Toelichting Herenweg 9 en 11 Maarssen.pdf
Tekst van het document
5.7
Natuurtoets Vanuit de huidige natuurwetgeving is de initiatiefnemer bij ruimtelijke ingrepen verplicht op de hoogte te zijn van de in het projectgebied mogelijk voorkomende beschermde natuurwaarden. Het plan dient aan de Wet Natuurbescherming getoetst te worden. De Wet Natuurbescherming regelt de bescherming van gebieden en van diersoorten en plantensoorten. Deze natuurwetgeving kan mogelijk beperkingen opleggen aan de voorgenomen sloop- en nieuwbouwactiviteiten. De Wet natuurbescherming heeft als doel de volgende gebieden te beschermen: Het Natuurnetwerk Nederland; 30
-
Bijzondere provinciale natuurgebied; Bijzondere provinciale landschappen; Nationale parken; Bijzondere nationale natuurgebieden; Natura 2000-gebieden.
Voorts gelden er ingevolge de Wet Natuurbescherming algemene verboden tot het verwijderen van beschermde plantensoorten van hun groeiplaats, het beschadigen, vernielen, wegnemen of verstoren van voortplantings- of vaste rustplaatsen of verblijfplaatsen van beschermde diersoorten of het opzettelijk verontrusten van een beschermde diersoort. Voor activiteiten die een bedreiging kunnen vormen voor deze beschermde soorten, moet ontheffing worden gevraagd. Vooral wanneer er soorten voorkomen uit de zogenaamde ‘strenge’ categorie (Bijlage 4 van de Habitatrichtlijn en de bedreigde soorten van de diverse Rode Lijsten), kan dit een belemmering vormen voor het plan. Dit is het geval wanneer een plan significant nadelige effecten kan hebben voor deze soorten. Voor wat betreft beschermde soorten het volgende. Voor de projectlocatie is een natuurtoets uitgevoerd door Ecoresult (Memo onderzoeksresultaten quickscan flora en fauna Herenweg, Maarssen, 26 september 2018, bijlage III). In deze natuurtoets wordt het volgende geconcludeerd:
Er zijn in het plangebied potenties aanwezig voor beschermde fauna. Door de werkzaamheden kunnen hierop negatieve effecten optreden. Het gaat daarbij om de huismus en de vleermuissoorten laatvlieger, gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis. Aanvullend onderzoek voor de sloop is naar deze soorten vereist. De sloopwerkzaamheden binnen het plangebied kunnen invloed hebben op mogelijk aanwezige verblijfplaatsen van huismus. Hierdoor kunnen de verbodsbepalingen Art 3.1 lid 2, 4 en 5 (zie Tabel 1) van de Wnb worden overtreden.
Aanvullend veldonderzoek is daardoor nodig om te bepalen of voortplantings- en vaste rust- en verblijfplaatsen van huismus in het plangebied aanwezig zijn. Ook moet worden onderzocht of het plangebied tot (essentieel) functioneel leefgebied behoort. Dit onderzoek dient te worden uitgevoerd in de periode 1 april - 15 mei door middel van 2 veldonderzoeken of in de periode 10 maart - 20 juni door middel van 4 veldonderzoeken. De tussenliggende tijd tussen beide veldonderzoeken is minimaal 10 dagen. De aanpak voor het aanvullend veldonderzoek is conform de eisen die het bevoegd gezag hieraan stelt. Indien voortplantings- en vaste rust- en verblijfplaatsen van huismussen aanwezig zijn én door de werkzaamheden een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming wordt overtreden dient een ontheffing of vergunning in bezit te zijn voordat met de werkzaamheden kan worden gestart.
Aanwezigheid van vleermuizen in gebouwen (gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger) is in het plangebied niet uit te sluiten. Sloopwerkzaamheden kunnen invloed hebben op mogelijk aanwezige verblijfplaatsen. Hierdoor kunnen de verbodsbepalingen Art 3.5 lid 2 en 4 (zie Tabel 1) van de Wnb 31
worden overtreden. Aanvullend onderzoek is nodig in de periode 15 mei tot en met 15 juli en 15 augustus tot 1 oktober middels 5 bezoeken, om te bepalen of zomer-, kraam- en paarverblijfplaatsen aanwezig zijn. De aanpak voor het aanvullend veldonderzoek is conform de eisen die het bevoegd gezag hieraan stelt. Indien vleermuizen aanwezig zijn dient een ontheffing of vergunning in bezit te zijn voordat met verstorende werkzaamheden kan worden gestart. Bij aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen wordt er van uitgegaan dat de bebouwing ook geschikt is als winterverblijfplaats tijdens milde winters.
