CConstaterende datSudwest Fryslan
Koppel je AI →
Document · PDF

8. TV CIE GBTL - antwoorden

Raadsvergadering 30 september 2021, gemeente Sudwest FryslanBij agendapunt: ‘Veenweideprogramma 2021-2030’1.070 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

TECHNISCHE VRAGEN (over lopende agendapunten) Naam indiener: Fractie:

B.A.Walsma GBTL

Commissievergadering/Raad Datum:

DSO 20 september 2021

Agendapunt:

4

Onderwerp:

Vragen over doelen Veenweideprogramma 2021-2030

Doel: Een toekomstbestendige en duurzame ontwikkeling van het veenweidegebied. Het Veenweideprogramma 2021–2030 kent vier hoofddoelstellingen: 1. De negatieve effecten van bodemdaling zijn verminderd, waarbij wordt ingezet op gemiddeld 0,2 cm minder bodemdaling per jaar; 2. De uitstoot van broeikasgassen uit de veenbodem is in 2030 met 0,4 megaton (Mton) CO 2equivalenten per jaar afgenomen; 3. De landbouw in het gebied heeft een duurzaam toekomstperspectief; 4. Het watersysteem is waterrobuust en klimaatbestendig ingericht. Vraag 1; (Betreffende doelstelling 1) Er wordt ingezet op minder bodemdaling en wel gemiddeld 0,2 cm per jaar. Hieruit lezen wij dat de bodemdaling ondertussen wel continueerd. Wat is de huidige verwachting v.w.b. de bodemdaling in cm per jaar indien er géén actie wordt ondernomen? Antwoord Het klopt dat de bodemdaling ondertussen continueerd. In Hoofdstuk 4 staat als voetnoot bij de bewuste 1e doelstelling: “Ter indicatie: de huidige gemiddelde bodemdaling bedraagt circa 1 cm per jaar”. Daarvoor is in Hoofdstuk 2 meer uitgebreid ingegaan op de consequenties van het geen actie ondernemen. Er staat o.a. op blz 13 (groene kolom): “Wanneer er geen maatregelen worden getroffen ligt in 2050 het maaiveld van het veenweidegebied overal lager dan 1 meter onder NAP. In 2100 ligt het grootste deel van het veenweidegebied dieper dan 2 m onder NAP.

Er zijn dan nog enkele kleine stukken veenweide die op een hoogte liggen van 1,5 tot 1 m onder NAP”. Ook zijn in dit hoofdstuk twee kaartbeelden opgenomen met de veendikte, resp. met de situatie in 2014 en de te verwachten situatie in 2100. Voor de duidelijkheid: bij de aanpak op basis van het Veenweideprogramma is er in 2030 sprake van gemiddeld 0,8 cm bodemdaling per jaar i.p.v. circa 1 cm per jaar. Vraag 2: (Betreffende doelstelling 2) Ook hier weer dezelfde insteek. In 2030 zal de uitstoot met 0,4 Mton per jaar zijn afgenomen. Over 9 jaren gemeten (tot sept. 2030) is dat gemiddeld 3,6 Mton. Kunt u aangeven wat de uitstoot over deze 9 jaren zal zijn als er wederom geen inzet zal zijn om deze waarden te verminderen? Antwoord In de doelstelling is vermeld dat de uitstoot van broeikasgassen uit de veenbodem in 2030 met 0,4 Mton CO2 equivalenten per jaar is afgenomen. In het Veenweideprogramma is aangegeven (zie blz. 16 bij punt 2) dat de totale jaarlijkse Friese uitstoot in het veengebied 1,8 Mton CO2 equivalenten bedraagt. De Friese uitstoot zal in 2030 daarmee, bij anderszins gelijkblijvende omstandigheden, zijn teruggebracht naar 1,4 Mton. Zonder maatregelen blijft, bij anderszins gelijkblijvende omstandigheden, de uitstoot 1,8 Mton.

