17. TV CIE PvdA - antwoorden
Tekst van het document
TECHNISCHE VRAGEN (over lopende agendapunten) Naam indiener Fractie
: :
Johan Feenstra PvdA
Datum
:
25 januari 2024
Agendapunt
:
5
Onderwerp
:
Kaderbrief Veiligheidsregio.
Commissievergadering
Inleiding: We hebben op 11 januari jl. antwoorden ontvangen op onze ambtelijke technische vragen over de kaderbrief van de Veiligheidsregio. Dank daarvoor. Naar aanleiding daarvan en het door de Veiligheidsregio gehouden webinar hebben wij nog de volgende vragen. 1.
Kunnen de antwoorden op de ambtelijke technische vragen (+ bijbehorende stukken) van 11 januari jl. ook toegevoegd worden aan de stukken voor de commissie BF op 25 januari a.s., zodat alle raadsleden er bij dat onderwerp kennis van kunnen nemen? Antwoord: Deze zijn door de griffie toegevoegd.
2.
In antwoorden op vraag 5 over de indexering van de materiele kosten wordt slechts uitgelegd hoe het “systeem” van verrekening gaat werken op grond van artikel 4 lid 1.a. van de nieuw voorgelegde financiele verordening. Daarbij wordt niet volledig ingegaan op de vragen die wij daarover gesteld hebben. Daarom opnieuw een aantal vragen over de indexering van de materiele kosten. A. Wat is nu de logica om voor de indexering van de materiele kosten uit te gaan van het consumentenprijsindex (CPI), die voor overheidsorganisaties niet relevant is? Graag een toelichtend antwoord? B. Als dan “achteraf” op basis van de werkelijkheid de verrekening plaats vind op grond van de indexen Prijs Bruto Overheidsinvesteringen (IBOI) en Prijs overheidsconsumptie (IMOC),waarom wordt dan op voorhand bij de begroting ook niet uitgegaan van deze indexen waarop ook de bekostiging van het gemeentefonds is gebaseerd? Antwoord: A. Er is voor gekozen om de systematiek die van toepassing was (ramen op basis van CPI) grotendeels te handhaven. De wijziging in systematiek zit hem vooral in het toevoegen van een verrekening van de indexatie van materiële kosten op basis van het gemeentefonds (IBOI/ IMOC). De CPI blijft daarmee gehanteerd. Dit is in de sector ook zeker niet ongebruikelijk.
Dit blijkt ook uit een inventarisatie van de gehanteerde indexatiemethoden bij diverse gemeenten en gemeenschappelijke regelingen in het noorden van het land.
Dat dit een veelgebruikte index is, blijkt ook uit de toelichting bij de tabel met indices zoals opgenomen in de septembercirculaire: Het is van belang dat gemeenten in hun ramingen rekening houden met de loon- en prijsontwikkelingen. Om gemeenten, die niet beschikken over eigen loon- en prijsindexen, te faciliteren bij het omgaan met loon- en prijsontwikkelingen is tabel 4.2.2 opgenomen. De tabel bevat een aantal loon- en prijsindicatoren die het CPB onderscheidt voor de overheidssector. In 2022 is door het bestuur geconstateerd dat de oude systematiek in stabiele tijden, goed heeft gewerkt. In tijden van sterk oplopende inflatie is de systematiek echter ontoereikend gebleken. Een verrekening/aansluiting op het gemeentefonds is dan ook als wenselijk beschouwd, en derhalve toegevoegd. Daarmee is volgens het bestuur invulling gegeven aan de aandachtspunten zoals deze zijn geuit door de diverse gremia. B. Zie ook antwoord bij A. Naar aanleiding van bestuurlijke discussie rondom de kaderbrief 2024 is ervoor gekozen om een verrekening op basis van het gemeentefonds toe te voegen aan deze systematiek. Na verrekening is er dus sprake van een aansluiting op het gemeentefonds (IBOI en IMOC). 3.
In antwoord op vraag 5 F over het proces wordt gesteld dat het de uitkomst is van de evaluatie en dat de systematiek om de verrekening te baseren op de IMOC en IBOI, nadrukkelijk is besproken in de diverse bestuurscommissies. In het bijgeleverde notulen van de auditcommissie lezen wij niet dat er gesproken is om IMOC en IBOI als grondslag te hanteren. Kunnen de verslagen worden verstrekt van de diverse bestuurscommissies waar dat wel uit blijkt? Antwoord: De aanpassingen in de verordening zijn in alle gremia nauwgezet behandeld. De verslagen zijn echter niet op het door u gewenste detailniveau opgesteld. In de verslagen wordt vooral aangegeven dat de aanpassingen akkoord zijn bevonden. In de financiële verordening is nadrukkelijk opgenomen dat er wordt verrekend op basis van het gemeentefonds, waarmee invulling is gegeven aan een bestuurlijke wens. De tekst die is opgenomen in de financiële verordening is in de bestuurscommissies beoordeeld en akkoord bevonden, waarna de verordening ter zienswijze is aangeboden. Overigens is de systematiek met de financiële ambtenaren besproken, akkoord bevonden en wordt de uitkomst van de berekening met hen afgestemd.
