CConstaterende datStichtse Vecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Warmtevisie gemeente Stichtse Vecht - incl. bijlagen.pdf

Commissie Fysiek Domein 7 september 2021, gemeente Stichtse VechtBij agendapunt: 5. 21:25: Transitie Visie Warmte.5.577 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Transitie Visie Warmte gemeente Stichtse Vecht

13 juli 2021

Inhoudsopgave

0. Samenvatting

3

1. Inleiding

4

2. De uitgangspunten voor de warmtevisie

5

3. De (collectieve) alternatieven voor aardgas

7

4. De regierol van de gemeente

9

5. Communicatie en participatie

12

6. Planning en prioritering

14

2

0. Samenvatting In 2050 moeten bijna 7 miljoen woningen en 1 miljoen andere gebouwen aardgasvrij zijn. In de periode tot en met 2030 is in het Klimaatakkoord de afspraak gemaakt om 1,5 miljoen woningen en andere gebouwen te verduurzamen (website Rijksoverheid). Hoe een gemeente dit gaat oppakken en in welke wijk ze wanneer aan de slag gaat, beschrijft de gemeente in de transitievisie warmte die voor het einde van 2021 moet zijn vastgesteld (programma aardgasvrije wijken). Op basis van landelijke en lokale data komen we tot de conclusie dat we met het aardgasvrij maken van Stichtse Vecht het beste kunnen starten in Maarssen Dorp. Het betreft twee clusters van wijken die rondom het centrum van Maarssen Dorp liggen (zie de kaarten in bijlage 1). Deze wijken lijken geschikt voor een warmtenet (gedetailleerd onderzoek is nog nodig). Beide clusters van wijken maken dan in de toekomst voor een groot deel gebruik van warmte uit het Amsterdam Rijn Kanaal en/of de Vecht. Een klein deel van de warmte komt uit afvalwater van de oude waterzuivering bij Zogwetering en andere kleinere warmtebronnen. Deze wijken kunnen dus in principe voor 2030 van het aardgas af. Maarssenbroek leent zich ook voor een warmtenet, maar daar lopen we tegen wat grotere technische uitdagingen aan (zie kaart bijlage 2).

Maarssenbroek lijkt overigens zeer geschikt voor een tussenstap in de vorm van Hybridewarmtepompen (tot 50% besparing op aardgas) als opmaat naar aardgasvrij en om kosten op aardgas te besparen. Daarmee kan Maarssenbroek ‘aardgas ready’ worden gemaakt en maken we de overstap naar aardgasvrij op termijn haalbaar en betaalbaar. Uit het onderzoek blijkt ook dat Breukelen wel beschikt over voldoende woningen voor een warmtenet, maar door het type bebouwing minder geschikt is. Het aandeel sociale huurwoningen is hier relatief hoog, maar ook daar moeten dan grote slagen worden gemaakt in de verduurzaming van de panden. De overige wijken zullen zijn aangewezen op individuele maatregelen zoals warmtepompen en andere gebouw gebonden oplossingen. Ze komen in de planning zeker na 2030 pas aan de beurt. Wellicht zijn er bij clusters van gebouwen kleinere collectieve maatregelen mogelijk (langs het kanaal met name). We sluiten bijvoorbeeld ook niet uit dat waterstof in de toekomst een serieus alternatief zal zijn (groen gas op basis van biomassa is er helaas te weinig en kan beter regionaal worden ingezet). In Sportpark Zuilense Vecht kijken we ook naar innovatieve oplossingen in nauwe samenwerking met de gemeente Utrecht en is er mogelijk een koppeling met Op Buuren mogelijk.

Met het project aardgasvrije bedrijventerreinen hebben we reeds onderzocht hoe we clusters van bedrijven van het aardgas af kunnen halen (als opmaat naar toekomstbestendige bedrijventerreinen). Dit kan alleen als de organisatiegraad van de bedrijventerreinen voldoende geborgd is. Belangrijk is verder dat gemeente haar regierol verder invult en concretiseert om bovenstaande ontwikkelingen mogelijk te maken. Voor het opstellen van wijkuitvoeringsplannen is het nodig om te weten hoe ver de participatie moet gaan, welke financiële middelen de gemeente ter beschikking stelt en welke hulp individuele gebouweigenaren van de gemeente kunnen verwachten. Ook is het een taak van de gemeente om waar mogelijk te voorkomen dat gebouweigenaren in de energiearmoedeval terechtkomen. Dat kan door voor deze doelgroep de toegang tot financiële ondersteuning mogelijk te maken, zonder dat de gemeente grote financiële risico’s loopt.

