsidies binnen de subsidieregeling: • Skoalleseize in Easterein • Dorpshuis Burgwerd • Driuwpolle in Woudsend • Dorpshuis Himsterhús in Oosthem • MFC De Klink in Koudum • Dorpshuis De Nije Haven in Lollum • MFC Nieuw Maggenheim in Makkum • Dorpshuis Offingawier • Dorpshuis Britswerd • Dorpshuis Us Honk in Skettens • Wijkgebouw De Eekmolen in Sperkhem • Dorpshuis De Kosterij in Goënga • Dorpshuis De Begine in Hemelum • Dorpshuis It Heidenskip • Dorpshuis De Lytse Fjouwer in Itens Daarnaast is voor drie omvangrijke projecten incidenteel subsidie verstrekt: • Dorpshuis Kubaard • Wijkgebouw It Roefke (wijkvereniging Het Eiland) in Sneek • Doarphuis De Tuolle in Tersoal B. De onderschrijding van € 0,5 miljoen is geen gevolg van een gebrek aan ambtelijke capaciteit of het uitblijven van behandeling van aanvragen. De belangrijkste oorzaak ligt in de wijze waarop verduurzamingsprojecten tot stand komen. De uitvoering is in belangrijke mate afhankelijk van de besturen van de ontmoetingsplaatsen zelf. Het gaat vaak om omvangrijke trajecten die door vrijwilligers worden voorbereid, waarbij factoren zoals financiële haalbaarheid, beschikbaarheid van vrijwilligers en het beperken van sluiting van de accommodatie een rol spelen.

Hoewel sprake is van een gefaseerde aanpak in het beleid, kiezen veel ontmoetingsplaatsen er in de praktijk voor om verduurzaming in één keer uit te voeren. Dit kan leiden tot verschuivingen in de tijd. De onderschrijding hangt daarmee samen met fasering en planning van projecten, niet met een gebrek aan vraag. C. De middelen voor verduurzaming maken onderdeel uit van een meerjarig investeringsprogramma. Jaarlijks wordt een deel van het budget beschikbaar gesteld, waarover kapitaallasten in de begroting worden verwerkt. Doordat de daadwerkelijke investeringen zich in de praktijk minder gelijkmatig over de jaren verdelen, kunnen de kapitaallasten in een individueel jaar lager uitvallen. De bijbehorende budgetruimte blijft echter structureel beschikbaar binnen de begroting en is bedoeld voor de uitvoering van de verduurzamingsopgave in de daaropvolgende jaren.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/17107190/2