4. TV CIE PvdA I antwoorden deel 3
Tekst van het document
TECHNISCHE VRAGEN (over lopende agendapunten) Naam indiener Fractie
: Johan Feenstra : PvdA
Commissievergadering
: DSO, BM, BF
Datum
: 28, 29, 30 oktober 2025
Agendapunt
:4
Onderwerp
: Begroting 2026 (deel 2 JF)
1.
Pag. 56 Ontwikkeling bedrijventerreinen Hemmen en andere kernen. De realisatie van de Hemmen en het mogelijk maken voor bedrijven om zich daar te vestigen heeft een lange doorlooptijd. Daarover de volgende en andere vragen: A. Hoeveel koopovereenkomsten zijn er tot op heden afgesloten voor kavels op de Hemmen III fase 1? B. Verloopt dit volgens planning? C. Hoeveel kavels zijn er op dit moment nog beschikbaar binnen fase 1, en wat is de totale oppervlakte daarvan in m2 t.o.v. het totaal aan uit te geven grond? D. Kan worden aangegeven hoeveel van de beschikbare kavels momenteel in onderhandeling of in optie zijn? E. Wat is de gemiddelde doorlooptijd tussen het bouwrijp maken van een kavel en het sluiten van een koopovereenkomst? F. Welke soorten bedrijven (sectoren) gaan zich vestigen of hebben concrete plannen voor Hemmen III fase 1? G. In de toelichting wordt gesteld dat de ontwikkeling van de Hemmen III fase 2 is uitgesteld vanwege netcongestie. Als het wordt uitgesteld waarom wordt dan wel gekozen om nieuwe bedrijventerreinen in Bolsward en Makkum uit te werken? H. Is er in Bolsward en Makkum dan wel en voldoende netcapaciteit beschikbaar of worden daar ook knelpunten verwacht? I. Op basis van welke criteria is bepaald dat juist Bolsward en Makkum als eerste worden uitgewerkt en niet bijvoorbeeld Koudum, Workum, Heeg e.d.? J.
Er zijn afspraken gemaakt met de provincie over de uitbreidingsmogelijkheden in Bolsward en Makkum? Hoe luiden die? K. Wordt de ruimte-vraag m.b.t. bedrijventerreinen ook afgestemd met andere gemeenten in de regio ook vanwege de impact van netcongestie? Graag verdere uitleg. L. Heeft het uitstellen van de Hemmen III fase 2 nog financiële gevolgen voor de begroting vanwege oplopende rentekosten e.d.? Hoeveel bedragen die en op welke wijze worden die gedekt? M. Er zijn ook nog kavels beschikbaar in Workum en de Woudvaart te Sneek. Hoeveel kavels zijn er in deze steden nog te koop? N. Staan deze kavels al lang te koop? En welke inspanningen doen wij om deze verkocht te krijgen? O. Wanneer wordt verkoop van deze resterende kavels in Workum en Sneek verwacht? Antwoord: A. Er zijn 3 optieovereenkomsten ondertekend met een totaaloppervlak van 8,3 ha. De eerste koopovereenkomst wordt binnenkort ondertekend en gepasseerd bij de notaris. B. Nee door diverse omstandigheden, waaronder netcongestie en de vertraagde aanleg van verzwaard middenspanningsnet door de netbeheerder, loopt de planning uit.
C. Er zijn nog 2 of 3 kavels beschikbaar met een totaaloppervlak van 4,2 ha. D. Zie antwoord A; er zijn 3 kavels in optie met een totaal oppervlak van 8,3 ha. E. Normaal gesproken is de doorlooptijd 1 tot 2 jaar, maar door de huidige omstandigheden, met name de onzekerheid rondom energiebeschikbaarheid, is dit langer. F. Het bestemmingsplan voor de Hemmen III staat bedrijven toe tot en met milieucategorie 3.2 en stelt de eis dat per hectare minimaal 17fte arbeidsplaatsen dienen worden geboden. De bedrijven die voornemens zijn zich hier te vestigen voldoen aan deze criteria. G. Het bouwrijp maken van fase 2 is voorlopig opgeschort voor de duur van maximaal 3 jaar, met de insteek om in deze periode de mogelijkheden te onderzoeken om eerder energiebeschikbaarheid te kunnen garanderen dan de verwachtte termijn 2036-2038. In de besluitvorming hieromtrent, en ook in informatieverstrekking rondom het dossier netcongestie, is al geconcludeerd dat in Bolsward en omgeving (waaronder Makkum) de netverzwaring eerder is afgerond en daar reeds vanaf 2029 voldoende stroom wordt verwacht voor bestaande en nieuwe bedrijvigheid en andere ontwikkelingen. Daarbij komt dat de ontwikkeling van bedrijventerreinen in Bolsward en Makkum concreet zijn opgenomen in het coalitieakkoord. H. Zie antwoord G. Op dit moment zijn ook daar knelpunten, maar deze zijn naar verwachting in 2029 opgelost. I.
De ontwikkeling van bedrijventerreinen in Bolsward en Makkum staat expliciet benoemd in het coalitieakkoord. Hierin wordt verwezen naar afspraken met provincie. Voor het maken van deze afspraken is als inhoudelijke basis een rapport van Louter gebruikt, dat is opgesteld in opdracht van provincie in 2022. In dit rapport is een analyse gemaakt van de vraag naar bedrijventerreinen. Aanvullend hierop zijn gesprekken gevoerd en afspraken gemaakt met de Ondernemersfederatie, om goed beeld te krijgen bij behoefte, wensen en kansen op kernenniveau.
