Vergadervragen incl beantwoording SSV inzake Wmo en Jeugdhulp SV 2025.pdf
Tekst van het document
Vragen Verordening Wmo en Jeugdhulp van Samen Stichtse Vecht Vraag 1: De Centrale Raad van Beroep heeft 3 uitspraken gedaan op grond van artikel 2.3 en 2.9 van de Jeugdwet (respectievelijk CRVB:2024:1095, 1096 en 1097) waarin gemeenten worden opgedragen om in hun verordeningen te regelen wat wordt verstaan onder “eigen mogelijkheden” en onder “probleemoplossend vermogen”. Mijn fractie ziet hierover geen definitie in het begrippenkader nog in de verordening zelf opgenomen. Wat verstaat de gemeente onder eigen mogelijkheden en op welke wijze wordt het probleem oplossend vermogen getoetst. Het artikel a.3 Gebruikelijke hulp en eigen kracht gaat hier nl niet in voldoende mate op in. Het begrip onvoldoende mogelijkheden is ook niet in het begrippenkader opgenomen. Onder artikel 1.3 wordt verwezen naar artikelen 3 t/m 7 als zijnde het beoordelingskader met de daarbij behorende bijlagen. Het CrB is helder in zijn uitspraak dat de inwoner meer rechtszekerheid geboden moet worden en dat er duidelijkheid moet komen over: concrete.op.de.individuele.situatie.betrekking.hebbende.duidelijkheid?.biedt.over.de.door.het. college.te.verlenen.voorzieningen?.over.de.voorwaarden.voor.toekenning.en.de.wijze.van. beoordeling.daarvan?.en.over.de.afwegingsfactoren.bij.een.individuele.voorziening¡ Beantwoording¿ De voorwaarden van toekenning en de wijze van beoordeling staan in artikel 2.3.3.
van de verordening, De beoordeling vindt plaats aan de hand van de stappen van de CRvB. Wat onder gebruikelijke hulp bij Wmo wordt verstaan is opgenomen in artikel 1.3.1 van de verordening en in Bijlage 2, richtlijn gebruikelijke hulp. Voor de jeugdhulp geldt dat er gekeken wordt naar de eigen kracht van ouders. Hoe dit beoordeeld wordt staat in artikel 1.3.2 van de verordening vermeld. Het probleemoplossend vermogen wordt aan de hand van bovenstaande criteria vastgesteld en kan per inwoner verschillend zijn. Zo heeft de ene inwoner een uitgebreider sociaal netwerk dan de andere inwoner, of heeft zelf meer draagkracht om problemen op te lossen. In deze zin is “voldoende mogelijkheden” dan ook niet nader te specificeren. Dit is altijd context en casus afhankelijk. De CRvB heeft een uitspraak gedaan voor jeugdhulp waarin wordt bepaald dat de beoordelingscriteria van eigen kracht krijgt in de verordening moeten worden opgenomen. Voor de Wmo is nog geen uitspraak gedaan hierover door de CRvB. Naar aanleiding van het technisch vragenuur d.d. 13 januari 2025 is dit nader uitgezocht. Het volgende is van toepassing. De bepalingen over wat in de verordening moet worden opgenomen is voor de Wmo en Jeugdwet bijna hetzelfde. Op basis hiervan kan verwacht worden dat er een uitspraak komt waarin wordt bepaald dat ook de eigen kracht voor de Wmo in de verordening uitgewerkt moet worden.
Maar dit kan niet met zekerheid gesteld worden. Het opnemen van kaders over eigen kracht binnen de Wmo, geeft kaders waarin vervolgens in de uitvoering in principe niet kan worden afgeweken. Dit kan juist ook beperkingen opleveren in de toegang tot voorzieningen, reden waarom het advies van de juristen is om vooralsnog geen bepalingen over de eigen kracht binnen de Wmo op te nemen. In de verordening staan, net als in de modelverordening, geen specifieke eisen per maatwerkvoorziening opgenomen, wel de algemene afwegingskaders (zie ook artikel 2.3.3. over de wijze waarop het onderzoek plaatsvindt). Aan de hand van deze kaders kan het recht op een maatwerkvoorziening voor de inwoner worden vastgesteld.
