CConstaterende datStichtse Vecht
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting Bp Rijksstraatweg 68 Nieuwersluis.pdf

Raad 8 maart 2022, gemeente Stichtse VechtBij agendapunt: 7.: Bestemmingsplan Rijksstraatweg 68 in Nieuwersluis16.399 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

De inzet binnen de 5 thema’s van de tool GPR gebouw zijn vastgesteld op:  Thema energie (gemeente heeft geen grondeigendom): 10  Thema energie (gemeente heeft wel grondeigendom): 10+  Thema toekomstwaarde: 8  Overige Thema’s (milieu, Gezondheid en Gebruikskwaliteit): gemiddeld 8 Opties voor verduurzaming  Zongericht bouwen: Met zongericht bouwen kan de zon optimaal worden benut door vergrote glasgeveldelen een oriëntatie te geven tussen het zuidoosten en zuidwesten. Op deze manier kan de zon in de winter worden gebruikt voor verwarming en kunnen zonnepanelen maximaal opwekken. Om oververhitting te voorkomen door de invloed van de zon, wordt aan geraden een vaste overstek (zonwering) toe te passen.  Extra isolatie en een uitstekende naad- en kierdichting boven de wettelijke eis. Door in de gehele woning extra isolatie en verbeterde naad- en kierdichting toe te passen, kunnen energieverliezen worden beperkt. Let hierbij vooral op dat gekozen wordt voor beide, aangezien het rendement van beide stijgt bij gezamenlijke toepassing.  Een (collectieve) bodemwarmtepomp: Een warmtepomp kan als bron gebruik maken van lucht of bodem. Bodem als energiebron heeft een beter rendement. In combinatie met PV-panelen kan de benodigde energie van externe bronnen tot een minimum beperkt worden.

Door een collectieve bodemwarmtepomp worden schaalvoordelen benut en kan gebruik worden gemaakt van zonnewarmte waardoor de warmtepomp alleen bij te onvoldoende zonneenergie zal functioneren.  Zonnecollector: Een zonnewarmte systeem kan optimaal jaarlijks circa 50% van de warmtapwater behoefte verzorgen. Een combinatie van de zonnecollector met een warmtepomp is ideaal door de structurele verhoging van het rendement van de warmtepomp en hiermee de energiebehoefte van de warmtepomp.  PV-panelen: Door elektriciteit duurzaam op de eigen woning op te wekken kan worden bespaard op inkoop en elektriciteit en de energiebelasting.

34

Toetsing Aardgasvrij bouwen (wet VET) is de norm. In de wet voortgang energietransitie is bepaald dat per 1 juli 2018 de nieuw te bouwen bouwwerken niet meer aangesloten worden op het gasnet. De nieuw te bouwen woning zal voldoen aan de wettelijke vereisten en tevens voldoen aan de gemeentelijke vereisten op het gebied van duurzaamheid. Met de nieuw te bouwen woning ontstaat in het plangebied een uitgelezen kans tot verduurzaming, waarbij gebruik kan worden gemaakt van bovengenoemde opties voor verduurzaming. Daarnaast zorgt de functieverandering zelf ook voor een verduurzaming. De fruitboomgaard maakt plaats voor een buitenplaats, wat onder andere een besparing van water en energie op zal leveren. Daarnaast zijn in het inrichtingsplan op de buitenplaats veel groen en waterpartijen voorzien.

4.6

Geur Algemeen Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) bevat het beoordelingskader voor geurhinder van veehouderijen die vergunningplichtig zijn op basis van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en Wet milieubeheer (Wm). Het beoordelingskader is als volgt:  voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) geldt een maximale geurbelasting op een geurgevoelig object;  voor andere diercategorieën geldt een minimale afstand voor veehouderijen ten opzichte van geurgevoelige objecten. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden (conform Reconstructiewet) en niet-concentratiegebieden en tussen situaties binnen de bebouwde kom en buiten de bebouwde kom. De wet beschrijft in artikel 3 de maximale norm voor geurbelasting van een veehouderij ten opzichte van een gevoelig object (zoals een woning) in vier situaties, deze zijn weergegeven in de volgende tabel.

concentratiegebieden nietconcentratiegebieden

binnen bebouwde kom 3 3,0 (in ou/m ) 3 2,0 (in ou/m )

buiten bebouwde kom 3 14,0 (in ou/m ) 3 8,0 (in ou/m )

Geurnormen Wet geurhinder en veehouderij

Voor veehouderijen met diercategorieën waarvoor geen emissiefactor is vastgesteld geldt op grond van artikel 4 van de wet een minimumafstand ten opzichte van een geurgevoelig object. Binnen de bebouwde kom is deze minimumafstand 100 meter en daarbuiten 50 meter. Voor geurgevoelige objecten die onderdeel uitmaken van een andere veehouderij gelden niet de maximale geurbelastingen, maar gelden ook deze minimumafstanden.