J. Met provincie zijn afspraken gemaakt over ruimte voor uitbreiding bedrijventerreinen voor de planperiodes 2022-2026 en 2026-2035. Hierin wordt ruimte geboden voor uitbreiding in Bolsward met 5ha tot 2026 en 7ha na 2026 en in Makkum met 4ha tot 2026. Deze afspraken zijn vastgesteld door de colleges van gemeenten Súdwest-Fryslân en de Fryske Marren en het college van Gedeputeerde Staten. K. Samen met de Fryske Marren vormen we één bedrijventerreinregio Zuidwest waarvoor afspraken worden gemaakt en waarin we afstemmen. Dit heeft in 2022 geresulteerd in de afspraken met provincie, waarnaar eerder werd gerefereerd. L. Elk jaar wordt er een actualisatie van de Grondexploitatie aan de gemeenteraad voorgelegd. Op dit moment heeft het uitstel van bouwrijp maken geen negatieve gevolgen voor de Grondexploitatie. M. De verkoop van kavels op deze locaties wordt momenteel voorbereid. Dit gaat om ruim 2ha verdeeld over meerdere kavels op het huidige bedrijventerrein Burevaart in Workum en meerdere kavels voor kantoorfuncties aan de zuidkant van bedrijventerrein de Woudvaart in Sneek. N. Zoals gezegd is dit in voorbereiding. In Workum wordt gewacht op een lopende bezwaarprocedure tegen de herziening van het bestemmingsplan. In Sneek zijn alle voorbereidingen getroffen en wordt gewacht op het terugplaatsen van ‘de houten brug’ over de A7, die momenteel gestald is op de verkooplocatie. O.
Zie antwoord N. 2.
In de meicirculaire worden de BBP percentage (inflatiepercentage) die de gemeente gebruikt voor indexatie van o.a. belastingen en het verstrekken van subsidies, gegeven. Vorig jaar werd in de meicirculaire 2024 voor 2025 een percentage van 2,3% verwacht. Uit de meicirculaire 2025 blijkt nu dat het juiste percentage voor 2025 3,63% moet zijn. Hierdoor ontvangt onze gemeente structureel € 2,0 mln. meer. Deze middelen “verdwijnen” naar het algemeen.
Gesubsidieerde instellen hebben dus naar nu blijkt te weinig geld gecompenseerd gekregen, want het percentage is nu hoger (3,63%). Zou het niet veel eerlijker zijn om over te gaan tot een systeem van nacalculatie waarbij een correctie wordt doorgevoerd voor het afgelopen jaar. Dat kan plus of min zijn, maar is wel zo eerlijk en rechtvaardig toch? Bovendien ontstaan er minder budgettaire afwijkingen bij deze instellingen. Kortom waarom hanteren we niet een eerlijker systeem van nacalculatie zoals ook andere gemeenten doen? Antwoord: Voorheen waren de afwijkingen tussen prognose en werkelijkheid kleiner. Soms viel het nadelig uit, soms voordelig. Voor- en nadelen waren wel redelijk in balans. Dit was/is voor Súdwest-Fryslân de gebruikelijke werkwijze. De laatste jaren zien we grotere afwijkingen. Een afwijking kan plus of min zijn. Dit wordt pas (laat) in het al lopende jaar geconstateerd. Een correctie in het lopende jaar is voor instellingen niet altijd wenselijk, zeker wanneer het een min betreft. Er zijn ook wel andere methoden, zoals indexeren met het indexcijfer van jaar t-1 of zelfs t-2. Dan liggen de indexatie cijfers vast. Nadeel daarvan is dat er in geval van grote schommelingen sprake is van een vervelende vertraging. Kortom elk systeem heeft zijn voor- en nadelen. Overigens is het niet zo dat we in het geheel niet compenseren.
Wanneer de CAO-ontwikkeling afwijkt van de inschatting, dan corrigeren we dat in de volgende programmabegroting. Omdat de indexatie van het loonsomgevoelige deel van gesubsidieerde instellingen gebaseerd is op dezelfde CAO-indexatie, corrigeren we ook die afwijking in het volgende jaar. Dit geldt voor het loonsomgevoelige deel van subsidies (55% van het subsidiebedrag van een instelling met personeel). Over de overige 45% doen we geen nacalculatie. Hetzelfde geldt voor onze eigen inkoopbudgetten. Ook daar doen we geen nacalculatie. 3.
Pag. 99 meicirculaire en JEUGDZORG. In de actieve info over de meicirculaire is de visie van de VNG verwoord m.b.t. de Jeugdzorg. De VNG schrijft dat per 2028 het financiële beeld met betrekking tot de Jeugdzorg gaat wijzigen. Het kabinet gaat ervan uit dat de maatregelen uit de Hervormingsagenda dan hun beoogde effect zullen hebben. Maar de VNG acht de voorziene besparingsreeks vanaf 2028 echter te ambitieus. A. De vraag is: hoe heeft onze gemeente de Jeugdzorg in de begroting en meerjarenraming verantwoord. Vooral de jaren 2028 en 2029. Zijn de baten en lasten m.b.t. de jeugdhulp in balans? Zijn de opgenomen bedragen realistisch en is daarbij rekening gehouden met de groei van de kosten van de Jeugdzorg die de VNG voorziet? Kunt u een uitgebreid financieel beeld over de jaren 2026 – 2029 geven, waarbij wordt aangetoond dat de kosten en baten m.b.t. de Jeugdzorg gelet op de voorziene groei, reëel zijn geraamd en dat de Jeugdzorg budgetten in onze begroting meerjarig op orde zijn? B. De ombuigingsopgave van de Hervormingsagenda van € 1,017 miljard is vanuit het rijk nog steeds uitgangspunt. Voor de jaren 2026 en 2027 is deze enigszins verzacht door incidenteel € 498 mln. in 2026 en € 447 mln. in 2027 aan de gemeenten uit te keren. Voor onze gemeente respectievelijk € 2,7 mln. en € 2,5 mln. Deze middelen zijn ten gunste van het algemeen gebracht.
