8. TV CIE CDA - antwoorden 2
Tekst van het document
TECHNISCHE VRAGEN (over lopende agendapunten) Naam indiener Fractie
: Bob van der Werf : CDA
commissievergadering Datum
: 15,16 en 17 april 2025
Agendapunt
:5
Onderwerp
: Voorjaarsnota 2025
Context 9b Toeristenbelasting: 1.
Kan het college toezeggen dat een verhoging van de toeristenbelasting gepaard gaat met een concreet en ambitieus marketingplan voor toerisme? Antwoord: Dit is een politieke vraag.
2.
Zijn er concrete cijfers of prognoses over het aantal toeristen de komende jaren? Antwoord: Naar verwachting zal het aantal verblijfsgasten in Nederland de komende jaren blijven groeien en een deel hiervan zal in provincie Fryslân en daarmee in de Zuidwesthoek terecht komen. Het Nederlands Bureau voor Toerisme en Congressen (NBTC) geeft inzicht hierin met de Forecast 2035: de prognoses voor binnenlands en inkomend verblijfstoerisme tot 2035. Er wordt in Nederland een groei verwacht van het totaal aantal verblijfsgasten met 24% (+12 miljoen) tot 2035 en dit gaat om gemiddeld 1 miljoen bezoekers per jaar meer. Het inkomende toerisme groeit met 39% (+8 miljoen). Naar verwachting groeit het binnenlands toerisme met 13% (+4 miljoen) van 29 miljoen in 2023 naar 33 miljoen in 2035. De prognoses zijn per provincie doorvertaald. Voor Fryslân wordt een totale groei verwacht van 10% (+204.000). Waarbij naar verwachting het aantal buitenlandse gasten met 15% (+55.000) groeit en het aantal binnenlandse gasten met 9% (+149.000) in 2035 ten opzichte van 2023.
Nota bene Het NBTC baseert haar prognoses op de cijfers van het CBS, de statistiek logiesaccommodaties (SLA). Deze statistiek registreert het aantal overnachtingen in alle toeristische logiesaccommodaties, met uitzondering van particuliere verhuur, waterrecreatie en vaste gasten in eigen accommodaties zoals tweede woningen en op jaar- en seizoenplaatsen op campings. De cijfers voor Fryslân geven daardoor in de prognose een vertekend beeld omdat hier verhoudingsgewijs veel watersportovernachtingen plaatsvinden. Dit geldt helemaal voor gemeente Súdwest-Fryslân waar meer dan de helft van het aanbod zich bevindt in de categorieën die CBS niet meeneemt in de SLA statistiek. 3.
Zijn er ook overwegingen gedaan om de toeristenbelasting met 20% te verhogen? Wat zou dit meer opleveren? Wat is dan het toeristenbelasting tarief voor 2026? Antwoord: Een verhoging van de toeristenbelasting met 20% is niet overwogen. In 2025 zijn de tarieven met 60% verhoogd. Bij een nieuwe verhoging moet een belangenafweging worden gedaan waarbij de belangen van toeristen die de belasting moeten betalen en van de ondernemers die de belasting moeten afdragen, worden meegenomen. In 2025 is de totale opbrengst begroot op € 3.635.544,-. Bij een verhoging van 20% zou dit een meeropbrengst opleveren van € 727.108,- en met aftrek van indexatie (van 3%) op € 618.042. Het tarief van de toeristenbelasting wordt dan met € 0,40 verhoogd. Het tarief wordt dan € 2,40. Context. 11a Uitnutten afval en riolering:
4.
Kan het college de onderbouwing verstrekken van de €600.000 aan kosten voor straatvegen die nu wordt voorgesteld toe te rekenen aan de afvalstoffen- en rioolheffing? Hoe is dit bedrag tot stand gekomen en hoe wordt de 50/50 verdeling onderbouwd? Antwoord: Kosten die meer dan zijdelings verband houden met gemeentelijke taken of dienstverlening kunnen volledig verhaald worden in de heffing. De straatreiniging heeft meer dan zijdelings verband met zowel de riolering als de afvalinzameling. Er moet voorkomen worden dat de kosten dubbel (100% zowel aan de riool- als de afvalstoffenheffing) toegerekend worden. Uit jurisprudentie blijkt dat de verdeling 50/50 is toegestaan. De € 600.000,- die momenteel niet toegerekend is betreft de toe te rekenen uren. Overige kosten (verwerkings- en tractiekosten) van de straatreiniging worden al wel toegerekend, ook op basis van een 50/50 verdeling. Er worden jaarlijks 15.000 uren aan straatreiniging besteed. Dit komt neer op € 600.000,-. Context 15a en 16B Verhogen OZB woningen en niet-woningen
5.
