CConstaterende datSudwest Fryslan
Koppel je AI →
Document · PDF

4. TV CIE PvdA I antwoorden deel 2

Raadsvergadering 13 november 2025, gemeente Sudwest FryslanBij agendapunt: Programmabegrutting 2026 en mearjierrenrûzing 2027-20297.426 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

TECHNISCHE VRAGEN (over lopende agendapunten) Naam indiener Fractie

: Johan Feenstra : PvdA

Commissievergadering

: DSO, BM, BF

Datum

: 28, 29, 30 oktober 2025

Agendapunt

:4

Onderwerp

: Begroting 2026 (deel 1 JF)

1.

A. Wanneer kunnen we de actieve info m.b.t. de uitkomsten van de septembercirculaire verwachten? B. Kunt u de tabel in de raadsbrief (pagina 2) actualiseren met de gevolgen van de septembercirculaire 2025? Antwoord: A. De notitie van de septembercirculaire 2025 staat gepland voor behandeling in het college op 28 oktober. Zo snel mogelijk na besluitvorming uitvangt u via actieve info deze notitie met daarin de uitkomsten van de septembercirculaire 2025. B. De notitie septembercirculaire is nog niet behandeld door het college. Daarom kunnen we de tabel nu niet actualiseren.

2.

Pag. 14: BUIG. Onze gemeente ontvangt sinds 2024 minder geld van het rijk. Deze daling zet voort in 2025 en 2026. A. Hoe komt het dat we slechter uit het verdeelmodel komen. Wat zijn de oorzaken? B. Er wordt geschreven dat de gemeente er zelf niets aan kan doen? Graag uitleg hierover. Het betreft toch een objectief verdeelmodel met eigen variabelen van de gemeente. Hoe kan dan gesteld worden dat de gemeente er niets aan kan doen? Antwoord: A. Het verdeelmodel van de BUIG bepaalt hoeveel middelen we ontvangen van het Rijk voor de uitkeringen voor bijstandsgerechtigden en de loonkostensubsidies (LKS). Het verdeelmodel bestaat uit meerdere componenten en wordt jaarlijks geactualiseerd. Voor Súdwest-Fryslân is het percentuele deel voor 2024 lager vastgesteld door de verandering in het verdeelmodel. Op basis van het actuele verdeelmodel blijft deze daling in stand in 2025 en 2026. B. De objectieve verdeelmaatstaven zijn een onderdeel van het verdeelmodel. Het huidige verdeelmodel is ontworpen om het Rijksbudget te verdelen op basis van de verwachte bijstandsbehoefte per gemeente. Deze maatstaven zijn grotendeels gebaseerd op landelijke statistieken, zoals gegevens van het CBS en vallen daarmee buiten de directe beïnvloedingssfeer van individuele gemeenten.

3.

Pag 18: Bij speerpunt 10 is geschreven dat de gemeente samen met inwoners beweegpaden in wijken e.d. ontwikkeld. Voorheen was er om de camping Pasveer te Sneek een natuurgraspad waarbij je via het weiland richting de oudvaart naar de sluis kon lopen. Een leuk loopje. Nu schijnt dit wandelpad niet meer toegankelijk te zijn en is het verboden. A. Bent u op de hoogte hiermee? B. Waarom kunnen wandelaars geen gebruik meer maken van dit beweegpad terwijl het beleid is deze juist te ontwikkelen. C. Indien het gesloten is, worden er pogingen ondernomen het wandelen aldaar weer mogelijk te maken?

Antwoord: A. De gemeente is op de hoogte van de afsluiting. De eigenaar heeft de voorgenomen afsluiting met de gemeente besproken. B. De eigenaar stelt overlast te ondervinden van de wandelaars en loslopende honden. Het wandelpad is geen openbaar pad in de zin van de Wegenwet. Dit betekent dat de eigenaar het recht heeft om het pad af te sluiten. C. Met de eigenaar is afgesproken dat de openstelling van het wandelpad in de toekomst bespreekbaar is, afhankelijk van de toekomstige ontwikkelingen van de camping. 4.

Pag 20. Welk groot sportevenement is in deze coalitieperiode gerealiseerd dat bijdraagt aan positieve gezondheid. Antwoord: Tijdens de coalitieperiode zijn er veel verschillende sport-of cultuurevenementen gerealiseerd. Diverse grootschalige cultuurevenementen hebben in de afgelopen jaren plaatsgevonden, waaronder De Passion en Arcadia. Via de subsidieregeling ‘Een jaarrond cultuur’ en de subsidieregeling Sportevenementen worden diverse evenementen ondersteund. Zo ook Neisimmer Ljocht in Bolsward. Dit evenement laat goed zien dat cultuur en bewegen samen gaan, waarbij deelnemers worden gestimuleerd om actief te wandelen. Hiermee wordt niet alleen een brug geslagen tussen sport en cultuur, maar draagt het ook bij aan het bevorderen van positieve gezondheid, waaronder het versterken van het mienskipsgevoel. Daarnaast zijn er in de regio uiteenlopende sportevenementen georganiseerd, variërend in schaal en impact, die bijdragen aan het welzijn en de gezondheid van inwoners. Voorbeelden hiervan zijn de Slachtemarathon, de Mar-athon rond Sneek, en de 4 Mijl van Sneek. Deze evenementen stimuleren fysieke activiteit en sociale betrokkenheid, en sluiten aan bij bredere beleidsdoelen op het gebied van sport, gezondheid en leefbaarheid.

5

Pag 31. Wanneer wordt het onderzoek naar de gratis OV-pas afgerond en wordt er door de gemeenteraad een besluit over genomen? Antwoord: De OV pas voor minima wordt meegenomen in de Regiodeal ZWF (samen met de Fryske Marren), zie overzicht hieronder: In het programmaplan is de pijler / programmalijn voorzieningen verder uitgewerkt. De ambitie voor mobiliteit: de mobiliteitsmogelijkheden voor inwoners vergroten. Daarvoor zijn de volgende projecten afgesproken: V11: opstellen regionale mobiliteitsagenda V12: ontwikkelen multifunctionele hub’s V13: kleinschalige mobiliteit en mienskip (subsidieregeling) V14: bestrijden vervoersongelijkheid Verwacht eindresultaat: in juni 2026 ligt er een onderbouwd advies met concrete aanbevelingen om de mobiliteitsongelijkheid voor de geselecteerde kwetsbare groep(en) aan te pakken. De OV pas voor minima is één van de mogelijkheden qua pilots die uit dit project kan voortvloeien.