Daarentegen blijft voor de jaren 2028 en volgende de besparingsopgave van meer dan € 1 miljard landelijk staan. Mede in samenhang met de vorenstaande vraag onder A: hoe denkt u deze bezuinigingen op de Jeugdzorg op te vangen. Is daar al rekening mee gehouden in financiële zin en met maatregelen; welke dan? Lopen wij financiële risico’s waar we nu in kunnen voorzien? Graag uitleg. Antwoord: A. Omdat de jeugdzorg een open einde regeling is waarbij de gemeente de benodigde hulp blijft betalen, zonder een vast budgetplafond. Moeten er door de overheid continu middelen beschikbaar zijn voor jeugdhelp en is reel begroten voor de jeugdzorg complex. De financiële druk op de jeugdzorg is de afgelopen jaren aanzienlijk toegenomen en vormt inmiddels een structureel probleem. Deze ontwikkeling sluit aan bij de landelijke trend. Om hierop te anticiperen heeft de gemeente in 2024 een pakket aan beheersmaatregelen vastgesteld. Deze maatregelen zijn gericht op het realiseren van besparingen op de korte en lange termijn. De kwantificeerbare beheersmaatregelen zijn in de Kansrijke Sporen opgenomen als bezuinigingen. Voor de jeugdzorg betreft dit een structurele bezuiniging van circa € 1 miljoen
vanaf 2026. De huidige begroting voor jeugdzorg bedraagt circa € 38 miljoen. Voor de jaren 2026 en 2027 blijft dit stabiel. In deze jaren zijn zowel de maatregelen uit de Kansrijke Sporen als de financiële opgave voortvloeiend uit de Hervormingsagenda Jeugd in de begroting verwerkt. Vanaf 2027 bedraagt het beschikbare budget circa € 38,4 miljoen, exclusief loon- en prijsindexatie. Loon- en prijsindexatie worden meegenomen in het reguliere begrotingsproces. In 2028 daalt de begroting naar circa € 36,8 miljoen, exclusief loon- en prijsindexatie, waarbij een stelpost van € 1,6 miljoen is opgenomen. Deze stelpost betreft de invoering van een eigen bijdrage in de jeugdzorg en het sturen op de duur van jeugdzorgtrajecten. Met ingang van 2028 wordt een korting toegepast op de algemene uitkering aan gemeenten, in lijn met de beoogde besparingen. De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van deze maatregelen ligt bij het Rijk. Indien het Rijk er niet in slaagt om de beoogde opbrengsten uit deze stelpost te realiseren, worden gemeenten hiervoor financieel gecompenseerd. De beschikbare middelen voor jeugdzorg staan structureel onder druk. Hoewel er signalen zijn van groei, is het op dit moment niet goed mogelijk om de exacte omvang te duiden. B. In het kader van jeugdzorg wordt in december 2025 de nota Jeugdbeleid besluitvormend aan de Raad voorgelegd.
Na vaststelling van beleid zal er in 2026 een uitvoeringsplan worden opgesteld. Daarnaast zetten we binnen jeugdzorg actief in op de uitvoering van de Hervormingsagenda Jeugd. De Hervormingsagenda richt zich op een domein overstijgende benadering van Jeugdzorg waarbij integrale samenwerking centraal staat. Naast deze inhoudelijke koers zijn er in 2024 beheersmaatregelen vastgesteld en in uitvoering gebracht. De verwachte financiële effecten van de beheersmaatregelen zijn opgenomen in de Kansrijke Sporen. Hiermee wordt inzicht geboden in de budgettaire impact en de effecten van de gekozen interventies. Deze ingezette acties vragen continue, periodieke evaluatie en een actieve bijsturing op basis van actuele inzichten, maatschappelijke ontwikkelingen en resultaten. 4.
Pagina 105 Parkeerbelasting. Op 8 mei jl. is de voorjaarsnota door de gemeenteraad behandeld en zijn kansrijke sporen aangereikt. Deze zijn nu opgenomen in de begroting 2026 en onder aparte kopjes bij de programma’s zichtbaar. Wij missen echter de opname van het voorstel 10 A: parkeerbelasting. In het financieel totaaloverzicht bij de Voorjaarnota is daartoe aan besparing voor 2026 van € 400.000 opgevoerd en aan “financiële impact” € 400.000 tegen geboekt. A. Wij zien dit “kansrijk spoor 10A”, met uitwerking e.d. niet terug in de begroting 2026. Hoewel het op grond van de voorjaarsnota budgettair neutraal verloopt heeft dit voorstel wat inhoudt wel grote impact op de begroting 2026. Graag een uitgebreide toelichting waarom de opname en uitwerking van dit voorstel niet opgenomen is? En hoe de € 400.000 verantwoord is in de begroting 2026. B. In de stukken bij de voorjaarsnota werd de raad m.b.t. dit voorstel ook van minder goed nieuws voorzien. Enkele citaten: “Zo is de koppeling met handhaving op dit moment niet actief en schijnbaar weten de inwoners dit”; “Er kan op dit moment geen reële afweging worden gemaakt van het effect van meer dan de verhoging omdat je geen vergelijkingsjaar hebt”; “Op dit moment is er geen koppeling met het financiële systeem en het handhavingssysteem. Het is de verwachting dat er meer inkomsten zullen zijn na herstel van deze koppeling”.