3

1. Inleiding In 2050 moeten bijna 7 miljoen woningen en 1 miljoen andere gebouwen aardgasvrij zijn. In de periode tot en met 2030 is in het Klimaatakkoord de afspraak gemaakt om 1,5 miljoen woningen en andere gebouwen te verduurzamen (website Rijksoverheid). Hoe een gemeente dit gaat oppakken en in welke wijk ze wanneer aan de slag gaat, beschrijft de gemeente in de transitievisie warmte. Een transitievisie warmte is een beleidsdocument dat een eerste richting geeft aan de aanpak van het isoleren en aardgasvrij maken van de gebouwde omgeving. In het klimaatakkoord is afgesproken dat iedere gemeente voor het einde van 2021 een transitievisie warmte moet hebben vastgesteld (programma aardgasvrije wijken). Nederland moet dus in 2050 volledig aardgasvrij zijn. In de energie-agenda van minister Kamp (2016) werd daarover gezegd: Gemeenten moeten de regie nemen in de lokale transitie van de warmtevoorziening. Het Interbestuurlijk Programma (IBP) van februari 2018 stelt: Bij de invulling van de klimaatdoelstellingen voor de gebouwde omgeving ligt een grote rol voor de medeoverheden, met een regierol voor gemeenten op het gebied van aardgasvrije buurten en wijken.

Met het oog daarop is de inzet dat alle gemeenten uiterlijk in 2021 een planning vaststellen in de gemeenteraad voor de transitie van de gebouwde omgeving naar aardgasvrij (woningen, maatschappelijk- en commercieel vastgoed) gericht op een CO2-arme gebouwde omgeving in 2050. Voor alle buurten die voor 2030 van het aardgas af gaan is in 2021 ook bekend wat het alternatief voor aardgas is. In de recent vastgestelde wet VET (Voortgang Energie Transitie) is vastgelegd dat vanaf 1 juli 2018 geen nieuwe gasaansluitingen meer worden uitgevoerd. Nieuwbouw is dus per definitie aardgasvrij. Dit is in de afwegingen bij het opstellen van de warmtevisie meegenomen. Naast het Nationale beleid is er ook de lokale invulling. De gemeente Stichtse Vecht heeft vastgelegd dat zij in principe in 2040 Klimaatneutraal wil zijn, met een mogelijke uitloop naar 2050. Grootschalig gebruik van aardgas past daar niet in. Ook in de Regionale Energie Strategie (RES U16) speelt de warmtevisie een belangrijke rol, met name bij het afstemmen van het gezamenlijk gebruik van de alternatieve warmtebronnen. Door de gemeente en verschillende partners – onder andere woningbouwcorporaties, netbeheerder en energiebedrijven - worden al verschillende initiatieven genomen om de route naar aardgasvrij voor te bereiden. In deze warmtevisie worden al deze initiatieven in een groter kader geplaatst.

We beschrijven op welke plekken we als gemeente van start willen gaan, in welk tempo we dat doen en hoe we daar samen met onze partners en inwoners aan gaan werken. Iedereen in Stichtse Vecht gaat dus vroeg of laat te maken krijgen met de vraag: hoe ga ik mijn huis, bedrijfsgebouw of pand verwarmen als er geen aardgas meer geleverd wordt? Dat aardgas op termijn geen optie meer is, staat dus vast. De keus om over te stappen naar een andere warmtevoorziening is nu echter nog een vrije keuze, steeds meer gebouweigenaren maken die keuze nu bewust zelf. Het geniet de voorkeur dat woningeigenaren met elkaar kunnen afstemmen welke oplossingen de beste zijn voor hun wijk of buurt. Onze ambitie is dan ook per wijk of gebied de warmte-opties met de laagste maatschappelijke kosten uit te werken en daarbij de initiatiefnemers en initiatieven vanuit de wijken te ondersteunen. 4

2. De uitgangspunten voor de warmtevisie Iedereen in de gemeente Stichtse Vecht zal vroeg of laat dus te maken krijgen met de vraag: hoe ga ik mijn huis (gebouw) verwarmen als er geen aardgas meer is? Er zijn drie uitgangspunten die steeds terugkomen: haalbaarheid, betaalbaarheid en leveringszekerheid. Belangrijk is daarbij ook dat de gebouweigenaren goed worden meegenomen in dat keuzeproces door een uitgebreide participatie bij het opstellen van de wijkuitvoeringsplannen (zie ook hoofdstuk 5). Landelijk, Regionaal en lokaal zijn er een aantal principes uitgesproken waar deze warmtevisie aan zou kunnen of moeten voldoen. Deze principes hebben centraal gestaan tijdens het opstellen van deze visie. Hoewel er altijd wat te kiezen is, zijn de alternatieven voor aardgas in de gemeente Stichtse Vecht helaas beperkt. Dit heeft vooral te maken met de aard van de bebouwing, de drukte in de ondergrond en het beperkte aanbod van alternatieve warmtebronnen. 1. Samen, lokaal, transparant en duurzaam De warmtetransitie is een enorme opgave, die niet onderschat mag worden. De gemeente kan dit niet alleen uitvoeren. Daarom werken we samen met onze partners in de gemeente en zijn we transparant naar elkaar over elkaars belangen en doelen. We streven naar een op termijn volledig duurzame warmtevoorziening en maken gebruik van lokale bronnen binnen de gemeente of regio.

