CConstaterende datSudwest Fryslan
Koppel je AI →
Document · PDF

8. TV CIE CDA - antwoorden

Raadsvergadering 27 februari 2025, gemeente Sudwest FryslanBij agendapunt: Helberheidsûndersyk projekt VO-campus1.684 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

TECHNISCHE VRAGEN (over lopende agendapunten) Naam indiener Fractie

: Bob van der Werf : CDA

Commissievergadering

: BF

Datum

: 13 februari 2025

Agendapunt

:7

Onderwerp

: Agendapunt: 7 Haalbaarheidsonderzoek campus.

1.

Waarom was het Integraal Huisvestingsplan (IHP) niet opgenomen in de vorige begroting, terwijl nu wordt voorgesteld om te investeren in een VO-campus? Ligt de prioriteit bij het onderzoek van de Campus? Of bij het IHP?

Antwoord: Het nieuwe IHP is niet in de begroting van 2025 meegenomen omdat het nog in de voorbereidende fase was. Een nieuw IHP kan pas opgenomen worden in de begroting nadat het is afgestemd met de schoolbesturen en is vastgesteld. Overigens heeft het IHP wel wat vertraging opgelopen vanwege de financiële situatie van de gemeente. Door het inzetten van kansrijke sporen maken we ruimte in de begroting om het nieuwe IHP te kunnen realiseren. Het haalbaarheidsonderzoek gaat over de VO-campus en de gebiedsontwikkeling (Spoorzonegebied) waar de campus deel van uitmaakt. De prioriteit ligt bij beide. Elk volgt zijn eigen proces. 2.

Op welke wijze kan de raad een goed onderbouwd besluit nemen als het IHP nog niet als formeel kader in de begroting is opgenomen?

Antwoord: Er worden middelen gevraagd om een haalbaarheidsonderzoek te doen op basis waarvan in de toekomst verantwoorde keuzes kunnen worden gemaakt. Een besluit over de campus wordt pas genomen nadat het nieuwe IHP is vastgesteld en na afronding van het haalbaarheidsonderzoek. Een besluit over de campus is dus nu nog niet nodig; het raadsvoorstel gaat nu alleen over het haalbaarheidsonderzoek. Overigens is het huidige IHP wel verwerkt in de begroting, maar er zijn extra middelen nodig. Bij voorjaarsnota wordt goedkeuring gevraagd voor deze extra middelen.

3.

Heeft het ontbreken van het IHP in de begroting invloed gehad op andere investeringen in onderwijshuisvesting? Zijn er daardoor noodzakelijke projecten uitgesteld of niet meegenomen?

Antwoord: Op dit moment is er nog een geldig IHP. Scholen kunnen een aanvraag doen op grond van het huidige IHP. Er zijn nog wel aanvragen van het basisonderwijs in behandeling. De afhandeling daarvan heeft vertraging opgelopen door de forse kostenstijgingen in de bouw. Op dit moment wordt gewerkt aan een goede oplossing.

4.

Op welke manier wordt gewaarborgd dat scholen in het buitengebied voldoende middelen behouden, gezien de verdeling van het gemeentelijke budget voor onderwijshuisvesting?

Antwoord: Het IHP vormt het kader voor afspraken die gemeente en schoolbesturen maken over het investeringsplan voor nieuwe, vernieuwde of gerenoveerde huisvesting van scholen. Het IHP wordt voorbereid in samenspraak met de schoolbesturen. Alle scholen nemen deel aan het OOGO, het op overeenstemming gericht overleg. Pas na behandeling in het OOGO gaat het IHP ter vaststelling via het college- naar de Raad. De waarborging ligt dus in onderliggende afspraken en alle belangen worden hier zorgvuldig afgewogen tot er overeenstemming is gevonden.

5.

Welke verantwoordelijkheden heeft de gemeente op het gebied van onderwijshuisvesting, en in hoeverre valt dit voorstel binnen of buiten die wettelijke kaders?