Wat is op dit moment de stand van zaken? Zijn alle problemen opgelost wat de koppeling betreft? Of spelen er nog zaken? Graag een toelichting op het e.e.a. C. Werkt handhaving weer volledig met betrekking tot het opleggen van boetes bij parkeerovertredingen? D. Er is geschreven dat 2025 wordt gebruikt om een realistisch beeld te krijgen rondom inkomen en kosten van parkeren en dat het college in 2025 komt met een voorstel. Wanneer kunnen we dit voorstel in de raad van 2025 behandelen? E. Graag een overzicht van begrotings- en rekeningsopbrengsten m.b.t. parkeren over de afgelopen 5 jaren. A. In het financieel overzicht van het werkboek Kansrijke Sporen is opgenomen dat we in 2026 de eerste stap zetten richting een structureel sluitende begroting. Met deze stap werken we gericht toe naar het dichten van het huidige verschil van €400.000,00 zodat de parkeerbelasting geen
tekorten meer kent. Hiermee geven we uitvoering aan onze ambitie om de gemeentelijke financiën duurzaam in balans te brengen en zorgvuldig om te gaan met de beschikbare middelen. De taakstelling is in het financieel overzicht budgetneutraal verwerkt en op deze wijze ook opgenomen in de voorliggende begroting, aangezien er geen financiële noch beleid mutaties zijn. B. De problemen met de koppeling tussen het handhavingssysteem en het financiële systeem zijn opgelost. De systemen zijn inmiddels weer aan elkaar gekoppeld, waardoor de afwikkeling en het opleggen van naheffingen voor betaald parkeren efficiënt verlopen. In 2026 volgt een evaluatie van de hele parkeervisie met o.a. als doelstelling dat de begroting en de werkelijke inkomsten structureel op hetzelfde niveau komen. C. Ja, de handhaving functioneert weer volledig met betrekking tot het opleggen van naheffingen bij overtredingen betaald parkeren. Toezichthouders controleren regelmatig op betaald parkeren en leggen zo nodig (na constatering van overtredingen) een naheffing op. Daarmee wordt het uitvoeringsbeleid rond betaald parkeren conform de afspraken gehandhaafd. D. In de kansrijke sporen is aangegeven om aan het eind van dit jaar te komen met een voorstel waarbij we onderzoek hebben gedaan hoe we de inkomsten weer laten ingroeien tot aan de begroting.
Dit onderzoek is nog gaande en de financiële uitwerking hiervan zal in de volgende Berap inzichtelijk worden gemaakt. De inschatting nu is dat de helft van het inkomstentekort dit jaar al wordt ingehaald. Dit betekent dat in 2025 nog sprake zal zijn van € 200.000 nog niet ingehaalde parkeerinkomsten. E. Onderstaand de inkomsten vanuit parkeren van de afgelopen jaren.
5
Pag. 97 Belasting overig. In de tabel zijn de kosten voor dit onderdeel € 330.000 en de opbrengsten € 129.000. Per saldo een tekort van € 201.000. Kan een overzicht worden gegeven welke belastingen dit precies betreffen met de kosten/opbrengsten en saldi + % kostendekkenheid? Antwoord: De opbrengsten betreffen: • Baten precariobelasting • Baten precariorechten (recognities) • Baten roerende ruimtebelasting • Totaal:
123.000 1.000 5.000 129.000
Dit zijn belastingen waarvan de inkomsten naar de algemene middelen gaan. We berekenen hiervoor geen kostendekkendheidspercentage. Recognities is overigens niet een belastingsoort, maar een privaatrechtelijke nota. Vandaar dat de recognities niet zijn opgenomen in de paragraaf Lokale Heffingen. De kosten betreffen: • Salarissen en sociale lasten • Totaal:
330.000 330.000
Deze kosten betreffen niet alleen de loonkosten voor de bovengenoemde belastingen. Ook andere loonkosten vallen hier onder, zoals werkzaamheden door het team Belastingen voor toeristenbelasting, leges, marktgeld en ligplaatsen. 6
Pag. 106 Afvalstoffenheffing. Er is sprake van een tariefstijging van 5%. A. Wij ontvangen graag de opbouw van deze 5% stijging in onderdelen: t.w. in % en absolute
bedragen met toelichting? B. Er is geschreven dat de kosten voor 2026 t.o.v. 2026 zijn gestegen met 1,5% vanwege hogere verwerkingskosten en een indexering van 1,5%. Waarom stijgen onze tarieven dan maar liefst met 5%. C. Er is geschreven dat de opbrengst van de afvalstoffenheffing begroot is op € 12.020.267. Dat levert t.o.v. 2025 een tariefstijging op van 5%. Is dit wel de goede volgorde. De opbrengst is toch afhankelijk van het % dat je voor inflatie e.d. gaat hanteren in plaats van andersom? D. Hoeveel middelen aan heffing lopen we mis als we het percentage van 2,7% hanteren in plaats van 5%. Antwoord: A.