Ook streven we er naar de opbrengsten van de nieuwe energievoorziening terug te laten vloeien in de gemeenschap door samenwerking met lokale bedrijven, maar ook waar mogelijk te streven naar lokaal eigendom. Daardoor kan ook de lokale economie profiteren van de overstap naar alternatieve warmtebronnen voor aardgas. 2. Betaalbaarheid en betrouwbaarheid voor de eindgebruiker staan voorop De warmtetransitie brengt investeringen met zich mee en zal niet gratis zijn, maar voor de huidige bewoners moet de energierekening ook in de toekomst betaalbaar blijven. Het ontstaan van energiearmoede is onwenselijk. We zoeken dus naar de maatschappelijk goedkoopste oplossing op basis van een optimale afstemming van investeringen en werken aan financieringsconstructies en betaalbare proposities voor woningeigenaren. Uiteraard moet elke alternatieve warmtevoorziening betrouwbaar zijn (leveringszekerheid moet zijn gegarandeerd). Het geniet de voorkeur dat woningeigenaren met elkaar kunnen afstemmen welke oplossingen de beste zijn voor hun eigen wijk of buurt. 3. Bewoners en overige gebruikers worden intensief betrokken in de uitvoering Uiteindelijk gaat de warmtetransitie over mensen en hun directe leefomgeving. Daarom betrekken wij alle gebouweigenaren maar ook de gebruikers in de ontwikkeling en uitvoering. Dit betekent dat we in een wijk alle energiegebruikers betrekken.

Bedrijven die gelegen zijn in wijken waar we aan de slag gaan, betrekken we bij het wijkuitvoeringsplan. We spreken van te voren af hoe we de wensen en ideeën verwerken in het wijkuitvoeringsplan. Bedrijventerreinen krijgen een aparte status omdat de dynamiek op een bedrijventerrein anders is. Bedrijven en maatschappelijk vastgoed gelegen in woonwijken liften mee met de overige gebruikers, maar krijgen wel voldoende gelegenheid mee te denken in de uitvoering. 4. We houden rekening met onzekerheden in de uitvoering De warmtetransitie is nog maar net begonnen. Veel is nog onzeker en onbekend en er zijn nieuwe technieken in ontwikkeling. De komende jaren zal er meer bekend worden over nieuwe regels, zal beleid worden aangescherpt en alternatieve financieringsmogelijkheden 5

worden ontwikkeld. Ook de markt zal niet stilzitten en met nieuwe, verbeterde technieken komen. We zijn daarom flexibel in de uitvoering, pakken nieuwe kansen op als ze ontstaan, maar wachten tegelijkertijd niet op de wereld van morgen en bereiden de warmtetransitie verder voor. We sturen aan op wijken die aardgasvrij ready zijn en maken onderscheid in installatiewijken en isolatiewijken en ondersteunen koplopers (zowel individueel als collectief). 5. We werken zowel gebiedsgericht als doelgroepgericht De kosteneffectiviteit van alternatieven zal per wijk verschillend zijn en ook per huishouden of bedrijf verschillen. We werken in principe gebiedsgericht omdat we hiermee recht doen aan de lokale omstandigheden en zo efficiënt en kosteneffectief mogelijk kunnen werken. Gebiedsgericht werken betekent ook dat we aanhaken op specifieke ontwikkelingen in de wijk. Tegelijkertijd hebben we ook oog voor specifieke doelgroepen zoals woningeigenaren die tussen het wal en het schip dreigen te vallen (energie armoede), particuliere huurders, sociale huurders, MKB bedrijven, gebruikers en eigenaren van maatschappelijk vastgoed, ondernemers die vanuit huis werken etc. Daardoor kunnen we maatwerk leveren en inzoomen op specifieke situaties.

6

3. De (collectieve) alternatieven voor aardgas De analyse van de startwijken is gebaseerd op uitgebreide analyses van allerlei data bronnen en basisgegevens die voor het onderzoek ter beschikking stonden. Landelijk is door het CBS een eerste analyse uitgevoerd op basis van openbare data. Door deze data te verrijken met lokale data en informatie van onze lokale en Regionale partners toe te voegen is er een duidelijk beeld ontstaan van de technische beperkingen en mogelijkheden in Stichtse Vecht. Hierbij is zowel gekeken naar de gebouwen - de technische staat en het gebruik hiervan - alsmede de ruimte onder de grond en de aanwezigheid van alternatieve warmtebronnen. Stichtse Vecht is een waterrijke gemeente met veel historische bebouwing en relatief dichte bebouwingsgraad. De meeste gebouwen dateren van voor de eeuwwisseling. Doorgaans is de isolatiegraad van deze gebouwen minder geschikt voor toepassing van nieuwe technieken waarbij lagere temperaturen worden gebruikt (warmtepompen, lage temperatuur warmtenetten). Technisch gezien is vaak meer mogelijk, maar financieel pakt dat vaak ongunstiger uit waardoor deze technieken minder geschikt zijn. Ook de dichtheid van de bebouwing, de ruimte in de ondergrond en de beschikbaarheid van geschikte warmtebronnen is bepalend voor de best beschikbare techniek.