Antwoord: De verantwoordelijkheid voor onderwijshuisvesting ligt zowel bij de gemeente als de scholen. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor nieuwbouw en uitbreiding. Scholen zijn verantwoordelijk voor onderhoud en exploitatie. De kosten van renovatie vallen in een grijs gebied waarover tussen scholen en gemeenten vaak onduidelijkheid ontstaat. De wet wordt op dit punt gewijzigd, zodat gemeenten ook verantwoordelijk worden voor de kosten van renovatie en vernieuwbouw. Overigens kent Súdwest-Fryslân onder het huidige IHP ook al de mogelijkheid om de kosten van renovatie te vergoeden. Aanvullend op de wettelijke regelingen worden lokaal een IHP en een verordening op de onderwijshuisvesting vastgesteld. Het is voor gemeenten verplicht om een verordening vast te stellen. Het huidige IHP heeft nu nog betrekking op het IHP; met een a.s. wijziging in de wet wordt een IHP ook verplicht voor het voortgezet onderwijs. Voor de duidelijkheid: de verplichting om ook het voortgezet onderwijs op te nemen in het IHP is nieuw. De wettelijke verantwoordelijkheid voor gemeenten voor huisvesting (nieuwbouw en uitbreiding) voor het voortgezet onderwijs is er al langer. Het voorstel met betrekking tot de campus valt binnen de wettelijke kaders. 6.

Is er een uitgebreide kosten/batenanalyse uitgevoerd waarin de mogelijkheden van renovatie en verduurzaming van de bestaande schoolgebouwen worden vergeleken met de kosten van nieuwbouw? Zoja, mogen wij die inzien?

Antwoord: Ja hier is onderzoek naar gedaan. Het onderzoek wordt beschikbaar gesteld. Nadere informatie over de manier waarop het onderzoek beschikbaar wordt gesteld en een eventuele toelichting op het onderzoek volgen. 7.

Indien een vergelijking tussen renovatie en nieuwbouw is gemaakt, welke factoren zijn daarin meegenomen en wat zijn de belangrijkste uitkomsten?

Antwoord: In het onderzoek naar renovatie is rekening gehouden met verduurzaming conform de beleidsuitgangspunten van het nieuwe IHP. Bij de berekening van kosten voor nieuwbouw is uitgegaan van de verordening op de onderwijshuisvesting waar het betreft m². Het richtbedrag per m² is de BDB-norm zoals die in het nieuwe IHP zal worden opgenomen. Verder is rekening gehouden met een schaalvoordeel. De voornaamste conclusie is dat nieuwbouw enige miljoenen goedkoper is dan renovatie. Verder blijkt uit het onderzoek naar renovatie dat de gewenste verduurzaming niet altijd mogelijk is. 8.

Welke alternatieve scenario’s voor onderwijshuisvesting zijn onderzocht naast nieuwbouw van een centrale campus?

Antwoord:

Op dit moment zijn de kosten van renovatie (met het accent op verduurzaming) en nieuwbouw naast elkaar gezet. 9.

Waarom wordt er in dit voorstel niet gesproken over een variant waarbij bestaande gebouwen worden behouden en gefaseerd gerenoveerd?

Antwoord: Uit het onderzoek naar de renovatie blijkt dat renovatie zeer kostbaar is en dat het technisch niet altijd mogelijk is op het gewenste niveau te komen. Daarmee is niet uitgesloten dat delen van de huidige gebouwen kunnen worden behouden. Dit wordt in het haalbaarheidsonderzoek meegenomen. 10.

Is er een scenario doorgerekend waarin scholen verspreid blijven over meerdere locaties, in plaats van samen te gaan op één campus? Zo nee, waarom niet?

Antwoord: Het samen gaan op een campus biedt voor de scholen en de gemeente voordelen: onderwijskundig, qua exploitatie en investering. Uitgangspunt is dat alle leerlingen de best mogelijke kansen krijgen, niet alleen tijdens schooltijd maar ook daarna. Een campus kan daarin voorzien. Voor scholen speelt daarnaast ook dat zij bij dalende leerlingenaantallen gehuisvest zijn in te grote gebouwen die ook nog eens kostbaar in onderhoud zijn. Daarom zijn andere scenario’s niet onderzocht. 11.

Op welke wijze wordt dit project gefinancierd en welke maatregelen worden getroffen om te voorkomen dat andere onderwijshuisvesting, met name in het buitengebied, hierdoor in de knel komt?

Antwoord: Nieuwbouw van scholen wordt door de gemeente bekostigd. De gemeente ontvangt daartoe middelen uit het gemeentefonds. Een integrale afweging over de besteding van de middelen, prioritering en planning vindt plaats binnen het OOGO waarin alle schoolbesturen vertegenwoordigd zijn. Deze afweging vormt de basis voor het integraal huisvestingsplan, het IHP. In het IHP worden ook de geplande investeringen voor een periode van 16 jaar, in tijdsblokken van 4 jaar, opgenomen. Scholen kunnen een aanvraag doen conform de planning in het IHP. Het college besluit per school, op basis van het IHP, de onderwijshuisvestingsverordening en met inachtneming van het budgetrecht van de Raad. ( zie ook vraag 4) 12.