6

Pagina 10, 39 en 45: Onderwijshuisvesting. Op pagina 39 wordt voor een investeringsbedrag van ongeveer € 108 mln. een eerste kapitaallast opgevoerd van € 2,0 mln. in 2029. Omdat de investering daadwerkelijk later zal plaatsvinden ontstaat onderuitputting. Deze onderuitputting wordt echter cijfermatig voor een bedrag van € 2,0 mln. STRUCTUREEL tegen geboekt. Hierdoor hebben deze 2 mutaties totaal geen invloed op onze begrotingspositie. Het verloopt budgettair neutraal. Onderuitputting op kapitaallasten is echter altijd incidenteel. Tekstueel wordt dat ook op pagina 45 toegelicht (27 en 28). De begrote kapitaallasten vallen TIJDELIJK vrij en kunnen INCIDENTEEL worden ingezet zo wordt geschreven. In de daadwerkelijke cijfermatige financiële positie echter niet en is de vrijval als structureel gekenmerkt. (pagina 10). Hierdoor vertekent o.i. het gepresenteerde structurele overschot van € 4.336 mln. in de jaarschijf 2029 (pagina 10 en raadsvoorstel). Moeten de structurele begrotingssaldi van onze begroting daarop niet aangepast worden (met min € 2 mln.) en de vrijval van kapitaallasten daadwerkelijk als incidenteel beschouwd en geboekt worden? Graag nadere uitleg.

Antwoord: Als vergelijkend voorbeeld: We hebben op ons Investeringsprogramma in de Programmabegroting 2026 ook toekomstige investeringen opgenomen voor de periode 2027, 2028 of 2029 (bijvoorbeeld ‘Renovatie kapitaalgoederen 2029’ op pagina 164). De investering daarin is voorzien voor 2029, waardoor de kapitaallast pas gaat lopen vanaf 2030. In de jaren 2026 tot en met 2029 heeft dit dus geen effect op het structurele saldo. De oplevering van een investering in Onderwijshuisvesting zal pas zijn rondom 2032. Dus nog later. Het zou raar zijn wanneer de kapitaallast van deze investering (die pas gaat lopen vanaf circa 2033) al wel invloed zou hebben op ons structurele saldo. We voorzien op termijn een investering in Onderwijshuisvesting. Voor deze investering verwachten we een structurele kapitaallast van uiteindelijk € 6 à € 7 miljoen, benodigd per circa 2033. Tot die tijd hebben we dit bedrag niet nodig. Dus ook geen € 2 miljoen in 2029. Theoretisch zouden wij kunnen volstaan met niets begroten, tot aan het jaar 2033, in welk jaar we dan ineens € 6 à € 7 miljoen moeten opnemen in de begroting. In dat geval wordt ons structurele saldo niet beïnvloed in de jaren tot en met 2032. En behouden we tot die tijd dus structurele ruimte. Dat is dus gelijk aan hoe we om gaan met het Investeringsprogramma.

We achten het verstandig om in de begroting wel rekening te houden met een ingroeiende kapitaallast, omdat een sprong van € 0 naar € 6 á € 7 miljoen ineens te groot is. We hebben er daarom voor gekozen een ingroeiende kapitaallast opgenomen, zodat dit zichtbaar wordt. We boeken deze ingroei structureel tegen, zodat we eventueel de mogelijkheid hebben om de ruimte tot 2033 structureel (maar niet blijvend) in te vullen. Dat geeft bijvoorbeeld de mogelijkheid om een structurele begrotingspost tijdelijk op te hogen. Of de mogelijkheid om de ruimte tijdelijk te gebruiken voor een investering met een afschrijvingstermijn van bijvoorbeeld 5 jaar, waardoor er tijdelijk structurele lasten zijn. Het klopt dat we er terdege rekening mee moeten houden dat (op termijn) € 2 miljoen uit het structurele saldo beschikbaar moet zijn voor de kapitaallasten van een investering in de huisvesting van het Voortgezet Onderwijs. Circa 2033 moet er immers wel € 6 á € 7 miljoen beschikbaar zijn als kapitaallast voor een investering in onderwijshuisvesting. Dus de beschikbare ruimte mag alleen tijdelijk gebruikt worden. Maar dat zou wel tijdelijk in het structurele beeld kunnen zijn. 7

Pag. 47. Onderhoud zwembad It Rak. Jaarlijks ontvangt Optisport voor het zwembad It Rak subsidie. Nu is gebleken dat er in het subsidiebedrag/huur de component “onderhoud” ontbreekt. A. Hoe lang en sinds wanneer loopt het contract waarop is gebaseerd dat de gemeente subsidie verstrekt? B. Hoe kan dat nu pas blijkt dat er na al die jaren in de huur de component onderhoud ontbreekt en dat er gigantische investeringen nodig zijn van € 1,8 mln. en € 2,9 mln.? C. Op welke wijze is al die jaren het onderhoud bekostigd? D. Wat is precies de verantwoordelijkheid van de gemeente m.b.t. het onderhoud en de bekostiging daarvan? E. Wat is precies de verantwoordelijkheid van Optisport m.b.t. het onderhoud en de bekostiging daarvan? F. Is het structurele onderhoudsbudget in begroting van € 100.000 specifiek voor het zwembad het Rak? En zo ja: hoe hoog waren de daadwerkelijke uitgaven de afgelopen 5 jaren? G. Er is langdurig onderzoek verricht. Is de raad over deze financiële problematiek eerder geïnformeerd? Zo ja wanneer en hoe. Stukken graag bijvoegen. H. Is het subsidiebedrag dat wij aan Optisport jaarlijks betalen relatief laag t.o.v. andere zwembaden in de gemeente hetgeen zou kunnen verklaren dat onderhoud geen onderdeel van de subsidie is? Graag uitleg. Antwoord: A. Het contract loopt van 23 februari 2001 tot en met 23 februari 2031. B. Zwembad It Rak is bijna 30 jaar oud.

Op die leeftijd komen er grote investeringen aan. Vanwege de toekomstige Visie op Duurzame en Toekomstige Sportaccommodaties plus het HEVO onderzoek, is Optisport gevraagd om een groot onderhoudsoverzicht te maken. Dit overzicht plus de onderbouwing van de toekomstige Visie en het HEVO onderzoek moeten uitwijzen of zwembad It Rak een grondige renovatie behoeft of nieuwbouw. De middelen welke nu gevraagd zijn in de PB 2026 zijn bestemd voor groot onderhoud op de korte termijn en welke geen uitstel behoeven. C. In 2016 is er eenmalig een flinke investering in het onderhoud gepleegd door Optisport en de gemeente. Daarna heeft de gemeente structureel een post in de begroting opgenomen voor

groot onderhoud. Op dit moment is dit € 100.000,- structureel. D. De gemeente is groot aandeelhouder in de Vastgoed Sneek BV (De gemeente voor 51%. Optisport voor 49%). De gemeente is dus mede eigenaar van het zwembad en daardoor wettelijk verplicht tot het financieren van groot onderhoud. E. Als exploitant en mede eigenaar (voor 49% aandeelhouder in de Vastgoed BV) is Optisport verantwoordelijk voor het klein onderhoud (als exploitant) en groot onderhoud (als aandeelhouder). F. Ja, dit bedrag is specifiek voor het groot onderhoud voor zwembad It Rak. De werkelijke kosten voor groot onderhoud zijn hoger maar niet uitgegeven. De redenen hiervoor waren, het lopende onderzoek en een gebrek aan geld. G. Het onderzoek naar de component onderhoud loopt nog. Zodra het onderzoek helemaal is afgerond zal de raad hierover verder worden geïnformeerd. De raad is eerder geïnformeerd over de financiën It Rak naar aanleiding van vragen van de fractie van de VVD (zie bijlage). H. Nee, het subsidiebedrag is niet te laag. De subsidiebijdrage aan Optisport is niet te vergelijken met de andere zwembaden in de gemeente. Dit komt omdat zwembad It Rak in een aparte Vastgoed BV is opgenomen. Een deel van de subsidie moet door Optisport Exploitatie BV gestort worden in de Vastgoed BV. Een deel van dit bedrag is bestemd voor de terugbetaling van de hypotheek.