Tevens dient er rekening gehouden te worden met het vogelbroedseizoen (globaal 15 maart - 15 augustus) van algemene vogels. Nesten van al deze vogels zijn strikt beschermd zodra ze bezet/in gebruik zijn. Ze mogen nooit worden verstoord. Start daarom met werkzaamheden buiten het broedseizoen of voorkom dat deze vogels zich niet kunnen vestigen door bijv. het verwijderen van de vegetatie in het plangebied.
Er is vervolgonderzoek vereist naar de eerde aangegeven diersoorten. En daarnaast geldt de algemene zorgplicht t.b.v. Nationaal beschermde soorten die vrijgesteld zijn van een ontheffing Wet natuurbescherming (vnl. gewone pad, bruine kikker, bosspitsmuis spec., huisspitsmuis en egel). E.e.a. houdt in dat alles in het werk moet worden gesteld om het doden en verwonden van dieren te voorkomen. Geef ze de ruimte om te vluchten/verplaatsen.
Omdat het plangebied potentieel geschikt voor jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaatsen en voortplantingsplaatsen van huismus, alsmede potentieel geschikt is voor vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen, is een vervolgonderzoek noodzakelijk. Vervolgonderzoek flora en fauna Inmiddels heeft Regelink Ecologie en Landschap het vervolgonderzoek uitgevoerd (Onderzoek huismus en vleermuizen Herenweg 9 – 11 in Maarssen, d.d. 2 september 2021, zie bijlage IV). In dit onderzoek wordt het volgende geconcludeerd:
Het plangebied heeft geen essentiële functie voor huismus. Het plangebied fungeert als foerageergebied voor gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger en overvliegende rosse vleermuis. Het betreft een nietessentieel foerageergebied. In het plangebied zijn geen vliegroutes waargenomen. In het kraamseizoen zijn geen zomer- en/of kraamverblijfplaatsen aangetroffen.
Uit het voorgaande blijkt dat met het uitvoeren van de werkzaamheden de Wet natuurbescherming niet worden overtreden. Voor het uitvoeren van de werkzaamheden is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig. In het onderzoek wordt voorts nog opgemerkt dat de werkzaamheden, en dan met name het rooien en kappen van bomen en groen, buiten het vogelbroedseizoen uitgevoerd dienen te worden. Gezien de te verwachten vogelsoorten in de tuin loopt het broedseizoen van 15 maart 32
tot 15 juli. Daarnaast worden er in de tuin algemene zoogdiersoorten als egel en muizensoorten verwacht. Daarbij is het belangrijk dat deze dieren niet moedwillig worden gedood of verwond (in het kader van de zorgplicht). Onderzoek stikstofdepositie Voor het beoogde plan heeft Langelaar Milieuadvies een stikstofbeoordeling uitgevoerd (Memo effectbeoordeling stikstofdepositie Herenweg 9 en 11 Maarssen, d.d. 23 november 2021, bijlage V). Langelaar Milieuadvies komt tot de volgende bevindingen:
Vanwege de partiële vrijstelling van de Natura 2000-vergunningplicht voor de gevolgen van stikstofdepositie door activiteiten van de bouwsector op grond van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) is de aanlegfase buiten het onderzoek gelaten. Uit de rekenresultaten met AERIUS Calculator versie 2020 blijkt dat ten gevolge van het onderhavige plan in de gebruiksfase de depositietoename maximaal 0,01 mol/ha/jr op 1 hexagoon met stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebied ‘Oostelijke Vechtplassen’. Echter, de kritische depositiewaarden worden niet overschreden en AERIUS Calculator geeft aan dat op deze hexagonen geen sprake is van (bijna) overbelaste habitats. Significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000gebieden door stikstof kunnen op voorhand worden uitgesloten. Er is geen passende beoordeling nodig op grond van de Wet Natuurbescherming ten gevolge van stikstoftoename.