Of een individuele of collectieve oplossing haalbaar en betaalbaar is hangt bovendien van veel factoren af en is per situatie verschillend. Waar mogelijk is in de analyse rekening gehouden met lopende en nieuwe initiatieven. Op verschillende plekken zijn door bewoners, bedrijven en de gemeente al lopende initiatieven opgestart in diverse buurten en wijken. Die initiatieven zijn meegenomen in de totaalaanpak van de warmtetransitie in Stichtse Vecht. Het betreft planningen van de verschillende partners voor werkzaamheden boven en onder de grond. Hierbij kan worden gedacht aan het vervangen van gasnetten door Stedin, riolerings- en vernieuwingsplanningen van de gemeente en onderhouds- en renovatieplanningen van de woningbouwcorporaties. Waar mogelijk is ook rekening gehouden met toekomstige ontwikkelingen vanuit de omgevingsvisie. Op basis van allerlei technische mogelijkheden en veelbelovende technologische ontwikkelingen is een eerste verkenning uitgevoerd om Stichtse Vecht aardgasvrij te maken. De voorkeur gaat daarbij altijd uit naar gebouw gebonden maatregelen (doorgaans het meest efficiënt), maar grootschalige energieopwekking is nodig om op termijn tot een aardgasvrije gemeente te kunnen komen. Het zijn drie scenario’s waarbij andere technieken uiteraard niet worden uitgesloten. Het gaat om basisprincipes. 1.

All electric Windmolens, grondgebonden zonneparken, zonnepanelen op daken, benutting en uitbreiding bestaande elektrische infrastructuur ondersteund met opslagcapaciteit (accu’s, andere opslagvormen). 2. Innovatief met gas Het aardgas wordt vervangen door waterstofgas of groen gas en op industriële schaal ondersteund (om warmte en/of elektriciteit op te maken). Elektriciteit komt van zonnepanelen op daken en een beperkt aantal grondgebonden systemen (zonneparken) of van groene stroom uit het buitenland. 7

3. Aanleg van gemeentelijke warmtenetten In een aantal wijken komt een innovatief warmtenetwerk dat gevoed wordt met warmte uit oppervlaktewater, bodem en/of lucht. Ook restwarmte van bedrijven en instellingen of uit riool wordt optimaal benut. De benodigde elektriciteit komt van zonnepanelen op daken en een beperkt aantal grondgebonden systemen (zonneparken). De rol van biomassa De beschikbare biomassa is in alle gevallen slechts ondersteunend en levert een zeer beperkte bijdrage (eerste schatting tussen de 5 en 10%). Bepaalde biomassastromen kunnen worden omgezet in biogas (bv. riet, overige natte biomassa, mestoverschot, bermgras, andere beschikbare fracties, speciale energieteelten), maar de conclusie is dat dit alleen in Regionaal verband rendabel ingezet kan worden. Routes naar aardgasvrij Er zijn dan verschillende routes die kunnen worden doorlopen om naar aardgasvrij te komen. Welke route genomen wordt is afhankelijk van de context en wordt per gebied in samenspraak met gebouweigenaren verder uitgewerkt. De aanpak naar een aardgasvrij Stichtse Vecht baseren we op deze drie routes: 1. De focus ligt in eerste instantie op wijken waar we een collectief warmtenet kunnen ontwikkelen, waarbij lage- en midden temperatuur warmtenetten vaak het meest rendabel zijn. De warmte komt voor het grootste deel uit oppervlaktewater (zie bijlage 3). 2.

Het stimuleren van isolatie bij woningen en gebouwen waarvoor het nu al kansrijk is om op all-electric over te gaan. Deze woningen en gebouwen isoleren tot minimaal label B en daarna al dan niet gefaseerd all-electric maken (afhankelijk van netcapaciteit en de beschikbare groene stroom). 3. Overige gebouwen eerst aardgasvrij ready maken door minimaal tot label B te isoleren, eventueel te kiezen voor hybride technieken (bijvoorbeeld hybride warmtepompen) om het gebruik van aardgas terug te dringen en op termijn af te koppelen van het aardgas. Dat neemt niet weg dat we tijdens de hele energietransitie (waar dit een onderdeel van uitmaakt) blijven kijken naar nieuwe technieken en alternatieve oplossingen.

8

4. De regierol van de gemeente Het opstellen en uitvoeren van de warmtetransitie is bij uitstek een regietaak voor de gemeente. De opgave van aardgasvrij is echter zo omvangrijk en ingrijpend, dat er overzicht nodig is. We kunnen ook niet verwachten dat ‘de markt’ alles voor ons oplost. Door als gemeente regie te voeren, krijgt de energietransitie structuur en kunnen alle partijen op een verantwoorde manier samen aan de slag. Elke gebouweigenaar en elke gebruiker van gebouwen krijgt min of meer met de transitie naar aardgasvrij te maken. Daarnaast hebben energie-infrastructuur, energieopslag en duurzame energiebronnen ook voor een groot deel een lokaal karakter. Daarom geeft de Rijksoverheid de Gemeente in nauwe samenspraak met onder andere netbeheerder Stedin de regierol in de transitie. In de toekomst wordt die regierol steeds groter, en komen er naar verwachting meer bevoegdheden en sturingsinstrumenten bij. De gemeente heeft vaak meer invloed dan verwacht, maar dan moet die regierol wel goed worden ingevuld. Bij de regie spelen de volgende elementen een rol: organisatie, techniek, wet- en regelgeving, participatie en financiën. Het is daarbij belangrijk welke rol de gemeente specifiek wil spelen in al deze onderdelen. In het meest extreme geval laten we de energietransitie voor het grootste deel aan de markt over.

