27. TV CIE PvdA - Bijlage II Notitie materiele vaste activa 2020
Tekst van het document
NOTITIE MATERIËLE VASTE ACTIVA Het activeren, waarderen, onderhouden en afschrijven van investeringen/kapitaalgoederen
Activeren
Afschrijven
Waarderen
Onderhouden
Januari 2020
Inhoudsopgave INHOUDSOPGAVE ............................................................................................................................................ 1 1.
INTRODUCTIE ........................................................................................................................................... 3 1.1 1.2 1.3 1.4
INLEIDING ................................................................................................................................................. 3 RICHTLIJNEN .............................................................................................................................................. 3 LEESWIJZER ............................................................................................................................................... 4 STELLIGE UITSPRAKEN EN AANBEVELINGEN ....................................................................................................... 5
2. HET BELANG VAN DE MATERIËLE VASTE ACTIVA (INVESTERINGEN/KAPITAALGOEDEREN) VOOR RAADSLEDEN, LEDEN VAN PROVINCIALE STATEN EN LEDEN VAN ALGEMEEN BESTUUR WATERSCHAPPEN EN GEMEENSCHAPPELIJKE REGELINGEN. ............................................................................................................... 8 2.1 2.2 2.3 3.
INVESTERINGEN ..................................................................................................................................... 12 3.1 3.2 3.3 3.4
4.
ALGEMEEN .............................................................................................................................................. 20 WAARDERING MATERIËLE VASTE ACTIVA ....................................................................................................... 20 WAARDEVERMINDERING VAN VASTGOED ...................................................................................................... 21
AFSCHRIJVEN ......................................................................................................................................... 24 6.1 6.2 6.3 6.4
7.
ALGEMEEN .............................................................................................................................................. 16 OMVANGCRITERIUM EN RANDVOORWAARDEN T.B.V. ACTIVERING SPECIFIEKE KOSTEN ............................................ 17 BRUTO EN NETTO ACTIVEREN ...................................................................................................................... 18
WAARDEREN.......................................................................................................................................... 20 5.1 5.2 5.3
6.
ALGEMEEN .............................................................................................................................................. 12 INVESTERINGEN OP DE BALANS .................................................................................................................... 12 INVESTERINGSBUDGETTEN .......................................................................................................................... 14 SOFTWARE .............................................................................................................................................. 15
ACTIVEREN ............................................................................................................................................. 16 4.1 4.2 4.3
5.
WAT IS MATERIËLE VASTE ACTIVA? ................................................................................................................. 8 ONDERHOUD VASTE ACTIVA/KAPITAALGOEDEREN/INVESTERINGEN ..................................................................... 10 INVESTERINGSBUDGETTEN .......................................................................................................................... 11
ALGEMEEN .............................................................................................................................................. 24 AFSCHRIJVINGSBELEID................................................................................................................................ 24 STELSEL- EN SCHATTINGSWIJZIGINGEN .......................................................................................................... 28 AFSCHRIJVINGEN IMMATERIËLE VASTE ACTIVA ................................................................................................ 30
ONDERHOUD MATERIËLE VASTE ACTIVA (INVESTERINGEN/ KAPITAAL-GOEDEREN) .............................. 32 7.1 7.2 7.3 7.4 7.5 7.6
ALGEMEEN .............................................................................................................................................. 32 BELEIDSKADERS ........................................................................................................................................ 32 BEHEERPLANNEN ...................................................................................................................................... 32 SOORTEN ONDERHOUD .............................................................................................................................. 33 GROOT ONDERHOUD TEN LASTE VAN EEN ONDERHOUDSVOORZIENING TER EGALISATIE (ART 44 1.C BBV) ................. 34 ACHTERSTALLIG ONDERHOUD...................................................................................................................... 38
1
8.
AANDACHTSPUNTEN VOOR DE FINANCIËLE VERORDENING .................................................................. 40 8.1 8.2 8.3
ALGEMEEN .............................................................................................................................................. 40 AUTORISATIE VAN (RESTANT)BUDGETTEN INVESTERINGEN ................................................................................ 40 BEHEERSING BUDGET: TERMIJN VAN OPEN HOUDEN VAN EEN BUDGET ................................................................. 41
BIJLAGEN ........................................................................................................................................................ 42 BIJLAGE 1: BEGRIPPEN EN DEFINITIES ......................................................................................................................... 42 BIJLAGE 2: SCHEMA WAARDEVERMINDERING VASTGOED ............................................................................................... 46 BIJLAGE 3: VOORBEELDEN PRAKTIJK TER VERDUIDELIJKING ............................................................................................. 47 BIJLAGE 4: VERWERKEN VAN SOFTWARE EN KOSTEN ..................................................................................................... 51 BIJLAGE 5: CASUÏSTIEK INZAKE ACTIVEREN .................................................................................................................. 53 BIJLAGE 6: CASUÏSTIEK INZAKE WAARDEREN EN ONDERHOUD ......................................................................................... 57 BIJLAGE 7: UITWERKING COMPONENTENBENADERING ................................................................................. 60 BIJLAGE 8: SCHEMA KLEIN- EN GROOT ONDERHOUD .....................................................................................................
64 BIJLAGE 9: VOORBEELDEN VAN KLEIN- EN GROOT ONDERHOUD....................................................................................... 65
2
1.
Introductie
1.1
Inleiding Deze notitie geeft een overzicht van alle relevante aspecten van materiële vaste activa met betrekking tot vraagstukken van begroting en verantwoording voor gemeenten, provincies, waterschappen en gemeenschappelijke regelingen. Daar waar in de notitie alleen over gemeenten wordt gesproken, worden ook provincies, waterschappen en gemeenschappelijke regelingen bedoeld. Het doel van deze notitie is inzicht bieden aan vakspecialisten op het gebied van materiële vaste activa. Deze notitie treedt in werking op het moment van publiceren door de Commissie BBV. Een uitzondering geldt voor de hierna genoemde stellige uitspraak. Deze is met ingang van de begroting 2021 van toepassing, eerdere toepassing is wenselijk. Hersteltermijn achterstallig onderhoud In geval van achterstallig onderhoud, waarbij sprake is van kapitaalvernietiging en/of onveilige situaties, wordt er op basis van artikel 44 lid 1a BBV een voorziening gevormd. Het is niet langer toegestaan om bij onvoldoende financiële middelen een termijn van vier jaar te hanteren voor het vormen van de voorziening. De reden hiervoor is het effect op de financiële kengetallen. Er kan in geen van de voorkomende gevallen sprake zijn van een negatieve voorziening. Een onverwacht bij de jaarrekening gesignaleerde negatieve stand moet via een eenmalige last worden gedekt.
Een tijdig bij de begroting gesignaleerde verwachte negatieve stand moet via aanpassing van de toekomstige stortingen worden gedekt. Zie hoofdstuk 7.6. Bovenstaande stellige uitspraak is een aanscherping ten opzichte van eerder gepubliceerde notities en treedt daarom in werking met ingang van het begrotingsjaar 2021.
1.2
Richtlijnen Richtlijnen van de Commissie BBV aan gemeenten zijn een belangrijk instrument van de Commissie om in navolging van BBV artikel 75 lid 2 een eenduidige toepassing van het BBV te bevorderen. De richtlijnen van de Commissie zijn onderverdeeld naar stellige uitspraken en aanbevelingen. De betekenis van beide categorieën kan voor de praktijk van de begrotingscyclus inclusief jaarverslaggeving verschillen.