Is het juridisch toelaatbaar om structurele kosten zoals straatvegen toe te rekenen aan de afvalstoffen- of rioolheffing, gezien de strikte eisen aan het profijtbeginsel en de rechtmatigheid van toerekening in belastingverordeningen? Antwoord: Ja, de Hoge Raad heeft op 26 juni 2019 overwogen dat het de gemeente vrij staat om kosten geheel aan een heffing toe te rekenen als die kosten meer dan zijdelings verband houden met de taak. Zie ook het antwoord op vraag 4.
6.
Heeft het college onderzocht of en hoe andere gemeenten straatveegkosten meenemen in hun heffingssystematiek? Kan het college een overzicht verstrekken van vergelijkbare gemeenten die deze kosten (deels) opnemen in hun riool- of afvalstoffenheffing? Antwoord: Dit is niet onderzocht. In Súdwest-Fryslân is het uitgangspunt 100% kostendekking bij de riool- en afvalstoffenheffing. Een gemeente is vrij in dit uitgangspunt en kan er ook voor kiezen om de kosten van de gemeentelijke taken (deels) uit de algemene middelen te vergoeden.
7.
Wat is het structurele effect van deze €600.000 op de hoogte van de afvalstoffenheffing en rioolheffing voor de burger? Kan dit inzichtelijk worden gemaakt per huishoudenstype? Antwoord: Afvalstoffenheffing: Soort tarief
2025
eenpersoonshuishouden meerpersoonshuishouden
€ 244,44 € 292,68
Rioolheffing: Soort tarief eigenaren Gebruikers woningen Gebruikers niet-woningen 8.
2025
2026 zonder toerekening uren straatreiniging € 268,80 (+10%) € 321,84 (+10%)
2026 met toerekening uren straatreiniging € 275,16 (+12,6%) € 329,52 (+12,6%)
2026 met toerekening uren straatreiniging
€ 132,52 € 78,72
2026 zonder toerekening uren straatreiniging € 137,84 (+4%) € 81,84 (+4%)
€ 176,76
€ 183,84 (+4%)
€ 189,36 (+7%)
€ 141,89 (+7%) € 84,24 (+7%)
Hoe wordt geborgd dat inwoners in dorpen of het buitengebied niet meebetalen aan een intensieve veegfrequentie in stedelijke kernen? Antwoord: Dit wordt niet geborgd. De riool- en afvalstoffenheffing zijn zogenaamde bestemmingsheffingen. Er is sprake van een aanwijsbare collectieve tegenprestatie. Hierbij worden alle kosten die meer dan zijdelings verband houden met de taak toegerekend aan de heffing. De heffing is niet afhankelijk van locatie. Context. 8a. Grondexploitaties rendabeler maken. (Optie 2) meeropbrengst 1.000.000.
9.
Wat betekent de voorgestelde aanpassing (optie 2) voor lopende en reeds goedgekeurde woningbouwprojecten? Gaat dit gevolgen hebben voor de betaalbaarheid of planning van projecten die nu al in ontwikkeling zijn? Antwoord: Wanneer het economisch rendabel maken zwaarder weegt, heeft dit consequenties voor lopende en reeds goedgekeurde woningbouwprojecten, de gemaakte afspraken in de regionale woondeal en de WBI toekenning. Er worden immers minder betaalbare woningen gerealiseerd. Wanneer ingestoken wordt op de financiële bereikbaarheid voor de inwoners, zijn projecten minder rendabel. Het aanpassen van een deel van de grondexploitaties naar duurdere woningbouwcategorieën, betekent kort gezegd dat er minder betaalbare woningen gerealiseerd worden, dat het totale aantal woningen naar verwachting lager is en dat de plannen later uitgevoerd zullen worden (vertraging). Om wel WBI-subsidie voor de overige plannen te verkrijgen, moet de gemeente aan de volgende minimale eisen voldoen: het project moet bestaan uit minimaal 500 woningen èn het aandeel betaalbaar moet minimaal 50% zijn. De WBI mag uiteindelijk maximaal 50% van het publieke tekort van deze projecten dekken.