Deze constructies hebben we niet voor zwembad Vitaloo (compleet gemeentelijk zwembad) en voor zwembad De Rolpeal (geen eigendom van de gemeente). 8

Pag. 172. Subsidieontvangers. Het eindbedrag van de subsidie in 2025 is normaliter het begin bedrag voor 2026. Dat gaat voor vele subsidieontvangers in het overzicht op pagina 172 op. M.b.t. optisport It Rak echter niet. Het eindbedrag aan subsidie in 2025 was € 873.069. In 2026 staat als begin bedrag € 907.827 vermeld en met index voor 2026 € 1.003.005. Graag een gedetailleerde cijfermatige verklaring voor: A. het verschil tussen eind 2025 (873.069) t.o.v. begin 2026 (907.827); B. het verschil tussen begin 2026 en eind 2026 van totaal € 95.178. De bedragen zouden slechts met het CPI verhoogd mogen worden toch? Antwoord: A. Met betrekking tot zwembad It Rak is er een exploitatieovereenkomst gesloten met Optisport Exploitatie BV. In deze overeenkomst is de verplichting tot structurele indexatie opgenomen via CPI. Begin 2025 is er met Optisport een discussie ontstaan over de hoogte van het subsidiebedrag 2025. Volgens Optisport was het subsidiebedrag 2025 door de gemeente te laag ingeschat. Daarom zijn de de subsidiebedragen opnieuw doorgerekend en kwamen we tot de conclusie dat Optisport gelijk had. De doorrekening heeft plaatsgevonden vanaf 2022. Hieronder de berekening:

P.S. Het bedrag 2026 van € 907.827 zoals weergegeven als Max,bedrag 2026 (excl.index) in de Programmabegroting 2026 is niet juist. Daar had moeten staan: € 979.978. B. Jaarlijks wordt de explotatievergoeding voor Zwembad It Rak geïndexeerd met de CPI. De verhoging wordt gebaseerd op mutatie in de CPI van het jaar ervoor. Voor 2025 is deze nog niet bekend maar wordt ingeschat op 3,2%. De totale exploitatievergoeding (inclusief index) voor 2025 is € 979.978. Van dit bedrag heeft € 260.370 betrekking op kapitaallasten en dit deel wordt niet geïndexeerd. Het overige deel van € 719.608 wordt wel geïndexeerd. Na indexatie is de verwachte vergoeding voor 2026 € 1.003.005. 9

We ontvangen graag het meest recente Financieel Overzicht Ontwikkelfonds. Antwoord: Een recente versie van het Financieel Overzicht Ontwikkelfonds is als bijlage toegevoegd aan deze beantwoording.

10

Pag. 47: Het onderhoudsbudget voor buitensport zou jaarlijks € 1,2 mln. dienen te zijn. Dit is inclusief personeel. A. Wat wordt precies onder “inclusief personeel” verstaan? Wat is dit voor personeel en wat gaat die dan (extra) doen? B. Om wat voor personeelsbedrag gaat dat? C. Wij hebben ook eigen personeel, dat is reeds in de begroting is gedekt. Moet er dan eventueel extra “eigen” personeel bij? Antwoord: A. Naast het begrote onderhoudsbudget buitensportaccommodaties van € 461.000 ontvangt Sport jaarlijks een doorbelasting t.h.v. afgerond € 200.000 vanuit team Groen voor ingezet personeel. Deze doorbelasting maakt reeds onderdeel uit van de totale begroting Sport en hiervoor is dan ook dekking aanwezig. Ingenieursbureau PLANN.ING heeft onderzoek uitgevoerd naar de staat en benutting van alle gemeentelijke buitensportaccommodaties. Hieruit zijn accommodaties met kwalitatieve achterstanden naar voren gekomen. Het resultaat van dit onderzoek omvatte eveneens een MJIP (meerjaren investeringsplan) en MJOP (meerjaren onderhoudsplan). Het MJOP is opgesteld o.b.v. onderhoudsprogramma’s die de kwaliteit van de buitensportaccommodaties borgt voor de levensduur waar het MJIP rekening mee houdt.

Hieruit blijkt dat wij het onderhoud aan onze buitensportaccommodaties dienen te intensiveren de komende jaren om de benodigde kwaliteit en levensduur van ons areaal aan buitensportaccomommodaties te kunnen garanderen. Naast benodigde materiele middelen bestaat de uitvoering van het onderhoud uit extra personele inzet en de coördinatie hiervan. In de praktijk betekent het extra beschikbare budget dat wij vanaf 2026 de kwaliteit van velden kunnen verbeteren waar achterstand is vastgesteld door bijvoorbeeld bovenmatige aanwezigheid van onkruid(en) en gevolgen van lange droge en natte perioden. Daarnaast maakt het o.a. ook mogelijk om atletiek-, wieler- en skeelerbanen en waterbakken van fierljepschansen te onderhouden volgens de opgestelde onderhoudsprogramma’s wat de veiligheid van het gebruik ten goede komt. B. De huidige doorbelasting van ingezet eigen personeel bedraagt afgerond € 200.000. Naar rato van de uitbreiding van de begroting, mag een toename van kosten voor inzet van personeel met € 160.000 worden verwacht. C. Zoals onder A. beschreven is reeds dekking in de begroting aanwezig voor de huidige omvang van ingezet eigen personeel voor het onderhoud van buitensportaccommodaties. Voor 2026 wordt het onderhoudsbudget in de voorgestelde programmabegroting eenmalig verhoogd.

De opdracht is daarbij om de structureel benodigde middelen mee te nemen in het in 2026 op te stellen onderhoudsuitvoeringsplan als vervolg op de vaststelling van de Visie Duurzame en Toekomstbestendige Sportaccommodaties.