3
Met stellige uitspraken geeft de Commissie een interpretatie van de regelgeving die leidend is. Dit betekent dat verwacht wordt dat stellige uitspraken worden gevolgd. Indien een gemeente toch voor een afwijkende interpretatie kiest (de gemeente is van oordeel dat in haar specifieke omstandigheden een andere lijn beter past en ook ‘BBV-proof’ is), dan moet zij dit expliciet motiveren en kenbaar maken bij de begroting en de jaarstukken. Bij aanbevelingen gaat het om uitspraken die ‘steun en richting geven aan de praktijk’. De Commissie BBV spoort gemeenten aan om deze aanbevelingen te volgen, omdat dat naar haar oordeel bijdraagt aan het inzicht in de financiële positie (transparantie). De stellige uitspraken en aanbevelingen die de Commissie BBV in deze notitie heeft geformuleerd inzake materiële vaste activa zijn samengevat in paragraaf 1.4. Bij elk van de stellige uitspraken c.q. aanbevelingen wordt aangegeven aan welk hoofdstuk of paragraaf deze tekst is ontleend. In deze notitie is rekening gehouden met de wetgeving, de eerder opgestelde notities over materiële vaste activa en alle gepubliceerde antwoorden tot 1 juli 2019. Ten tijde van de publicatie van de eerste versie van de notitie materiële vaste activa in 2017 zijn alle eerder gepubliceerde notities1 over materiële vaste activa opgenomen in deze notitie en daarmee als individuele notities komen te vervallen.
Van twee notities over materiële vaste activa heeft de Commissie BBV geconstateerd dat deze, gezien de technische aspecten en de onderlinge samenhang, niet worden opgenomen in deze notitie. Het betreft de notitie riolering (2014) en de notitie erfpacht (2017)2.
1.3
Leeswijzer Deze notitie begint met dit inleidende hoofdstuk en een hoofdstuk specifiek bedoeld voor raadsleden, leden van Provinciale Staten en leden van het algemeen bestuur van waterschappen en gemeenschappelijke regelingen. Daarna gaat hoofdstuk 3 nader in op
1
De volgende notities zijn in 2017 komen te vervallen: Notitie software (2007); Notitie verkrijging en vervaardiging en onderhoud kapitaalgoederen (2007); Notitie investeringen (2012); Notitie waardering vastgoed (2013); Notitie stelsel en schattingswijzigingen betrekking hebbende op de MVA (2012).
2
Ook deze notities kunnen geactualiseerd zijn. Zie voor een actueel overzicht de site van de commissie BBV.
4
investeringen. De daarop volgende drie hoofdstukken volgen de levenscyclus van een materieel actief.
Activeren (hoofdstuk 4)
Afschrijven (hoofdstuk 6)
Waarderen (hoofdstuk 5)
Gedurende de gebruiksduur dient een vast actief onderhouden te worden. Dit wordt toegelicht in hoofdstuk 7. Aandachtspunten voor de financiële verordening zijn opgenomen in hoofdstuk 8. Tot slot zijn 9 bijlagen opgenomen. In bijlage 1 zijn de begrippen en definities opgenomen, in bijlage 2 het schema waardeverminderingen vastgoed. Verder bevatten de bijlagen nadere informatie en casuïstiek en maken daarmee onderdeel uit van deze notitie. In volgende hoofdstukken wordt verder verwezen naar de bijlagen.
1.4
Stellige uitspraken en aanbevelingen In deze notitie zijn de volgende stellige uitspraken en aanbevelingen opgenomen: Stellige uitspraken Software als afzonderlijk actief valt onder de materiële vaste activa, als bedoeld in artikel 35 lid 1a BBV (investeringen met een economisch nut). Zie hoofdstuk 3.4. Licenties op software voor onbepaalde duur, die in één keer in rekening worden gebracht vallen onder de materiële vaste activa als bedoeld in artikel 35, lid 1a BBV (investeringen met een economisch nut). Zie hoofdstuk 3.4.
5
Voor vastgoed met een economische functie is – ingeval van een duurzame waardevermindering - afwaardering verplicht en wordt de toets met behulp van de directe opbrengstwaarde voorgeschreven. Zie hoofdstuk 5.3 Een wijziging van een verwachte toekomstige gebruiksduur c.q. gebruiksintensiteit is een schattingswijziging. De bestaande (rest)boekwaarde wordt niet herrekend, maar over de langere, dan wel kortere, dan wel gelijkblijvende verwachte toekomstige gebruiksduur afgeschreven. Zie hoofdstuk 6.3 Een wijziging van de ‘vrij te kiezen’ waarderingsgrondslagen is een stelselwijziging. Bij een stelselwijziging worden bestaande (rest)boekwaarden niet herrekend, maar over de langere, dan wel kortere, dan wel gelijkblijvende verwachte gebruiksduur afgeschreven. Zie hoofdstuk 6.3. Uit hoofde van rechtmatigheid kunnen besluiten tot een stelsel- of schattingswijziging met betrekking tot materiële vaste activa uiterlijk tot het einde (31 december) van het desbetreffende begrotingsjaar worden genomen door de raad. Zie hoofdstuk 6.3. Klein en groot onderhoud houdt of brengt een object in goede, oorspronkelijke staat en is dus niet van invloed op de bepaalde gebruiksduur (afschrijvingstermijn) van het object en mag daarom niet worden geactiveerd. Zie hoofdstuk 7.4.
Voorzieningen die vooraf worden gevormd om lasten van groot onderhoud gelijkmatig te verdelen over meerdere begrotingsjaren, kunnen alleen met instemming van de raad ingesteld en gevoed worden op basis van een recent beheerplan. Zie hoofdstuk 7.5. Onder recent beheerplan wordt een beheerplan verstaan van maximaal vijf jaar oud ten opzichte van het verslagleggingsjaar. Deze vijf jaar dient te worden gehanteerd als richttermijn waar gemotiveerd van kan worden afgeweken. Een gemotiveerde afwijking houdt in dat deze motivatie is geautoriseerd door de raad en verantwoord is in de paragraaf ‘onderhoud kapitaalgoederen’ van de begroting en de jaarstukken. Zie hoofdstuk 7.5.2. Tussentijdse bijstelling van het beheerplan binnen de vijf jaar is verplicht indien een belangrijke afwijking is opgetreden in de staat van het onderhoud. Zie hoofdstuk 7.5.2. In geval van achterstallig onderhoud waarbij sprake is van kapitaalvernietiging en/of onveilige situaties wordt er op basis van artikel 44 lid 1a BBV een voorziening gevormd. Zie hoofdstuk 7.6.
6
Aanbeveling
De commissie BBV beveelt aan om de wijze waarop met investeringen in materiële vaste activa en bijbehorende afschrijvingen wordt omgegaan vast te leggen in de paragraaf onderhoud kapitaalgoederen, een nota investeringen of de financiële verordening ex artikel 212 Gemeentewet. In aanvulling hierop kan een investeringsplan voor het huidige en de komende jaren een bijlage vormen die jaarlijks geactualiseerd wordt. Zie hoofdstuk 2.
7
2. Het
belang
van
de
materiële
vaste
activa
(investeringen/kapitaalgoederen) voor raadsleden, leden van Provinciale Staten en leden van algemeen bestuur Waterschappen en gemeenschappelijke regelingen. Materiële vaste activa worden in het dagelijks leven veelal geduid als investeringen. In het BBV wordt consequent gesproken over materiële vaste activa of kapitaalgoederen als het gaat om bezittingen en de bijbehorende begrippen afschrijvingen en onderhoud. In dit hoofdstuk voor de raad geven we op hoofdlijnen aan wat materiële vaste activa zijn en welke taken en verantwoordelijkheden de raad op dit vlak heeft. We gaan ook kort in op de aandachtspunten en informatie waar raadsleden zich van bewust moeten zijn. Materiële vaste activa hebben mogelijk grote meerjarige financiële consequenties. Het is van belang dat de raad vooraf het te voeren beleid goedkeurt en via begroting en jaarrekening vaststelt dat dit beleid ook uitgevoerd wordt.