Gezien de complexiteit van de oplossingen zal dat voor gebouweigenaren niet altijd leiden tot de beste en goedkoopste oplossing. Het is ook mogelijk als gemeente zelf projecten te ontwikkelen waarbij de financiële risico’s ook gedeeltelijk of volledig bij de gemeente liggen. Door de Raad is al eerder aangegeven dat de rol van de gemeente als projectontwikkelaar niet wenselijk is vanwege de te grote financiële risico’s. Wellicht zijn er wel tussenvormen denkbaar zoals bijvoorbeeld garantstelling onder voorwaarden om bijvoorbeeld financiering voor gebouweigenaren mogelijk te maken. Ook kan de gemeente subsidies verstrekken en waar mogelijk gebouweigenaren faciliteren (afhankelijk van de formatie). Welke rol de gemeente precies wil nemen zal verder moeten worden uitgewerkt per onderdeel van de energietransitie. We geven in dit hoofdstuk alvast een aantal denkrichtingen aan over de rol van de gemeente en werken deze de komende jaren verder uit en leggen dit voor aan het College en de Raad. Haalbaar en betaalbaar houden energietransitie Voor het haalbaar en betaalbaar houden van de energietransitie zijn we voor een groot deel afhankelijk van de beschikbare technieken en de bijbehorende marktwerking. Omdat heel Nederland voor dezelfde opgave staat is er sprake van opstuwing van prijzen en krapte op de arbeidsmarkt voor geschoolde technici (handjes voor de uitvoering).

Dit zorgt er voor dat er wachtlijsten ontstaan voor de uitvoering en de prijzen voor maatregelen opgedreven kunnen gaan worden. Tegelijkertijd stijgt de vraag naar (groene) stroom en worden door belastingmaatregelen de prijzen voor aardgas verhoogd. Dit zijn ontwikkelingen waar een gemeente weinig invloed op heeft. Wel kan de gemeente via aanbestedingen, de omgevingswet en PPS constructies (samenwerking met marktpartijen) zoveel mogelijk invloed uitoefenen op de haalbaarheid en betaalbaarheid van de energietransitie. Garanderen van de leveringszekerheid In de nabije toekomst zal rekening gehouden moeten worden met een sterke stijging van de vraag naar elektriciteit (alleen al door elektrisch rijden, maar ook door nieuwe technologie). Het garanderen van de leveringszekerheid is echter exclusief voorbehouden aan 9

netbeheerder Stedin. Binnen de huidige wetgeving kan Stedin echter alleen investeren als er een concrete aanvraag ligt. Door nauw samen te werken met Stedin en plannen voor uitbreiding en verandering tijdig te delen met onze netbeheerder kan de gemeente de leveringszekerheid positief beïnvloeden. Ook bij de energielevering en productie kan de gemeente haar invloed aanwenden. Door alternatieven mogelijk te maken en de komst van duurzame energie in de vorm van bijvoorbeeld zonne-energie te faciliteren kan de gemeente blijvend in haar eigen energiebehoefte voorzien. Organisatie van de participatie Voor de gemeente is het belangrijk dat alle doelgroepen voldoende invloed kunnen uitoefenen op het beleid. We hanteren daarom de participatieladder, waarbij we altijd streven naar het hoogst haalbare. Participatie kan echter een tegengesteld effect veroorzaken, vooral als blijkt dat er geen invloed kan worden uitgeoefend op het eindresultaat. De warmtevisie geeft vooral een technische analyse van data en een afweging van mogelijke alternatieven voor aardgas en laat in dat opzicht weinig ruimte voor uitgebreide participatie. Het is dan ook vooral een technische analyse. Voor communicatie is die ruimte er wel, alle doelgroepen hebben immers recht om te weten welke alternatieven er voor aardgas uit de analyse zijn gekomen.

Bij het opstellen van de wijkuitvoeringsplannen is er veel meer ruimte om de participatie vorm te geven, tot aan co-creatie toe. Dit vraagt om een zeer zorgvuldige uitwerking en vooral veel afstemming met de doelgroepen en stakeholders. Inpassen en aanpassen wet- en regelgeving Om de energietransitie mogelijk te maken is er veel verandering van landelijke wetgeving nodig. Ook in Regionaal verband worden allerlei afspraken gemaakt over de energietransitie die gevolgen hebben voor het lokale beleid. De gemeente heeft hier doorgaans beperkte invloed op en zal het landelijke en Regionale beleid door moeten vertalen. De rol blijft dan beperkt tot uitleggen welke consequenties dat heeft voor de gebouweigenaren. Soms pakt dat gunstig uit, zoals de afschaffing van de kosten voor het afsluiten van de gasaansluiting. Waar gemeenten in de toekomst meer ruimte krijgen is de verplichte aansluiting op warmtenetten. De warmtewet zal hierop worden aangepast. Het is dan nog steeds aan de gemeente in hoeverre dit instrument werkelijk zal worden ingezet. Een belangrijke taak van de gemeente is er ook voor te zorgen dat de warmtevisie bijvoorbeeld voldoende wordt ingebed in de omgevingsvisie om ontwikkelingen op elkaar af te kunnen stemmen. Bewaker van de privacy Een rol die steeds belangrijker wordt is de gemeente als bewaker van de privacy.

