Vergadervragen SSV + antw inzake Zienswijze ontwerp GR BghU.pdf
Tekst van het document
Beantwoording vergadervragen raadslid Habes, fractie Samen Stichtse Vecht: Verzoek zienswijze ontwerp Gemeenschappelijke Regeling BghU Vraag: In de zienswijze staat het volgende over “Evenwichtig bestuur” In artikel 8 neemt u de deelnemersbijdrage als basis voor het aantal stemmen dat deze deelnemer verkrijgt in het algemeen bestuur. In artikel 13 lid 2 stelt u voor om in ieder geval de twee deelnemers met de grootste deelnemersbijdrage aan te wijzen als lid van het dagelijks bestuur. Wij vragen ons af of hiermee een evenwichtig bestuursmodel wordt gecreëerd voor de overige deelnemers. Gelet op de voorgestane bestuurlijke continuïteit is de gemeente Stichtse Vecht geen voorstander van een roulerende deelname van een deelnemer aan het dagelijks bestuur. Onze fractie vraagt zich af wat ons college dan zou willen als u de verdeling nu nadelig vindt voor kleinere deelnemende gemeenten en geen voorstander bent van roulatie. Wilt u dan een eerlijkere verdeling in het DB van een grote en kleine gemeente? Als dat zo is, waarom staat dat voorstel dan niet concreet verwoord in de zienswijze zelf? Voor onze fractie is de consequentie van artikel 13 samenstelling lid 1 niet te overzien wat dat betekent voor bepaalde deelnemers.
Het DB mag maximaal uit 4 leden bestaan, maar daarbij is dan wel de voorwaarde dat de samenstelling niet meer dan de helft van de stemmen vertegenwoordigd van het AB? Vraag wat is de minimaal mogelijke samenstelling: 1, 2 of 3 leden? Stel we willen een DB van gemeente Utrecht en Hoogheemraadschap (daar komen we klaarblijkelijk niet onder uit) aangevuld met Stichtse Vecht en Houten. Is dat onder artikel 13 lid 1 dan mogelijk? Antwoord: In ons voorstel is een afweging gemaakt tussen de diverse onderdelen van de ontwerpregeling. Gezien vanuit de omvang van de deelnemersbijdrage van de gemeente Utrecht en de HDSR kan een deelname aan het dagelijks bestuur voor deze deelnemers als logisch worden aangemerkt. Echter door deze beide deelnemers als lid van het dagelijks bestuur aan te merken wordt de mogelijkheid voor andere (kleinere) deelnemers beperkt. In de zienswijze is dit onderdeel ook benoemd. In het voorstel is onder argument 1.c.1 een tabel opgenomen met de huidige stemverhouding en de voorgestelde stemverhouding in de ontwerpregeling. De deelnemersbijdrage van de gemeente Utrecht is ongeveer 47% van de totale deelnemersbijdragen. En de HDSR-bijdrage is ongeveer 17% van de totale deelnemersbijdragen. De voorgestelde stemverhouding maakt mogelijk dat Utrecht, HDSR en minimaal één derde deelnemer het dagelijks bestuur kunnen vormen.
Hiermee is de minimale omvang van het dagelijks bestuur drie leden. Gelet op de voorgestane bestuurlijke continuïteit zijn wij geen voorstander van een roulerende deelname van een deelnemer (van of Zeist of Stichtse Vecht of Nieuwegein elk met 4 stemmen) aan het dagelijks bestuur. De Wet gemeenschappelijke regelingen (Wgr) bepaalt dat het dagelijks bestuur geen meerderheid mag uitmaken van het algemeen bestuur. Op basis van het aantal stemmen van maximaal 20 is de optie van gemeente Utrecht (10 stemmen), HDSR (6 stemmen), Stichtse Vecht (4 stemmen) en Houten (3 stemmen) niet mogelijk. Het totaal aantal stemmen in het dagelijks bestuur zou dan 23 stemmen zijn, dit is op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen niet toegestaan. Vraag:
Even voor mijn helderheid, stel we kunnen ons vinden in het overgaan van een bedrijfsvoering organisatie naar een openbaar lichaam, maar niet in het ontwerpregeling, hoe gaan we daarmee om. Antwoord: Alle vertegenwoordigende organen (gemeenteraden en het algemeen bestuur van het waterschap) zijn in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te brengen over de ontwerpregeling. De zienswijze kan ook betrekking hebben op onderdelen van de ontwerpregeling. Vraag: Is de zienswijze – mits op punten nog meer aangescherpt- voor de raad voldoende waarborg? Of zullen we als raad de conceptregeling op onderdelen moeten amenderen? Of komt dat pas als we de definitieve versie ter besluitvorming krijgen voorgelegd. Ik wil nl voorkomen dat we als raad geen enkele sturing zouden hebben op de regeling. Of moeten we dan nu de conceptzienswijze via amendement aanpassen? Antwoord: Alle vertegenwoordigende organen (gemeenteraden en het algemeen bestuur van het waterschap) zijn in de gelegenheid gesteld om een zienswijze in te brengen over de ontwerpregeling. De vervolgstappen zijn in het voorstel beschreven onder het kopje ‘Vervolg’. De gemeenteraad kan een zienswijze geven maar niet de ontwerpregeling amenderen. Vervolg Het BghU-bestuur weegt de binnengekomen zienswijzen en bepaalt op basis hiervan of de gemeenschappelijke regeling aangepast dient te worden.