11

Pag. 47: Indexatie. Er is gesteld dat de indexatie van de loongevoelige component in 2027 2,008% is. Graag nadere uitleg. Het betreft de begroting 2026 en stellen we dan nu ook voor 2027 het percentage al vast? We werken toch met constante prijzen? B. Wat is de indexatie dan voor de niet-loongevoelige component in 2027? Die wordt niet genoemd. C. Waarop zijn deze percentages gebaseerd? Antwoord: A. De indexatie van de loongevoelige component is op basis van CAO-verhogingen in 2026 structureel 2,008%. Echter een deel van de CAO-verhoging gaat pas halverwege 2026 in, waardoor er in 2026 eenmalig sprake is van een lager percentage (1,383%) en met ingang van 2027 dus van de volledige verhoging (2,008%) vanuit 2026. Dit staat los van de verhoging per 1/1/2027. Die verhoging is niet opgenomen in de begroting, omdat we begroten tegen constante prijzen. Die verhoging komt pas in de volgende begroting, wanneer we ook aan de inkomstenkant de indexatie vanuit de Algemene Uitkering er tegenover kunnen zetten. B. Zowel de loongevoelige als de niet-loongevoelige component verhogen we in deze begroting niet voor 2027. Dat is pas aan de orde in de Programmabegroting 2027. C.

2,008% is conform de nieuwe CAO Gemeenten als volgt opgebouwd: Ingeschatte salarisstijging in Programmabegroting 2025 Werkelijke salarisstijging per 1 april 2025 Werkelijke salarisstijging per 1 oktober 2025 Stijging per 1 januari 2026 (35 euro nominaal) Stijging per 1 juli 2026 Stijging sociale lasten 2026 Totaal tot en met 31 december 2026 Nog niet begroot: Stijging per 1 januari 2027

-/- 3,300% 2,000% 1,850% 0,008% 1,250% 0,200% 2,008% 1,600%

12

A. Wat is het beleid met betrekking tot de indexatie van subsidieontvangers? B. Waar en waarin is dat beleid vastgelegd om te kunnen raadplegen? Antwoord: In juridische zin is dit beleid vastgelegd in artikel 5 van onze Algemene subsidieverordening 2020. Daarin staat:

Deze verordening wordt geactualiseerd. Volgens planning komt de geactualiseerde verordening eind december in de raad en is dan per 2026 van kracht. Voor wat betreft indexatie zijn er in het concept geen inhoudelijke wijzigingen. In dit kader besluit de raad via de Programmabegroting welk percentage wordt gehanteerd. Het in de begroting te hanteren percentage is gebaseerd op het raadsbesluit Indexatie van subsidie- en inkoopbudgetten van 27 februari 2020. Dit naar aanleiding van een motie van 14 november 2019. In het raadsbesluit staat dat het de doelstelling is om de gesubsidieerde instellingen met een loonsomgevoelige component voor de loonsom te indexeren met hetzelfde percentage als de gemeente voor zichzelf hanteert. Gemiddeld betreft de loonsom van gesubsidieerde instellingen ongeveer 55% van de totale exploitatielasten. Dit betekent dat de loonsomindexatie over 55% gaat. De overige 45% wordt gecompenseerd met dezelfde prijspeilcompensatie die de gemeente hanteert voor de eigen inkoopbudgetten. Daarvoor gebruiken we het indexcijfer Bruto Binnenlands Product. Dit indexcijfer gebruiken we ook voor subsidieontvangers zonder personeel. Het kan zijn dat er in een bepaald jaar onvoldoende financiële ruimte is voor deze indexatie, waardoor deze onderdelen niet geïndexeerd worden. Voor 2026 is dit uitgewerkt op pagina 47 van de Programmabegroting 2026.

Het voorgaande betreft de reguliere werkwijze. In incidentele gevallen wordt hier van afgeweken, bijvoorbeeld omdat de indexatie contractueel anders is geregeld. De uitzonderingen zijn nader toegelicht in de voetnoten op pagina 175 van de Programmabegroting 2026. 13

Pag. 51. Woningdeal. Volgens afspraak uit de regionale woondeal moeten er minimaal bruto 660 sociale huurwoningen bijkomen. Daarbij is geen rekening gehouden met sloop. Het zal dus zo kunnen zijn dat er totaal veel minder woningen dan 660 aan ons bestand wordt toegevoegd. Wat zijn de prognoses voor sloop de komende jaren en wat is dan de verwachting wat netto aan onze woningvoorraad wordt toegevoegd wat sociale huurwoningen betreft? Antwoord: In de Regionale Woondeal 2022-2030 Regio Zuidwest Friesland zijn afspraken gemaakt over de bouw van minimaal 660 sociale huurwoningen in de gemeente Súdwest-Fryslân. Dit betreft een brutoaantal, dus na aftrek van de woningen die gesloopt worden blijft een lager aantal over. Deze afspraak is gemaakt op basis van de destijds bekende plannen van woningcorporaties in het woningbouwprogramma en werd daarmee in principe haalbaar geacht voor onze gemeente. De opgave is echter groter. Uit het woningmarktonderzoek uit 2024 (Companen) gecombineerd met recente bevolkingsprognoses van de provincie constateren we een behoefte aan 650 extra sociale huurwoningen in de periode 2022 tot en met 2030. De woningcorporaties kunnen in deze periode zo’n 830 woningen bouwen. Er worden echter ruim 410 gesloopt. De netto toevoeging zal daarmee op zo’n 420 woningen uitkomen.

Aangezien de woningcorporaties niet de volledige opgave kunnen realiseren vragen we ook aan marktpartijen om sociale huurwoningen toe te voegen.

14

Pag. 62 m.b.t. punt 20 Onveilige verkeersituaties: Specifiek staat de verbinding Sneek – Leeuwarden ook al jaren op de agenda zo is geschreven. Wat is na al die jaren nu de stand van zaken. Hoe lang loopt dit al? Zit er schot in de zaak? Ziet de provincie een betere en veiliger wegverbinding zitten. Waar zit het op vast? Of blijft het hangen in ambtelijk en/of bestuurlijk overleg en doen we over een aantal jaren weer dezelfde constatering? Graag een uitgebreide toelichting met antwoorden op de vragen. Antwoord: In 2022 heeft de provincie Fryslân in samenwerking met de gemeenten Súdwest-Fryslân en Leeuwarden een studie uitgevoerd naar de mogelijkheden om het bestaande tracé op te waarderen. De raad heeft hierover actieve informatie ontvangen (O22.001275). De globale uitkomst van de studie is dat het mogelijk is om zowel de verkeersveiligheid als de doorstroming van het verkeer op de N354 te verbeteren. Hoewel de huidige weg de verwachte stijging van het verkeer aan kan, zijn er wel ingrijpende maatregelen nodig om met name de doorstroming aanzienlijk te verbeteren. Hierin zijn twee mogelijkheden: 1. Het opwaarderen van het huidige tracé met instandhouding van het snelheidsregime van 80 km/u, globaal geraamd op € 11 miljoen (prijspeil 2021). 2.

Het maximaal versnellen van de doorstroming, door inrichting tot een stroomweg 100km/u, globaal geraamd op € 83 miljoen (prijspeil 2021). Het verbeteren van de verkeerssituatie in het studiegebied en het versterken van de verbinding Sneek – Leeuwarden bestaat niet alleen uit het verbeteren van de N354. Door breder in te zetten op een meer gebiedsgerichte aanpak kan meerwaarde voor de omgeving worden gecreëerd. Daarbij moet de verkeerssituatie op de Bûtlânswei en de omgeving Offingawier ook worden beschouwd. Dit dient in samenhang te worden bekeken met de N354. Dit wordt als zodanig opgenomen in het in ontwikkeling zijnde Mobiliteitsprogramma. Gedeputeerde Staten van Fryslân hebben middels een amendement opdracht gekregen om dit onderwerp onderdeel te laten zijn van het nog op te stellen Regionaal Mobiliteit Programma (RMP). Dit onderwerp heeft bij de provincie geen hoge prioriteit en is daarom nog niet uitgewerkt.