De AVG is een complexe wet die bij de uitvoering zorgvuldig moet worden toegepast. Niet zomaar alle gegevens kunnen worden gedeeld met derden en zeker niet met commerciële partijen. Bij het onderzoek naar de best beschikbare technieken is gebruik gemaakt van zowel landelijke databases als de beschikbare gemeentelijke informatie. Dit levert een schat aan informatie op die door marktpartijen kan worden gebruikt op gebouwniveau met een passend voorstel te komen. Dit samenspel met de markt moet uiterst zorgvuldig worden ingekleed om te voorkomen dat er misbruik gemaakt kan worden van persoonlijke data. Tegelijkertijd is een gebouweigenaar gebaat bij een zo goed mogelijke oplossing voor zijn of haar pand. De gemeente speelt hierin een hele belangrijke rol om hierin het evenwicht te zoeken. Financiële mogelijkheden creëren Bij financiële mogelijkheden denken doelgroepen in eerste instantie vooral aan subsidies. De mogelijkheden voor het verstrekken van subsidie vanuit de gemeente zijn echter zeer beperkt. De gemeente kan stimuleringssubsidie verstrekken, maar het financieren van energiemaatregelen is geen optie, simpelweg omdat hiervoor de middelen ontbreken. Een 10

andere vorm van ondersteuning kan bijvoorbeeld door garantstellingen waarbij de risico’s goed in beeld zijn gebracht en ook aanvaardbaar zijn. Er zijn voldoende instanties die graag willen investeren in de energietransitie als de gemeente mede garant wil staan. Een kansrijke ontwikkeling in dat opzicht is de gebouw gebonden financiering. Diverse gemeenten in de Regio Utrecht experimenteren al met deze vorm van financiering waarbij niet de eigenaar maar het gebouw centraal staat. Dat maakt financiering van energiemaatregelen een stuk eenvoudiger. Regie op de nieuwe energie infrastructuur Voor levering van energie zijn we afhankelijk van Netbeheerder Stedin, maar de gemeente kan ook invloed uitoefenen op de energie infrastructuur. Sterker nog, het beleid dat de gemeente maakt bepaalt voor een groot deel de investeringen in de energie infrastructuur. Voor de woningbehoefte is de energievraag nog redelijk goed te voorspellen, voor andere gebouwen ligt dat ingewikkelder. Bedrijven en maatschappelijk vastgoed gebruiken aardgas naast verwarming maar ook voor andere doeleinden, bijvoorbeeld om bedrijfsprocessen te laten draaien. In dat geval moeten niet alleen aanpassingen aan het pand gebeuren, maar moeten bedrijfsprocessen ook anders ingericht worden. Dat vraagt extra tijd en inspanning.

Ook beschikken deze gebouwen vaak over de grotere daken die geschikt zijn voor de opwek van zonne-energie. Vraag en aanbod van energie, mogelijke toekomstige opslag of omzetting naar bijvoorbeeld waterstof vraagt om regie op de infrastructuur, waarin de gemeente een belangrijke rol kan spelen en wellicht moet spelen.

11

5. Communicatie en participatie Participatie is een tijdrovend en delicaat proces waarbij veel afstemming moet plaatsvinden met de betrokken doelgroepen. Het begint echter met het formuleren van de goede uitgangspunten voor participatie. Om participatie te organiseren is het nodig om te inventariseren welke belangen en participatieambities de verschillende betrokken doelgroepen, organisaties en partijen hebben. Maar ook hoe je daar als organisatie op kunt aanhaken. Om de participatieambitie in kaart te krijgen gebruiken we de participatieladder. Zie onderstaande figuur.

Hoewel de focus ligt op een wijkgerichte aanpak moet ook per wijk rekening worden gehouden met specifieke doelgroepen. Een schoolgebouw vraagt een hele andere benadering dan een particuliere woning, een huurwoning of een kantoorpand. Maar ook de behoeften verschillen per situatie. Per eigenaar of gebruiker kunnen opvattingen, meningen en ambities over aardgasvrij anders zijn en is de informatiebehoefte en de investeringsbereidheid of financiële draagkracht verschillend. Het blijkt dat hoger opgeleiden, jongvolwassenen en vrouwen positiever zijn over aardgasvrijbeleid en dat er grote verschillen zijn tussen mensen die makkelijk en moeilijk financieel rondkomen. Onder woningeigenaren zijn er voorlopers, twijfelaars en achterblijvers. Hoger opgeleiden en mensen die makkelijk rondkomen behoren eerder tot ‘voorlopers’, ouderen en alleenstaanden blijven vaker achter. Om iedereen de kans te geven invloed uit te laten oefenen is een uitgebreid participatiedocument opgesteld en is hier ook uitgebreid met de communicatieprofessionals over gesproken. De Transitievisie Warmte (TVW) wordt uiteindelijk in de omgevingsvisie opgenomen. De gemeenten moet in ieder geval aangeven:   

wie ze hebben betrokken; wat de uitkomsten daarvan zijn; en hoe ze invulling heeft gegeven aan het participatiebeleid en de participatieambitie.