Conclusie Vanuit het oogpunt van de Wet Natuurbescherming bestaan er geen belemmeringen voor dit initiatief. Wel is altijd de zorgplicht van toepassing.
5.8
Water
5.8.1 Algemeen Van belang is eveneens te onderzoeken in hoeverre het project gevolgen heeft voor de waterhuishouding ter plaatse. Het Besluit ruimtelijke ordening schrijft immers dwingend voor dat in de toelichting van een bestemmingsplan dan wel in de ruimtelijke onderbouwing van andere ruimtelijke plannen en besluiten een beschrijving is opgenomen van de wijze, waarop in het plan/besluit rekening is gehouden met de effecten van het plan op de waterhuishouding. In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de verschillende watergerelateerde aspecten van het project en wordt verslag gedaan van de resultaten van de watertoets. Onder de 'watertoets' wordt verstaan een procedure, waarbij een initiatiefnemer in een vroeg stadium over een beoogde ruimtelijke ontwikkeling overleg voert met de waterbeheerder. De 33
watertoets heeft als doel het voorkomen van ruimtelijke ontwikkelingen, die in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied valt binnen het beheersgebied van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV). Het beleid van AGV is verwoord in het Waterbeheerplan en diverse beleidsnota’s. In de keur van het waterschap zijn geboden en verboden opgenomen voor de bescherming van de functionaliteit van waterlopen en waterkeringen. Met de Keur wil het waterschap de waterkwaliteit verbeteren, de doorstroming in sloten veiligstellen en de dijken sterk houden. Bij de Keur horen Keurkaarten met informatie over wateren en waterkeringen. In de legger van het waterschap worden gegevens vastgelegd over de locatie van wateren, dijken en kunstwerken, aan welke eisen deze moeten voldoen (diepte, hoogte, sterkte etc.) en de onderhoudsverplichtingen. De legger dient als basis voor de vergunningverlening door de waterbeheerder.
5.8.2 Toetsing plan Toename verhard oppervlak De aanleg van verhard oppervlak leidt in beginsel tot een grotere belasting van het oppervlaktewatersysteem en/of het rioleringssysteem, omdat pieken in de regenafvoer minder worden afgevlakt door infiltratie in de bodem. Bij nieuwbouw in stedelijk gebied, de verdichting van bestaand stedelijk gebied, de aanleg van kassen of de aanleg van wegen is sprake van het verharden van gebieden waar voor die tijd water in de bodem kon worden geborgen. Daarom bepaalt artikel 3.13 van de Keur dat het verboden is om (zonder vergunning) meer dan 5.000 m2 verhard oppervlak aan te leggen buiten stedelijk gebied, of meer dan 1.000 m2 verhard oppervlak aan te leggen in bestaand of nieuw in te richten stedelijk of glastuinbouwgebied. Ingeval van het plan voor de Herenweg 9 en 11 is sprake van een lichte toename van verhard oppervlak, echter aanmerkelijk minder dan 1.000 m2. Een vergunning hoeft derhalve niet te worden aangevraagd. Ook is watercompensatie niet nodig. Waterkeringen en waterveiligheid De locatie ligt niet in de invloedssfeer van een waterkering (zie onderstaande figuur). De realisatie van onderhavig plan is dus niet van invloed op het functioneren van een waterkering.
34
Fig. 5.1 Uitsnede legger (projectlocatie: zie rode pijl)
Riolering en afkoppeling Het plangebied ligt in een gebied dat is voorzien van een grotendeels gemengd rioleringsstelsel. De nieuwe woningen worden aangesloten op het bestaande, gemengde riool aan voorzijde van het perceel. De hemelwaterafvoer van de nieuwe woningen wordt afgekoppeld om te infiltreren in de bodem. Er wordt daarnaast geen gebruik gemaakt van uitlogende bouwmaterialen. Proces Het plan wordt nog aan het waterschap voorgelegd. Vanwege de geringe invloed van dit plan op de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse, wordt niet verwacht dat het waterschap bezwaren zal hebben tegen dit plan. Bij de uitvoering van de plannen wordt rekening gehouden met de uitgangspunten zoals beschreven in deze paragraaf.
5.8.3 Conclusie Het plan voldoet aan de eisen die vanuit het waterschap en de gemeente ten aanzien van de waterhuishouding worden gesteld.
