7. TV RAAD GL I antwoorden
Tekst van het document
TECHNISCHE VRAGEN (over lopende agendapunten)
Naam indiener:
Angeline Kerver
Fractie:
GroenLinks
Raadsvergadering Datum:
3 juni 2021
Agendapunt:
7
Onderwerp:
Jaarstukken 2021
pag. 40. Structurele exploitatieruimte citaat: “het kengetal van de structurele exploitatieruimte is licht positief. Als het negatief is moet het tekort gedicht worden met incidentele meevallers of uit de Algemene reserve Vraag: 1. Klopt de conclusie dat er nu dus geen incidentele meevallers nodig zijn omdat de structurele ruimte voldoende is? 2. Hoe valt dat te rijmen met de voortdurende waarschuwingen dat het positief saldo alleen maar te danken is aan eenmalige incidentele meevallers? 3. En hoe valt dat te rijmen met de voortdurende waarschuwingen over het tekort op de structurele ruimte in de begroting? Antwoord: 1. De berekende structurele exploitatieruimte geldt voor de uitkomst van de Jaarstukken 2020. Eigenlijk is dit kengetal beter toepasbaar op de (meerjaren)begroting en niet op de werkelijke uitkomst, zoals weergegeven in de jaarstukken. In de begroting staat bij elke begrotingspost of deze incidenteel of structureel is. Daardoor kunnen we op begrotingsbasis goed berekenen wat de structurele exploitatieruimte is voor de komende jaren. Voor de Programmabegroting 2021 is dat: Verplichte kengetallen C
Structurele exploitatieruimte
Rekening
Begroting Begroting Begroting Begroting Begroting
2019
2020
2021
2022
2023
2024
-1,29%
-0,79%
0,68%
-0,61%
0,02%
0,04%
Hieruit blijkt dat we in de meerjarenraming rondom de nul structurele exploitatieruimte hebben.
Uit het kengetal uit de Jaarstukken 2020 (1,50%) blijkt dat dit aanmerkelijk positiever is dan het kengetal volgens de begroting (-0,79%). We hadden verwacht dat we een incidenteel bedrag uit de algemene reserve (AR) zouden moeten halen, maar in werkelijkheid kunnen we er een bedrag aan toevoegen. Het klopt dus dat er over 2020 geen incidenteel bedrag uit de AR nodig is, maar dat betekent niet meteen dat de structurele ruimte voldoende is. 2. In de Jaarstukken is sprake van ‘een vertroebelend effect’. In de begroting zijn de posten netjes ingedeeld in ‘incidenteel’ en ‘structureel’. De structurele posten zijn veruit in de meerderheid: zo’n 98 procent is structureel. Zodoende is ‘op begrotingsbasis’ de berekening van de structurele exploitatieruimte goed te doen. De werkelijkheid in de Jaarstukken is echter weerbarstiger. Vaak hebben we met afwijkingen te maken op structurele posten, die incidenteel van aard zijn. Bijvoorbeeld door corona (incidentele afwijking) is op veel structurele budgetten minder uitgegeven. Maar deze lagere uitgaven zijn niet meteen een structureel voordeel, omdat verwacht mag worden dat (hopelijk al op korte termijn) er weer een normale besteding van de budgetten zal zijn. In de toelichtingen op de onder- en overschrijdingen is dit daarom aangegeven als een incidentele meevaller.
In het kengetal structurele exploitatie ruimte zal dit echter meetellen als een structurele post die minder is gebruikt. De nuancering dat de oorzaak daarvan incidenteel van aard is komt niet naar voren. Dat is het ‘vertroebelend effect’: de berekening van het kengetal geeft een te positief beeld van de structurele exploitatieruimte. Daarnaast zegt deze waarde niets over de ontwikkeling van dit kengetal in latere jaren. 3. Een beter beeld van de structurele en incidentele effecten in de Jaarstukken geven de toelichtingen op de onder- en overschrijdingen (pagina 91 t/m 114). Daar is te zien dat het overgrote deel van de afwijkingen incidenteel van aard is (aangegeven met een ‘I’). Dit verklaart ook het positieve resultaat. De incidentele voordelen zijn eenmalig: die kunnen dus niet meegenomen worden in de begroting. Als alleen gekeken wordt naar de structurele afwijkingen (aangegeven met een ‘S’), dan zien we dat deze juist allemaal nadelig zijn. In totaal komen de structurele afwijkingen uit op een nadeel van € 1,3 miljoen. Omdat dit nadeel structureel is, zal dit bij ongewijzigd beleid ook volgend jaar weer naar voren komen. Hier moeten we in de begroting dus wel wat mee doen. Wel structurele nadelen, maar geen structurele voordelen. Dat is reden voor zorg. Vandaar de voortdurende waarschuwingen.
Vraag: Pag 40 Citaat: In samenhang bekeken: “volgens de huidige, algemeen aanvaarde normen is er in meerjarenperspectief sprake van een gezonde positie.” 1. En hoe valt dat te rijmen met de voortdurende waarschuwingen over het tekort op de structurele ruimte in de begroting? 2. Welke invloed heeft de bezuinigingsmonitor op het geheel?
Antwoord: 1. De kengetallen tonen op zich een gezonde situatie. Ze geven echter vooral de situatie weer van de Jaarstukken, op dit moment. Als bijvoorbeeld gekeken wordt naar de hiervoor aangegeven structurele exploitatieruimte in de begroting, dan is dat niet ruim in de komende jaren. Daarnaast weten we vanuit deze Jaarstukken dat er voor een bedrag van € 1,3 miljoen aan structurele nadelen is. Dit moet worden opgelost in de komende begroting. Wanneer dat niet lukt, dan zal het kengetal structurele exploitatieruimte in de komende (meerjaren)raming negatieve waardes tonen. Op basis daarvan zal de conclusie over onze financiële positie minder rooskleurig zijn dan het aangehaalde citaat.
2. Over 2020 zijn ombuigingen gerealiseerd van € 2,0 miljoen (zie ook de bestuursrapportage november, december 2020). Dit betekent dat zonder de ombuigingen ons resultaat € 2 miljoen nadeliger zou zijn geweest. Volgens de bezuinigingsmonitor moeten we tot 2023 ombuigingen realiseren van nogmaals ca. € 8,0 miljoen. Daar de begrote ruimte (inclusief de ombuigingen) ongeveer nul is in de jaren 2023 en 2024, zijn de bezuinigingen hard nodig om uit te komen. Wanneer de ombuigingen niet worden gerealiseerd, heeft dat direct invloed op onze financiële positie.