Dit is ook na te lezen op blz. 95 t/m 96 van het Ambtelijk Werkboek Kansrijke Sporen. 10. Wat is het effect van deze maatregel op de kavelprijzen? Met welk percentage stijgen de kavelprijzen gemiddeld en hoe verhoudt zich dit tot de huidige marktprijzen in onze regio? Antwoord: Wanneer een deel van de grondexploitaties naar duurdere woningbouwcategorieën wordt aangepast, worden de kavelprijzen voor deze delen naar verwachting duurder. Dit komt doordat hier in plaats van sociale- of betaalbare koop nu duurdere koop gerealiseerd gaat worden. Er is op voorhand niet in te schatten wat dit concreet voor kavelprijzen zou betekenen en hoe de prijzen zich dan tot die van omliggende gemeenten verhouden. 11. Om hoeveel woningen gaat het concreet bij de beoogde aanpassing? Kan het college inzicht geven in het aantal kavels dat in deze optie wordt hergecategoriseerd of herberekend? Antwoord: Dit hangt af van de hoeveelheid woningen waarvan de WBI wordt losgelaten. Op bladzijde 95 van Ambtelijk Werkboek Kansrijke Sporen is uitgegaan van het aanpassen van de plannen voor SneekHarinxmaland fase 2B en Workum-Zuid, omdat deze woningbouwplannen nog het best aanpasbaar zijn. In Woudsend-It Skar, Scharnegoutum-Noord, Boazum, Sneek-Harinxmaland fase 2A + 7 woningen fase 2B, en Bolsward-Oost worden 500 woningen gebouwd, waarvan 220 sociale woningen en 130 betaalbare woningen.
Hiermee is 70 % van de hier gerealiseerde woningen betaalbaar. Om voor de WBI-subsidie in aanmerking te komen, moet een project uit minimaal 500 woningen bestaan (zie ook antwoord op vraag 9). Aangezien we nu 858 woningen beogen, zou de beoogde aanpassing bij maximaal 358 (858 min 500) woningen plaats kunnen vinden om nog te voldoen aan de voorwaarden van de WBI. Zie ook blz. 95 t/m 96 van het Ambtelijk Werkboek Kansrijke Sporen. 12. Wat betekent deze wijziging voor de inzet van de ambtelijke capaciteit?Is hiervoor meer inzet nodig op grondbedrijf, juridische toetsing, of onderhandelingen met ontwikkelaars? Antwoord: Zoals bij antwoord 9 is aangegeven, zullen planologische kaders moeten worden aangepast en opnieuw worden vastgesteld, grondexploitaties worden herberekend en opnieuw worden vastgesteld. Bovendien moet met het rijk worden afgestemd wat exact de gevolgen zijn voor de WBI. Context 10a Parkeervoorzieningen 13. In de voorbereiding werd aangegeven dat op het gebied van ruimte: Mobiliteit 10a: In het kansrijk spoor ‘optimaliseren parkeervoorzieningen en inkomsten’ er sprake was van uitgaven in de vorm van een scanauto.
Wat zouden de besparingen zijn wanneer er geen extra uitgaven worden gerealiseerd maar wel de inkomsten worden verhoogd? Antwoord: In de toelichting onder punt 10A van het Ambtelijk Werkboek Kansrijke Sporen hebben we aangegeven dat we 2025 willen gebruiken om een realistisch beeld te krijgen van inkomsten en kosten rondom parkeren, zodat we kunnen kijken naar de langetermijnstrategie voor het parkeerbeheer in 2026 en verder. Dit betekent dat we de huidige situatie zorgvuldig moeten analyseren en mogelijke verbeterpunten identificeren, zonder meteen grote extra uitgaven te doen, zoals de aanschaf van een scanauto. Het uiteindelijke doel voor 2025 is om een meer realistische en evenwichtige begroting te creëren waarbij de kosten en opbrengsten van parkeren in lijn liggen met de werkelijke situatie.