5.9
Kabels en leidingen Bij de uitvoering van ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van elektriciteit- en communicatiekabels en nutsleidingen in de grond. Daarbij gelden er beperkingen voor ingrepen in de bodem. Daarnaast zijn zones, bijvoorbeeld rondom hoogspanningsverbindingen, straalpaden en radarsystemen van belang. Deze vragen vaak om het beperken van gevoelige functies of van de hoogte van bouwwerken. Voor ruimtelijke plannen zijn alleen de hoofdleidingen van belang. De kleinere, lokale leidingen worden bij de uitvoering door middel van een Klic-melding in kaart gebracht.
35
In of nabij het plangebied lopen geen hoofdleidingen of -kabels. Ook liggen er geen relevante zones over het plangebied. Conclusie In of nabij het plangebied lopen geen hoofdleidingen of –kabels die een beperking vormen voor dit bouwplan.
5.10
Duurzaamheid De gemeente Stichtse Vecht stimuleert samen met inwoners, bedrijven en organisaties duurzame ontwikkeling. De gemeente wil in 2030 een klimaatneutrale gemeente zijn. Dit doel is opgenomen in de duurzaamheidsvisie Stichtse Vecht Energiek 2014-2020 Samen Sterk in Duurzaamheid. Deze is eind 2013 vastgesteld. Om deze doelstelling te behalen, worden diverse maatregelen genomen met betrekking tot adaptatie en mitigatie. Een belangrijke mitigatiemaatregel waarmee nieuwbouw van doen heeft, is het beperken van de CO2-uitstoot om zodoende klimaatverandering tegen te gaan. Dit kan door de energiehuishouding in nieuwe woningen te verduurzamen en zo veel mogelijk duurzame energie te produceren. Voor het plan aan de Herenweg bestaat het voornemen om deze gasloos te bouwen en te voorzien van zonnepanelen en een luchtwarmtepomp.
5.11
Milieu-effectrapportage
5.11.1 Inleiding Sinds 7 juli 2017 zijn door een wijziging van het Besluit milieueffectrapportage ook procedurevereisten gesteld aan de vormvrije mer-beoordeling. Het plan moet hier worden gekwalificeerd als een activiteit die is genoemd in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) D11.2 “De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject…” . Bij deze activiteit is in kolom 4 onder ‘Besluiten’ genoemd: ’De vaststelling van een plan bedoeld in artikel 3.6 …van de Wro’. Dat betekent dat het gaat om de ‘overige gevallen’ zoals die zijn aangewezen in artikel 2 lid 5 onder b van het Besluit milieueffectrapportage en dat toepassing moet worden gegeven aan artikel 7.16, 7.17 lid 1 t/m 4, 7.18 en 7.19 lid 1 en 2 en 7.20a van de Wet milieubeheer (Wm). Artikel 7.16 Wm bepaalt dat de initiatiefnemer moet melden aan het bevoegd gezag dat hij voor een dergelijk activiteit een vergunning wil aanvragen (de mer-aanmeldnotitie). Hij moet daarbij de info verschaffen die in artikel 7.16 van de Wm is vermeld. Op grond van artikel 7.17 Wm moet het bevoegd gezag op grond van de aangeleverde informatie beslissen of de gevolgen voor het milieu zodanig zijn dat het noodzakelijk is om een 36
milieueffectrapportage op te stellen. Dat moet in een zo vroeg mogelijk stadium, in ieder geval vóórdat het ontwerpbesluit ter inzage wordt gelegd.
5.11.2 Mer-aanmeldnotitie Voor dit plan is een Mer-aanmeldnotitie opgesteld (Aanmeldnotitie Vormvrije Merbeoordeling, Ten behoeve van het bestemmingsplan: ‘Herenweg 9 en 11, Maarssen’ d.d. 9 maart 2020, zie bijlage VI). Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling zoals opgenomen in de Mer-aanmeldnotitie blijkt dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van onderhavig plan die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu ter plaatse. Voor de aan de orde zijnde milieuaspecten geldt dat er geen nadelige effecten optreden, dan wel dat deze effecten met mitigerende maatregelen worden beperkt, zodat wordt voldaan aan de geldende wet- en regelgeving.
5.11.3 Conclusie Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten en dat er geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is.
