8. TV CIE CDA - antwoorden 1
Tekst van het document
TECHNISCHE VRAGEN (over lopende agendapunten) Naam indiener Fractie
: Bob van der Werf : CDA
commissievergadering Datum
: 15,16 en 17 april 2025
Agendapunt
:5
Onderwerp
: Voorjaarsnota 2025
1.
De nota spreekt over scenario’s en risicobeheersing. Welke concrete stappen worden gezet om structurele tekorten na 2026 op te vangen? Antwoord: De strategie bestaat uit vier onderdelen: 1. Opgaven (Wat is nodig om verschraling en tekort in de meerjarenbegroting te voorkomen?) 2. Ombuigingen (Hoe maken we slimme keuzes?) 3. Inkomsten (Welk belastingniveau is aanvaardbaar en levert de landelijke lobby nog extra inkomsten vanuit het Rijk op?) 4. Bedrijfsvoering (Wat kunnen we slimmer doen als het gaat om werkprocessen, inhuur van personeel en investeren in digitale technologieën?) Bovenstaande heeft geleid tot het financieel overzicht zoals verstrekt aan de raad. Op dit overzicht staan de opgaven/inzet op behoud brede welvaart, de kansrijke sporen (inclusief inkomstenverhoging en besparingen op bedrijfsvoering) en een inzet op een lobby richting Rijk. Op het financieel inzicht staat de voorkeursinzet van het college. Met deze inzet kunnen we structurele tekorten vanaf 2026 opvangen.
2.
Hoe wil het college de afhankelijkheid van het gemeentefonds en incidentele meevallers verminderen? Antwoord: Het grootste deel van onze inkomsten komt uit het gemeentefonds (in 2025 betreft het 63% van onze inkomsten). Daarmee zal er altijd een grote afhankelijkheid van het gemeentefonds zijn. Incidentele meevallers zijn vanwege het incidentele karakter lastig te begroten. Belangrijk is dat het gemeentefonds voldoende middelen moet bieden aan gemeenten om de diverse taken uit te voeren. Daar is niet altijd sprake van. Dit speelt niet alleen bij ons, maar is een landelijk probleem voor gemeenten, waar ook de VNG aandacht voor vraagt. Onze gemeente ondersteunt de lobby vanuit de VNG voor voldoende middelen.
3.
Hoe beoordeelt het college de oplopende cumulatie van stelposten en incidentele middelen (zoals ‘inzet behoud brede welvaart’)? Is overwogen om deze als dekkingsvoorstel aan te wenden vóórdat structurele lastenverzwaring wordt doorgevoerd? Antwoord: De omvang van de stelpost “Inzet behoud brede welvaart” versus structurele lastenverzwaring (belastingverhogingen) is een politieke afweging. In het raadsvoorstel zijn specifiek hiervoor enkele alternatieven benoemd.
4.
Hoe verklaart het college dat er zulke grote verschillen bestaan tussen het eerdere collegevoorstel en de definitieve voorjaarsnota? Welke factoren maken deze bijstelling noodzakelijk? Antwoord: Dit is een politieke vraag. Context 15a en 16B Verhogen OZB woningen en niet-woningen
5.
Hoe verhoudt de verhoging van 7% OZB zich ten opzichte van het landelijk en provinciaal gemiddelde? Antwoord: Hieronder is een overzicht opgenomen van de Gemiddelde aanslag OZB woningen over 2025: 500 450 400 350 300 250 200 150 100 50 0 gemiddelde Fryslân 2025
6.
SWF 2025
SWF +7%
landelijk gemiddelde 2025
Hoe kan het dat het OZB niet woningen opbrengsten procentueel enorm verschilt? 3% levert 56.175 op en 7% 552.912. Antwoord: De begrote opbrengst van de niet-woningen bestaat uit drie delen: 1. Opbrengst windmolens IJsselmeer 2. Opbrengst overige niet-woningen 3. Subsidie ondernemersfonds De windmolens staan apart in de begroting omdat deze anders een te grote invloed zouden hebben op de OZB niet-woning tarieven. Door een hoge afschrijving zal de waarde van de windmolens naar verwachting de komende jaren dalen. Dit betekent dat de OZB opbrengst van de windmolens in eerste instantie ook daalt. De subsidie aan het ondernemersfonds is een vast bedrag dat in 2026 nog eenmaal daalt. De belastingverhoging wordt alleen berekend over de opbrengst overige niet-woningen. Bij een verhoging van 3% stijgen de OZB tarieven onvoldoende om de daling van de waarde van de windmolens en de daling van de subsidie aan het ondernemersfonds te compenseren. Bij een verhoging van 7% zal het OZB tarief ook zorgen voor een extra OZB opbrengst uit de windmolens.
Context 15d Forensenbelasting 7.
Eerder heeft het CDA aangegeven dat een andere heffingssystematiek voor forensenbelasting mogelijk fors meer kan opleveren. Is hier inmiddels meer duidelijkheid over? Antwoord: Er wordt op dit moment onderzoek gedaan naar wat de voor- en nadelen zijn voor het invoeren van deze andere heffingssystematiek. Hiervoor is contact opgenomen met de gemeente Terschelling. Er is meer tijd nodig om duidelijkheid te geven.
8.
Wat zou de meeropbrengst zijn bij een verhoging van 20% van de forensenbelasting? En hoe verhoudt dit zich tot tarieven in omliggende gemeenten? Wordt dit als buitenproportioneel gezien? Antwoord: In 2025 is de totale opbrengst voor forensenbelasting begroot op € 1.031.714,-. Onderstaand bedrag is berekend met behulp van de WOZ-waardes van 2025. Bij een verhoging van 20% komt de totale meeropbrengst uit op € 202.742,- en met aftrek van indexatie (van 3%) op € 172.331,-. Dit zou een verhoging van de gemiddelde aanslag betekenen van € 146,-. De forensenbelasting kent in Fryslân verschillende wijzen van heffen. Dit maakt een vergelijking moeilijk. Van onze buurgemeenten heeft alleen De Fryske Marren forensenbelasting. De tariefstelling in De Fryske Marren is ook een percentage van de WOZ-waarde. Maar in tegenstelling tot SúdwestFryslân heeft De Fryske Marren een minimum- en een maximumtarief: 1600 1400 1200 1000 800 600 400 200 0
DFM
SWF
Bij een belastingverhoging moet in de belangenafweging rekening gehouden worden met de belangen van de belastingbetaler. De rechter kan de belastingverordening onverbindend verklaren als er onvoldoende rekening is gehouden met deze belangen. Bij de verhoging moet de raad deze belangen meenemen in de overweging om te komen tot een dergelijke verhoging. Daarmee ook rekening houdend met de verhoging van 18% in 2025.