6. TV CIE PvdA - deel II I antwoorden
Tekst van het document
TECHNISCHE VRAGEN (over lopende agendapunten) Naam indiener Fractie
: Johan Feenstra : PvdA
Commissies
: Alle
Datum
: 27 oktober 2024
Agendapunt
:
Onderwerp
: Begroting 2025 (2)
Naar aanleiding van de antwoorden op de technische vragen hebben wij vervolg vragen. Deze zijn: 1.
Wij hadden bij vraag 8 over de meicirculaire en de LPO ontwikkeling, de vraag welke LPO indexen het rijk via het accres hanteert ter compensatie voor de LPO ontwikkeling van gemeenten. U becijfert een bedrag van 7 miljoen euro. Wij wensen te weten met welke percentages het rijk de gemeenten voor 2025 compenseert. De antwoorden zijn nog niet gegeven. De percentages die wij hieruit destilleren zijn voor de lonen in 2025: 4,4% (loonvoet sector overheid) en voor prijzen 2,3% (pbbp). Komt dit met uw zienwijze overeen. Zo neen: welke percentages dan? Antwoord: De door ons berekende € 7 miljoen is gebaseerd op 3,45% voor de lonen en hetzelfde percentage van 3,45% voor de prijzen. Dit is niet het exacte percentage dat we van het Rijk voor loon- en prijsstijgingen in 2025 ontvangen. Het exacte percentage kunnen we namelijk voor 2025 niet geven. De reden hiervoor is dat het Rijk ervoor heeft gekozen om de berekening van de loon- en prijsstijgingen voortaan te baseren op de prijs bruto binnenlands product (pbbp). De berekening van de loon- en prijsstijgingen was gebaseerd op de zogenaamde gecombineerde index. Wel geeft het Rijk in de jaren 2024-2029 compensatie voor het verschil tussen de oude (gecombineerde index) en de nieuwe (pbbp) systematiek. Dit is een volledige compensatie voor alle jaren, behalve voor het jaar 2025.
Dat we over 2025 geen volledige compensatie ontvangen, is een financiële keuze van het Rijk geweest. Net als bij de nieuwe berekeningssystematiek kregen wij bij de oude berekeningssystematiek hetzelfde percentage voor loonstijgingen als voor prijsstijgingen. Dit cijfer was gebaseerd op de gecombineerde index. In de meicirculaire 2024 is het bijbehorende percentage opgenomen. Zie onderstaande tabel (blz 6 meicirculaire 2024):
Zou het Rijk de oude systematiek nog hanteren dan zou het percentage loon-en prijscompensatie 3,45% voor 2025 zijn. De door ons berekende € 7 miljoen is ook op dat percentage gebaseerd. Indirect is die loon- en prijsstijging gebaseerd op 4,4% loonvoet sector overheid (telt voor 60%), en op 2,2% voor de netto materiele consumptie en 2,0 % voor de overheidsinvesteringen (beide voor 20%). Het Rijk is echter overgestapt naar een loon-en prijscompensatie op basis van de prijs bruto binnenlandse product (pbbp). Ook dat cijfer is gegeven en is te vinden in de meicirculaire 2024 bovenaan blz. 8:
Het percentage voor 2025 is dan 2,3% volgens de nieuwe berekeningssystematiek. In theorie zouden wij dus 2,3% loon- en prijscompensatie krijgen voor 2025. Omdat de oude systematiek ons 3,45% zou opleveren en de nieuwe systematiek maar 2,3% heeft het Rijk compensatie beschikbaar gesteld. Helaas voor het jaar 2025 maar voor een deel (ongeveer 50%). Omdat de compensatie een combinatie is van plussen en minnen van het loon- en prijsdeel, maar ook van het volumedeel, is het exacte percentage voor loon- en prijsstijgingen in 2025 niet te geven. 2.