12

Voorwaarde bij het opstellen van een participatieplan voor de warmtevisie en de wijkuitvoeringsplannen is het van belang dat de gemeente zich (bestuurlijk) van tevoren beraad en daarover een onderbouwd besluit neemt op de volgende punten: 1. Voor iedere wijk wordt bepaald wat het doel is van de participatie en welke participatieambitie de gemeente heeft voor de wijk en wat het gewenste resultaat zou moeten zijn. Dit kan per wijk verschillen. 2. Er moet vooraf een keuze gemaakt worden welke stakeholders aan het begin op welke manier betrokken worden en wanneer bewoners en andere belanghebbenden betrokken zullen worden. 3. Het moet helder worden wat de uitgangspunten zijn, welke informatie beschikbaar is en welke keuzes gemaakt moeten worden. Als er te veel onduidelijk is voor bewoners en er nog te veel moet worden uitgezocht kan dat enerzijds irritatie opwekken en anderzijds een indirecte uitnodiging zijn voor participatie. Als we als gemeente graag hoog op de participatieladder willen gaan zitten kan dit ook een goed startpunt zijn voor samenwerking en de participatie: er moeten nog zaken worden uitgezocht en men kan dit gezamenlijk in een proces oppakken. Dit past goed bij het niveau van een wijkuitvoeringsplan. Dan kunnen alle betrokken partijen meepraten en meebeslissen over de te nemen maatregelen in hun eigen wijk, buurt en/of gebouw.

Om een ambitieus participatietraject vorm te geven is het nodig dit samen mét de betreffende doelgroepen te doen, het is dus niet iets wat vóór de doelgroep bedacht kan worden. Om effectief samen te werken moet dit op basis van vertrouwen en op een gelijkwaardige manier waarbij iedereen toegang heeft tot dezelfde kennis (rekening houdend met de AVG). Deze vorm van participatie vraagt om veel tijdsinvestering en goed omgevingsmanagement. Dit is een zeer intensief traject waarbij ruim de tijd moet worden uitgetrokken om alle betrokkenen te informeren en mee te nemen in het besluitvormingstraject. Omdat we met de warmtevisie niet heel hoog op de participatieladder kunnen gaan zitten is het handiger dat er van tevoren duidelijke kaders en richtlijnen zijn en dat er al een globaal aanbod is uitgezocht. Op dat niveau is deze informatie nu in beeld en gaan we dat op een verantwoorde manier communiceren met de doelgroepen, we hebben daarbij te maken met privacygevoelige gegevens. In hoofdstuk 6 is aangegeven in welke wijken we adviseren om te starten en welke collectieve en individuele maatregelen we daarbij hebben bekeken. De ruimte voor participatie van bewoners ligt dan vooral in het fine tunen van het aanbod en inventariseren van koppelkansen voor de uitvoering, voordat men akkoord gaat met het aanbod.

Voorwaarde is dat de belangrijkste instanties (netbeheerder, waterschap, woningbouwcorporaties, etc.) voorafgaand aan het participatietraject al zijn betrokken bij de keuze van de wijken en het globale aanbod.

13

6. Planning en prioritering Zoals eerder aangegeven zijn de collectieve opties voor de gemeente Stichtse Vecht beperkt door de aard van de bebouwing en de ruimte in de ondergrond. Ook zijn de alternatieve warmtebronnen niet overal beschikbaar. Wel beschikt de gemeente over veel oppervlaktewater, maar dat is niet in eigendom of beheer van de gemeente. Als we gebruik willen maken van warmte uit oppervlaktewater zullen we dit in overleg moeten doen met partijen als Rijkswaterstaat en de Waterschappen. De startwijken voor aardgasvrij Op basis van landelijke en lokale data komen we tot de conclusie dat we met het aardgasvrij maken van Stichtse Vecht het beste kunnen starten in de kern van Maarssen Dorp. Het betreft twee clusters van wijken die rondom het centrum van Maarssen Dorp liggen (zie de kaarten in bijlage 1). Deze wijken lijken geschikt voor een warmtenet (gedetailleerd onderzoek is nog nodig). Beide clusters van wijken maken dan in de toekomst voor een groot deel gebruik van warmte uit het Amsterdam Rijn Kanaal en/of de Vecht. Een klein deel van de warmte komt uit afvalwater van de oude waterzuivering bij Zogwetering en kleinere warmtebronnen. Uit onderzoek moet verder blijken of meerdere kleine warmtebronnen uit de directe omgeving kunnen worden aangesloten (riothermie, warmte uit drinkwaterbassins etc.). Deze wijken kunnen dus in principe voor 2030 van het aardgas af.

Maarssenbroek leent zich ook voor een warmtenet, maar daar lopen we tegen wat grotere technische uitdagingen aan (zie kaart bijlage 2). Maarssenbroek lijkt overigens wel zeer geschikt voor een tussenstap in de vorm van Hybridewarmtepompen (tot 30 tot 50% besparing op gas) als opmaat naar aardgasvrij en om kosten op aardgas te besparen. Daarmee kan Maarssenbroek aardgas ready worden gemaakt en maken we de overstap naar aardgasvrij op termijn haalbaar en betaalbaar. Uit het onderzoek blijkt ook dat Breukelen wel beschikt over voldoende woningen voor een warmtenet, maar door het type bebouwing minder geschikt is. Het aandeel sociale huurwoningen is hier relatief hoog, maar ook daar moeten dan grote slagen worden gemaakt in de verduurzaming van de panden. De overige wijken zullen zijn aangewezen op individuele maatregelen zoals warmtepompen en andere gebouw gebonden oplossingen. Ze komen in de planning pas na 2030 aan de beurt, maar gebouweigenaren staan uiteraard vrij zelf eerder van het gas af te gaan. Wellicht zijn er bij clusters van gebouwen kleinere collectieve maatregelen mogelijk (langs het Amsterdam Rijn Kanaal met name). Woonboten kunnen prima gebruik maken van warmtepompen gebaseerd op warmte uit oppervlaktewater. Daar zijn de laatste jaren veelbelovende nieuwe systemen voor ontwikkeld die haalbaar en betaalbaar zijn.