1
Vraag 2: Voorts staat in artikel 7 onder 1.3. staat: Bij de beoordeling van de eigen kracht worden mogelijkheden van het brede sociale domein ook in kaart gebracht. Hierbij kan gedacht worden aan schuldhulpverlening, hulp van de Wmo en Werk & Inkomen. Op zich geen probleem, we zien echter in de uitvoeringspraktijk dat TIM SV bij jeugdhulp stuurt op eigen bijdrage door bijvoorbeeld de ouders. Een eigen bijdrage staat al langer niet meer in de Jeugdwet en druist ook in tegen internationale verdragen van het kind. Toch is het in onze gemeente uitvoeringspraktijk. Antwoord¿ We kunnen deze vraag niet duiden. Als het om een financiële eigen bijdrage gaat dan is dit nadrukkelijk niet de bedoeling. Het is ons ook niet bekend dat TIM SV dit oplegt. Als het om eigen kracht van de inwoner gaat dan is dit wel een onderdeel van het onderzoek, ook vanuit de jeugdwet. Hierbij mag geen financiële toets uitgevoerd worden. Vraag 3: Verder is er een uitspraak gedaan over toeleiding naar zorg door het wijkteam. Volgens het CrB ligt het primaat van toewijzing bij het college en moet de toeleiding deskundig zijn en moet de kwaliteit van advisering en toewijzing in voldoende mate zijn geborgd. Zoals we de verordening nu lezen zien wij deze boring niet in voldoende mate aanwezig en zou deze niet voldoen aan deze uitspraak.
In het definitiekader staat er dit: TIM Stichtse Vecht bestaat uit wijkteams die de toegang vormen tot maatwerk voorzieningen Jeugdhulp en Wmo-begeleiding. TIM Stichtse Vecht bestaat uit Timon en Incluzio, in deze verordening wordt alleen gesproken over TIM Stichtse Vecht. Timon mag besluiten nemen namens de gemeente als het gaat om voorzieningen die zij aanbieden. Deze bevoegdheden zijn geregeld in het Mandaatbesluit; Dus wat als Timon de benodigde voorziening niet kan bieden? En zij toch keurmeester is over de hulpvraag en poortwachter van de toegang tot hulp. Waar kan de inwoner dan terecht om wel toegang te krijgen tot de passende verzoening en het deskundig voorliggend onderzoek. Naast de rechtszekerheid komt hier de vrije keuze mee in gedrang? Antwoord¿ Deze uitspraken van de CRvB zijn gedaan na de aanbesteding en de opdrachtverlening aan TIM SV. Niet Timon, maar Incluzio (het wijkteam) geeft advies over passende hulp. Hierop wordt besloten door Timon. Hierbij is inderdaad sprake van een niet geheel onafhankelijke situatie: Timon beslist maar biedt ook zelf hulp vanuit het specialistisch team. Deze werkwijze is destijds in de aanbesteding opgenomen en kan nu niet tussentijds worden gewijzigd omdat dit een wezenlijke wijziging betreft. Een aanpassing is dan ook niet mogelijk binnen de huidige opdracht.
Dit heeft wel onze aandacht voor de situatie vanaf 1 januari 2027 vanuit de regionale inkoop en de nieuwe op te richten organisatie voor de wijkteams en toegang. Als een maatwerkvoorziening passend is bij de hulpvraag en het specialistisch team deze niet kan bieden, kan de inwoner de hulp ontvangen van een onderaannemer die gecontracteerd zijn door Timon voor een dekkend zorglandschap. Als er meerdere onderaannemers zijn die dezelfde hulp aanbieden kan de inwoner in principe een keuze maken uit deze onderaannemers. Over de deskundigheid bij het uitbrengen van een advies, zie artikel 2.3.2 van de verordening. In de nadere regels jeugdhulp wordt dit verder uitgewerkt.
2
Vraag 4: In de verordening wordt gesproken over normaliseren. In dat kader hebben we de volgende vraag, uit cijfers blijkt dat een aanvraag door een inwoner gedaan minder kans van slagen heeft om tot een beschikking voor passende hulp te krijgen. Als echter een zorgverlener of beroepsbeoefenaar een aanvraag doet dit in bijna alle gevallen leidt tot een beschikking. Daarmee wordt in onze ogen een ongelijk speelveld gecreëerd en zullen inwoners dus altijd eerst naar een arts of andere hulpverlener moeten gaan, voordat zij passende hulp verkrijgen. Dit verhoudt zich in onze ogen niet tot de uitgangspunten eigen regie, zelfkracht, zelfredzaamheid e.d.. Antwoord: Artsen/jeugdartsen en specialisten hebben een wettelijk verwijsrecht. Dit kunnen wij als gemeente niet veranderen. Vanuit de beweging naar normaliseren en transformeren willen alleen een maatwerkvoorziening afgeven als dit passende hulp is voor de inwoner. Als een voorliggende voorziening passend is wordt geen maatwerkvoorziening ingezet. Hierover zijn in SV afspraken gemaakt met de wettelijke verwijzers, deze onderschrijven bovengenoemd uitgangspunt. Vraag 5: Onder soorten voorziening staat in de inleiding de volgende zinsnede: Deze voorziening wordt na het afgeven van een indicatie verstrekt.