4.
Artikel 4 lid 1.a van de financiele verordening over de indexering van de materiele kosten is ons niet duidelijk. Daarover de volgende vragen: Er wordt geschreven dat voor wat betreft de materiele kosten de verrekening zal plaatsvinden met “de werkelijke LOONprijscompensatie zoals opgenomen in het gemeentefonds”. Het is vanwege de rechtmatigheid belangrijk begrippen goed en juist te omschrijven in een verordening om later onrechtmatigheden te voorkomen. Er staat dus LOONprijscompensatie: A. We spreken in artikel 4. Lid 1A over materiele kosten? Wat hebben de lonen hier dan mee te maken? B. Wat wordt nu precies met het begrip LOONprijsmutatie bedoeld? C. Hoe ziet u de aansluiting van dit begrip “LOONprijsmutatie” met de begrippen die gehanteerd worden in het gemeentefonds? Daar wordt deze index niet gehanteerd. D. Als bedoeld is IMOC en IBOI, waarom is dat dan niet zo beschreven in de verordening? Antwoord: A. In de circulaires wordt gesproken over de loon- en prijsontwikkeling (LPO), vandaar dat is aangesloten bij de term. De indexatie van materiële kosten zal bij de verrekening gelijk worden gesteld aan de IBOI en de IMOC. De loonvoet sector overheid wordt niet betrokken bij de evaluatie van de materiële kosten. B. Zie A
5.
C. Zie A D. Zie A In artikel 4 lid a van de financiele verordening wordt het systeem van verrekening beschreven van de materiele kosten. Daarbij wordt ten behoeve van de indexatie van de materiele kosten naar een volgend begrotingsjaar (i.c. 2025) uitgegaan van septembercirculaire 2 jaren voorafgaand aan het betreffende begrotingsjaar. Er wordt dan dus uitgegaan van de septembercirculaire 2023. Hoe verloopt de verrekening in jaren dan in de praktijk? Voor welk jaar en wanneer wordt er dan verrekend? En wordt dan tot verrekening overgegaan op grond van de meicirculaire 2024? Worden dan in mei 2024 de IBOI en IMOI van 2023 gehanteerd t.o.v. de CPI 2023 en dat gebruikt voor voor de indexatie van 2025 en via een begrotingswijziging gecorrigeerd? A. Is deze interpretatie juist? Zo niet hoe verloopt het dan wel? B. De indexen die in het gemeentefonds gehanteerd t.b.v. het accres worden altijd voor het desbetreffende jaar en daarna gegeven. Niet met terugwerkende kracht. Zo zijn bijvoorbeeld in de meicirculaire 2023 de indexen voor het jaar daarvoor (i.c. 2022) niet opgenomen omdat dat voor de verrekening met gemeenten voor het accres niet van toepassing is. Hoe wordt daar mee omgegaan? A. Nee, deze interpretatie is niet juist. Voor het jaar 2025 wordt het CPI-cijfer 2025 gebruikt zoals opgenomen in de septembercirculaire van 2023 (zie tabel 4.2.2, jaar 2025). Dit bedraagt 2,5%.
Dit percentage wordt in het betreffende begrotingsjaar vervolgens vergeleken met de indexatie van het gemeentefonds (de IMOC en IBOI) zoals opgenomen in de meicirculaire 2025 en het verschil wordt met elkaar verrrekend. B. Zie A.
6.
Als in de diverse bestuurscommissies nadrukkelijk is besproken om de verrekening van materiele kosten plaats te doen laten vinden op grond van de indexen IMOC en IBOI, waarom is dan om misverstanden op termijn te voorkomen, ook zo niet gedefinieerd in de financiele verordening? Antwoord: Er zijn ons geen misverstanden bekend over de te hanteren systematiek. In de financiële verordening is opgenomen dat er wordt verrekend op basis van het gemeentefonds. De tekst die is opgenomen in de financiële verordening is in de bestuurscommissies beoordeeld en akkoord bevonden, waarna de verordening ter zienswijze is aangeboden. Naar onze mening is de kans op misverstanden daarmee beperkt, en voorziett de aangepaste systematiek juist in de behoeftes die de laatste jaren door diverse gremia zijn geuit. Mocht in de toekomst er wel sprake zijn van misverstanden en onduidelijkheden, dan zal in overleg met de diverse betrokken partijen worden beoordeeld of een aanpassing van de teksten nodig is. Vooralsnog zien wij daar echter geen aanleiding toe.
-