B. De toegepaste indexering voor algemene kosten bedraagt 1,5%. De verwerkingskosten zijn met 9% gestegen. Dit komt onder andere omdat de korting van € 5 per ton die in 2025 door Omrin werd gegeven, in 2026 komt te vervallen. Gemiddeld komt het volgens bovenstaand staatje uit op 5%. C. De kosten zijn begroot op € 12.320.267, waarvan we € 300.000 niet meenemen in het tarief. Dat betekent dat we een opbrengst moeten behalen van € 12.020.267 (zie ook bovenstaande tabel). Om deze opbrengst te halen, is een tariefstijging nodig van 5%. D. Als de heffing stijgt met 2,7% in plaats van 5,0% dan is daar een bedrag mee gemoeid van € 263.301. De kostendekkendheid zal dan dalen naar 95%. Naast de kostendekkendheid heeft ook het aantal te versturen aanslagen invloed op de berekening van het tarief. De tarieven worden definitief vastgesteld in de verordening reinigingsheffingen (raad december). 7
Pag. 105 Rioolheffing. Deze stijgt met 4,4%. A. Wij ontvangen graag de opbouw van deze 4,4% stijging in onderdelen: t.w. in % en absolute bedragen met toelichting? B. Hoeveel middelen aan heffing lopen we mis als we het percentage van 2,7% hanteren in plaats van 4,4%. Antwoord: A.
B. Als de heffing stijgt met 2,7% in plaats van 4,4% dan is daar een bedrag mee gemoeid van € 167.121. De kostendekkendheid zal dan dalen naar 96%. Naast de kostendekkendheid heeft ook het aantal te versturen aanslagen invloed op de berekening
van het tarief. De tarieven worden definitief vastgesteld in de verordening rioolheffing (raad december).
8
Pag. 116 Garantstelling Warm Heeg. A. Wat is de laatste stand van zaken m.b.t. het project Warm Heeg? B. Als belangrijkste financiële risico’s wordt de garantstelling slechts gekwalificeerd met een kans van 5%. Is de conclusie dat we daar nauwelijks geen risico’s lopen gezien de kans?
Antwoord: A. De gemeenteraad heeft via het amendement op het raadsvoorstel van 10 juli 2025 bepaalt dat het college de opdracht krijg om zich maximaal in te spannen om het pilotproject Warm Heeg mogelijk te maken. Het college werkt aan deze opdracht. We hebben inmiddels intensieve gesprekken gevoerd met het ministerie van Klimaat en Groene Groei, de provincie Friesland en Warm Heeg. We trekken hierbij samen op met Warm Heeg om het project waar mogelijk te ondersteunen. Op 18 september heeft een bestuurlijk gesprek plaatsgevonden met alle betrokken partijen. Op 17 oktober volgde een ambtelijk vervolggesprek met het ministerie van Klimaat en Groene Groei, de provincie Friesland, Warm Heeg, Súdwest-Fryslân en FSFE over de uitwerking van de garantieregeling. Het ministerie is bezig met het uitwerken van de garantieregeling voor warmtenetten. Die regeling is cruciaal voor de haalbaarheid van Warm Heeg. We zijn nu de uitkomsten van deze gesprekken aan het analyseren en aan het uitwerken wat dit betekent voor het vervolg. Naast deze gesprekken zijn we bezig met verschillende andere activiteiten. We onderzoeken mogelijkheden voor een lagere stroomprijs via energieleverancier OVEF. We brengen de financiële risico's in de openbare ruimte in beeld en onderzoeken eventuele koppelkansen. We zijn in gesprek met woningcorporatie Elkien.
Op voorspraak van de VNG hebben we inmiddels een plek aan tafel bij het ministerie voor de uitwerking van het Besluit collectieve warmte. Ook zijn we bezig met financiële doorrekeningen en het verder optimaliseren van het project samen met Warm Heeg. Gelet op het amendement zullen we de raad in december actief informeren over de volledige stand van zaken ten aanzien van onze inspanningen. Ook zal dan nader worden ingegaan op het vervolgproces. B. De gekwantificeerde risico’s die u in de begroting leest, zijn de risico’s die op basis van bestaand beleid wat door de raad vast gesteld is. De lopende/huidige ontwikkelingen die nog geen besluitvorming van de raad hebben kunnen wij nog niet meenemen in de risico’s. Vandaar dat bij de garantstelling Warm Heeg het besluit van dec 2023 leidend is. In juli 2025 is verdere besluitvorming door middel van het amendement aangehouden en is dit risico niet opgenomen. Op basis van het besluit van de raad van 23 december 2023 wordt in de begroting uitgegaan van een kans van 5% ten aanzien van een maximaal financieel gevolg van 14 mln. Op basis van het (aangehouden) besluit van 10 juli 2025 zou er sprake zijn van een ander (hoger) risicoprofiel en een ander (hoger) maximaal financieel gevolg. Omdat dit besluit is aangehouden is dit (risico) in de begroting niet opgenomen. 9
Pag. 153 Wet Open Overheid (WOO). Op pagina 153 wordt uitgelegd dat de gemeente zelf initiatief neemt om gegevens openbaar te maken zonder dat er eerst een verzoek door een burger, bedrijf, journalist of instelling gedaan hoeft te worden. Met betrekking tot de collegebesluiten en daarbij behorende vragen doen de gemeenten Heerenveen en Leeuwarden dit al actief. De PvdA heeft hier ook schriftelijke vragen over gesteld die inmiddels door het college zijn beantwoord. In het vervolg daarop het volgende: A. De stukken die burgers, journalisten e.d. kunnen opvragen op grond van de openbare besluitenlijsten, zijn die vooraf, voor dat deze naar het college gaan, dan niet getoetst op vertrouwelijkheid of niet-openbare gegevens? Hoe gaat dat proces dan in zijn werk? B. Zo neen, waarom wordt dit niet vooraf gedaan wetende dat de stukken als openbaar opgevraagd kunnen worden? C. Zo ja, waarom is het dan zo’n probleem om deze stukken net zoals de gemeenten Heerenveen en Leeuwarden te publiceren bij de besluitenlijsten? Hoeveel werk is dit precies en wat moet dat kosten? D. Heeft u contact gehad over de werkwijze van deze beide gemeenten? Waarin in verschilt dat met de onze? Waarom kunnen zij wel de stukken direct publiceren en onze gemeente niet?