Wie of welke partij kan de indicatie afgeven? Moet dat een onafhankelijke arts zijn? Kan het wijkteam dat doen? Moet de indicatieverstrekker een BIG geregistreerde zijn? Antwoord: Dit zijn de wettelijke verwijzers. Artikel 2.6, eerste lid onder a en e van de Jeugdwet geeft aan wie de indicaties mag afgeven, waarbij de professionele standaard geldt. Hierbij geldt de norm van de verantwoorde werktoedeling. Uit de wet volgt dat het toeleiden naar en het verlenen van hulp verleend moet worden volgens de uitgangspunten van verantwoorde hulp (artikel 4.1.1 van de Jeugdwet en artikel 5.1.1 Besluit Jeugdwet). De taken moeten volgens de hier genoemde bepalingen worden uitgevoerd door een geregistreerde professional. Vraag 6: In paragraaf 1.2.1.1. Begeleiding als algemene voorziening staat de volgende zinsnede: De gemeente biedt begeleiding aan als algemene voorziening via samenwerkingspartners, tenzij het gaat om begeleiding zwaar of specialistische begeleiding. Betekent dat de middelzware begeleiding is komen te vervallen? Antwoord¿ Begeleiding midden vraagt vaak een uitgebreider onderzoek, het zijn vaak complexere casussen. Hiervoor is een uitgebreider onderzoek nodig en kan dan ook niet automatisch als algemene voorziening worden gezien. Dit blijkt ook uit de huidige uitvoeringspraktijk. Vraag 7: Procedure Toegang.
Voor ons is onduidelijk wie nu: de gemeente of TIM SV de hulpvraag in behandeling neemt. Er staat immers Jeugd en Wmo team. Hoe verhoudt zich in deze de rol van het gemeentelijk loket dat met die van TIM SV? Bij 2.3.1. staat nl dat de aanvraag voor een maatwerkvoorziening via een standaard formulier van TIM SV verloopt. De vraag is dan wat gaat er via het gemeentelijk loket en wat via TIM SV? Blijft het toekennen van hulpmiddelen gescheiden van het loket hulp en ondersteuning? Hoe gaat de gemeente om met integraal werken als er meerdere loketten zijn? 3
Antwoord¿ Wmo voorzieningen kunnen worden aangevraagd via de gemeente, Voor het overige is het TIM SV. Hierbij geldt dat voor jeugdhulp, omdat er sprake kan zijn van een directe aanvraag, een apart aanvraagformulier van toepassing is. Als een vraag vanuit meerdere domeinen een oplossing nodig heeft vindt er afstemming plaats. Hier is bijvoorbeeld de werkwijze van de maatwerkaanpak van het Instituut van Publieke Waarden van toepassing. Dit vraagt blijvende aandacht. Vraag 8: Onder 2.2.4 Verslag staat dat de inwoner de mogelijkheid krijgt op het verslag te reageren. We hebben al vaker aangegeven dat in het verslag “het advies of het oordeel van de ambtenaar of adviseur is opgenomen” en dat “de wijzigingen op het verslag als bijlage worden toegevoegd en niet als aanpassing in het verslag zelf. Dit heeft tot gevolg dat inwoners schromen de melding door te zetten als aanvraag, ze ondertekenen nl voor hun gevoel zaken die niet aansluiten bij hun hulpvraag en dat betekent dat zij niet op basis van de melding een bezwaarschrift kunnen indienen. Is het mogelijk de zienswijze van de aanvrager echt over te nemen in het verslag? En kan een inwoner naar aanleiding van het verslag om een second opinion vragen, dus om een onafhankelijke partij die de hulpvraag onafhankelijk kan toetsen op behoefte en noodzaak? Nu ligt dat primaat van advisering bij de gemeente volgens de verordening.
Antwoord¿ De zienswijze van de inwoner is toegevoegd aan het verslag, dit is een gebruikelijke landelijke werkwijze. In het verslag is ook al input van de inwoner verwerkt. Waar de zienswijze afwijkt van de opinie van de inwoner, wordt dit in een besluit toegelicht. Er moet dan inderdaad wel sprake van een aanvraag. Het is aan de inwoner zelf om een second opinion aan te vragen en deze te bekostigen. Vraag 9: Is de medewerker van het loket WMO en jeugd voldoende gekwalificeerd? Wordt de melding en het onderzoek mede beoordeeld door een BIG-geregistreerde? Wij vinden de zinsnede “Het advies van een deskundige, indien van toepassing veel te vaag. Wie is die deskundige? Wanneer wel wanneer niet het inroepen van een deskundige? Onder 2.3.2. staat dat de gemeente zal zorgdragen voor deskundigheid bij de beoordeling, maar gaat niet in op de vraag hoe men toetst of een beoordelaar/medewerker ook daadwerkelijk deskundig is? Antwoord¿ Zie antwoorden bij vraag 3 en 5. De lijn van de verantwoorde werktoedeling is van toepassing.
4