37
6
CULTUURHISTORIE & ARCHEOLOGIE In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de eventueel in of direct nabij het projectgebied aanwezige cultuurhistorische - en/of archeologische waarden en de eventuele consequenties daarvan voor de verwezenlijking van het bouwplan.
6.1
Monumenten / Beschermd stads- en dorpsgezicht Binnen het projectgebied bevinden zich geen gemeentelijke - of rijksmonumenten. Ook op de gronden, die direct aan het projectgebied grenzen of anderszins in de directe nabijheid van het projectgebied zijn gelegen, zijn geen monumenten aangewezen. Er is ook geen aanleiding om aan te nemen dat in de toekomst een dergelijke aanwijzing zal plaatsvinden. Voorts ligt het plan niet binnen een beschermd stads- en dorpsgezicht.
6.2
Cultuurhistorie Ingevolge het van toepassing zijnde bestemmingsplan geldt voor de locatie Herenweg 9 en 11 de dubbelbestemming 'Waarde – Cultuurhistorie – Nieuwe Hollandse Waterlinie’. Artikel 23.1 bepaalt dat de als 'Waarde - Cultuurhistorie – Nieuwe Hollandse Waterlinie' aangewezen gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede zijn bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 23.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 2 meter, zo bepaalt artikel 23.2 van de planregels. Ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag - met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels - uitsluitend worden gebouwd, indien de betrokken waarden, door de bouwactiviteiten niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning regels te verbinden, gericht op het behoud van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Onderhavig plan ziet op de sloop van een blok met twee-onder-een-kap-woningen en de realisatie van twee vrijstaande woningen op ongeveer hetzelfde perceel, aan de Herenweg 9 en 11 te Maarssen. Er kan dan ook van worden uitgegaan dat dit plan geen afbreuk doet aan het behoud van de Nieuwe Hollandse Waterlinie.
6.3
Archeologie De Erfgoedwet verplicht gemeenten om bij het opstellen van o.a. nieuwe bestemmingsplannen rekening te houden met mogelijke archeologisch waardevolle vindplaatsen. 38
6.3.1 Beleidskader De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet (certificeringsstelsel en aanwijzing van archeologische Rijksmonumenten). Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integratie in de planvorming) gaat over naar de toekomstige Omgevingswet. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. Het archeologiebeleid van de gemeente Stichtse Vecht is verwoord in de Erfgoedverordening van de gemeente Stichtse Vecht, die direct gekoppeld is aan de bij het beleid horende verwachtingskaart. Op de beleidskaart is per zone vastgelegd welke archeologische verwachting een gebied heeft. Het plangebied bevindt zich volgens de archeologische beleidsen verwachtingskaart van de gemeente langs een ontginningsas en heeft zodoende gedeeltelijk een hoge archeologische verwachting toegekend gekregen (zie figuur 6.1) en gedeeltelijk een lage verwachting. Het gedeelte met de hoge archeologische verwachting heeft in het bestemmingsplan Herenweg-Gageldijk e.o. (2013) een dubbelbestemming Waarde – Archeologie 2 gekregen.
Voor gebieden met dubbelbestemming Waarde – Archeologie 2 geldt een archeologische onderzoeksplicht voor bodemingrepen met een omvang vanaf 50 m2 en 30 cm –Mv. Aangezien de planvorming de planregels voor deze zone overschrijden, zal deze waarde middels archeologisch onderzoek worden getoetst. Het uiterst oostelijke deel van het plangebied heeft op de verwachtings- en beleidskaart van de gemeente een lage verwachting, met een bijbehorende Waarde Archeologie 5. In gebieden met een Waarde Archeologie 5 is een archeologisch onderzoek pas verplicht bij bodemingrepen groter dan 10 hectare en dieper dan 30 cm.