E. Het openbaar maken van de collegestukken moet eerst door onze gemeente nader onderzocht worden; wat dit precies betekent en oplevert, zo is geschreven. Wanneer kunnen de uitkomsten van dat onderzoek worden verwacht? Wat voor bedrag/middelen heeft u nodig? G. Kunt u praktisch gezien niet te rade gaan bij de gemeente Heerenveen en Leeuwarden en hun werkwijze implementeren in plaats van zelf tot onderzoek over te gaan? Antwoord: A. De collegestukken worden vóór behandeling in het college opgesteld binnen de ambtelijke organisatie. In deze fase vindt nog geen formele toets plaats op openbaarmaking of vertrouwelijkheid, omdat de stukken in eerste instantie bedoeld zijn ter voorbereiding van het collegebesluit. Wel wordt er bij het opstellen van deze stukken rekening mee gehouden dat zij opvraagbaar kunnen zijn — niet alleen via de Wet open overheid (Woo), maar ook door pers, inwoners of andere belangstellenden. Ambtenaren zijn zich hier steeds meer van bewust en worden ondersteund met interne richtlijnen en trainingen over zorgvuldige dossiervorming. Daarbij wordt gelet op het vermijden van privacygevoelige gegevens, interne beraadslagingen en andere informatie die niet openbaar gedeeld mag/kan worden. Na besluitvorming wordt bij een eventueel verzoek om inzage zorgvuldig beoordeeld of (delen van) documenten openbaar kunnen worden gemaakt.
Daarbij wordt getoetst aan de wettelijke uitzonderingsgronden, zoals bescherming van persoonsgegevens, bedrijfsgevoelige informatie of interne beleidsopvattingen. Een structurele, voorafgaande toetsing van alle collegestukken zou echter betekenen dat ieder document al vóór bespreking door het college volledig beoordeeld moet worden op openbaarheidsaspecten. Dat vraagt aanzienlijke inzet van juridische en technische capaciteit, waarvoor op dit moment nog geen geautomatiseerde ondersteuning is ingericht. B. De gemeente voert een volledige inhoudelijke toetsing pas uit op het moment dat een verzoek om inzage wordt gedaan, ongeacht of dit via de Woo, de pers of inwoners gebeurt. Dit sluit aan bij de passieve openbaarmakingsplicht uit de Woo, waarbij informatie op verzoek beschikbaar wordt gesteld. Hoewel bij het opstellen van collegestukken al rekening wordt gehouden met mogelijke openbaarmaking, vraagt een formele juridische toets van alle documenten – inclusief de beoordeling op uitzonderingsgronden – om een structurele inzet van capaciteit. De gemeente werkt aan verbetering, maar kiest voor een gefaseerde aanpak, waarbij stapsgewijs wordt toegewerkt naar meer actieve openbaarmaking. Daarbij wordt nadrukkelijk gekeken naar uitvoerbaarheid, juridische zorgvuldigheid en technische mogelijkheden. C.
Op dit moment ontbreekt binnen de gemeente een geschikt publicatieplatform om collegestukken proactief te publiceren bij besluitenlijsten. De informatiecategorieën die onder de actieve openbaarmakingsplicht van de Woo vallen, worden wel via de gemeentelijke website inzichtelijk gemaakt. Voor inzage in onderliggende documenten moet echter nog steeds een verzoek worden ingediend. In het recent gestarte project voor duurzame Woo-implementatie wordt onderzocht wat nodig is om actieve publicatie mogelijk te maken. Daarbij worden onder meer de technische voorzieningen, juridische randvoorwaarden, benodigde processen, capaciteit, budget en een realistische fasering in kaart gebracht. Het doel is te komen tot een werkbare en toekomstbestendige oplossing. De omvang van het benodigde werk hangt mede af van de gekozen technische oplossing en de mate waarin automatisering kan worden toegepast. D. Het is ons bekend hoe Heerenveen en Leeuwarden hun (technische) inrichting voor actieve publicatie hebben vormgegeven. De gemeente Súdwest-Fryslân onderzoekt momenteel hoe zij daar op een manier die past bij haar eigen organisatie, schaal en capaciteit invulling aan kan geven.
