CConstaterende datSudwest Fryslan
Koppel je AI →
Document · PDF

6. TV RAAD GL - antwoorden

Raadsvergadering 23 mei 2024, gemeente Sudwest FryslanBij agendapunt: Planologyske ynstimming ferpleatse Poiesz Supermarkt yn Koudum2.041 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

TECHNISCHE VRAGEN (over lopende agendapunten) Naam indiener Fractie

: Idske Koopmans-Douma : GroenLinks

Raad Datum

: 23 mei 2024

Agendapunt

:6

Onderwerp

: Planologische instemming verplaatsen Poiesz Supermarkt in Koudum

1.

De FNP heeft ambtelijke vragen gesteld over het verschil van planologische instemming en wijzigen van het bestemmingsplan. Dank daarvoor. Ook in de commissie DSO kwam dit punt nog even ter sprake. Toch blijft het enigszins onduidelijk wat nu de procedure zou zijn, indien de raad tegen het voorliggende raadsvoorstel zou stemmen, met andere woorden als de raad nu niet zou instemmen met deze planologische instemmingsprocedure (uitgebreide omgevingsvergunning). Graag uitgebreide uitleg/beantwoording van onderstaande technische vragen, zodat wij als raadslid op basis van deze feitelijke informatie goed inzicht krijgen in deze lastige materie/procedure. a. Welke procedure (inclusief tijdsperiode) zou dan worden gestart en op welke manier wordt dan de raad meegenomen? b. En welke gevolgen heeft dit voor de initiatiefnemer? Antwoord: a. De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna Wabo) maakt het mogelijk om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen. Op grond van artikel 6.5 lid 1 Besluit omgevingsrecht (Bor) wordt deze vergunning niet verleend dan nadat de gemeenteraad heeft verklaard dat hij hiertegen geen bedenkingen heeft (= verklaring van geen bedenkingen, hierna vvgb). Op grond van artikel 6.5 lid 2 Bor kan deze verklaring slechts worden geweigerd in het belang van een goede ruimtelijke ordening.

Op grond van artikel 6.5 lid 3 Bor kan de raad categorieën van gevallen aanwijzen waarin een verklaring niet is vereist. De raad heeft hiervan gebruik gemaakt en als categorie 9 aangewezen: activiteiten waarmee de raad planologisch heeft ingestemd. Gevolg van een planologische instemming is dat de raad de verdere afhandeling van de aanvraag in handen stelt van het college. Voor de verdere besluitvorming wordt de uitgebreide voorbereidingsprocedure gevolgd (ontwerpbesluit dat zes weken ter inzage ligt, de mogelijkheid van zienswijzen en hierna een definitief besluit op de aanvraag (er is dus geen sprake van een korte of kruimelprocedure)). Het verschil is dat geen vvgb van de gemeenteraad nodig is. Besluit de raad de planologische instemming niet te verlenen, dan doet de in artikel 6.5 lid 3 Bor genoemde uitzondering op de vvgb zich niet voor en zal de raad op basis van een nieuw voorstel alsnog besluiten of in het kader van een goede ruimtelijke ordening een vvgb kan worden afgegeven. De jurisprudentie vereist namelijk dat de raad daarbij een eigen inhoudelijke afweging maakt en een besluit over een vvgb moet dezelfde uitgebreide voorbereidingsprocedure doorlopen (ontwerpbesluit dat zes weken ter inzage ligt, de mogelijkheid van zienswijzen en hierna een definitief raadsbesluit

dat tezamen met het besluit op de aanvraag kenbaar wordt gemaakt). De procedure voor een positief of een negatief besluit verschilt niet. b. Dat betekent dat het wat langer zal duren voordat ontwerpbesluiten ter inzage kunnen worden gelegd. 2.

Uit het antwoord van bovengenoemde technisch ambtelijke vragen werd ook duidelijk dat de initiatiefnemer de procedure bepaald, met andere woorden de initiatiefnemer heeft gekozen voor deze route planologische instemming, waarbij de verklaring van geen bedenkingen van de raad niet nodig is. a. Had en kon het college (pro-actief) invloed uitoefenen op de te nemen procedure, dit gezien de politieke gevoeligheid van de verplaatsing van deze supermarkt uit het winkelgebied? Op welke wijze zou dit mogelijk zijn? En welke procedure zou dan gekozen worden juist bij politieke gevoelige dossiers? b. Kan de raad (pro-actief) invloed uitoefenen op de te nemen procedure alvorens het raadsvoorstel wordt opgesteld? Op welke wijze? c. Welke mogelijkheden heeft de raad om al lopende het proces (re-actief, het raadsvoorstel is al opgesteld) invloed uitoefenen op de te nemen procedure? Op welke wijze? d. Welke mogelijkheden heeft de raad om alsnog een zogenaamde verklaring van geen bedenkingen noodzakelijk te achten, dit gezien de grote impact (politiek gevoelig) die dit huidige raadsvoorstel heeft op Koudum? En welke gevolgen zou dit hebben voor het proces en de initiatiefnemer? Antwoord: a. Het is aan de aanvrager of hij een aanvraag indient. Dan kan zijn een aanvraag om het bestemmingsplan te wijzigen óf een aanvraag voor een omgevingsvergunning om van het bestemmingsplan af te mogen wijken.