2.1
Wat zijn materiële vaste activa? Objecten (bijvoorbeeld gebouwen, wegen) worden geactiveerd als deze een langere tijd (langer dan 1 jaar) mee gaan en een bepaalde waarde hebben. Als deze voor eigen gebruik zijn worden ze gezien als langlopende bezittingen ofwel vaste materiële activa op de balans. Het aanschaffen of vervaardigen van materiële vaste activa gaat gepaard met het doen van investeringen. Materiële vaste activa zijn dus feitelijk de objecten die door investeringen door een gemeente worden verworven. Onder investeren wordt verstaan het vastleggen van vermogen in objecten waarvan het nut zich over meerdere jaren uitstrekt. De investeringen worden op de balans verantwoord. De lasten voortvloeiende uit de investeringen in materiële vaste activa, zoals onderhoud, afschrijvingen, toegerekende rente en verzekeringen behoren tot de jaarlijkse exploitatielasten. Materiële vaste activa kunnen een zeer uiteenlopende vorm hebben. Investeringen in wegen en gebouwen zijn de meest voorkomende activa, maar ook investeringen in apparatuur en machines en grond kunnen, afhankelijk van het gevoerde beleid, onderdeel uitmaken van de materiële vaste activa. Overigens is er bij investeringen niet altijd sprake van een nieuw object. Bij een bestaand actief is sprake van een investering indien de uitgaven: •
leiden tot een significante kwaliteitsverbetering; en/of
•
leiden tot een levensduurverlenging; en/of
8
•
aanpassingen betreffen om te voldoen aan wet- en regelgeving (bijv. investeringen in een gebouw om te voldoen aan veiligheidsvoorschriften die invloed hebben op de waarde en de levensduur).
Wanneer uitgaven worden gedaan ten behoeve van het behoud van de oorspronkelijke kwaliteit en levensduur van een actief dan is er sprake van onderhoud. Objecten die geen deel uitmaken van de materiële vaste activa zijn voorwerpen van cultuur-historische waarde en voorraden. Het investeringen en afschrijvingen beleid wordt uiteen gezet in de financiële verordening op grond van artikel 212 Gemeentewet. In artikel 212 van de Gemeentewet is opgenomen dat de raad bij verordening de uitgangspunten voor het financieel beleid vaststelt. De verordening bevat in ieder geval regels voor waardering en afschrijving van activa, de zogenaamde ‘waarderingsgrondslagen’, zoals:
afschrijvingsmethode per categorie;
moment van starten met afschrijven;
de gebruiksduur per categorie kapitaalgoederen ofwel de afschrijvingstermijn;
de componentenbenadering;
restwaarde.
In de verordening artikel 212 Gemeentewet kan de gemeente ook bepalen, dat er voor het financieel beleid, waaronder het waarderings- en afschrijvingsbeleid van activa, een afzonderlijke nota wordt opgesteld en vastgesteld. Aanbeveling
De commissie BBV beveelt aan om de wijze waarop met investeringen in materiële vaste activa en afschrijvingen wordt omgegaan vast te leggen in de paragraaf onderhoud kapitaalgoederen, een nota investeringen of de financiële verordening ex artikel 212 Gemeentewet. In aanvulling hierop kan een investeringsplan voor het huidige en de komende jaren een bijlage vormen die jaarlijks geactualiseerd wordt.
De notitie bevat onder meer de financiële grens die getrokken wordt waarboven objecten als investeringen worden beschouwd. Deze grens kan per gemeente verschillen. Het is niet
9
toegestaan deze grens aan te passen met het oog op financieel evenwicht3. Elke wijziging van de grens wordt beschouwd als een stelselwijziging en heeft tot gevolg dat vergelijkende cijfers moeten worden opgesteld. Zie hoofdstuk 6.
2.2
Onderhoud vaste activa/kapitaalgoederen/investeringen
Voor sommige taken waarop materiële vaste activa betrekking hebben geldt dat de gemeente wettelijk verplicht is deze te onderhouden. De gemeente moet bijvoorbeeld zorgen voor riolering
en
onderhoud
van
wegen.
Achterstallig
onderhoud
kan
leiden
tot
aansprakelijkheidstelling. Daarnaast heeft de gemeenteraad met de paragraaf 'onderhoud kapitaalgoederen' de mogelijkheid kaders te stellen voor het onderhoud van infrastructuur, voorzieningen 4 en gebouwen. Dat is van belang omdat: •
er veel geld mee is gemoeid. Materiële vaste activa leggen langdurig een groot beslag op de gemeentelijke begroting. Een zo volledig mogelijk overzicht én onderbouwing van deze lasten zijn daarom van groot belang voor een goed inzicht in de financiële positie;
•
materiële vaste activa nodig zijn om de programmadoelen van de gemeente te realiseren. Om bijvoorbeeld economische ontwikkeling te stimuleren is een goede bereikbaarheid van belang;
•
materiële vaste activa het ‘gezicht’ van de gemeente zijn. De raad moet zich uitspreken over de gewenste kwaliteit en het onderhoudsniveau van de openbare ruimte.
Raadsleden kunnen hun kader stellende en controlerende taak bij het onderhoud van de materiële vaste activa op verschillende manieren invullen: •
Algemene kaders stellen over welke materiële vaste activa de gemeente moet hebben en hoe zij met haar materiële vaste activa omgaat
•
Invloed uitoefenen op afzonderlijke investeringsbeslissingen (zoals wel/niet brug bouwen)
•
De kwaliteit van de aanwezige materiële vaste activa bewaken en zo nodig bijsturen. Sluiten de materiële vaste activa aan bij de doelen van de gemeente? Kost het niet te veel geld?
In artikel 189 lid 2 van de Gemeentewet staat: De raad ziet erop toe dat de begroting structureel en reëel in evenwicht is. Anders gezegd: De raad stelt een begroting vast die structureel en reëel in evenwicht is. Van de eis dat de begroting structureel en reëel in evenwicht is kan de raad afwijken indien voldoende aannemelijk is dat het structureel en reëel evenwicht uiterlijk in de laatste jaarschijf van de meerjarenraming tot stand zal worden gebracht. Als structurele lasten gedekt zijn door structurele baten is er sprake van structureel evenwicht. Dit geldt per jaarschijf van de begroting en de meerjarenraming. Reëel evenwicht houdt in dat de ramingen volledig, realistisch en haalbaar zijn. 4 Denk hierbij aan verkeersvoorzieningen zoals verkeerslichten 3
10
•
Het beleid biedt handvatten om te kunnen sturen op de te bereiken doelstellingen en evenwichtig om te gaan met de (schaarse) ruimte.
2.3
Investeringsbudgetten De lasten die voortvloeien uit investeringen in materiële vaste activa worden in het overzicht van baten en lasten, deel uitmakende van de financiële begroting, verantwoord. Bij de vaststelling van de begroting door de raad worden niet alleen de baten en lasten vastgesteld, maar stelt de raad ook de investeringen vast. Dit betekent in dat geval dat de raad geen investeringsbudgetten meer beschikbaar hoeft te stellen. De raad kan op twee manieren specifieke investeringsvoorstellen apart voorgelegd krijgen. De eerste manier is dat de raad bij de begrotingsbehandeling en –vaststelling aangeeft van welke investering(en) hij op een later tijdstip een apart voorstel voor autorisatie van het investeringsbudget wil ontvangen. De tweede manier is dat de raad algemene regels vaststelt over (omvangrijke) investeringen die afzonderlijk ter goedkeuring aan de raad moeten worden voorgelegd. Voorts komt het voor dat er in de loop van het begrotingsjaar investeringsbudgetten noodzakelijk zijn die niet bij de vaststelling van de begroting voorzien waren. Aan de raad moet dan een voorstel ter besluitvorming worden voorgelegd. Een dergelijk voorstel moet vergezeld gaan van een structureel en reëel sluitende begrotingswijziging, waarin de baten en de lasten, waaronder de kapitaallasten voortvloeiende uit de investering, zijn opgenomen.