Vervolgens wordt de (eventueel aangepaste) regeling voor toestemming en instemming aan de colleges en het dagelijks bestuur van het waterschap gezonden. De colleges en het dagelijks bestuur van het waterschap starten vervolgens de procedure voor toestemming en instemming en leggen de definitieve ontwerpregeling voor aan de gemeenteraden en het algemeen bestuur van het waterschap. De gemeenteraad en het algemeen bestuur beoordelen in de procedure voor toestemming en instemming of aan hun wensen voldoende tegemoet is gekomen en of goed is beargumenteerd waarom een verzoek niet is verwerkt. Na verkregen toestemming van alle gemeenteraden en het algemeen bestuur van het waterschap kan de regeling definitief gewijzigd worden door de instemming van de colleges. Vraag: Dan een vraag over de verdeling van stemmen artikel 8 lid 4. Wat is de reden dat een deelnemer met een bijdrage boven de 5 mio opeens zoveel meer stemmen krijgt (plus 4 stemmen t.o.v. de andere categorie). Vraag: ten opzichte van de oude regeling is dit dan meer te gunste van de kleinere deelnemers of juist niet? Is er een schema van deelnemers, wie hoeveel stemmen krijgt op basis van de bijdrage? Die zouden we graag ontvangen om een beeld te krijgen welke deelnemers hoeveel stemmen krijgen.
Weten we zeker dat het aantal stemmen nl niet kan staken? Het nieuwe schema wijkt nl nogal af van het oude artikel 12 besluitvorming. Mede gelet op de 1e vraag zou voor ons een schematische overzicht deelnemer en stemverhouding oude situatie versus nieuwe situatie zeer welkom zijn. Is dat matrixje oud nieuw op te vragen bij de BghU? Antwoord:
De gemeente Utrecht kent een deelnemersbijdrage die hoger is dan € 5 miljoen. In de BghUbegroting 2026 is de totale deelnemersbijdrage van de gemeente Utrecht € 8,950 miljoen dit is ongeveer 48% van de totale deelnemersbijdragen van € 18,688 miljoen. De bijdrage 2026 van de HDSR is € 3,088 miljoen, dit is ongeveer 17% van de totale deelnemersbijdragen van € 18,688 miljoen. Op basis van de deelnemersbijdrage kan aan de gemeente Utrecht, net als in de huidige regeling, in de verdeling van de stemverhouding ook relatief gezien meer stemmen worden toegekend. Onder argument 1.c.1 is een tabel opgenomen van de deelnemersbijdrage en de stemverhouding in de huidige en het voorstel voor de nieuwe regeling. Hieruit blijkt dat relatief gezien het aantal stemmen van de overige deelnemers (behalve de gemeente Utrecht en de HDSR) meer stemmen verkrijgen in de ontwerpregeling dan in de huidige regeling. Vraag: Dan nog een opmerking bij artikel 43 uittreedsom. In dit artikel wordt nog gesproken over samenwerkingsverband. Dat lijkt ons een omissie. Is dat juist? En hoe passen we dat dan aan. Moet dat dan worden opgenomen in de zienswijze? Kan dat ambtshalve? Of moeten we dit dan amenderen? Antwoord: In artikel 1 Begripsbepalingen is het begrip samenwerkingsverband als volgt gedefinieerd: het openbaar lichaam Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht.