De Wabo biedt juist ook de mogelijkheid om een omgevingsvergunning te vragen voor een project dat in strijd is met het bestemmingsplan. Het is vervolgens aan het bestuursorgaan om af te wegen of het project voldoet aan het vereiste van een goede ruimtelijke ordening. Met de komst van de Omgevingswet wordt deze vorm van uitnodigingsplanologie nog meer gestimuleerd. Wel zijn er -voordat de aanvraag is ingediend- diverse overleggen met de initiatiefnemer en OVK en DBK gefaciliteerd. Dit heeft niet tot consensus geleid. In de detailhandelsstructuurvisie heeft de raad via een afwegingskader aangegeven, hoe beleidsmatig met dit soort verzoeken moet worden omgegaan. Alleen bij verplaatsing naar een bedrijventerrein of een buitenstedelijke locatie is er een harde nee. In alle andere situaties wordt het afwegingskader gevolgd. b. Nee. De te volgen procedure voor een aanvraag is in de wet (zowel de Wabo als de Omgevingswet) bepaald. Onder de Omgevingswet dient de raad van tevoren te bedenken waarvoor zij advies willen geven. Onder de Wabo gold de bevoegdheid om een vvgb af te geven voor de zogenaamde uitgebreide omgevingsvergunningen, tenzij de raad dit als een categorie benoemd waarvoor een vvgb niet is vereist. Zoals hierboven al geschreven, bevat de detailhandelsstructuurvisie een afwegingskader voor verplaatsing van supermarkten.

Hiermee wordt ingespeeld op een niet ongebruikelijke ontwikkeling/tendens van verplaatsing van de supermarkt uit de winkelstraat waarvoor ook ruimtelijke motieven zijn aan te dragen. c. Het proces dat nu gevolgd wordt, biedt deze ruimte. De raad kan besluiten om op dit moment nog geen planologische instemming te verlenen. Dan is alsnog een vvgb nodig en zal de raad in het kader van een goede ruimtelijke ordening een eigen afweging moeten maken. Hierbij zal overigens de aangevraagde activiteit, de omvang van de planologische ingreep, het eigen beleid (o.a. de detailhandelsstructuurvisie en de bijbehorende onderzoeken die in het kader van het afwegingskader zijn verricht) en het recht (o.a. de Dienstenrichtlijn) opnieuw een rol spelen. Omdat er in dat proces eerst sprake is van een ontwerpbesluit van de raad, kan de raad -wanneer tegen dit besluit zienswijzen worden ingediend- nog een nadere belangenafweging maken. d. zie antwoord onder 1.

3.

Kan de raad bij de planologische instemming voorwaarden verbinden voor de herinvulling van de huidige supermarkt. Antwoord: Het afwegingskader bevat het criterium dat de verplaatsing niet mag leiden tot structurele leegstand.

Daar is in het onderzoek aandacht aan besteed. Met de ingediende aanvraag voor de nieuwe locatie hoeft de oude locatie geen andere bestemming te krijgen. Het perceel aan de Hoofdstraat heeft een ruime gemengde bestemming en er zijn dus heel veel andere functies mogelijk. 4.

Het dictum van het raadsvoorstel is: “Planologisch in te stemmen met het verplaatsen van de Poiesz supermarkt van de Hoofdweg naar de Tjalke van der Walstraat 21A (voormalig tuincentrum Fleurig buiten) te Koudum”. GrienLinks heeft gekeken naar een interessant arrest, namelijk de supermarkt Jumbo bij Tinga. In dit arrest is jarenlang geprocedeerd, en er ligt een uitspraak van de Raad van State, zie gaarne: https://www.raadvanstate.nl/uitspraken/@134071/202102213-1-r3/ Bij 3.4.2. staat “Verder stelt de Afdeling vast dat de herinvulling van het vrijkomende supermarktgebouw geen onderdeel uitmaakt van de verleende omgevingsvergunning. Datzelfde geldt voor de sportcarrousel. Dat niet alleen het college, maar ook de raad dit als afzonderlijke ontwikkelingen beschouwt, blijkt uit het voorstel waarmee de raad heeft ingestemd op 6 april 2017. Daarin staat dat het proces rond de ontwikkeling van de nieuwe supermarkt van Jumbo afzonderlijk wordt doorgezet, los van de herinvulling van het bestaande supermarktgebouw en de toekomstige ontwikkelingen van de sportverenigingen. Dit betekent dat uit het besluit van 6 april 2017 niet volgt dat eerst overeenstemming moest bestaan over een integrale aanpak van het gebied rond het perceel waarop de supermarkt is voorzien en het pand van de bestaande supermarkt, voordat de omgevingsvergunning voor de supermarkt kon worden verleend.