Ook aan het water gelegen woningen kunnen in gebruik maken van individuele aquathermie oplossingen. Dit is uiteraard afhankelijk van de medewerking van de eigenaren en/of beheerders van het oppervlaktewater. We sluiten bijvoorbeeld ook niet uit dat waterstof in de toekomst een serieus alternatief zal zijn (groen gas op basis van biomassa is er helaas te weinig en kan beter regionaal worden ingezet). In Dorp Zuilen zal een kleine theoretische studie worden gedaan, maar we kijken daar ook naar alternatieve vormen van verwarming. In Sportpark Zuilense Vecht kijken we ook naar innovatieve oplossingen in nauwe samenwerking met de gemeente Utrecht en de koppeling van Op Buuren met de warmteoplossing voor Sportpark Zuilen.

14

Met het project aardgasvrije bedrijventerreinen hebben we reeds onderzocht hoe we clusters van bedrijven van het aardgas af kunnen halen (als opmaat naar toekomstbestendige bedrijventerreinen). Collectieve maatregelen op bedrijventerreinen kunnen echter alleen tot stand komen met behulp van de bedrijven zelf. Een deel van de bedrijven is reeds verplicht energiebesparende maatregelen uit te voeren en dit kan ook aanleiding zijn om meteen toekomstbestendig te worden en van het aardgas af te (willen) gaan. Collectieve maatregelen zijn alleen mogelijk als de organisatiegraad van de bedrijventerreinen voldoende geborgd is. Op de meeste bedrijventerreinen is dit nog onvoldoende van de grond gekomen. Een andere mogelijkheid is mee te liften bij de revitalisering van een bedrijventerrein. Dit soort natuurlijke momenten is een uitstekende aanleiding om ook de optie aardgasvrij of zelfs energieneutraal of nog beter energieleverend te realiseren. Een grove planning om Stichtse Vecht aardgasvrij te maken ziet er dan als volgt uit:

Tot 2030 Cluster 1: De Reizende Man, De Hoge Brug, Friezenbuurt. Cluster 2: Zogwetering, de Staatsliedenbuurt, de Zeeheldenbuurt, Zandweg-Oostwaard. Cluster 3: Koppeling van de wijk Op Buuren met energiemaatregelen van Sportpark Zuilen Daarnaast vinden er diverse onderzoeken plaats om te kijken welke collectieve oplossingen mogelijk zijn in specifieke situaties. Ook acties voor energiebesparing lopen door om het aardgasverbruik verder te verlagen. Een aantal voorbeelden hiervan zijn:   

 

Onderzoek waterstoftoepassing in Oud Zuilen in combinatie met lokaal zon op dak en een lokaal zonneveld (ingepast of op afstand). Stimuleren van de plaatsing van hybride warmtepompen met name in wijken die aardgasvrij ready gemaakt kunnen worden. Uitvoeren van inkoopacties voor energiemaatregelen (bijvoorbeeld Winst Uit je Woning) en uitvoering van kleinere besparingsprojecten (Regeling Reductie Energie Woningen). Ondersteunen van marktpartijen en particulieren initiatieven die zijn gericht op energiebesparing en lokale energie opwek. Onderzoek naar energieoplossingen met warmte uit oppervlaktewater (aquathermie) voor op, in en aan het water gelegen woningen en gebouwen.

Na 2030 Alle andere woonkernen waaronder delen van Breukelen en Maarssenbroek, Maarssen Dorp Centrum, Nieuwersluis, Nieuwer ter Aa, Kockengen. Loenen aan de Vecht, Loenersloot, Nieuwersluis, Nieuwer Ter Aa, Nigtevecht, Oud-Zuilen, Vreeland, Tienhoven, Oud Maarsseveen, Maarsseveen, Molenpolder, Bethunepolder en alle bedrijventerreinen.

15

Bijlagen Bijlage 1 Overzicht clusters Maarssendorp

Zogwetering

Omgeving Goudestein

Zeeheldenbuurt

Lanenkwartier

Staatsliedenbuurt Schilderskwartier Centrum ten noorden van de Vecht

Centrum ten zuiden van de Vecht Reizende Man Zandweg-Oostwaard

Hoge Brug

Componisten Buurt

Friezen buurt

16

Bijlage 2 Overzicht clusters Maarssenbroek

Zwanenkamp Zebraspoor Spechten kamp Valkenkamp

Kamelenspoor

Pauwenkamp Bisonspoor

Reigerskamp

Antilopespoor Duivenkamp

Fazantenkamp

Bloemstede

Boomstede

17

Bijlage 3 Potentie aquathermie

18

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raadsinformatie.stichtsevecht.nl/api/v1/meetings/1653/documents/35499