Welke partijen en onderwijsinstellingen zijn nog meer betrokken bij de planvorming rondom de campus? Wordt bv Firda (mbo) ook meegenomen in de ontwikkeling?

Antwoord: Alle partijen/onderwijsinstellingen waarvoor de gemeente een wettelijke verantwoordelijkheid draagt zijn betrokken via het OOGO. Er is inhoudelijk contact met het MBO. Het MBO is niet vertegenwoordigd in het OOGO omdat het MBO zelf verantwoordelijk is voor zijn huisvesting. De gemeente heeft hier geen taak. De campus beoogt ook een inhoudelijke samenwerking met maatschappelijke partners, waaronder ook het MBO en het bedrijfsleven. In het kader van de Regiodeal starten binnenkort projecten waarbij wordt inhoudelijk samengewerkt met het Cultuur Kwartier Sneek, de bibliotheek, Technolab, VC Sneek en roeivereniging De Geeuw, het MBO en het bedrijfsleven. 13.

Hoe wordt voorkomen dat de campus te groot of te klein wordt als demografische ontwikkelingen anders uitpakken dan nu verwacht?

Antwoord: Deze vraag wordt betrokken in het haalbaarheidsonderzoek waarvoor nu financiële middelen worden aangevraagd. Het antwoord kan gegeven worden nadat het haalbaarheidsonderzoek is uitgevoerd. 14.

Welke oplossingen zijn er overwogen om de campus schaalbaar en flexibel te maken, mocht de behoefte aan ruimte veranderen?

Antwoord:

Schaalbaarheid en flexibiliteit zijn vraagstukken die in het haalbaarheidsonderzoek worden meegenomen. 15.

Is er onderzocht hoe de campus kan inspelen op mogelijke leerlingendaling of groei in de toekomst?

Antwoord: zie 14 16.

Zijn er participatietrajecten geweest waarin ouders, leerlingen en omwonenden hun mening konden geven over de keuze voor een centrale campus?

Antwoord: De scholen onderzoeken hun samenwerking met behulp van een extern bureau. Bij dat onderzoek worden medewerkers en andere belanghebbenden betrokken. De scholen hebben hierover actief gecommuniceerd. Omwonenden uit het spoorzonegebied zijn betrokken via het participatietraject in de aanloop naar het nog vast te stellen gebiedsplan. In 2024 zijn 2 keer 2 bijeenkomsten georganiseerd, daarnaast zijn er overleggen met kleinere groepen direct omwonenden. Verder wordt een participatietraject gestart voor (toekomstige) leerlingen. Dit is één van de projecten binnen het thema voorzieningen in het kader van de Regiodeal. 17.

Wat zijn de gevolgen van deze investering voor andere gemeentelijke voorzieningen?

Antwoord: Daar kan in algemene en precieze zin geen uitspraak over worden gedaan. Een begroting is een puzzel, een keuze en een besluit van de gemeenteraad. 18.

Op welke manier is gemeten of een centrale campus bijdraagt aan kansengelijkheid en brede welvaart? Zijn er specifieke indicatoren, onderzoeksrapporten of referentieprojecten gebruikt om dit te onderbouwen?

Antwoord: De scholen baseren hun plannen o.a. op het onderzoek “Leren en participeren. Een nieuwe strategie voor dunbevolkte regio’s”, KBA Nijmegen 2024. Verder volgen wij de ontwikkelingen op het vakgebied. Vermeldenswaard is bij voorbeeld dat Seor en Oberon onderzoek gedaan hebben in opdracht van het Rijk. Informatie over deze onderzoeken kan beschikbaar worden gesteld. Planbureau Fryslân heeft gepubliceerd over de brede welvaart. Referentieprojecten zijn o.a. : Campus Eemsdelta, Rodenborghcollege Rosmalen en de Duurzaamheidsfabriek in Dordrecht. 19.

Welke onderwijskundige en maatschappelijke onderzoeken liggen ten grondslag aan de stelling dat een centrale campus bijdraagt aan brede welvaart en beter onderwijs? Zijn er concrete cijfers of vergelijkbare cases waaruit blijkt dat dit model effectiever is dan alternatieven zoals gespreide vestigingen of renovatie?

Antwoord: Zie vraag 18

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15154399/2