11
3. Investeringen 3.1
Algemeen Onder investeren wordt verstaan het vastleggen van vermogen in objecten waarvan het nut zich over meerdere jaren uitstrekt. De investeringen worden op de balans verantwoord. De lasten voortvloeiende uit de investeringen in materiële vaste activa, zoals onderhoud, afschrijvingen, toegerekende rente en verzekeringen, behoren tot de jaarlijkse exploitatielasten. Elke gemeente bepaalt zelf de financiële grens die getrokken wordt waarboven objecten als investeringen worden beschouwd. Deze grens kan per gemeente verschillen. Bij een bestaand actief is sprake van een investering indien de uitgaven:
leiden tot een significante kwaliteitsverbetering; en/of
leiden tot een levensduurverlenging; en/of
aanpassingen betreffen om te voldoen aan wet- en regelgeving (bijv. investeringen in een gebouw om te voldoen aan veiligheidsvoorschriften die invloed hebben op de waarde en de levensduur).
Wanneer uitgaven worden gedaan ten behoeve van het behoud van de oorspronkelijke kwaliteit en levensduur van een actief, dan is er sprake van onderhoud.
3.2
Investeringen op de balans Op de balans maken de investeringen in objecten voor eigen gebruik, die lang mee gaan, deel uit van de vaste activa en wel het onderdeel materiële vaste activa. Volgens artikel 35 BBV worden deze investeringen als volgt op de balans opgenomen: a. investeringen met een economisch nut; b. investeringen met een economisch nut, waarvoor ter bestrijding van de kosten een heffing kan worden geheven; c. investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut. Investeringen voor (riool- en afvalstoffen)heffingen moeten apart op de balans worden opgenomen, omdat de regelgeving over de verslaggeving daarvan en de daaraan gerelateerde lasten tot onduidelijkheden in fiscale procedures hebben geleid. Mede gezien de juridische
12
consequenties die een onjuiste kostentoerekening aan deze taken kan hebben, is deze categorie in het leven geroepen. De bedoelde heffing betreft ook rechten die op grond van artikel 229 lid 1a en b van de Gemeentewet geheven kunnen worden. Dit zijn rechten die maximaal kostendekkend mogen zijn, alleen besteed mogen worden aan het doel waarvoor de rechten zijn geheven en die ook een spaarbedrag voor vervanging van de betrokken activa mogen bevatten. Investeringen hebben een economisch nut indien ze verhandelbaar zijn en/of indien ze kunnen bijdragen aan het genereren van middelen. Iets dat te koop c.q. te verkopen is, maakt het nog niet “verhandelbaar”. Verkeersvoorzieningen (bijvoorbeeld verkeerslichten) worden gekwalificeerd als ‘inrichting van de openbare ruimte’ en zijn vergelijkbaar met straatverlichting, afvalbakken, bankjes, speeltoestellen etc. Al deze goederen leveren geen geld op maar hebben een maatschappelijk nut en zijn derhalve investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut. Artikel 52 lid 1 BBV schrijft voor welke materiële vaste activa afzonderlijk moeten worden vermeld. Artikel 52 lid 2 BBV schrijft voor op welke wijze de materiële vaste activa en de onderverdeling ervan, zoals aangegeven in het eerste lid, moeten worden toegelicht.
Een bijzondere categorie betreft de materiële vaste activa die niet meer volledig ter beschikking van de gemeenten staan, maar die door middel van het vestigen van een zakelijk recht (grotendeels) zijn vervreemd. Het gaat hierbij om erfpacht. Artikel 35 lid 2 BBV schrijft voor dat (afzonderlijk) wordt aangegeven welke materiële vaste activa in erfpacht zijn uitgegeven. Het kan hierbij gaan om grond die in erfpacht is uitgegeven. Voor nadere beschouwingen verwijzen wij naar de Notitie grondbeleid. In toenemende mate worden in de huidige praktijk ook met betrekking tot gebouwen (opstallen) zakelijke rechten (zoals erfpacht) gevestigd. Ook in die gevallen zal dit in de balans tot uitdrukking moeten worden gebracht en toegelicht. Juridisch en economisch eigendom Bij materiële vaste activa zijn twee typen eigendom belangrijk. In veel gevallen heeft de gemeente zowel het juridisch als het economisch eigendom van het materieel vast actief. Het actief staat dan blijkens overeenkomsten en/of registers (zoals het kadaster) op naam van de gemeente (juridisch eigendom) en de gemeente heeft het genot, het risico op waarde verandering en bijvoorbeeld de kosten van onderhoud en verzekeringen (economisch
13
eigendom). Materiële vaste activa waarvan de gemeente zowel juridisch als economisch eigenaar is staan op de balans van de gemeente. Het is ook mogelijk dat de gemeente wel economisch eigenaar is van een materieel vast actief, maar geen juridisch eigenaar. De gemeente heeft het genot, het risico op waarde verandering en bijvoorbeeld de kosten van onderhoud en verzekeringen van het materieel vaste actief, terwijl het juridisch eigendom bij een andere partij ligt. Wanneer de gemeente wel het economisch eigendom, maar niet het juridisch eigendom van een materieel vast actief heeft, moet het materieel vast actief op de balans van de gemeente worden opgenomen. Bij de toelichting wordt de eigendomssituatie toegelicht. Dit is ook het geval bij financial lease. De gemeente heeft het genot, het risico op waarde verandering en bijvoorbeeld de kosten van onderhoud en verzekeringen van het materieel vaste actief en verantwoordt het materieel vast actief daarom op de balans. Bij operational lease is de gemeente geen economisch eigenaar van het materieel vast actief en wordt het betreffende actief niet op de balans van de gemeente opgenomen. De gemeente licht de verplichting wel toe bij de niet uit de balans blijkende verplichtingen.
Het is ook mogelijk dat de gemeente wel juridisch eigenaar is van een materieel vast actief, maar niet over het economische eigendom beschikt, omdat het economisch eigendom tegen veelal een vergoeding bij een andere partij ligt. Dit materieel vast actief staat op de balans bij de gemeente tegen registratiewaarde. Hierbij wordt de waarde van het recht op de vergoeding (in de toelichting) vermeld.
3.3
Investeringsbudgetten De begroting bestaat volgens het BBV uit de beleidsbegroting en de financiële begroting. In de financiële begroting wordt op grond van artikel 20 BBV o.a. de uiteenzetting van de financiële positie en de toelichting daarop opgenomen. Daarbij moet afzonderlijke aandacht worden besteed aan de investeringen. Het is toegestaan om deze informatie ook in de programma’s op te nemen, maar de verplichting tot opname in de financiële begroting vervalt daarmee niet. Het is wel mogelijk om het overzicht in de financiële begroting dan als een samenvattend totaaloverzicht te presenteren. De lasten die voortvloeien uit deze investeringen worden in het overzicht van baten en lasten, deel uitmakende van de financiële begroting, opgenomen. In bijlage 3 zijn voorbeelden opgenomen betreffende aanvragen voor investeringsbudgetten.