35

Verder moet op grond van artikel 5 van de Wgv een minimale afstand tussen de gevel van een geurgevoelig object en de gevel van het dierenverblijf worden aangehouden. Deze afstand bedraagt ten minste 50 m voor objecten binnen de bebouwde kom en ten minste 25 m voor objecten buiten de bebouwde kom. Toetsing De milieubelasting van (agrarische) bedrijven die rondom een milieugevoelig object (zoals een woning) zijn gesitueerd, mag een goed leefklimaat niet onevenredig negatief belemmeren. Tegelijkertijd kan het realiseren van milieuhindergevoelige objecten (zoals een woning) binnen een hinderzone van een bedrijf de bedrijfsvoering van het bedrijf belemmeren. In de omgeving van het plangebied komen verschillende veehouderijen voor. De dichtstbijzijnde veehouderij is de veehouderij aan de Rijksstraatweg 47-49. Deze veehouderij ligt ten noordwesten van het plangebied. De woning wordt in zuidoostelijke richting verplaatst en komt op grotere afstand van deze veehouderij te liggen. Het voorliggende plan vormt hierdoor geen belemmering voor de bedrijfsvoering van het bedrijf en het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woning verbetert ten opzichte van de huidige planologische situatie. De woning komt wel dichterbij een aantal veehouderijen ten zuidoosten van het plangebied te liggen.

Dit zijn de veehouderijen aan het Zandpad 20 en het Zandpad 25 in Nieuwersluis, welke gelegen zijn op een afstand van circa 800 meter, respectievelijk 1,1 km van de nieuwe woning. In het kader van het bestemmingsplan ‘Vijferhof Nieuwersluis’ is geuronderzoek gedaan naar onder andere deze bedrijven. Dit plangebied ligt op circa 380, respectievelijk 75 meter van de veehouderijen aan het Zandpad 20 en 25. Uit dit onderzoek blijkt dat de geurnormen niet worden overschreden. Aangezien het voorliggende plangebied op een meer dan 2 maal zo grote afstand van de veehouderijen ligt, kan worden geconcludeerd dat ter plaatse van de toekomstige woning sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Ook worden de uitbreidingsmogelijkheden van de veehouderijen niet beperkt, aangezien er sprake is van reeds bestaande tussenliggende woningen. Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

4.7

Externe veiligheid Algemeen Externe veiligheid beschrijft de (externe) risico's die ontstaan door het transport, de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes (weg, water, rail en buisleiding) in relatie tot de (bebouwde) omgeving. Op beide categorieën is verschillende wet- en regelgeving van toepassing. Het huidige beleid voor inrichtingen (bedrijven) is afkomstig uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), het beleid voor transportmodaliteiten staat beschreven in het Besluit externe veiligheid transportroutes en het beleid met betrekking tot buisleiding is opgenomen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen

36

(Bevb). Binnen het beleidskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Plaatsgebonden Risico (PR) Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die de hele tijd op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6/jaar PR-contour (die als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen nieuwe kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Groepsrisico (GR) Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt weergegeven in een grafiek waar de kans (f) afgezet wordt tegen het aantal slachtoffers (N), de fN- curve. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt doorgaans begrensd door de 1 % letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald), ofwel door de afstand waarop nog 1 % van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Bij een nieuwe ontwikkeling moet deze getoetst worden aan de hiervoor genoemde wetgeving. Toetsing

Uitsnede risicokaart met globale aanduiding plangebied (paarse cirkel), inrichtingen met gevaarlijke stoffen (rode stippen) en van links naar rechts de volgende transportroutes: A2 (gele lijn), buisleiding (rode stippellijn), spoorlijn Amsterdam-Utrecht (gele lijn), het Amsterdam Rijnkanaal zwarte lijn) en de N403 (rode lijn), bron: www.risicokaart.nl

De risicobronnen in de omgeving van het plangebied zijn weergegeven op bovenstaande kaart. Uit de gegevens van de digitale risicokaart blijkt dat het plangebied niet binnen de PR-contour ligt van de omliggende risicobronnen. Wel ligt het plangebied