Verder heeft de gemeente Súdwest-Fryslân actief contact met diverse andere gemeenten en volgt zij de informatievoorziening, handreikingen en communicatiekanalen via onder andere de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Via deze netwerken wordt breed gecommuniceerd over de implementatie van de Woo en de keuzes die gemeenten daarin maken. Het verschil zit niet zozeer in de werkwijze, maar in de fasering en inrichting van het proces. E. Binnen het Woo-implementatieproject wordt onderzocht wat nodig is om de actieve informatiecategorieën, zoals benoemd in de wet, daadwerkelijk te kunnen publiceren. Daarbij wordt
gekeken naar de benodigde aanpassingen in werkprocessen, technische voorzieningen, juridische toetsing en organisatorische borging. Het doel van het project is om de gemeente duurzaam in te richten voor transparante en zorgvuldige informatievoorziening, in lijn met de Woo en met maatschappelijke verwachtingen van openbaarheid. De implementatie wordt gefaseerd uitgevoerd, conform de landelijke Woo-richtlijnen. Voor de komende jaren is hiervoor budget beschikbaar gesteld. Het lopende onderzoek moet uitwijzen of dit budget toereikend is of dat bijstelling nodig is. De resultaten worden naar verwachting in de loop van 2026 gedeeld met het college en de raad. G. De gemeente heeft de intentie om aan te sluiten bij bestaande oplossingen en ervaringen van andere overheden. De Woo-implementatie vraagt afstemming met de eigen ICT-infrastructuur, werkprocessen en juridische toetsingspraktijk, waardoor een één-op-één overname van de werkwijze van Heerenveen of Leeuwarden niet mogelijk is. In het onderzoek houden we wel nadrukkelijk rekening met good practices van andere gemeenten, zodat bestaande kennis en voorzieningen kunnen worden benut. Het doel is een duurzame en passende implementatie die aansluit bij de visie, schaal en werkwijze van onze eigen organisatie. 10
Pagina 162 Investeringsprogramma: A. Er wordt in 2026 een bedrag van bijna € 11 mln. uitgegeven voor nieuwbouw en renovatie van et Primair Onderwijs. Graag een gedetailleerd overzicht van welke scholen vernieuwd worden e.d. tot het totaal geraamde bedrag in 2026. B. Sinds 2020 stapelen de bedragen voor onderwijshuisvesting VO zich op. Inmiddels is dit € 9,3 miljoen. Waar is dit precies voor, waarom ramen we dit elk jaar zonder dat er uitgaven tegenover staan. C. Zijn er in het verleden geen beleidsregels vastgesteld dat wanneer geraamde uitgaven niet binnen bijvoorbeeld max 3 jaar worden ingezet, deze terugvallen ten gunste van het algemeen? Er is nu sprake van “dood geld”! Zo ja: hou luiden die regels? Zo neen: waarom niet? D. Waarom blijven al de middelen met betrekking tot verduurzaming ontmoetingsplaatsen zo op de plank liggen? Ook hier zie je dat middelen vanaf 2023 zijn geraamd maar niet zijn ingezet voor de doelen die de gemeenteraad heeft gesteld. Ook hier is bijna sprake van een bedrag van ongeveer € 5 ml. aan middelen te besteden in 2026. E. Er wordt elk jaar een investering opgevoerd van € 4 mln. voor “renovatie kapitaalgoederen”. Waar worden deze middelen precies voor ingezet? F. Vorig jaar was in de begroting 2025 voor de jaarschijf 2026 een bedrag van € 1,175 mln. geraamd voor vervanging van ICT-zaken. Dit bedrag was opgesplitst in 5 componenten.
Je zou verwachten dat deze componenten en bedragen in de begroting 2026 in de jaarschijf 2026 worden overgenomen. Dat blijkt niet zo te zijn. Er is nu sprake van 3 componenten en het bedrag is verhoogd met € 200.000, =. - waarom zijn de componenten in 2026 nu anders benoemd, zijn er zaken vervallen? Graag uitleg. - er is sprake van een uitzetting van € 200.000. Hoe is dit gedekt in de begroting en waar kunnen we vinden dat de raad dit budget heeft verhoogd? Antwoord: A. Dit is het uitvoeringsprogramma bij het IHP 2025-2040 (zie de bijlagen 1 en 2). Daarbij kijken we overigens niet alleen naar de geraamde bedragen 2026, maar willen we over de gehele periode financieel uitkomen. B. Dit is bedoeld voor een toekomstige investering in VO-huisvesting. Bij het Primair Onderwijs is er een grotere hoeveelheid aan scholen, waardoor investeringen meer gespreid zijn over de jaren. Bij VO-onderwijs is er minder spreiding, en gaat het om veel hogere investeringen. Vandaar dat daar langer ‘gespaard’ moet worden, voordat tot een daadwerkelijke investering wordt overgegaan. C. Die regels zijn er wel, maar voor lopende kredieten. Deze regels zijn er niet voor de op het Investeringsprogramma (IP) opgenomen investeringen. Deze regels zijn er voor het IP niet, omdat bewust ‘gespaard’ wordt voor toekomstige grote investeringen. D.