14
3.4
Software Bij de invoering van het BBV is bepaald dat voor software het matchingprincipe van toepassing is. Dit wil zeggen, dat de kosten zoveel mogelijk toegerekend moeten worden aan de periode waarop de kosten betrekking hebben. Het BBV kent een limitatieve lijst van immateriële vaste activa (artikel 34 BBV). Software is niet op deze lijst opgenomen waardoor het niet mogelijk is om software als immateriële vaste activa te activeren. Dit betekent dat software als materiële vaste activa moet worden geactiveerd. Software kan ook in gebruik worden genomen in de vorm van een SaaS5 oplossing. In dat geval is er geen sprake van het verkrijgen van een actief ( een investering met economisch nut) omdat het bij SaaS gaat om dienstverlening in de vorm van een abonnement waarmee wordt ingelogd bij de dienstverlener. Deze dienstverlener heeft die de activa zowel juridisch als economisch in bezit. Dit betekent dat ook de implementatiekosten behorende bij de implementatie van een SaaS oplossing niet geactiveerd mogen worden. Er is geen sprake van een verkrijgingsprijs en daarom zijn de kosten ook niet als bijkomende kosten te kwalificeren. Het verwerken van software en kosten is nader uitgewerkt in bijlage 4. Stellige uitspraken.
Software als afzonderlijk actief valt onder de materiële vaste activa, als bedoeld in artikel 35 lid 1a BBV (investeringen met een economisch nut).
Licenties op software voor onbepaalde duur, die in één keer in rekening worden gebracht vallen onder de materiële vaste activa als bedoeld in artikel 35, lid 1a BBV (investeringen met een economisch nut).
5
Wikipedia : “Software as a service, vaak afgekort als SaaS, ook weleens software on demand genoemd, is software die als een online dienst wordt aangeboden. De klant hoeft de software niet aan te schaffen, maar sluit bijvoorbeeld een contract per maand per gebruiker”.
15
4. Activeren 4.1
Algemeen Tot 1 januari 2017 moesten alleen investeringen met een economisch nut worden geactiveerd en konden investeringen met een maatschappelijk nut in de openbare ruimte geactiveerd worden. Met ingang van 1 januari 2017 moeten alle investeringen, die vanaf het begrotingsjaar 2017 of later gereed komen, geactiveerd worden. Dit betekent een geleidelijke invoering, met als gevolg dat pas over 30 tot 40 jaar alle investeringen op een identieke manier op de balans worden opgenomen en worden afgeschreven. Een van de consequenties van deze wijziging is dat de kapitaallasten sterk stijgen. Hier staat een daling in de exploitatielasten tegenover. Feitelijk is er sprake van een verschuiving van de lasten. Door de geleidelijke invoering van de nieuwe systematiek blijven verschillen bestaan in de wijze waarop mag worden afgeschreven op investeringen in de openbare ruimte met maatschappelijk nut die vóór het begrotingsjaar 2017 zijn gedaan. Om inzicht te geven in het deel van de activa dat wel vergelijkbaar is qua systematiek moeten gemeenten in het verloopoverzicht in de toelichting op de balans aangeven welk bedrag volgens de nieuwe systematiek is verantwoord en welk deel volgens de oude systematiek.
Het blijft daarnaast verplicht om in de jaarrekening een onderscheid te blijven maken tussen beide typen van investeringen (zie artikel 35 BBV), omdat investeringen met een economisch nut veelal zelfstandig vervreemdbaar zijn en daardoor hun actuele waarde kunnen opleveren. Daaraan verbonden stille reserves kunnen dan worden herkend. In het Wijzigingsbesluit BBV van 5 maart 2016 is opgenomen dat op investeringen in de openbare ruimte met maatschappelijk nut, die vóór de inwerkingtreding van dit besluit zijn gedaan, het BBV van toepassing blijft zoals dat gold op de dag vóór de inwerkingtreding van dit besluit. Dit betekent dat bij meerjarige investeringen het deel dat in/vanaf 2017 wordt gerealiseerd geactiveerd moet worden ongeacht of er al dekking is voor de kapitaallasten. Mochten er bijdragen van derden zijn, die in directe relatie met het actief staan, dan moeten deze bijdragen in mindering worden gebracht op het geactiveerde bedrag. Indien aan de bijdrage door de derde specifieke voorwaarden voor terugbetaling (meerjarig) zijn gesteld, mag de eventuele verrekening pas plaats vinden als – veelal naar (tijds)evenredigheid aan de voorwaarden is voldaan.
Mochten er eigen middelen zijn, dan kunnen deze middelen in een door de raad in te stellen bestemmingsreserve kapitaallasten worden gestort voor de dekking van de kapitaallasten die uit de activering en de wijze van afschrijven voortvloeien.
16
Een bestemmingsreserve kapitaallasten moet van voldoende omvang zijn om de kapitaallasten gedurende de gehele vastgestelde afschrijvingsperiode aan de reserve te kunnen onttrekken. Om de volledige kapitaallasten aan de bestemmingsreserve kapitaallasten te kunnen onttrekken, moet het saldo van de bestemmingsreserve kapitaallasten gelijk zijn aan de boekwaarde van de desbetreffende activa. Wanneer het saldo van de bestemmingsreserve kapitaallasten minder is dan de boekwaarde van de desbetreffende activa, dan kunnen de kapitaallasten slechts naar rato aan de bestemmingsreserve kapitaallasten worden onttrokken. De kapitaallastenreserves zijn gekoppeld aan de betreffende investeringen. Dit houdt in dat wanneer de investering vertraging oploopt de onttrekking evenredig lager zal zijn en vice versa. Onttrekking van de rente uit de bestemmingsreserve kapitaallasten is alleen mogelijk indien er bespaarde rente over het saldo van deze reserve wordt toegevoegd. Wanneer er geen bespaarde rente wordt toegevoegd, dan kan alleen de jaarlijkse afschrijving onttrokken worden aan deze reserve.
4.2
Omvangcriterium en randvoorwaarden t.b.v. activering specifieke kosten Omvangcriterium Alle investeringen worden geactiveerd (artikel 59 BBV) conform de richtlijnen die in de financiële verordening door de raad zijn vastgesteld. Uit oogpunt van het in de hand houden van de administratieve lasten is het van belang dat gemeenten op grond van artikel 212 van de Gemeentewet in de financiële verordening aangeven welke ondergrens gehanteerd wordt voor het activeren van investeringen. Bij het hanteren van een activeringsgrens moet de verplichting tot het activeren van investeringen in acht worden genomen. Het is niet toegestaan om de activeringsgrens zodanig hoog te stellen dat hierdoor (bepaalde typen) activa individueel of als verzameling in totaal van materiële omvang buiten de balans worden gehouden Kosten van onderzoek en ontwikkeling De kosten van onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief kunnen worden geactiveerd (artikel 60 BBV). De voorwaarden genoemd in dit artikel bepalen dat de kosten alleen dan mogen worden geactiveerd als de plannen betreffende het actief, waarvoor de kosten worden gemaakt, al redelijk omlijnd zijn, de plannen uitvoerbaar zijn en de kosten zijn in te schatten.