Fig. 6.1 Archeologische verwachtingskaart gemeente Stichtse Vecht (plangebied: rood omkaderd) 39
6.3.2 Archeologisch onderzoek Door Transect is inmiddels een bureau- en booronderzoek uitgevoerd voor de locatie aan de Herenweg 9 en 11 (Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, verkennende fase, Maarssen, Herenweg 9-11 Gemeente Stichtse Vecht (UT), Transect-rapport 1880, d.d. 21 augustus 2019, bijlage VII). In dit rapport komt Transect tot de volgende conclusies:
Uit het bureauonderzoek blijkt dat de Herenweg, waar het plangebied aan gelegen is, oorspronkelijk een oude ontginningsas in het veen van het oostelijk Vechtgebied is. Het ontstaan van deze as is terug te voeren in de 12e eeuw (toen deze als kade is aangelegd) om vervolgens in de 13e -15e eeuw als bewoningslint te worden gebruikt. Archeologisch gezien betekent dit dat er vlak onder het maaiveld of onder een (sub)recente ophooglaag archeologische waarden kunnen voorkomen die op zijn vroegst dateren in de Late Middeleeuwen. Hierop geldt zodoende een hoge archeologische verwachting. Dit geldt ook voor de Nieuwe tijd, aangezien op historisch kaartmateriaal uit het begin van de 19e eeuw bebouwing in het plangebied is ingetekend. Dit sluit de aanwezigheid van oudere bebouwingsfasen in het plangebied niet uit. Tevens bevindt zich in de ondergrond van het plangebied een verdronken pleistoceen dekzandlandschap, dat gedurende het LaatPaleolithicum, Mesolithicum en Neolithicum geschikt geweest is voor bewoning, specifiek de plaatsen waar dekzandruggen of -koppen begraven liggen. Aanwijzingen hiervoor zijn reeds in de omgeving van het plangebied bekend (nabij Westbroek; Blijdenstijn, 2015). De kans dat zich in de ondergrond van het plangebied dergelijke resten voorkomen, is daarmee eveneens aanwezig.
De resultaten van het veldonderzoek lijken de hoge archeologische verwachting uit het bureauonderzoek te bevestigen. De veraarde top van het veen aan de basis van het ophoogpakket en de op plekken geroerde top van het veen op het natuurlijk veen, lijkt deel uit te maken van de in de Late Middeleeuwen opgeworpen ontginningskade. Vanwege de hoge mate van intactheid in combinatie met een veraarde top van het veen langs een in aanleg middeleeuws ontginningslint, kunnen bewoningssporen te verwachten zijn vanaf de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw, het moment van de tweede fase van ontginning van het veengebied ten oosten van de Vecht, Blijdestijn, 2015). Tevens zijn op deze plek funderingen van stenen bouwwerken uit de Nieuwe tijd te verwachten. Op basis van het historisch onderzoek in Hoofdstuk 8 heeft in ieder geval in het begin van de 19e eeuw in het plangebied bebouwing gestaan. In combinatie met het voorkomen van historische bebouwing op kaartmateriaal uit de 19e eeuw in het plangebied sluit eveneens oudere voorgangers niet uit. Ook kunnen sporen aanwezig zijn die aan het voormalig landgebruik te relateren zijn rondom een woonplaats langs een bewoningslint (o.a. afvallagen, drenkkuilen en greppels c.q. sloten). Tenslotte valt aan de hand van de veldresultaten vast te stellen, dat de verstoring van het bodemprofiel beperkt is gebleven.
Er zijn in de boringen geen diepe verstoringen van de bodem aangetroffen. Dit betekent dat eventueel aanwezige archeologische resten uit de periode Late MiddeleeuwenNieuwe tijd nog relatief intact in de ondergrond aanwezig zullen zijn (vanaf circa 40 cm Mv). Voor de overige perioden geldt in het plangebied een lage archeologische verwachting. In het veen zijn verder geen veraarde trajecten waargenomen die een indicator voor droge, bewoonbare omstandigheden vormen. Tevens is de top van het dekzand, het niveau waarop resten uit de periode Laat-Paleolithicum-Neolithicum aanwezig kunnen zijn, verspoeld en verdwenen. Tevens ontbreken sporen van oude 40
bodemvorming. Hiermee zijn eventuele resten uit die tijd ook niet meer (in situ) te verwachten. Uit het voorgaande blijkt dat een vervolgonderzoek noodzakelijk is indien sprake is van een verstoringsdiepte van 40 cm of meer.