Indien in de concept regeling, zoals in artikel 43 uittreedsom, wordt gesproken over samenwerkingsverband dan is dit conform de begripsbepalingen van artikel 1 en daarmee juist als begrip.
5 februari 2026 Verzonden: donderdag 5 februari 2026 15:40 Onderwerp: vergadervragen nav GR BghU Beste Gijsbert, In de zienswijze staat het volgende over “Evenwichtig bestuur” In artikel 8 neemt u de deelnemersbijdrage als basis voor het aantal stemmen dat deze deelnemer verkrijgt in het algemeen bestuur. In artikel 13 lid 2 stelt u voor om in ieder geval de twee deelnemers met de grootste deelnemersbijdrage aan te wijzen als lid van het dagelijks bestuur. Wij vragen ons af of hiermee een evenwichtig bestuursmodel wordt gecreëerd voor de overige deelnemers. Gelet op de voorgestane bestuurlijke continuïteit is de gemeente Stichtse Vecht geen voorstander van een roulerende deelname van een deelnemer aan het dagelijks bestuur. Onze fractie vraagt zich af wat ons college dan zou willen als u de verdeling nu nadelig vindt voor kleinere deelnemende gemeenten en geen voorstander bent van roulatie. Wilt u dan een eerlijkere verdeling in het DB van een grote en kleine gemeente? Als dat zo is, waarom staat dat voorstel dan niet concreet verwoord in de zienswijze zelf? Voor onze fractie is de consequentie van artikel 13 samenstelling lid 1 niet te overzien wat dat betekent voor bepaalde deelnemers.
Het DB mag maximaal uit 4 leden bestaan, maar daarbij is dan wel de voorwaarde dat de samenstelling niet meer dan de helft van de stemmen vertegenwoordigd van het AB? Vraag wat is de minimaal mogelijke samenstelling: 1, 2 of 3 leden? Stel we willen een DB van gemeente Utrecht en Hoogheemraadschap (daar komen we klaarblijkelijk niet onder uit) aangevuld met Stichtse Vecht en Houten. Is dat onder artikel 13 lid 1 dan mogelijk? Even voor mijn helderheid, stel we kunnen ons vinden in het overgaan van een bedrijfsvoering organisatie naar een openbaar lichaam, maar niet in het ontwerpregeling, hoe gaan we daarmee om. Is de zienswijze – mits op punten nog meer aangescherpt- voor de raad voldoende waarborg? Of zullen we als raad de conceptregeling op onderdelen moeten amenderen? Of komt dat pas als we de definitieve versie ter besluitvorming krijgen voorgelegd. Ik wil nl voorkomen dat we als raad geen enkele sturing zouden hebben op de regeling. Of moeten we dan nu de conceptzienswijze via amendement aanpassen? Dan een vraag over de verdeling van stemmen artikel 8 lid 4. Wat is de reden dat een deelnemer met een bijdrage boven de 5 mio opeens zoveel meer stemmen krijgt (plus 4 stemmen t.o.v. de andere categorie).
Vraag: ten opzichte van de oude regeling is dit dan meer te gunste van de kleinere deelnemers of juist niet? Is er een schema van deelnemers, wie hoeveel stemmen krijgt op basis van de bijdrage? Die zouden we graag ontvangen om een beeld te krijgen welke deelnemers hoeveel stemmen krijgen. Weten we zeker dat het aantal stemmen nl niet kan staken? Het nieuwe schema wijkt nl nogal af van het oude artikel 12 besluitvorming. Mede gelet op de 1e vraag zou voor ons een schematische overzicht deelnemer en stemverhouding oude situatie versus nieuwe situatie zeer welkom zijn. Is dat matrixje oud nieuw op te vragen bij de BghU? Dan nog een opmerking bij artikel 43 uittreedsom . In dit artikel wordt nog gesproken over samenwerkingsverband. Dat lijkt ons een omissie. Is dat juist? En hoe passen we dat dan aan. Moet dat dan worden opgenomen in de zienswijze? Kan dat ambtshalve? Of moeten we dit dan amenderen?
Dank alvast Gijsbert. Ik zie de beantwoording graag bij de stukken in het RIS geplaatst. Groetjes, RiËtte