17
Voorts is het ook van belang dat het daadwerkelijk om kosten voor voorbereiding van een investering gaat. Dit betekent dat kosten voor onderzoek en ontwikkeling geactiveerd mogen worden voor zover het onderzoek of de ontwikkeling bijdraagt aan de totstandkoming van een materieel vast actief. Het opstellen van bijvoorbeeld een nieuw gemeentelijk rioleringsplan leidt niet tot de totstandkoming van een vast actief. Het is slechts een document waarin onder andere de noodzakelijke vervangingsinvesteringen worden gepland en doorgerekend. De hiermee gemoeide kosten mogen daarom niet worden geactiveerd. Wanneer materiële vaste activa nog in aanbouw of ontwikkeling zijn, dienen de investeringen onder de materiële vaste activa te worden gepresenteerd. De ontwikkeling vindt immers plaats voor een actief van de gemeente zelf en niet voor een actief dat wordt gebouwd/ontwikkeld voor de verkoop aan derden. Het BBV kent geen rubriek ‘onderhanden werk’ binnen de materiële vaste activa. Materiële vaste activa die in aanbouw/ontwikkeling zijn, moeten daarom gewoon op de betreffende categorie binnen de materiële vaste activa worden gepresenteerd. Bijdragen aan activa in eigendom van derden Bijdragen aan activa in eigendom van derden kunnen worden geactiveerd (artikel 61 BBV), indien aan de voorwaarden wordt voldaan. De voorwaarden die in dit artikel genoemd worden zijn cumulatief.
Kern is dat het bij de bijdrage gaat om een investering die bijdraagt aan de publieke taak en dat de gemeente de derde partij kan verplichten daadwerkelijk te investeren. Indien de derde partij in gebreke blijft kan de gemeente de middelen terug vorderen of (mede) eigenaar worden van de investering. De bijdrage aan de publieke taak wil ook zeggen dat er een algemeen belang mee gediend is die in de sfeer ligt van de uitvoering van een overheidstaak, dus geen individueel belang.
4.3
Bruto en netto activeren Alle vaste activa worden voor het bedrag van de investering geactiveerd (artikel 62, lid 1 BBV). Dit betekent de bruto-methode. Bijdragen van derden die in directe relatie staan met het actief moeten op de investering in mindering worden gebracht. Hier is sprake van de netto-methode. Indien de raad heeft besloten tot een bestemmingsreserve dan mag deze reserve niet in mindering worden gebracht op de investering, maar wordt deze gebruikt als dekking van de jaarlijkse uit de investering voortvloeiende kapitaallasten. Tot 13 april 2016 was dit wel toegestaan op grond van het nu vervallen derde lid van artikel 62: in afwijking van het eerste 18
lid kunnen reserves in mindering worden gebracht op investeringen, als bedoeld in artikel 59, het vierde lid. Indien in de riool- of afvalstoffenheffing bedragen voor toekomstige vervangingsinvesteringen zijn
of
worden
opgenomen,
dan
moeten
deze
verkregen
middelen
in
een
vervangingsvoorziening worden verantwoord. Op deze bedragen rust een verplichting en zij staan niet ter vrije beschikking van de raad. Op het moment dat de daadwerkelijke vervangingsinvestering plaatsvindt dan wordt de investering geactiveerd en moet de vervangingsbijdrage uit de voorziening direct in mindering worden gebracht op de vervangingsinvestering. Investeringen in de riolering in grondexploitatieplannen kunnen ten laste van de grondexploitatie worden gebracht en via de grondprijs bij verkoop worden vergoed. Casuïstiek inzake activeren is opgenomen in bijlage 5.
19
5. Waarderen 5.1
Algemeen Bij het waarderen gaat het om de waardebepaling van activa en de regels die daarvoor gelden. Het gaat hierbij om de waardering van balansposten teneinde een reëel beeld te krijgen van de vermogenspositie van de gemeente. In het kort kunnen deze regels als volgt worden weergegeven:
Het toerekening beginsel moet in acht worden genomen;
Activa worden gewaardeerd op basis van de verkrijgings- of vervaardigingsprijs;
Reserves in mindering brengen op de boekwaarde van een investering is niet toegestaan. Reserves mogen wel worden gebruikt ter dekking van de jaarlijkse kapitaallasten;
Bijdragen van derden, die in directe relatie staan tot het actief, moeten in mindering worden gebracht op de investering;
Bijdragen uit een voorziening op grond van artikel 44, lid 1d BBV (dat wil zeggen in de heffing begrepen gespaarde bijdragen voor toekomstige vervangingsinvesteringen) moeten in mindering worden gebracht op de investering;
Bij de waardering van de vaste activa met economisch nut wordt rekening gehouden met waardevermindering indien deze vermindering naar verwachting duurzaam is;
Een actief dat buiten gebruik wordt gesteld, wordt afgewaardeerd op het moment van buitengebruikstelling indien de restwaarde lager is dan de op dat moment aanwezige boekwaarde.
5.2
Waardering materiële vaste activa Aangeschafte materiële vaste activa worden gewaardeerd tegen de verkrijgingsprijs of de vervaardigingsprijs. De verkrijgingsprijs omvat de inkoopprijs en de bijkomende kosten. De vervaardigingsprijs omvat de aanschafkosten van de gebruikte grond- en hulpstoffen en de overige kosten die rechtstreeks aan de vervaardiging kunnen worden toegerekend. In de vervaardigingsprijs kunnen voorts een redelijk deel van de indirecte kosten worden opgenomen en de rente over het tijdvak dat aan de vervaardiging van het actief kan worden toegerekend. In de toelichting wordt dan opgenomen dat deze rente is geactiveerd. In de toelichting op het Wijzigingsbesluit vernieuwing BBV van 5 maart 2016 is bepaald dat de overheadkosten op indirecte wijze kunnen (en mogen) worden toegerekend aan grondexploitaties, investeringen en groot onderhoudsprojecten die ten laste van een
20
voorziening worden gebracht. Dit sluit aan op de ‘kan’-bepaling in artikel 63, lid 3 BBV over de vervaardigingsprijs. De toerekening van de overheadkosten vindt plaats op basis van de formule voor de opslag van de overhead, zoals deze in de Financiële verordening is opgenomen. Het is van belang dat de wijze van toerekening van overheadkosten wordt toegelicht bij het overzicht overhead. De btw op de activa wordt niet geactiveerd, als deze verrekenbaar is via aangifte of compensabel is volgens de Wet op het BTW-compensatiefonds. In dat geval mag de btw geen onderdeel uitmaken van de waarde. Ten aanzien van gronden die niet door de gemeente zelf worden gebruikt of geëxploiteerd, maar die door middel van een zakelijk recht (erfpacht) aan derden ter beschikking zijn gesteld (zijn vervreemd), zijn voor de waardering bijzondere bepalingen van toepassing (artikel 63, lid 4 BBV). Zie de Notitie grondbeleid. Grondslag voor de waardering is hierbij de eerste uitgifte prijs. Dit komt, blijkens de totstandkoming van de wetgeving, voort uit de overweging dat de vervaardigingsprijs per kavel niet goed valt te bepalen. Bij gebouwen komt het steeds vaker voor dat deze door middel van een zakelijk recht ter beschikking worden gesteld (worden vervreemd) aan derden.
Voor de waardering van deze gebouwen blijft, aangezien deze anders dan bij erfpachtgronden wel kan worden bepaald, de verkrijgings- of vervaardigingsprijs voorgeschreven. Indien – naar analogie van gronden tegen eeuwigdurende erfpacht – gebouwen eeuwigdurend door middel van een zakelijk recht worden vervreemd en de jaarlijkse vergoeding wordt bij de vestiging van het zakelijk recht (of op een later moment) afgekocht, dan zijn deze gebouwen in economische zin volledig overgedragen. In dat geval wordt (resterend bloot eigendom van) het gebouw gewaardeerd tegen registratiewaarde (bijvoorbeeld € 1).