37

mogelijk binnen het invloedsgebied van één of meerdere transportroutes voor gevaarlijke stoffen. Het voorliggende plan ziet enkel op de verplaatsing van een woning. Er worden geen nieuwe gevoelige functies mogelijk gemaakt en het aantal aanwezige personen binnen het plangebied blijft gelijk. Het voorliggende plan heeft daardoor ook geen gevolgen voor het groepsrisico met betrekking tot de omliggende risicobronnen. Conclusie Het aspect externe veiligheid is geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

4.8

Explosieven Algemeen Tijdens de Tweede Wereldoorlog van 1940 - 1945 hebben zich op diverse locaties in de gemeente Stichtse Vecht oorlogshandelingen voorgedaan. Als gevolg van deze oorlogshandelingen kunnen op bepaalde locaties niet gesprongen Conventionele Explosieven (CE) of delen daarvan in de bodem voorkomen. Voor het veilig en op verantwoorde wijze uitvoeren van grondwerkzaamheden, is het van belang om duidelijkheid te krijgen over de aard en omvang van de situatie aangaande CE. Toetsing Ter plaatse van het plangebied is een historisch Vooronderzoek Conventionele Explo9 sieven uitgevoerd. In dit onderzoek is op basis van de geraadpleegde bronnen, de beoordeling en evaluatie van de indicaties vastgesteld dat er in (de omgeving van) het onderzoeksgebied tijdens de Tweede Wereldoorlog oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden of militaire aanwezigheid was. Er zijn echter te weinig indicaties om vast te kunnen stellen dat hierdoor CE zijn achtergebleven in het onderzoeksgebied. Op basis van de resultaten van het vooronderzoek en de conclusies is het onderzoeksgebied onverdacht op CE. Het is niet noodzakelijk om vervolgstappen te ondernemen in de CE-opsporing voorafgaand aan de voorgenomen (grond)werkzaamheden. Conclusie Het aspect explosieven vormt geen belemmering voor uitvoering van onderhavig plan.

9

Historisch Vooronderzoek Conventionele Explosieven, Ouderhoek Nieuwersluis, IDDS, kenmerk: 20091213, 23 december 2020.

38

4.9

Geluid Wettelijk kader De mate waarin het geluid, veroorzaakt door het wegverkeer en/of door inrichtingen, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (wgh). Langs wegen en spoorwegen liggen zones. Binnen deze zones moet voor de realisatie van geluidsgevoelige bestemmingen akoestisch onderzoek worden uitgevoerd. Toetsing Het voorliggende plan ziet op de verplaatsing van en woning. Dit is een gevoelige functie. Het plangebied ligt in de onderzoekszone van de Rijksstraatweg. Er is een 10 akoestisch onderzoek uitgevoerd om te bepalen of sprake is van een aanvaardbare geluidbelasting op de woningen vanwege de ligging in de onderzoekszone. Op basis van het onderzoek wordt het volgende geconcludeerd. De geluidbelasting vanwege de gezoneerde weg Rijksstraat bedraagt maximaal 51 dB inclusief aftrek ex art. 110g Wgh. Dit is hoger dan de ten hoogte toelaatbare geluidbelasting, maar lager dan de maximale ontheffingswaarde. Bron- en overdrachtsmaatregelen zijn onderzocht, maar stuiten op bezwaren van financiële, landschappelijke en stedenbouwkundige aard. Een hogere waarde procedure van 51 dB (als gevolg van de Rijksstraatweg) dient te worden doorlopen. Dit is mogelijk doordat kan worden voldaan aan zowel geluidluwe gevels als geluidluwe buitenruimtes.

Daarnaast dient bij de ‘Omgevingsvergunning voor het bouwen’ door middel van een aanvullend bouwakoestisch onderzoek te worden aangetoond dat voor de nieuwe woningen de binnenwaarde van 33 dB uit het Bouwbesluit 2012 wordt gehaald om zo een goed woon- en leefklimaat te kunnen garanderen. Ter indicatie dient de gevelwering ten minste 23 dB te bedragen. Conclusie Het uitgevoerde akoestische onderzoek geeft aan dat het plan uitvoerbaar is wat betreft geluid. Wel dient er een hogere grenswaardenprocedure te worden gevolgd. Deze kan gelijk oplopen met de procedure van het ontwerpbestemmingsplan.