Via het gemeentefonds (accres) krijgen de gemeenten de % stijgingen voor LPO gecompenseerd. Dat is de inkomstenkant en blijkt voor onze gemeente dus 7 miljoen euro te zijn. Daarnaast is er de uitgavenkant. In onze eerdere vraag 8 heeft u onder D de percentages vermeld die wij vergoeden. Wij zien graag een overzicht tegemoet met daarin (naast de percentages) alle bedragen aan uitgaven vanwege loon- en prijsontwikkeling die in de begroting 2025 zijn opgenomen. Zo kunnen we een saldo bepalen van inkomsten gemeentefonds en uitgaven m.b.t. LPO in onze begroting. Antwoord: Hieronder een overzicht van percentages en bedragen vanwege loon- en prijsontwikkeling: Wmo HH 5,00% Wmo Begeleiding 3,80% Wmo Taxivervoer 3,00% Wmo Hulpmiddelen 2,00% Leerlingenvervoer 3,00% Jeugd – Inkoop SDF 5,73% Jeugd – Algemeen 3,00% Jeugd – GI 3,00% Subsidiebedragen 2,92% Zwembaden 3,70% Ondernemersfonds 2,30% Stichting Sociaal Collectief 5,30% Kapitaalgoederen 6,50% Loonsom 3,30% Voogdij 18+ WSW loon- en prijsindexatie Gem. Reg (VRF) VNG/VFG Schoonmaakkosten
522.995 409.428 69.000 65.260 41.400 1.552.656 46.145 62.974 330.000 28.526 25.208 132.500 1.300.000 2.768.597 Specifieke dekking uit Meicirculaire Specifieke dekking uit Meicirculaire 1.225.253 (gezien het doel van de vraag hoort ook deze er bij) 150.000 (gezien het doel van de vraag hoort ook deze er bij) 130.000 (gezien het doel van de vraag hoort ook deze er bij)
Totaal
8.859.942
3.
Wij hebben vragen gesteld over de contributiebedragen voor 2025. U komt met antwoorden die gaan over 2024 en 2023. Ter verduidelijking stellen wij de volgende vragen: A. Voor de VNG en VFG samen, was de contributie in 2024 afgerond 201.000 euro (145.000 + 56.000). Nu vraagt u t.o.v. 2024 voor de VNG en VFG 150.000 euro extra vanwege contributiestijging. U noemt in de toelichting in de begroting op pagina 88 zijdelings ook de GGU (?). Hoe kan de contributie voor de genoemde organisatie nu zo stijgen. Of spelen hier meer verhogingen die u niet noemt. Graag uitleg. B. Welke bedragen aan contributies vragen de VNG en de VFG nu voor 2025 afzonderlijk en welke stijgingen voeren deze twee organisaties nu door in bedragen t.o.v. 2024? C. Graag een uitsplitsing van bedrag voor bestuurlijke samenwerking dat voor 2025 nu wordt begroot. Graag per organisatie uitsplitsen en ook t.o.v. 2024. D. Wat bedoelt u dat de contributieverhogingen in de breedte toenemen. Zijn er in de afgelopen jaren dan diverse extra lidmaatschappen aangegaan? Antwoord: Hieronder antwoord op de door u gestelde verduidelijkende vragen. A. Er zijn meer uitgaven voor bestuurlijke samenwerking dan alleen het lidmaatschap van de VNG en de VFG. Zo is er bijvoorbeeld een uitgave voor het fonds voor Gezamenlijke Gemeentelijke Uitvoering (GGU) van de VNG. Het fonds GGU kost jaarlijks ongeveer €344.000,-.
Ook is er nog contributie voor SNN en voor de Waddenzeegemeenten. Zie ook het antwoord op vraag C. daar treft u een lijst aan met de verschillende uitgaven voor 2023 en 2024 aan. B. In de algemene ledenvergadering van de VNG van 26 juni 2024 is besloten om de contributie te verhogen met 5,2%. De verhoging omvat een indexatie loon- en prijsontwikkeling van 4,2% plus 1,0% groei naar dekking van de kosten van de kernorganisatie van de VNG. Voor Súdwest-Fryslân betekent dit 1,60 euro per inwoner (bij inwonerstal van 25.000 – 200.000) in 2025 t.o.v. 1,521 euro in 2024. Naar schatting wordt de contributie in 2025 dan zo’n € 151.000,-. In de algemene ledenvergadering van de VFG van 22 april 2024 is besloten om de contributie voor 2025 vast te stellen op 0,69 euro per inwoner. In 2024 was de contributie 0,62 euro per inwoner. Naar schatting wordt de contributie in 2025 dan zo’n € 62.674,77. C. Voor 2024 is er voor bestuurlijke samenwerking een bedrag begroot van € 558.306, voor 2025 is er een bedrag begroot van € 708.306. Hieronder treft u een lijst aan met de verschillende uitgaven voor 2023 en 2024 aan. Dat kunnen wij uit het financiële systeem halen omdat de contributies reeds in rekening zijn gebracht. Voor 2025 is dat niet mogelijk omdat bedrag niet vooraf uitgesplitst begroot is.