5.3
Waardevermindering van vastgoed Ingeval van gewijzigde omstandigheden komt het voor dat vastgoed in waarde afneemt. Vastgoed wordt onderscheiden in vastgoed met een maatschappelijke functie en met een bedrijfseconomische functie. Het overgrote deel van het vastgoed bij gemeenten is maatschappelijk. Soorten vastgoed Vastgoed met een maatschappelijke functie heeft betrekking op een gemeentehuis of op gebouwen en terreinen met een functie op het gebied van onderwijs, sport, cultuur, welzijn of maatschappelijke opvang en/of zorg. Kenmerk van vastgoed met een maatschappelijke functie 21
is dat bij negatieve exploitatiesaldi er feitelijk sprake is van het duurzaam verstrekken van subsidie. Indien de bestuurlijke intentie bestaat om vastgoed met een maatschappelijke functie duurzaam te exploiteren en dit als zodanig in de begroting tot uitdrukking komt dan speelt duurzame waardevermindering geen rol. Indien de bestuurlijke intentie bestaat om vastgoed met een maatschappelijke functie te verkopen of de bestemming ervan te wijzigen naar vastgoed met een bedrijfseconomische functie dan moet, indien er sprake is van een naar verwachting duurzaam lagere marktwaarde ten opzichte van de boekwaarde, een duurzame waardevermindering worden verantwoord. Vastgoed met een bedrijfseconomische functie kenmerkt zich door de bestuurlijke intentie om bewust winst en/of waardestijgingen te realiseren. In deze situatie worden panden aangehouden en verhuurd en/of staan in de verkoop. Voor vastgoed met een economische functie is afwaardering verplicht en wordt de toets met behulp van de directe opbrengstwaarde voorgeschreven. Bij de berekening van een indirecte opbrengstwaarde dient uitgegaan te worden van de beste inschatting van de toekomstige opbrengsten op basis van de bestaande gebruiksintentie, besluitvorming etc. De indirecte opbrengstwaarde wordt overigens niet als waarderingsgrondslag gehanteerd in het BBV.
Wel kan de indirecte opbrengstwaarde worden gebruikt ter toetsing van de directe opbrengstwaarde.
22
Stellige uitspraak
Voor vastgoed met een economische functie is afwaardering verplicht en wordt de toets met behulp van de directe opbrengstwaarde voorgeschreven.
Duurzame waardevermindering Om vast te stellen of een duurzame waardevermindering moet worden toegepast moet de directe opbrengstwaarde van het vastgoed worden bepaald door middel van een onafhankelijke taxatie. In geval van een duurzame waardevermindering wordt deze waardevermindering direct verwerkt. Dit kan bijvoorbeeld via een tijdelijke voorziening waardevermindering, zodat waardeherstel mogelijk blijft. Wanneer de duurzame waardevermindering definitief genomen is, dan is er bij een eventueel later waardeherstel geen mogelijkheid meer om de boekwaarde te vermeerderen. Op de nieuwe boekwaarde wordt gedurende de resterende gebruiksduur afgeschreven. Een naar verwachting duurzame waardevermindering van vaste activa betreft een schattingswijziging die volgens artikel 65, lid 1 BBV onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar in aanmerking wordt genomen. Het is toegestaan om meerdere panden als een (1) portefeuille te presenteren. De waardering van deze panden dient op individuele basis plaats te vinden. De indirecte opbrengstwaarde, zoals bijvoorbeeld de bedrijfswaarde, kan worden toegepast om te bepalen of er mogelijk sprake is van een duurzame waardevermindering, maar kan niet worden gehanteerd om de waarde van de activa in de balans te bepalen en te verantwoorden.
Verkoop of buitengebruikstelling van vast actief Indien een object buiten gebruik wordt gesteld en/of wordt afgestoten dan moet afwaardering plaatsvinden indien de marktwaarde naar verwachting lager is dan de boekwaarde. Wanneer een actief daadwerkelijk wordt bestemd voor verkoop dan moet overboeking plaatsvinden naar de voorraden. Een eventueel verkregen opbrengst wordt als incidentele bate verantwoord in de jaarrekening. Indien het object nog een boekwaarde heeft, dan dient deze boekwaarde geheel afgeboekt te worden. Dit is een incidentele last in de jaarrekening. De verkoopopbrengst en het afboeken van de boekwaarde worden beide afzonderlijk verantwoord en mogen niet met elkaar worden verrekend. De verkoopopbrengst mag ook niet worden verrekend met de aanschafwaarde van een eventueel vervangingsobject. In bijlage 3 is een voorbeeld opgenomen. In bijlage 6 is casuïstiek inzake waarderen opgenomen.
23
6. Afschrijven 6.1
Algemeen Investeringen verliezen naar mate de tijd verstrijkt hun waarde. Deze waardevermindering noemen we ‘afschrijven’. Afschrijven is het op een methodische wijze boekhoudkundig verwerken van de waardevermindering van kapitaalgoederen. Afschrijvingen geschieden onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar. In de notitie “Besluit Begroting en Verantwoording op hoofdlijnen verklaard” (de grondslag van het BBV) is het kader voor de verslaglegging van gemeenten opgenomen. Eén van de vereisten van financiële verslaggeving is het stelselmatigheidsvereiste. De grondslagen dienen consistent te worden toegepast. Indien in een jaar geen afschrijving wordt berekend, bijvoorbeeld vanwege een negatief jaarrekeningresultaat, dan is er geen sprake van consistentie dus is dit niet toegestaan. Extra afschrijven, bijvoorbeeld bij een verwacht positief jaarrekeningresultaat, is sinds de recente wijziging van het BBV vanaf begrotingsjaar 2017 in geen enkel geval meer toegestaan.
6.2
Afschrijvingsbeleid Een gemeente heeft keuzevrijheid in het vaststellen van het afschrijvingsbeleid. De gemeente kan in haar afschrijvingsbeleid vastleggen wat gelijksoortige activa inhoudt door deze activa onder te verdelen in (sub)categorieën. De gemeente kan voor de vastgestelde (sub)categorieën slechts voor één afschrijvingsmethode kiezen. Van een subcategorie is sprake wanneer binnen een categorie (bijvoorbeeld: gebouwen) een onderscheid wenselijk is in
soorten
gebouwen
(bijvoorbeeld:
schoolgebouwen,
bedrijfsgebouwen,
sportaccommodaties). 6.2.1. Afschrijvingsmethoden Het BBV schrijft geen specifieke afschrijvingsmethode voor. Voor de keuze van de methode is het echter van belang om de vermindering van de boekwaarde en de op de balans opgenomen restant boekwaarde zo goed mogelijk te benaderen. De gemaakte keuze dient voor gelijksoortige activa, vanuit de gedachte van een bestendige gedragslijn, eensluidend te zijn. Er zijn diverse afschrijvingsmethoden. Bij gemeenten worden lineaire en annuïtaire afschrijving verreweg het meest toegepast. Annuïtaire afschrijving is een vorm van progressieve afschrijving. Degressieve afschrijving vindt in incidentele gevallen plaats. Overige
24
afschrijvingsmethoden worden nauwelijks of niet toegepast door gemeenten en worden daarom in deze notitie niet toegelicht. Lineaire afschrijving Ieder jaar wordt hetzelfde bedrag (of percentage van de aanschafwaarde) afgeschreven. De vermindering van de boekwaarde is daarmee boekhoudkundig ieder jaar gelijk, maar de jaarlijkse rentelast wordt ieder jaar lager. Annuïtaire afschrijving Bij annuïtaire afschrijving is er sprake van een jaarlijks gelijk blijvende annuïteit. Deze annuïteit bestaat uit rente en afschrijving. De rente wordt berekend over de boekwaarde. Door de afschrijving vermindert de boekwaarde en daarom vermindert ook de rentecomponent. Vanwege de gelijkblijvende annuïteit neemt de afschrijving ieder jaar toe. Bij deze methode zijn de afschrijvingen aan het begin laag en aan het einde hoog. Degressieve afschrijving Degressieve afschrijving is het afschrijven op basis van een vast percentage van de boekwaarde. Doordat de boekwaarde ieder jaar afneemt wordt de afschrijving ook elk jaar lager. Deze methode kan worden toegepast wanneer de waarde van een actief in het begin sneller vermindert en vervolgens de waardevermindering gedurende de gebruiksduur steeds meer afneemt. Progressieve afschrijving Manier van afschrijven waarbij de afschrijving elk jaar groter wordt. Het is het tegenovergestelde van degressief afschrijven.