4.10

Kabels en leidingen Binnen het plangebied zijn geen kabels of leidingen aanwezig die planologisch relevant zijn. Dit aspect zal om deze reden geen belemmering vormen voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling. Voor het plangebied is een KLIC-melding uitgevoerd, waarmee de aanwezige kabels en leidingen in kaart zijn gebracht. Bij het uitvoeren van werkzaamheden in het plangebied zal hier rekening mee worden gehouden en waar nodig afstemming worden gezocht met de verantwoordelijke instanties.

10

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Landgoed Ouderhoek, SAB, kenmerk: 190267, 3 april 2020.

39

4.11

Luchtkwaliteit Algemeen Het aspect luchtkwaliteit is verankerd in de Wet Milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2 en is een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit, waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) en PM2,5 (zeer fijnstof) de maatgevende stoffen waarvan de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. De wettelijk 3 3 vastgelegde grenswaarden zijn 40 μg/m voor NO2 en PM10 en 25 μg/m voor fijnstof. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. NSL en Besluit NIBM Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd, kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die sinds 2010 van kracht zijn. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio’s om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Projecten die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in het NSL in de provincies c.q. regio’s waar overschrijdingen plaatsvinden.

Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Projecten die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden, aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit en maximaal toegestane 3 verslechtering van 1,2 ųg/m . Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuinen akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Goede ruimtelijke ordening Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is om het project op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Onderbouwd moet worden of ter plaatse van de locatie sprake is van acceptabele concentraties en een goed woon- en leefklimaat. In de publicatie Air Quality Guidelines (WHO) en het handboek voor een gezonde leefomgeving (GGD) zijn vanuit het oogpunt van gezondheid advieswaarden opgenomen voor fijnstof en stikstof. Deze waarden liggen lager dan de wettelijk grenswaar3 den.

Voor stikstof en fijnstof (PM10) worden waarden gehanteerd van 20 μg/m , en 3 voor zeer fijnstof (PM2,5) van 10 μg/m . Toetsing Onderliggend plan voorziet in de verplaatsing van een woning. Het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied verandert niet. Het plan draagt daarom ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.

40

Raadpleging van de NSL-monitoringstool heeft aangetoond dat er geen sprake is van (dreigende) grenswaarde-overschrijdingen. In onderstaand schema zijn de jaargemid3 delde concentraties voor stikstof (NO2 μg/m ), fijnstof (pm10 μg/m3), zeer fijnstof (pm2,5 μg/m3) en het aantal overschrijdingsdagen voor fijnstof in kaart gebracht. NO2 μg/m3

PM10 μg/m3

PM2,5 μg/m3

17,5

17,9

10,7

Overschrijdingsdagen PM10 6

Overzicht luchtkwaliteit Rijkstraatweg (bron: Monitoring NSL 2019, meetjaar 2020).

Uit bovenstaat overzicht blijkt dat de luchtkwaliteit binnen het plangebied voldoet aan de wettelijke grenswaarden uit de Wet milieuhinder en aan grotendeels voldoet aan de normen die worden gesteld in de publicatie Air Qualitiy Guidlijkes van de WHO. De blootstelling aan luchtverontreiniging binnen het plangebied is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico’s. Vanuit zowel de Wet milieubeheer als vanuit een goede ruimtelijke ordening vormt het plan op het gebied van luchtkwaliteit daarom geen belemmering. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor uitvoering van onderhavig plan.

4.12

Water Beleid Rijk – Nationaal Waterplan Het Nationaal Waterplan 2016-2021 (NWP2) is 10 december 2015 vastgesteld en vervangt het Nationaal Waterplan 2009-2015. Het NWP2 geeft het integrale kader voor het waterbeleid van het Rijk voor de komende zes jaar en geeft uitvoering aan de Europese richtlijnen voor waterkwaliteit, de mariene strategie en de overstromingsrisico’s. De Stroomgebiedbeheerplannen, het Programma van maatregelen mariene strategie, de Beleidsnota Noordzee en de Overstromingsrisicobeheerplannen maken onderdeel uit van het NWP2. Bodem-, Water en Milieuplan 2016-2021 Op 7 december 2015 heeft de provincie het Bodem-, Water- en Milieuplan 2016-2021 (BWM-plan) vastgesteld. Dit plan legt het beleid op basis van de provinciale wettelijke taken voor bodem, water en milieu vast voor de periode 2016-2021. Het BWM-plan richt zich op vier belangrijke maatschappelijke opgaven: waterveiligheid en wateroverlast, schoon en voldoende oppervlaktewater, ondergrond en leefkwaliteit stedelijk gebied. Vanaf 2016 is al het bodem-, water en milieubeleid in één integraal plan opgenomen. De opgaven vanuit de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) maken onderdeel uit van dit plan. De provincie heeft in het plan de volgende doelen geformuleerd:  een robuust bodem- en watersysteem.