6.3.3 Conclusie en vervolg Omdat het terrein archeologisch nog niet definitief en volledig gewaardeerd is kan het effect van het bouwplan op het archeologisch bodemarchief op dit moment nog niet worden vastgesteld. Dit vormt een risico voor de uitvoerbaarheid van het initiatief. Indien sprake is van een verstoringsdiepte van 40 cm of meer, dient een vervolgstap uit het proces van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) genomen te worden, namelijk het uitvoeren van een waarderend archeologisch proefsleuvenonderzoek. Op basis van het onderzoek van Transect geldt voor het plangebied een hoge archeologische verwachting. In het plangebied kunnen op een diepte vanaf 40 cm beneden het huidige maaiveld resten van historische bebouwing uit de Middeleeuwen en Nieuwe Tijd aanwezig zijn. Bij bodemingrepen dieper dan 40 cm beneden het huidige maaiveld moet daarom een vervolgonderzoek worden uitgevoerd. Gezien de aard van de werkzaamheden kan dit vervolgonderzoek het beste worden uitgevoerd in de vorm van een archeologische begeleiding van de sloopwerkzaamheden dieper dan 40 cm, in combinatie met een proefsleuf ter plaatse van de nieuwbouw ten zuiden van de huidige bebouwing. Een archeologische begeleiding en proefsleuvenonderzoek behoren plaats te vinden op basis van een Programma van Eisen, dat voorafgaand aan het onderzoek ter goedkeuring aan de gemeente moet worden voorgelegd.
De resultaten van het uitgevoerde archeologische onderzoek dienen in een archeologisch rapport te worden vastgelegd. De rapportage van het archeologische onderzoek moet worden ingediend bij de gemeente. Uit het rapport moet duidelijk de archeologische waarde van het betreffende terrein blijken en de consequenties van de geplande bodemingrepen voor de daar aanwezige archeologische waarden zijn aangegeven. Op basis van deze rapportage neemt de gemeente een besluit; 1.
2.
Uit het rapport blijkt niet of onvoldoende de archeologische waarde van het betreffende terrein. Het rapport bevat onvoldoende informatie of het onderzoek is onjuist uitgevoerd. De aanvrager wordt in de gelegenheid gesteld de rapportage aan te vullen, dan wel aanvullend archeologisch onderzoek uit te laten voeren. Uit het rapport blijkt dat er geen archeologische waarde aanwezig zijn op het betreffende terrein. Bij afwezigheid van archeologische waarden of indien aanwezige archeologische waarden niet worden bedreigd door de voorgenomen werkzaamheden: Er mag gestart worden met bodemverstorende activiteiten zoals vergund voor de omgevingsvergunning 2de fase 41
3.
Uit het rapport blijkt dat er archeologische waarde aanwezig zijn op het betreffende terrein. a. Wanneer uit het rapport blijkt dat een belangrijke vindplaats zal worden verstoord, kan het bevoegd gezag besluiten dat de archeologische resten zo waardevol zijn dat deze in de bodem bewaard moeten blijven (behoud in situ). Dit kan betekenen dat de omgevingsvergunning 2de niet kan worden wordt gerealiseerd b. Wanneer uit het rapport blijkt dat een belangrijke vindplaats zal worden verstoord, maar deze niet in aanmerking komt voor behoud in situ en planaanpassing is niet mogelijk, kan het bevoegd gezag besluiten dat de archeologische resten moeten worden veiliggesteld door middel van een opgraving (behoud ex situ). In uitzonderingsgevallen kan een archeologische begeleiding worden toegestaan.
De AMZ-cyclus is afgerond als de rapporten van alle uitgevoerde onderzoeken door het bevoegd gezag zijn goedgekeurd en eventuele beschermende maatregelen zijn genomen De initiatiefnemer heeft aan gegeven zich bewust te zijn van de mogelijke scenario's bij eventuele archeologische vondsten in het plangebied en realiseert zich dat bij het aantreffen van behoudenswaardige vindplaatsen dat de gemeente Stichtse Vecht kan besluiten deze vindplaats veilig te stellen middels opgraving. De initiatiefnemer geeft aan zich bewust te zijn van dit risico en accepteert de eventuele gevolgen.
42
7
UITVOERBAARHEID Dit hoofdstuk beschrijft de haalbaarheid van dit project. Het plan waarvoor de planologische procedure wordt doorlopen, moet zowel in financieel als in maatschappelijk opzicht haalbaar zijn. Er wordt daarom een korte financiële toelichting gegeven en daarnaast worden de doorlopen procedures weergegeven.