Annuïtaire afschrijvingen zijn een voorbeeld van een progressieve afschrijvingsmethode. Het is ook mogelijk om progressief af te schrijven met een vastgelegd afschrijfschema. Uniformering Bij overgang van materiële vaste activa tussen rechtspersonen wegens fusie of vorming van gemeenschappelijke regelingen moet de rechtspersoon die de activa ontvangt het stelselmatigheidsvereiste toepassen. Dit houdt in dat gelijksoortige activa volgens dezelfde methode moeten worden afgeschreven. Het is niet mogelijk om afhankelijk van de periode van investeren een andere afschrijvingsmethode toe te passen of voor een zelfde soort activa verschillende afschrijvingsmethoden toe te passen. Indien als gevolg van de overgang tussen rechtspersonen sprake is van een wijziging van de afschrijvingsmethode dan is er ook sprake van een schattingswijziging. Deze moet in één keer worden verwerkt. Voor activa die
25
vooruitlopend op het starten van de nieuwe rechtspersoon in gebruik is genomen geldt dat deze geactiveerd moet worden bij de rechtspersoon die het activum heeft aangeschaft en daarna moet worden overgedragen aan de nieuwe rechtspersoon. 6.2.2. Moment van starten met afschrijvingen Voor het moment van beginnen met afschrijven is de gemeente, binnen de regels van het BBV, vrij in haar keuze. Maar in tegenstelling tot de afschrijvingsmethode, die per (sub)categorie kan worden bepaald, kan voor het moment van beginnen met afschrijven slechts voor één mogelijkheid worden gekozen. De gekozen mogelijkheid wordt toegepast op alle kapitaalgoederen die gereed komen/verworven worden. Uit de volgende mogelijkheden kan worden gekozen:
vanaf het begin van het jaar waarin het kapitaalgoed gereed komt/verworven wordt (een volledig jaar afschrijving); of
medio het begrotingsjaar waarin het kapitaalgoed gereed komt/verworven wordt (een half jaar afschrijving); of
vanaf het boekjaar volgend op het jaar waarin het kapitaalgoed gereed komt/ verworven wordt; of
vanaf het moment van ingebruikname.
6.2.3. Afschrijvingstermijn per (sub)categorie kapitaalgoed Op grond van artikel 64, lid 3 BBV dient op vaste activa met een beperkte gebruiksduur jaarlijks afgeschreven te worden volgens een stelsel dat is afgestemd op de verwachte toekomstige gebruiksduur. De gebruiksduur is gelijk aan de verwachte economische of technische levensduur. Het bovenstaande is niet alleen van toepassing op bijvoorbeeld gebouwen die door de gemeente zelf worden gebruikt of geëxploiteerd, maar ook op gebouwen die door middel van een zakelijk recht ter beschikking worden gesteld (worden vervreemd) aan derden. Ook hierbij is sprake van slijtage en een beperkt verwachte gebruiksduur waarop de afschrijving moet worden afgestemd. Het BBV schrijft geen afschrijvingstermijnen voor omdat de gebruiksduur afhankelijk kan zijn van de lokale omstandigheden. De gemeente dient zelf de gebruiksduur per categorie van de kapitaalgoederen vast te stellen. Er kan afgeschreven worden tot € 0 of er kan rekening worden gehouden met een restwaarde. Een uitzondering geldt voor grond. Op grond kan niet worden afgeschreven, omdat grond geen slijtend actief is en daarom een eeuwigdurende gebruiksduur heeft. Dit geldt ook voor grond
26
die in gebruik wordt genomen als begraafplaats. Grond die in erfpacht is uitgegeven wordt in dit kader niet anders behandeld. Er is namelijk geen sprake van een slijtend actief en/of een beperkte gebruiksduur. In het geval van grond met daarop een openbare weg is de toekomstige waarde van de grond nihil. De weg is onlosmakelijk verbonden met de grond en rekening houdend met de onderliggende infrastructuur in de vorm van riolering en bekabeling is het onwaarschijnlijk dat deze grond ooit zelfstandig weer beschikbaar komt. De investering die gepaard gaat met de aanleg van de weg wordt, inclusief de aankoopkosten van de grond, over de levensduur van de weg afgeschreven. In geval van grond met opstallen (bijvoorbeeld een school of museum) bestaat de mogelijkheid dat de opstallen op enig moment worden afgebroken en dat de grond dan opnieuw voor verkoop beschikbaar komt. In dat geval is er geen sprake van een duurzame waardevermindering en behoudt de grond haar waarde. Overigens is herwaardering van grond die al in eigendom is met een waarde van nihil of van wegen die om niet overkomen uit een grondexploitatie niet toegestaan. Het opschorten van afschrijvingen is gedurende een redelijke termijn toegestaan bijvoorbeeld als een gebouw leeg staat tot het moment van verkoop. Bij tijdelijk verhuur aan derden wordt wel afgeschreven.
Doordat de bestemming in deze situatie is gewijzigd, moet de actuele waarde in die nieuwe bestemming in de toelichting op de balans worden vermeld.
6.2.4. De componentenbenadering De componentenbenadering houdt in dat verschillende samenstellende delen van een materieel vast actief, die afzonderlijk vervangen kunnen worden, afzonderlijk worden afgeschreven op basis van de individuele waardevermindering van die delen. Per deel kan de technische of economische levensduur namelijk verschillen. De opsplitsing in componenten wordt bepaald aan de hand van de economische of technische levensduur. De componentenbenadering resulteert in verschillende afschrijvingstermijnen voor ieder onderdeel. Voor de looptijd van de afschrijvingstermijnen zijn geen voorschriften. In bijlage 7 is een uitwerking van de componentenbenadering opgenomen.
6.2.5. Waarderingsgrondslagen en restwaarde De waarderingsgrondslagen moeten vastgesteld zijn in het activeringsbeleid van de gemeente. Dit beleid moet consistent worden toegepast voor dezelfde activa categorieën en consistent
27
in de tijd. Tevens dient hierbij te worden aangegeven of de gemeente wel of niet rekening houdt met een restwaarde. De restwaarde is de schatting, tegen het prijspeil van het moment van ingebruikname, van de opbrengst die na de gebruiksduur nog gerealiseerd kan worden, verminderd met de te maken kosten voor verwijdering of vernietiging van (delen van) het actief. Er wordt bij de bepaling van de restwaarde dus geen rekening gehouden met mogelijke waardeveranderingen vanwege inflatie of deflatie, veranderende marktomstandigheden en dergelijke. De restwaarde dient reëel en per actief te worden geschat. Het hanteren van een vast percentage restwaarde voor bijvoorbeeld het totale vastgoed doet onvoldoende recht aan de individuele kenmerken van de materiële vaste activa. De restwaarde mag niet zodanig hoog worden geschat dat feitelijk geen of te weinig afschrijving plaatsvindt. Indien een pand en de grond (vanuit het verleden) als één actief zijn geactiveerd, kan alleen een restwaarde op het pand worden gehanteerd. Aan de grond kan niet alsnog een (rest)waarde toegekend worden. Wanneer de verwachte gebruiksduur korter is dan de verwachte economische levensduur van het actief is er altijd sprake van een restwaarde. Aan het einde van de economische levensduur zal er slechts sprake zijn van sloopwaarde.