4. CU I winstmaximering SDF
Tekst van het document
Vragenhalfuur (artikel 36 RvO) Van
:
Gert Schouwstra, ChristenUnie
Aan
:
De voorzitter van de raad
Onderwerp
:
Winstmaximering SDF
Datum raadsvergadering
:
3 juni 2021
Aanleiding: Op 17 mei werd het manifest “De Jeugdsprong” aangeboden aan de Informateur. Dit manifest werd opgesteld nadat de Tweede Kamer hier middels een motie toe had uitgenodigd. Één van de aanbevelingen uit het manifest is om de winstuitekering van zorgbedrijven te maximeren op 10%. Dit zou dan wettelijk geregeld moeten worden. Aansluitend heeft ook de SER op 21 mei een advies “Jeugdzorg, van systemen naar mensen” aan de informateur uitgebracht waarbij zorgen worden geuit over de trend dat gemeenten inzetten op beheersing van de controle in de Jeugdzorg, omdat dit ten koste gaat van de inhoudelijke doelen Enkele dagen daarvoor was in de media is aangekondigd dat de Friese gemeenten via Sociaal Domein Friesland voornemens zijn om de winst van de toekomstige aanbieders in het sociaal domein te laten maximeren op 5%. Als argument wordt daarbij aangevoerd dat het gaat om gemeenschapsgeld en dat daarvan geen exorbitante winsten naar de aandeelhouders van de contractpartijen mogen vloeien. In alle andere domeinen wordt ook op grote schaal publiek geld besteed aan overheidsopdrachten, maar daarbij worden doorgaans geen afspraken gemaakt over winstmaximering. Te denken valt aan de uitbesteding van juridische en financiele dienstverlening, omgevingsbeleid of aanleg, beheer en onderhoud van de openbare ruimte.
De gemeente besteedt veel diensten uit en ook in die domeinen heeft de gemeente Sudwest-Fryslan grote financiele tekorten. Uit de publicatie “TOP 50 van de Nederlandse ingenieursbureau’s 2020” bijvoorbeeld, blijkt dat veel bureaus grotere winsten maken dan de voorgestelde 5%. Dat geldt ook voor andere branches. Bijvoorbeeld onze eigen huisaccountant boekte een resultaat over 2020 van ruim 15%. Vragen: 1. Waarom kiest het college voor winstmaximering voor specifiek de Jeugdzorg alleen en niet voor alle gemeentelijke domeinen? 2. Waarom kiest het college voor een lager percentage van 5% en wijkt daarmee af van het aan de Tweede Kamer gegeven advies? 3. Is winstmaximering zonder wettelijk kader als algemeen principe wel toepasbaar bij dienstverlening voor de overheid? 4. Indien dat het geval is, is het dan mogelijk om ook in de andere domeinen waar publieke middelen worden besteed een winstmaximering af te dwingen? Bijvoorbeeld door dit als voorwaarde op te nemen in ons algehele inkoopbeleid? 5. Denkt het college dat winstmaximering op 5% uitvoerbaar en controleerbaar zal zijn? 6. Hoe denkt het college te kunnen voorkomen dat aan de eis van 5% wordt voldaan door simpelweg de governance van de aanbieders anders in te richten?