15

Pag. 64: Fietsers voorrang. Het onderzoek is in 2025 afgerond en een vervolgonderzoek in 2026. A. Kunnen wij de uitkomsten van het onderzoek in 2025 ontvangen en kunt u dat bijvoegen? B. Als het nog niet gereed is, wanneer kunnen we het onderzoek dan wel ontvangen? C. In Leeuwarden is op veel plekken al sprake van voorrang voor fietsers op rotondes. In Leeuwarden wil men dit zelfs uitbreiden. Als grote gemeente/stad handelt Leeuwarden daar zelfstandig in omdat de bevoegdheid ook aan de gemeente is. Waarom moet onze gemeente dan in overleg met de provincie? D. Waarom kan onze gemeente niet zelfstandig beslissen en handelen. E. Waarom is dit voor onze gemeente zo lastig (zo is geschreven)? F. Wat houdt precies de regiefunctie van de provincie in? G. Gaat de provincie op termijn ook mee betalen gezien hun “regiefunctie”? H. Hebben wij de provincie hierover benaderd of heeft onze gemeente contact gezocht met de provincie? I. Wat is precies de formele en wettelijke rol van de provincie omtrent het wel of niet voorrang geven van fietsers op rotondes? J. Welke bevoegdheden heeft de provincie precies m.b.t. dit onderwerp? Graag de vragen per onderdeel beantwoorden en niet in een “totaal antwoord” aub. Antwoord: A. De uitkomsten van het onderzoek worden ambtelijk beoordeeld en hierover wordt standpuntvorming door het college voorbereid. Dit is nog niet gereed.

Onderdeel van de standpuntvorming is de regionale afstemming. Er heeft op 30 september jl. een provinciale bijeenkomst (ambtelijk) plaatsgevonden over dit onderwerp. Uitkomst van deze bijeenkomst was dat er geen éénduidig standpunt kan worden vastgesteld, en dat er medio november een vervolg komt over de vraag of en hoe er gezamenlijk verdere stappen kunnen worden gezet op dit thema. Het blijkt dat meerdere gemeenten dit als een dilemma ervaren. Op dit moment hebben alleen Leeuwarden en Smallingerland een duidelijke keuze gemaakt om fietsers in de voorrang te brengen. B. Na de regionale bijenkomst medio november kan dit worden voorbereid. C. Belangrijkste argument hiervoor is de regionale uniformiteit. Er is in het verleden in NoordNederland (Friesland, Groningen, Drenthe) regionaal afgesproken voor uniformiteit te kiezen. Daarbij is destijds de keuze gemaakt te kiezen voor verkeersveiligheid en de fietsers bij rotondes

D. E.

F. G. H. I. J.

binnen de bebouwde kom uit de voorrang te laten. Eén van de uitkomsten van het onderzoek is dat wanneer er al een keuze wordt gemaakt om fietsers bij rotondes binnen de bebouwde kom in de voorrang te brengen, de uniformiteit van belang is. Daarnaast is het van belang dat dan de rotondes worden aangelegd conform de landelijke richtlijnen. In Súdwest-Fryslân zullen bij vele rotondes fysieke aanpassingen nodig zijn, maar dat hier de ruimte voor ontbreekt en daardoor aanpassing niet mogelijk zijn. De gemeente kan hierover zelfstandig beslissen. Als er een keuze moet worden gemaakt om fietsers bij rotondes binnen de bebouwde kom in de voorrang te brengen, maak je in feite een keuze om concessie te doen in de mate van verkeersveiligheid omwille van het comfort van de fietsers. Het is namelijk bewezen dat wanneer fietsers bij rotondes voorrang hebben, dit verkeersonveiliger is. Daarnaast ontbreekt op veel plekken de fysieke ruimte om de rotondes binnen de bebouwde kom conform de richtlijnen om te bouwen. Omdat dit onderwerp bij het overgrote deel van de gemeenten in Friesland speelt, en omdat er in het verleden onder regie van de 3 noordelijke provincies een keuze is gemaakt. Nee. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor aanpassingen aan hun wegen. Dit is in provinciale afstemmingsmomenten op de agenda gekomen.

De provincie heeft geen formele of wettelijke rol, maar wel een regionale regiefuntie. De gemeente is bevoegd voor toepassen van verkeersmaatregelen op wegen in beheer en eigendom van de gemeente. De provincie heeft geen bevoegdheden, anders dan dit onderwerp op regionaal en provinciaal niveau te agenderen.

Het nemen van een gedegen besluit over dit onderwerp moet zorgvuldig plaatsvinden. Tot die tijd hanteren wij de lijn om te kiezen voor verkeersveiligheid en de fietsers bij rotondes binnen de bebouwde kom uit de voorrang te houden. Besluitvorming over dit onderwerp is niet éénvoudig. Ook inwoners hebben een uitéénlopende menig over dit onderwerp, getuige de opinie peiling die door GrootSneek is gedaan uitgevoerd, zie de volgende link: https://www.grootsneek.nl/nieuws/nieuwsvideos/117053/geef-fietsers-voorrang-op-rotondes-eenlogische-keuze-of-eenDe uitkomst van de opinie peiling is te zien in de volgende link: https://www.grootsneek.nl/nieuws/nieuwsvideos/118351/video-uitslag-groot-fryslan-opiniepanelover-voorrang-voor-fi 16

Pagina 76. Opnieuw wordt de toeristenbelasting verhoogd. Dit jaar met 10% hetgeen een extra structurele inkomst genereert van € 364.000. Deze verhoging schijnt nodig te zijn voor het uitvoeren van de evenementenvisie en de visie gastvrijheidseconomie. A. Vorig jaar was sprake dat de toeristenbelasting viel onder het programma “Overzichten”. Nu is de geraamde opbrengst “verhuist” naar het programma “Ruimte”. Toeristenbelasting is geen doelbelasting maar een algemeen dekkingsmiddel. Waarom zijn de opbrengsten nu anders in de begroting en onder “Ruimte” opgenomen? B. Vorig jaar is de toeristenbelasting verhoogd van 1,25 naar 2 euro per persoon per nacht. Dat genereerde een extra opbrengst van € 1,36 miljoen structureel. Vorig jaar werd de extra opbrengst ook gekoppeld aan het uitvoeren van de nota gastvrijheidseconomie met diverse onderdelen. Waar is de € 1,36 mln. nu uiteindelijk aan besteed? Antwoord: A. Toeristenbelasting is inderdaad een algemeen dekkingsmiddel en geen doelbelasting. Toch behoort de toeristenbelasting volgens het ‘Iv3 – Informatievoorschrift Gemeenten en Gemeenschappelijke regelingen’ tot het taakveld 3.4 Economische promotie. Dit taakveld zit bij ons in programma Ruimte. Thematisch hoort toeristenbelasting logischer bij de belastingen. Vandaar dat de verhoging vorig jaar tekstueel is toegelicht bij de Overzichten.