7.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid Het opstellen van ruimtelijke besluiten dient zorgvuldig te gebeuren. In dat kader blijft het van belang dat diverse instanties, burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van dergelijke besluiten worden betrokken zodat in een vroeg stadium knelpunten, belangen en verbeterpunten kunnen worden gesignaleerd. De verplichting hiertoe vloeit voort uit de artikelen 3.1.1 en 3.1.6 sub e. van het Bro in samenhang met het in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gecodificeerde zorgvuldigheidsbeginsel. Het plan is inmiddels voorgelegd aan de provincie Utrecht, Waternet als uitvoeringsorganisatie van Waterschap Amstel, Gooi en Vechtstreek en de Gasunie. De overlegpartners hebben positief op de plannen gereageerd. Door de verplichte toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in Afd. 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht wordt een ieder de gelegenheid gegeven om betrokken te zijn bij de voorbereiding van de te verlenen omgevingsvergunning. Het ontwerp-bestemmingsplan en de bijbehorende stukken hebben, na publicatie in de gemeenterubriek en de Staatscourant voor een periode van zes weken, ingaande op …….., ter inzage gelegen. Er zijn tijdens de ter inzage periode wel / geen (PM na ter inzage legging) zienswijzen ingediend.
Gelet op het vorenstaande is het voorliggende plan vanuit maatschappelijk oogpunt in algemene zin aanvaardbaar en daarmee uitvoerbaar te achten.
7.2
Economische uitvoerbaarheid De economische uitvoerbaarheid van een ruimtelijk besluit moet op grond van het Bro onderzocht worden respectievelijk aannemelijk worden gemaakt. Dat betekent enerzijds dat aannemelijk moet worden gemaakt dat de door de gemeente te maken kosten moeten zijn gedekt dan wel op de bij de uitvoering van het project betrokken partijen moeten kunnen worden verhaald. Anderzijds moet worden onderzocht of: 1) de kosten van overige partijen van een deugdelijke dekking zijn voorzien en 2) het project naar objectieve maatstaven, ook geabstraheerd van de concreet betrokken partijen, vanuit financieel-economisch perspectief tot uitvoering zou kunnen komen. 43
De herontwikkeling aan Herenweg 9 en 11 is een initiatief van een particulier. De ontwikkeling van de locatie en de daarmee samenhangende kosten, inclusief planvoorbereiding geschieden voor rekening en risico van de initiatiefnemer. Met de initiatiefnemer wordt een planschadeovereenkomst gesloten. Verder zullen de overige gemeentelijke kosten worden verhaald via de gemeentelijke legesverordening. Het kostenverhaal is met het bovenstaande anderszins verzekerd in de zin van artikel 6.12 tweede lid van de Wro wat ook betekent dat kan worden besloten géén exploitatieplan vast te stellen.
7.3
Privaatrechtelijke belemmeringen Bij het realiseren van de woningen wordt rekening gehouden met het burenrecht zoals opgenomen in het Burgerlijk Wetboek. Voorts kan worden opgemerkt dat er geen privaatrechtelijke belemmeringen aanwezig zijn die een belemmering vormen voor het afwijken van het bestemmingsplan en voor de uitvoerbaarheid van het plan.
Bijlagen I. Verkennend en nader bodemonderzoek, Herenweg 9 en 11 te Maarssen, Lawijn Advies en Management, d.d. 17 december 2018 II. Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Herenweg 9-11, Maarsseveen, De Milieuadviseur, d.d. 25 september 2018 III. Memo onderzoeksresultaten quickscan flora en fauna Herenweg, Maarssen, Ecoresult, 26 september 2018 IV. Onderzoek huismus en vleermuizen Herenweg 9 – 11 in Maarssen, Regelink Ecologie en Landschap, d.d. 2 september 2021 V. Memo effectbeoordeling stikstofdepositie Herenweg 9 en 11 Maarssen, Langelaar Milieuadvies, d.d. 23 november 2021 VI. Aanmeldnotitie Vormvrije Mer-beoordeling, Ten behoeve van het bestemmingsplan: ‘Herenweg 9 en 11, Maarssen’, Legalexion, d.d. 30 november 2021 VII. Archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, verkennende fase, Maarssen, Herenweg 9-11 Gemeente Stichtse Vecht (UT), Transect-rapport 1880, d.d. 28 september 2018
44