We hebben 2023 toegevoegd omdat er in dat jaar al sprake van een tekort was en u daarmee de voorgestelde ophoging van de begroting (met 150.000 euro t.o.v. het in 2024 begrootte bedrag) wellicht beter kunt duiden. Uitgaven aan bestuurlijke samenwerking in 2023 en 2024 Uitgave
2023
2024
Bijdrage fonds GGU 1e halfjaar Bijdrage fonds GGU 2e halfjaar VNG Jaarcongres
€ 150.489,95 € 150.489,95 € 3.780,00
€ 172.132,40 € 172.132,40 € 10.954,00
Samenwerkingsverband Noord Nederland Contributie VNG Contributie VFG
€ 97.000,00
€ 118.375,00
€ 136.525,20 € 45.150,00
€ 145.788,04 € 56.347,46
Lobby gemeentefinanciën VFG Contributie vereniging van Waddenzeegemeenten
€ 9.030,00 € 12.180,00
n.v.t. € 14.838,00
Contributie vereniging van Zuiderzeegemeenten (2021,2022 en 2023) Overig en mutaties
€
1.500,00
n.v.t.
€
-2.594,26
n.v.t.
Totaal
€ 603.550,84
€ 690.567,00
Begroot
€ 558.306,00
€ 558.306,00
Tekort
€ 45.244,84
€ 132.261,00
D. Daarmee bedoelen we dat iedere uitgave binnen de bestuurlijke samenwerking in 2023 en 2024 toegenomen is en de verwachting is dat dit in 2025 doorzet. Dat maakt dat het naar onze mening wijs is om in de begroting van 2025 rekening te houden met een toename van 150.000 euro ten opzichte van hetgeen aanvankelijk in 2023 en 2024 was begroot. Zodoende is het voorstel om voor bestuurlijke samenwerking een bedrag van € 708.306,- te begroten voor 2025. 4
Wij hebben antwoorden ontvangen (nr. 13) op vragen over extra gevraagde middelen van 256.000 euro m.b.t. bedrijfsmiddelen openbaar groen. In de toelichting betreft dit extra kosten voor 3 punten namelijk ONDERHOUD, BRANDSTOF en BELASTINGEN. Vanuit het jaar 2023 zou een tekort van 256.000 structureel doorwerken is de motivering. De stijging voor deze 3 onderdelen is echter 112.000 euro. Dat is bij lange na geen 256.000 euro. Nu blijkt dat er ook een nadeel van 176.000 euro voor KAPITAALLASTEN is opgevoerd, dat niet is genoemd en toegelicht. A. Wij wensen een overzicht van investeringen (bedragen en onderwerpen e.d.) te ontvangen die corresponderen, met de extra kapitaallasten van 176.000 euro. B. Wanneer heeft de gemeenteraad die investeringen/kredieten daarvoor beschikbaar gesteld en waarom zijn de kapitaallasten toen niet eerder geraamd? C. Hoe kan het dat voor de motorbrandstoffen bijna een tekort van 70.000 euro wordt opgevoerd. De brandstofprijzen zijn inmiddels toch min of meer op het oude niveau? Daarom graag een overzicht van de ramingen en rekeningcijfers van 2022 tot en met 2024 op dit onderdeel. Antwoord: A. De extra kapitaallasten zitten in de afschrijving van “4 Bestelbussen Groen/VG woongebieden&parken”. Deze zijn abusievelijk afgeschreven met een termijn van 1 jaar in plaats van 8 jaar. De kapitaallast is daardoor € 167.593 hoger dan begroot.
Dit betekent tevens dat de kapitaallast voor deze investering de komende jaren lager zal zijn dan op basis van het Investeringsprogramma zou worden verwacht. Het voordeel van de komende jaren over de gehele looptijd (8 jaar) zal deze kapitaallast corrigeren in het Investeringsprogramma. B. De investeringen inclusief kapitaallasten zijn middels het Investeringsprogramma in de Programmabegroting door de raad beschikbaar gesteld. C. Jaar Begroot Werkelijk 2022 217.861 425.108 2023 353.861 422.388 2024 321.169 221.190* * Stand oktober
5
Wij ontvangen graag de uitkomsten en gevolgen van de septembercirculaire 2024. In de informatieavond van een paar weken geleden is die aangekondigd. Antwoord: De Notitie September 2024, met daarin de uitkomsten en de gevolgen van de Septembercirculaire 2024 is inmiddels beschikbaar als Actieve informatie (Septembercirculaire 2024, week 44).