Het college hoefde daar bij het verlenen van de gevraagde omgevingsvergunning dus ook niet op te wachten. Het college hoefde ook in ontwikkelingen die zich na de planologische instemming hebben voorgedaan geen aanleiding te zien om toch de raad om een verklaring van geen bedenkingen te vragen.” In dit raadsvoorstel maakt de herinvulling van het vrijkomende supermarktgebouw op geen enkele wijze deel uit van dit raadsvoorstel c.q. planologische instemming. De herinvulling van het vrijkomende supermarktgebouw en de verplaatsing naar de nieuwe locatie lijken dan ook twee afzonderlijke ontwikkelingen te worden beschouwd. Er is niet gekozen voor een (meer) integrale benadering van deze ontwikkeling. a. Waarom is niet gekozen voor een (meer) integrale benadering voor dit gebied? Uit de stukken die de raad zijn aangeleverd blijkt wel dat er gesprekken zijn gevoerd over de herinvulling van de oude supermarkt. Ook zijn er ideeën geopperd dat men bij de nieuwe locatie van de supermarkt verbindingen zou willen maken met de huidige winkelstraat. Maar of dit gebeurt, op welke wijze (infrastructuur of slechts de bebording) en onder welke voorwaarden (huur voor welke termijn om leegstand te voorkomen etc.) is nog (te) onduidelijk, etc. b. Er zijn op dit moment op bepaalde cruciale punten nog veel onduidelijkheid en vrijblijvendheid.

Punten waarover voorafgaand het uiteindelijke besluit van de raad o.i. meer duidelijkheid zou moeten worden verschaft, zodat er meer zekerheid en inzicht kan worden geboden over of iets echt gebeurt, op welke wijze en onder welke voorwaarden. Hoe kan de raad dit alsnog bewerkstelligen? c. Biedt de zogenaamde wijzigen van bestemmingsplan met daarna de verklaring van geen bedenkingen meer comfort? Zo ja, waarom? En zo nee, welke route/mogelijkheden zouden wel kunnen worden genomen om meer conform te bieden aan de raad? Antwoord: a. Het college kent deze uitspraak en dit is een mooi voorbeeld over de toepassing van de figuur van planologische instemming. Verschil met de Tinga uitspraak is dat daar al duidelijk was dat de achterliggende locatie een andere bestemming gaat krijgen. Voor het perceel aan de Hoofdstraat is dit niet nodig. Binnen de gemengde bestemming zijn diverse passende invullingen mogelijk. Hiervoor hoeft het bestemmingsplan niet te worden herzien. Een gesprek hierover was moeizaam te voeren omdat dit vanuit het dorp niet als gewenste optie wordt gezien. b.

Wanneer de raad gelet op het vereiste van een goede ruimtelijke ordening, gelet op de eigen detailhandelsstructuurvisie en het hierin opgenomen afwegingskader, gelet op de aangevoerde belangen en gelet op het recht wenst dat in het besluitvormingsproces aan bepaalde onderdelen nog nader aandacht moet worden besteed, dan kan dit worden meegenomen. c. In deze vraag worden verschillende procedures door elkaar gehaald. De raad kan bestemmingsplannen herzien. Een verklaring van geen bedenking is alleen nodig bij het door middel van een uitgebreide omgevingsvergunning afwijken van een bestemmingsplan. Voor beide besluiten geldt het vereiste van een goede ruimtelijke ordening. Zoals onder antwoord a. hierboven al is aangegeven is het voor de verplaatsing van de supermarkt niet nodig om het bestemmingsplan voor de Hoofdstraat te herzien. Feitelijk gaat de discussie ook niet over een supermarkt maar een publiekstrekker in de winkelstraat. De gemengde bestemming maakt niet alleen een supermarkt mogelijk en de Poiesz heeft diverse keren aangegeven zich te willen

inspannen om de oude locatie passend in te vullen. De gemeente moet een besluit nemen op de ingediende aanvraag voor een omgevingsvergunning. Die aanvraag gaat over de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het gebruik van de locatie Tjalke van der Walstraat voor een supermarkt. Het bestemmingsplan staat op deze locatie alle vormen van detailhandel toe met uitzondering van een supermarkt. Dit noemen we een brancheringsregel en omdat initiatiefnemer verwijzend naar de detailhandelsstructuurvisie en het hierin opgenomen afwegingskader vraagt om van het bestemmingsplan af te wijken, zal ook getoetst moeten worden of de gestelde regel op grond van de Dienstenrichtlijn nog steeds onverkort kan worden toegepast. Bij de vaststelling van de herijkte detailhandelsstructuurvisie in 2019 wordt overigens in het raadsvoorstel al gewezen op de mogelijke gevolgen van de jurisprudentie over de Dienstenrichtlijn en wordt geschreven: “Er zal zeker bij een afwijzing heel goed moeten worden gemotiveerd waarom de gemeente op basis van de visie niet wenst mee te werken”. Verder vraagt de initiatiefnemer niet om voor de locatie op de Hoofdstraat van het bestemmingsplan af te wijken. Hierover hoeft dus ook geen besluit te worden genomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14184458/1