Cijfermatig zat het beide jaren wel in programma Ruimte. B. De extra opbrengst van € 1,36 miljoen toeristenbelasting is in de Programmabegroting 2025 opgenomen als algemeen dekkingsmiddel. In dezelfde begroting zijn overigens ook (incidentele) extra uitgaven begroot voor bijvoorbeeld Gastvrijheidseconomie en Evenementen.

17

Pag. 77. Punt 16 uitvoeren visie gastvrijheidseconomie. De opbrengst van de extra toeristenbelasting van 10% geeft een extra inkomst van € 364.000. Voor de gastvrijheidseconomie wordt € 265.000 beschikbaar gesteld. Er staat in de tekst dat de in te zetten middelen worden gemaximeerd op de hogere toeristenbelasting minus het deel wat nodig is voor de indexatie van 2,7% en het zou dan gaan om € 265.000.

Kan dit nader uitgelegd worden, want dit is niet te volgen zo. Antwoord: Graag verwijzen we naar de schriftelijke reactie op de toezegging “Besteding extra middelen toeristenbelasting”. In deze schriftelijke toezegging is het volgende toegelicht: De verhoging van 10% in 2026 is opgenomen om extra inzet mogelijk te maken op het gebied van toerisme en recreatie, waaronder het kunnen uitvoeren van de Evenementenvisie (juli 2024) en de visie Gastvrijheidseconomie 2035 (april 2024). De verhoging van 10% is opgebouwd uit een deel inflatie (2,7% = €99.000,-) en een deel uitvoering visie Gastvrijheidseconomie 2035 (7,3% = €265.000,-). Het deel inflatie kan worden gezien als compensatie voor stijgende kosten van de huidige, gemeentelijke inspanningen voor de gastvrijheidseconomie. Dit deel draagt bij aan bijvoorbeeld de verhoging van de bijdrage voor Marrekrite, uitvoering Evenementenvisie, bijdrage stichting Sneekweek, subsidieverhoging theater als ook aan investeringen binnen het taakveld Openbare Ruimte. Voor het deel voor de uitvoering van de visie Gastvrijheidseconomie 2035, is voorgesteld om het bedrag van €265.000,- structureel in te zetten. 18

In de septembercirculaire 2025 is voor de compensatie Jeugd 50% van het tekort van 2023 en 2024 aan gemeenten uitbetaald in 2025. Landelijk gaat het om een bedrag van € 728 mln. A. Hoe hoog is dit bedrag voor onze gemeente in 2025? B. Worden deze extra middelen aan de Algemene Reserve toegevoegd? Antwoord: A. Het bedrag is € 4,2 miljoen. B. De notitie van de septembercirculaire 2025 staat gepland voor behandeling in het college op 28 oktober. Zo snel mogelijk na besluitvorming uitvangt u via actieve info deze notitie met daarin de uitkomsten van de septembercirculaire 2025. Het antwoord op uw vraag is onderdeel van de notitie en de actieve info.

19

Pag. 93: Opbrengst meer benutten subsidiemogelijkheden 12 a ten bedrage van € 400.000. In het verleden is wel vaker een opbrengst geraamd vanwege binnen te halen subsidies. Deze post werd vervolgens tenietgedaan omdat de extra subsidies toegerekend moesten worden aan de projecten. De middelen konden niet ten gunste van het algemeen gebracht worden. Nu wordt wederom een forse extra inkomst geraamd van € 400.000 structureel. A. Waarom kan deze inkomst nu wel hard ingeboekt worden ten gunste van het algemeen. B. Op welke wijze gaat u daar precies uitvoering aan geven om de extra subsidiegelden structureel ten gunste van deze post te brengen? Antwoord: A. De gemeente doet alleen subsidieaanvragen voor projecten die grotendeels of volledig overeenkomen met vastgesteld beleid of doelen. Dit betekent dat een gedeelte van de subsidie ingezet kan worden om personele lasten volledig, dan wel gedeeltelijk, te compenseren. Uiteraard zal een gedeelte van de subsidieopbrengsten niet kunnen bijdragen aan de genoemde €400.000. Per project wordt gekeken welk bedrag toegeschreven kan worden aan dit Kansrijke Spoor. Op dit moment ontvangen we vanuit het project ECOBoost een subsidie waarbij een deel van deze opbrengst kan worden toegerekend aan dit kansrijke spoor. B. Er zal per project gekeken worden hoeveel subsidie toegeschreven kan worden naar dit Kansrijke Spoor.

Daar komt bij dat de €400.000 een indicatie is. Het verschilt per jaar hoeveel subsidiegelden we als gemeente ontvangen. Dit hangt bijvoorbeeld af van het aanbod aan subsidieprogramma’s, maar het doen van een aanvraag leidt niet automatisch tot toekenning. Het is ook afhankelijk van de kwaliteit van de aanvragen van andere organisaties. Wanneer er meer, kwalitatieve aanvragen gedaan worden is de concurrentie groter. De gekozen opbrengst heeft een oplopende lijn en is gebaseerd op andere gemeenten die al langer een intensievere inzet plegen op subsidie-verwerving.

20

Pag. 94: Doorontwikkeling Handhaving en Toezicht. Vorig jaar is een bedrag van € 2 mln. als bezuiniging geraamd vanwege optimalisatie van de personele inzet en minder inhuur. Voor handhaving en toezicht worden nu extra 2 fte geclaimd en een extra uitgaaf van € 144.000 structureel. A. Is de taakstelling voor 2025 van € 2 miljoen al volledig ingevuld en gerealiseerd?

B. Kan een overzicht worden verstrekt op welke wijze deze € 2 mln. is/wordt ingevuld? C. Uit hoeveel fte bestaat het team handhaving op dit moment. D. Is er de afgelopen 5 jaren meer formatie aan het team Handhaving en Toezicht toegevoegd. Zo ja hoeveel en wanneer en waarvoor e.d? E. Worden er door het team ook min of meer taken uitgevoerd die “op het bordje” liggen van de politie? Immers de politie kampt met structurele financiële tekorten en het verschuiven van werkzaamheden naar Handhaving en Toezicht kan tot de mogelijkheden behoren? Antwoord: A. De taakstelling voor 2025 van € 2 miljoen is volledig ingevuld. Monitoring hierop vindt plaats via de monitor Kansrijke Sporen (maakt onderdeel uit van de bestuursrapportage), bij afwijkingen op realisatie wordt hierover gerapporteerd in de bestuursrapportage via deze monitor. B. Zie onderstaand: Omschrijving Kansrijk Spoor

2025

16a Versoberen arbeidsvoorwaarden

45.000

Is gerealiseerd (betreft minimalisering van bepaalde kosten zoals het versoberen van de verstrekking van zakelijke lunches). 16c Afschaffen Generatie Pact