De middelen voor verduurzaming van ontmoetingsplaatsen zijn nog beperkt ingezet omdat het gaat om een meerjarig investeringsprogramma (2023–2033) met een totaalbudget van €13,9 miljoen. Dit bedrag is bedoeld om verspreid over tien jaar (ca. €1,39 miljoen per jaar) ontmoetingsplaatsen te ondersteunen bij verduurzaming en toekomstbestendig gebruik. De meeste ontmoetingsplaatsen zijn in eigendom van stichtingen of verenigingen en worden
gerund door vrijwilligers. Zij zijn zelf verantwoordelijk voor hun verduurzamingstraject. De gemeente ondersteunt en faciliteert dit proces, bijvoorbeeld bij het opstellen van plannen van aanpak en via een nieuwe subsidieregeling vanaf 2025 voor groot onderhoud en verduurzaming. In 2023 is vooral ingezet op het in beeld brengen van de behoefte en het voorbereiden van trajecten samen met de besturen en externe partijen zoals Doarpswurk, aannemers etc. Dat kost tijd, omdat het vaak om grote, maatwerkprojecten gaat. Inmiddels zijn circa 30 ontmoetingsplaatsen bezig met verduurzamingsplannen, waarvan 7 met omvangrijke projecten waarvoor het college al substantiële subsidies heeft toegekend of deze komen er op korte termijn (o.a. Dorpshuis Kubaard, Dorpshuis Tersoal, MFC Nieuw Maggenheim in Makkum, Wijkvereniging het Eiland in Sneek voor wijkgebouw It Roefke, Dorpshuis) . De verwachting is dat de besteding van middelen vanaf 2025.2026 fors zal toenemen, naarmate meer trajecten concreet worden. En de besturen zelf ook beter weten welke ondersteuning zij kunnen krijgen, wat de mogelijkheden zijn en welke bijdrage de gemeente kan leveren. De investering draagt bij aan een sterke sociale basis in dorpen en wijken en aan het toekomstbestendig maken van deze belangrijke ontmoetingsplekken. E. Graag verwijzen we naar de meest recente Bestuursrapportage april, mei, juni 2025 (pagina 79).
Ook in de volgende bestuursrapportage wordt hierover gerapporteerd. F. - Er zijn geen zaken vervallen. De 5 componenten zoals die bij het investeringsprogramma PB 2025 waren benoemd/ omschreven sluiten niet meer aan bij onze huidige benoemingen van ICT-zaken. Deze omschrijvingen waren verouderd en zijn daarom aangepast bij het Investeringsprogramma PB 2026. In aansluiting daarop zijn ook de investeringskredieten anders onderverdeeld en samengevoegd tot 3 componenten in plaats van 5 componenten wat beter aansluit op ons huidige ICT-landschap. - Er is geen sprake van uitzetting van € 200.000. Er zijn in 2025 uit het Investeringsprogramma 2025 kredieten beschikbaar gesteld ter hoogte van € 975.000 en niet de volledige € 1.175.000 welke jaarlijks in het Investeringsprogramma bij de begroting zijn opgenomen voor vervanging ICT-zaken. Een bedrag van € 200.000 is derhalve nog beschikbaar in het IP 2025. Dit bedrag van € 200.000 hebben wij voor 2025 niet geclaimd uit het IP 2025, daar deze middelen benodigd zijn voor 2026. Betreft investering m.b.t. de nieuwe digitale werkplekken (DDWP) t.b.v. onze hele organisatie, alle werkplekken moeten worden vervangen. Dit is een mega operatie en vindt daarom gefaseerd plaats, deels in 2025, maar voor het grootste deel in 2026.
Daarom zijn deze gereserveerde middelen bij Investeringsprogramma 2025 voor een deel (€ 200.000) opgeschoven (met bijbehorende kapitaallasten) naar het Investeringsprogramma 2026, waardoor alleen voor jaarschijf 2026 € 200.000 een hoger investeringsbedrag staat vermeld. 11
Pagina 166 Overzicht reserves. Er is sprake van een voorziening “wachtgeld vml. Wethouders” van ruim € 800.000,=. Er zijn dus nog vml. wethouders die ten laste van de gemeente komen. Normaliter vinden vml. wethouders weer werk en hoeven geen beslag te leggen op gemeentelijk geld. A. Op welke wijze wordt omgegaan met voormalige wethouders? Helpen en stimuleren wij hun bij het verkrijgen van werk zodat de gemeente geen wachtgeld hoeft uit te keren? Hoe doen we dat in de praktijk? b. Kunt u een geanonimiseerd overzicht verstrekken per wethouder; met bedrag; sinds wanneer en de nog te verwachten duur/geld ter onderbouwing van ruim € 800.000. Antwoord: A. Namens gemeente Súdwest-Fryslân is Visma Idella gemandateerd om uitvoering te geven aan de pensioen- en wachtgeldadministratie op grond van de Appa-wet. Een wethouder is zelf verantwoordelijk voor een snelle re-integratie naar werk en wordt begeleid door een externe partij met specifieke Appa-kennis (bijvoorbeeld de Transitium Groep, Loopbaan na Politiek). Inkomsten uit arbeid worden maandelijks gekort op het wachtgeld, de hoogte wordt beïnvloed door de ontwikkelingen van het salaris/bezoldiging. Bij het vervallen van inkomsten kan een recht herleven. Naast een tijdelijke wachtgelduitkering bij aftreden, kan een wethouder bij arbeidsongeschiktheid op grond van de Appa-wet recht hebben op een wachtgeld uitkering. B.
In onderstaande tabel is een onderbouwing van de voorziening opgenomen (bedragen peildatum 1 januari 2025). Het betreft een overzicht van lopende verplichtingen. Voor de begroting 2026 verwachten wij dat er voldoende middelen in de voorziening beschikbaar zijn. Dit kan nog beïnvloed worden door de verkiezingen. Vooralsnog hebben wij geen vermeerdering voor 2026 en
verder opgenomen. Personen 1 2 3 4
Bedrag 2025 € 10.709 € 6.110 €0 € 776.315
Einde recht per 31-7-2025 Einde recht per 31-7-2025 Einde recht per 31-7-2025 Einde recht per 31-7-2025 Einde recht per 23-12-2034