Hier geldt aanvullend het volgende: • Naast maatregelen die de uitstoot verminderen, kunnen er ook maatregelen worden getroffen om CO2 vast te leggen. • De CO2-uitstoot is gebaseerd op huidige inzichten. In het kader van het Nationaal Kennisprogramma Bodemdaling word nu extra onderzoek gedaan naar de CO 2-uitstoot en de effectiviteit van maatregelen (zie de voetnoot bij doelstelling 2 op blz. 16 en het antwoord bij vraag 5). Vraag 3: (Betreffende doelstelling 3) Legt u eens kort uit wat hieronder wordt verstaan voor de gemiddelde ondernemer? Antwoord De term “De landbouw in het gebied” kan breed worden opgevat, de daaraan gekoppelde vraag over “de gemiddelde ondernemer” ook. We gaan er vanuit dat de vraag vooral is gesteld vanuit het perspectief van de primaire agrarische boerenbedrijven. In SWF gaat het dan met name om melkveehouderijbedrijven. Uiteraard hebben ontwikkelingen ook consequenties voor hieraan gerelateerde bedrijvigheid. Aspecten die voor het boerenbedrijf de komende jaren belangrijk zijn, zoals veenafbraak, klimaatverandering en een meer natuurinclusieve manier van agrarisch grondgebruik, vragen om aanpassingen in de agrarische bedrijfsvoering. Aspecten op dit vlak zijn kort benoemd op blz 16 bij punt 3 en in de bijbehorende voetnoot. Ondertussen is aanvullend van belang dat er wordt gewerkt aan een provinciale Landbouwagenda 2021–2030.

Voor de beantwoording van de vraag is binnen het Veenweideprogramma vooral programmalijn It Nije Buorkjen van belang. Belangrijke uitgangspunten voor deze programmalijn zijn: • We zetten in op een landbouw die beter past bij de natuurlijke omstandigheden in het gebied en tegelijk een duurzaam toekomstperspectief houdt. • Een landbouw waar in de toekomst ook nog een goed inkomen mee is te verdienen; er moet voldoende verdiencapaciteit zijn. • Een landbouw die aansluit op de omstandigheden en kwaliteiten in het gebied. Hoe agrarische ondernemers zich hiertoe concreet zullen verhouden zal afhangen van veel factoren. Worden bedrijven groter of kleiner? Stoppen veel boeren of ontstaat er een nieuw elan? Gaan bedrijven zich specialiseren of de bedrijfsvoering verbreden? Hoeveel financiële middelen zijn er voor een transitie in de landbouw? Juist hierover wordt met de sector het gesprek gevoerd. Met als belangrijk aspect: blijft er voldoende verdiencapaciteit voor de sector? De thema’s bij programmalijn It Nije Buorkjen geven voldoende mogelijkheden om hierover verder met de sector in gesprek te gaan. Vraag 4: (Betreffende doelstelling 4) Idem vraag 3 (Legt u eens kort uit wat hier onder wordt verstaan voor de gemiddelde ondernemer?) Antwoord Het belang van een waterrobuust en klimaatbestendig ingericht watersysteem is ook al benoemd bij het antwoord van vraag 3.

Concreet zal dit gaan betekenen dat binnen de bedrijfsvoering van agrarische bedrijven meer rekening moeten houden met bijv. extremer weer (droger/natter) en hogere peilen, zowel voor het sloot- als het grondwater. Dit aspect hangt samen met de thema’s uit programmalijn Waterbeheer en klimaatadaptatie. Het is de vraag of minder gunstige bedrijfsomstandigheden op dit vlak kunnen worden gecompenseerd of bijv. kunnen worden ingepast in nieuwe agrarische bedrijfsmodellen. Deze doelstelling hangt in die zin weer sterk samen met programmalijn It Nije Buorken. Vraag 5: Op welke wijze gaat u aantonen dat de doelstellingen onder de punten 1 en 2 wel of niet zijn gehaald. Met andere woorden... Hoe gaat u dit berekenen of vaststellen? Antwoord Binnen de programmalijn Onderzoek en monitoring wordt aangegeven dat op onderdelen nog meer kennis nodig is m.b.t. bodemdaling en CO2-uitstoot. Er zijn een aantal actiepunten benoemd (zie blz 38) waarbij o.a. een monitoringssysteem wordt (door)ontwikkeld om bodemdaling te kunnen volgen en er is een actieve deelname in het Nationaal Kennisprogramma Bodemdaling. Dat geldt ook voor het Nationaal Onderzoeksprogramma Broeikasgassen Veenweide, waarbij landelijk richtlijnen in ontwikkeling zijn, waarmee het aandeel in de vermindering van de landelijke broeikasemissie kan worden gevolgd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10565583/2