6
Pagina 95. De OZB opbrengst daalt in 2028 met 118.000 euro t.o.v. 2027. In de begroting 2024 was geen sprake van een daling in de laatste jaarschijf. Wat is de oorzaak dat we nu minder ramen en vorig jaar niet?
Antwoord: Onderdeel van de extra belastinginkomsten dit jaar was een herwaardering van de waarde van de windmolens in het IJsselmeer. De waarde van dit object daalt door afschrijving in de loop der tijd. Vandaar dat er dit jaar ook een daling in de meerjarenraming is begroot. 7
Pagina 102. In de tabel wordt m.b.t. de OZB onder “begroting 2024” een bedrag geraamd van 26.590.307 euro. In de begroting voor 2024 was een bedrag geraamd voor 2024 een bedrag van 25.398.307 euro. Graag een verklaring voor het verschil. Antwoord: Dit betreft de begrotingswijziging ten behoeve van de subsidie aan het ondernemersfonds ter hoogte van € 1.192.000.
8
Pagina 102. Onderaan de pagina wordt m.b.t. de OZB geschreven: “De opbrengst van een deel van de niet-woningen wordt gezien de jaarlijkse waarde ontwikkeling buiten de trendmatige verhoging gehouden. Vorig jaar was deze passage ook opgenomen. A. Waarom nemen we niet-woningen al jaren niet mee? Graag verklaring. B. Als we dit wel gaan doen? Wat betekent dat financieel? Antwoord: A. De waarde van de windmolens in het IJsselmeer is dermate hoog dat het meenemen in de trendmatige verhoging invloed zou hebben op de tariefbepaling. Omdat de waarde van dit object in de loop der tijd zal dalen door afschrijving zal de trendmatige verhoging van opbrengst van de windmolens dan betaald moeten worden door de eigenaren en gebruikers van de overige nietwoningen. Dit zou een te groot effect hebben op de jaarlijkse belastingdruk, daarom laten we de waarde van dit object buiten de trendmatige verhoging en ook buiten de berekening van de OZB tarieven. We doen een prognose van de waarde van de windmolens en aan de hand daarvan schatten we de OZB opbrengst. Omdat waardes van niet-woningen niet openbaar zijn en ook niet te achterhalen mag zijn hoe hoog de OZB aanslag van een bepaalde belastingplichtige is, is het op pagina 102 ruim beschreven. B. Het effect zal voor de gemeente in 2025 niet groot zijn omdat de waarde volgens de begroting dit jaar nog niet zal dalen.
In de begroting is rekening gehouden met de prognose van de waarde.
9
Pagina 104. De leges opbrengsten dalen van 4.043.329 euro naar 3.744.908 euro. Een verschil van bijna 300.000 euro. A. Graag een verklaring voor het verschil. B. Op welke wijze kunnen wij de daling herstellen? C. Het totaal aan rechten stijgt van 6.271.500 naar 6.499.095 euro. Waar is deze verhoging geraamd en ook verklaard als mutatie in de “aanpassingen” bij een programma in de begroting 2025? Antwoord: A. De daling zit in de financiële vertaling van de Omgevingsvergunningen in de begroting. Ten tijde van de vaststelling van deze leges (raad 21-12-2023) waren de lagere legesopbrengsten niet verwerkt in de begroting 2024. Dat is in de begroting 2025 wel het geval. B. De daling van de opbrengsten moet worden gecompenseerd met een daling van de kosten (zie ook het raadsvoorstel Verordening op de heffing en invordering van leges 2024, raad 21-12-2023). C. De verhoging is met name te verklaren door de stijging van de liggelden, zoals toegelicht onder punt 12 op pagina 72 van de programmabegroting.
10
Pagina 157. Voor aanschaf bedrijfsmiddelen Schoon, water en wegen was in de begroting 2024 voor het jaar 2025 een bedrag geraamd van 980.000 euro. In de begroting 2025 wordt nu een bedrag van 1.225.000 euro geraamd. De structurele lasten nemen daardoor toe met 40.000 euro. Voor aanschaf Bedrijfsmiddelen openbaar groen was een bedrag in de begroting 2024 voor het jaar 2025 geraamd van 1.293.000 mln. Deze nemen in de begroting 2025 met maar liefst 885.000 euro toe. De structurele lasten stijgen met 126.000 euro. Voor deze 2 onderdelen opgeteld stijgen de structurele kapitaallasten dus met 166.000 euro. A. Waar worden deze extra lasten in de begroting onder “aanpassingen” bij een programma verklaard? Immers de lasten voor de gemeente nemen toe.