40.000

Bij pensionering generatiepact deelnemer is de formatie teruggebracht naar de daadwerkelijke werkuren, met bijbehorende financiële besparing. 16e Aanscherpen en temporiseren van programma's en projecten

300.000

Vanaf medio 2024 is dit voorstel ingezet en leidt tot structureel lagere inzet van personele capaciteit. Het is de uitwerking van o.a. temporiseren nieuwe initiatieven en projecten. De eerste stap voor 2025 is inmiddels gemaakt en de volgende stap met ingang van 2026 wordt voorbereid. 16f Doorberekening overheadskosten

200.000

Deze bedragen worden gehaald conform toelichting in het werkboek Kansrijke Sporen 16g Optimaliseren opleidingen

250.000

Bedragen zijn ingeboekt conform toelichting in het werkboek Kansrijke Sporen 16j Nog op te halen uit de ketens

1.165.000

We zetten in op een verlaging van de personele inzet op beleidsadvies en samenhangende taken in de beleidsuitvoering. Benodigde advisering wordt meer afgestemd op de beschikbare (lagere) capaciteit en kan leiden tot herschikken en prioriteren van werkzaamheden. De inhuur wordt hierbij terug gebracht. De beschikbare formatie wordt leidend voor de uitvoering. TOTAAL INGEBOEKT BIJ KETENS

2.000.000

C. Het team Handhaving van de gemeente Súdwest-Fryslân bestaat op dit moment uit 22,71 fte. Dit betreft de formatie voor de gehele gemeente Súdwest-Fryslân. Het team vervult hiermee zijn taken in zowel het uitgestrekte buitengebied als in de diverse stedelijke en dorpse kernen. D. Neen. De formatieomvang van het team Handhaving van de gemeente Súdwest-Fryslân is in de afgelopen vijf jaar nagenoeg ongewijzigd gebleven. E. Neen. Het team Handhaving van de gemeente Súdwest-Fryslân is een zelfstandig team binnen de gemeentelijke organisatie en fungeert als belangrijke netwerkpartner van de politie. Taken en verantwoordelijkheden zijn duidelijk afgebakend, maar waar mogelijk wordt er operationeel samengewerkt binnen de bestaande bevoegdheden, ter versterking van de leefbaarheid in de gemeente. 21

Pagina 99 Meicirculaire: BBP indexatie. Het rijk vergoed de gemeenten voor gestegen lonen- en prijzen op basis van de BBP index (Bruto

Binnenlands Product). Pauw (de adviseur van de gemeente m.b.t. het gemeentefonds), heeft in een Webinar in september jl. gezegd dat er gemeenten zijn die uitkomen met dit geld van het rijk. Ze komen uit met de BBP index aan de lastenkant. M.a.w. het verloopt budgettair neutraal. Pauw adviseert aan gemeenten om goed te kijken wat je nodig hebt aan de lastenkant. Misschien heb je geen extra correctie nodig zeggen ze. Onze gemeente schijnt niet uit te komen met de BBP vergoeding van het rijk. Er wordt een tekort van voorzien van € 1,7 mln. in 2027, €1,9 in 2028 en € 4,0 mln. in 2029. A. Er zijn gemeenten die dus uitkomen met de BBP-indexatie zo zegt onze adviseur. Hoe kan worden verklaard dat onze gemeente er niet mee uitkomt? B. Pauw adviseert om goed te kijken wat je nodig hebt aan de lastenkant t.o.v. de rijks BBP inkomsten. Wij ontvangen graag een totaaloverzicht van indexaties aan de lastenkant met daarbij als tegenhanger de rijksvergoeding BBP en de extra belastinginkomsten vanwege inflatie. Uit dit plaatje zou het verschil kunnen blijken. C. Wij wensen graag gedetailleerde financiële onderbouwingen te ontvangen van de extra opgenomen structurele bedrage van € 1,7 mln. in 2027 oplopend naar € 4,0 mln. in 2029. Per jaar ook aangeven van welke inflatiepercentages wordt uitgegaan en waar die op zijn gebaseerd en zijn terug te lezen. D.

Opvallend daarbij is de sprong van 2028 naar 2029. Voor 2029 wordt ineens € 2,1 mln. extra geclaimd t.o.v. 2028. (van 1,9 naaar 4,0). Graag nadere uitleg. Antwoord: A. We proberen zo realistisch mogelijk te begroten en moeten soms meer indexeren dan de BBP vergoeding. Zo zijn er contractuele verplichtingen in het Sociaal Domein en CAO-ontwikkelingen. De percentages daarvan liggen doorgaans hoger dan het percentage BBP. B. Hierbij geven we twee overzichten, één over 2025 en één over 2026. Dit omdat een indexatie achteraf van € 2 miljoen over 2025 beide jaren beïnvloedt. We hopen hiermee volledig te zijn. 2025 Programma Onderwerp