B. Op welke wijze kunnen deze stijgingen worden verklaard? C. Wij wensen overzichten te ontvangen van de aan te schaffen bedrijfsmiddelen, het investeringsbedrag en de kapitaallast per afzonderlijk bedrijfsmiddel. Zowel voor Schoon, water en wegen als openbaar groen 2025. Antwoord: A. De toename betreft het doorschuiven van investeringen uit 2024 naar 2025. De begrote investering 2024 was € 1.650.000. De werkelijke investering bedroeg € 696.000. Het restant van € 954.000 is doorgeschoven naar 2025. Het “oude” investeringsbedrag 2025 bedroeg € 2.373.000 (inclusief gladheidbestrijding) + € 954.000 (restant 2024) = € 3.327.000. Het “nieuwe” investeringsbedrag 2025 bedraagt € 3.433.000. De toename ten opzichte van 2024 bedraagt derhalve € 106.000 en dit heeft te maken een extra terreinwagen ivm meer reinigingswerkzaamheden (€ 80.000) en met prijsstijgingen (€ 26.000). De gemoeide extra kapitaallasten worden gedekt binnen de bestaande begrotingsposten. B. Zie het antwoord bij A. C.
11
Pagina 119. Als gevolg van de toename van werkzaamheden van de telecom- en nutsbedrijven ontstaat verdere achteruitgang van de kwaliteit van de wegen e.d. zo staat geschreven. Op dit moment legt DELTA glasvezel aan in onze gemeente. Ook wij zien dat door werkzaamheden aan bestrating schade ontstaat, er zichtbare verzakkingen zijn en de weg/groen/bestrating achteruit gaan door het werk van DELTA. 1. Hoe wordt door de gemeente gehandeld als dit wordt geconstateerd?. 2. Hoe is de werkwijze van DELTA voor het herstellen van schade? 3. Hoe lang kan de gemeente DELTA nog aansprakelijk stellen van vervolg schade w.o. slechte reparatie bestrating, groen, verzakkingen. 4. Worden alle kosten de die de gemeente maakt verhaald op DELTA zoals schouwen, de tijd die de gemeente moet besteden aan meldingen e.d. Zo neen waarom niet? Antwoord: 1. De toezichthouder van de gemeente meldt het/de geconstateerde gebrek(en) bij het nuts- of telecombedrijf of bij haar aannemer. 2. Doorgegeven gebreken n.a.v. klachten dienen binnen een week verholpen te zijn. Daarnaast vinden (steekproefsgewijs) controle rondes plaats samen met de gemeentelijke toezichthouder: bij oplevering (gereed zijn van) de werkzaamheden en voor het verstrijken van de garantietermijn; geconstateerde gebreken tijdens die opnames dienen ook verholpen te worden. 3. Er geldt standaard een garantietermijn van 12 maanden.
Dit is beschreven in de Verordening Kabels en Leidingen (27-03-2018)* van de gemeente en het hieraan gekoppelde Handboek Kabels en Leidingen (vastgesteld door het college op 19-06-2018). 4. Nee. Juridisch mogen alleen leges geheven worden over werkzaamheden die rechtstreeks verband houden met het verlénen van een vergunning of instemmingsbesluit. Een eerste vooropname ten behoeve van een tracébepaling valt hier wel onder. Werkzaamheden als regulier toezicht tijdens de werkzaamheden en tijdsbesteding ten gevolge van meldingen, klachten en opnames mogen niet via de legesverordening geheven worden. Momenteel is er ook geen andere verordening of regeling van kracht die het de gemeente mogelijk maakt om alle toezichtkosten te verhalen op de initiatiefnemer (nuts- of telecombedrijf). Na afloop van de garantietermijn brengt de gemeente wel degeneratie kosten in rekening bij de betreffende nuts- en telecombedrijven. Dit kan gezien worden als een soort van “schadevergoeding” om verkorting van de restlevensduur te compenseren. In de praktijk betekent dit, dat dit middelen zijn die specifiek bedoeld zijn om schades die zich voor doen of geconstateerd worden ná de garantietermijn. En dus niet bedoeld om de kosten voor toezicht te dekken. *: zie https://zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2018-114566.html