Bedragen Toelichting

Sociaal

7. Loon- en prijsbijstellin Voogdij 18+

-10.000

Sociaal

10. WSW loon- en prijsindexatie

-935.000

Sociaal

11. Werkdrukverlaging jeugdbescherming

-170.000

Sociaal

18. Indexatie subsidiebedragen 2025

-330.000

Sociaal

19. Indexatie Stichting Sociaal Collectief

Sociaal

20. Indexaties Sociaal Domein

Sociaal

22. Jeugdbescherming en reclassering

Ruimte

9. Indexatie onderhoudsbudgetten kapitaalgoederen

Bestuur

1. Bestuurlijke samenwerking VNG en VFG

Bestuur

4. GR Veiligheidsregio Fryslân

-1.225.000

Ruimte

6. Salarisontwikkeling 2025

-2.769.000

Ruimte

8. Schoonmaakkosten Totaal lasten

-133.000 -2.770.000 -718.000 -1.300.000 -150.000

-130.000 -10.640.000

Sociaal

7. Loon- en prijsbijstellin Voogdij 18+

10.000

Sociaal

10. WSW loon- en prijsindexatie

935.000

Sociaal

11. Werkdrukverlaging jeugdbescherming

Overzichten 1. Meicirculaire 2024

170.000 7.000.000

Overzichten 4. Verhogen belastingen

656.000 2,30%

Overzichten 5. Verhogen forensenbelasting

23.000 2,30%

Overzichten 6. Verhogen Toeristenbelasting

1.363.000

minus uitvoeren visie Gastvrijheidseconomie 2035

-200.000

minus uitvoeren van de Evenementenvisie

-200.000

minus subsidieregeling Een Jaarrond Totaal baten

-200.000 10.157.000

Saldo

-483.000

Niet

Indexatie inkoopbudgetten

-1.350.000 onvoldoende dekking

Niet

Indexatie niet-loongevoelige subsidies

-130.000 onvoldoende dekking -1.963.000

Bovenstaand overzicht probeert zo goed mogelijk te benaderen welke indexaties er zijn aan de lastenkant en wat er tegenover staat aan de batenkant. Dit behoeft enige toelichting: • Zoveel mogelijk is aangesloten bij de posten die genoemd worden in de Programmabegroting 2025 (zie ook steeds de verwijzing in de tabel). • Betreffende de baten is bij de belastingen uitgegaan van 2,3% (indexatiepercentage BBP). In werkelijkheid is met 2% meer geïndexeerd, maar dat was niet specifiek vanwege dekking voor indexatie, maar voor het in stand houden van de voorzieningen. • De verhoging van de toeristenbelasting hebben we opgenomen onder aftrek van zaken die specifiek genoemd zijn bij de verhoging van de toeristenbelasting. Voor een ander deel had de verhoging ook te maken met de grote financiële uitdaging waar we in de begroting mee te maken hadden. Dus wellicht rekenen we hiermee in de bovenstaande tabel te veel toe aan een dekking voor indexatie. • Niet geïndexeerd zijn de eigen inkoopbudgetten en het deel van de subsidies die nietloongevoelig zijn. De indexatie daarvan is achterwege gebleven omdat er onvoldoende ruimte in de begroting was. Voor een eerlijke vergelijking moeten we deze eigenlijk wel meetellen. • Uit bovenstaande blijkt dan dat er eigenlijk een tekort aan indexatie was van circa € 2 miljoen. De situatie over 2026 is anders: 2026 Programma Onderwerp

Bedragen Toelichting

Sociaal

8. WSW loon- en prijsindexatie

-1.009.000

Sociaal

24. Klokuren vergoeding bewegingsonderwijs

-18.000

Sociaal

25. Onderhoud en aanpassing lokalen/bewegingsonderwijs

-18.000

Sociaal

26. Onderwijshuisvesting Primair Onderwijs

Sociaal

29. Peuteropvang

-110.000

Sociaal

35. Indexatie subsidie bedragen 2026

-388.000 in 2026 eenmalig lager

Sociaal

37. Indexatie loonkosten Stichting Sociaal Collectief

Sociaal

40. Indexaties Sociaal Domein

Ruimte

14. GR Marrekrite

Ruimte

17. GR Fumo aanpassing kadernota/begroting 2026

-62.000

Ruimte

18. Nota Openbare Ruimte

-440.000

Ruimte

22. Stijgende kosten wagenpark

-134.000

Ruimte

Afvalstoffenheffing

-572.000

Ruimte

Rioolheffing

Bestuur

4. Salarisontwikkeling 2026 en 2027

Bestuur

5. Bestuurlijke samenwerking VNG en VFG

Bestuur

6. GR Veiligheidsregio Fryslân n.a.v. begroting VRF 2026

Overzichten 11. Indexatie overige inkoopbudgetten Totaal lasten

PM pas later kapitaallasten

-110.000 in 2026 eenmalig lager -3.284.000 -27.000

-432.000 -1.740.000 in 2026 eenmalig lager -15.000 -57.000 -1.368.000 -9.784.000

Sociaal

8. Indexatie taakmutatie (WSW loon- en prijsindexatie)

Ruimte

6. Indexatie uit eigen inkomsten (toeristenbelasting)

1.009.000 99.000

Ruimte

Indexatie uit eigen inkomsten (afvalstoffenheffing)

572.000

Ruimte

Indexatie uit eigen inkomsten (rioolheffing)

432.000

Overzichten 1. Indexatie Meicirculaire 2025 voor 2025 e.v.

2.000.000

Overzichten 1. Indexatie Meicirculaire 2025 voor 2026 e.v.

6.300.000

Overzichten 2. Indexatie uit eigen inkomsten (OZB woningen)

389.000

Overzichten 3. Indexatie uit eigen inkomsten (OZB niet-woningen)

277.000

Overzichten 4. Indexatie uit eigen inkomsten (Forensenbelasting)

27.000

Overzichten 10. Indexatie uit eigen inkomsten (RZB en Precariobelasting)

3.000

Totaal baten

11.108.000

Saldo

1.324.000

Ook hier is geprobeerd om de indexaties aan de lastenkant en aan de batenkant zo goed mogelijk weer te geven: • Zoveel mogelijk is aangesloten bij de posten die genoemd worden in de Programmabegroting 2026 (zie ook steeds de verwijzing in de tabel).

• •

• • • •

Dit blijkt lastig bij Onderwijshuisvesting Primair Onderwijs. Deels is daar sprake van indexatie van investeringsbedragen, maar deze uit zich pas in kapitaallasten op een later moment. Vandaar dat dit als PM is opgenomen. In een drietal gevallen hebben we in de begroting voor 2026 een eenmalig lager bedrag opgenomen, omdat de CAO-stijging pas halverwege het jaar is ingegaan. In bovenstaande tabel rekenen we met de volledige benodigde verhoging, omdat dat dat volgens ons daarmee het beste aansluit bij de ontvangen dekking aan de batenkant (vanuit de algemene uitkering). Opgemerkt zij dat we in 2026 te maken hebben met een relatief lage CAO-ontwikkeling. Het is voor het eerst in de afgelopen 10 jaar dat deze lager is dan het indexcijfer Bruto Binnenlands Product. Uit bovenstaand overzicht blijkt dat we per saldo € 1,3 miljoen minder hebben begroot voor indexaties dan er aan de batenkant tegenover staat. Deze uitkomst wordt voor een deel vertekend door de indexatie van € 2.000.000 die we achteraf hebben gekregen voor 2025. Eigenlijk hadden we deze vorig jaar al moeten krijgen. Als we de € 2 miljoen (achteraf) toerekenen aan 2025, dan zouden in 2025 de lasten en de baten die gerelateerd zijn aan indexaties veel beter met elkaar overeen komen. In dat geval ontstaat er wel een tekort aan indexatie in 2026 van € 0,7 miljoen.

C. en D. De onderbouwing van de € 1,7 miljoen (2027), € 2,0 miljoen (2028) en € 4,0 miljoen (2029) is een technische onderbouwing die door onze adviseur Pauw is opgesteld. De onderbouwing door Pauw gegeven is de volgende: Op basis van de pbbp is onderstaand overzicht de aftrek van lopende naar constante prijzen:

Bovenstaand overzicht geeft de correctie weer waar het Rijk vanuit gaat. Wij denken zelf op basis van het verleden niet uit de komen bij de bovenstaande percentages en daarom rekenen wij met de gecombineerde index. Die percentages liggen elk jaar hoger. Zie daarvoor onderstaand overzicht:

De verschillen uit de onderste rij hebben wij vermenigvuldigd met onze eigen uitkeringsbasis van afgerond € 165 miljoen in 2027 en afgerond € 162 miljoen in 2028 en 2029 en vermenigvuldigd met 50%. Dan kom je tot de volgende berekening: Aftrek obv gecombineerde index ipv BBP

2027

2028

2029

Cumulatieve ontwikkeling uitkeringsbasis

-20,600

-23,900

-49,100

165.000.000

162.000.000

162.000.000

-1.699.500

-1.935.900

-3.977.100

Uitkeringsbasis 50%

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16142268/1