Dit houdt in dat onder normale omstandigheden alle functies goed uitgevoerd kunnen worden en dat extreme situaties goed opgevangen kunnen worden;

41

 bodem-, water- en milieukwaliteiten die passend zijn voor de functie van een gebied;  een duurzaam gebruik van de fysieke leefomgeving, zodat de mogelijkheden die het natuurlijk systeem ons biedt ook in de toekomst gebruikt kunnen worden;  een gezonde leefomgeving, die een positieve bijdrage levert aan de economische en maatschappelijke ontwikkelingen in de regio. Om hierin een focus aan te brengen zijn vier prioriteiten benoemd: 1 waterveiligheid en wateroverlast; 2 schoon en voldoende oppervlaktewater; 3 ondergrond; 4 leefkwaliteit stedelijk gebied. Waterbeheerplan AGV 2016-2021 en Keur 2011 Het plangebied valt binnen het beheersgebied van Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV). De taak van het waterschap is om te zorgen voor een veilig en gezond watersysteem. Hoofddoelstellingen daarbij zijn:  voorkomen van overstromingen, wateroverlast en watertekort;  beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en ecologische kwaliteit van het watersysteem;  vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen. Het beleid van AGV is verwoord in het Waterbeheerplan 2016-2021 en diverse beleidsnota's. Om de doelstellingen te kunnen realiseren beschikt het waterschap over een eigen verordening, de Keur.

In de Keur AGV 2011 (met het daarbij behorende Keurbesluit vrijstellingen en de Beleidsregels) zijn verboden en geboden opgenomen voor de manier van inrichten, gebruik en onderhoud van waterkeringen, oevers en wateren. In de legger van het waterschap zijn gegevens vastgelegd over de locatie van wateren, dijken en kunstwerken, aan welke eisen deze moeten voldoen (diepte, hoogte, sterkte etc.) en de onderhoudsverplichtingen. De legger dient als basis voor de vergunningverlening door de waterbeheerder. Voor de bescherming van de functionaliteit van de waterkering gelden de strengste verboden voor het zogenoemde keurprofiel en de kernzone. De aan de kernzone grenzende beschermingszones zijn bedoeld om activiteiten en ingrepen te kunnen verbieden die een negatief effect (kunnen) hebben op de stabiliteit van de waterkering. Daarbij is het vooral van belang of de activiteit of ingreep een negatieve invloed heeft of kan hebben op het keurprofiel van de waterkering. Het keurprofiel moet in principe vrij blijven van waterkeringvreemde elementen. Een uitzondering hierop is als deze elementen de stabiliteit van de waterkering vergroten.

Met betrekking tot het aanleggen van verhard oppervlak hanteert AGV het beleid dat 2 bij het aanbrengen van meer dan 1000 m verharding in stedelijk gebied of glastuin2 bouwgebied of meer dan 5000 m in overig gebied er een compensatie moet plaatsvinden door de aanleg van water met een omvang van tussen 10-20% van het te verharden oppervlak. Deze compensatie moet voorkomen dat ernstige peilstijging op-

42

treedt door versneld afstromend regenwater met wateroverlast tot gevolg. Sportvelden en kunstgrasvelden worden niet als verharding beschouwd. Toetsing 11 Voor het plangebied is een waterhuishoudkundig plan opgesteld. Uit het waterhuishoudkundig plan volgen de volgende conclusies met betrekking tot de lokale geohydrologie en de infiltratiemogelijkheden in het plangebied en de uitgangspunten van de gemeente en het waterschap. Lokale geohydrologie en infiltratiemogelijkheden De grondwaterstand staat op de locatie op 0,4 m-NAP. Momenteel worden er in de ondergrond vooral zand en zandige kleilagen verwacht. Indien er een infiltratievoorziening gerealiseerd gaan worden, dient eerst de doorlatendheid van de onverzadigde bodem bepaald te worden. In het plangebied zal huidige verharding worden verwijderd en er worden nieuwe gebouwen gerealiseerd. Tevens wordt er nieuw oppervlaktewater aangelegd, welke in open verbinding zal komen te staan met de Vecht. Door de herontwikkeling van de locatie neemt het verhard oppervlak toe, in vergelijking met de huidige situatie, met cir2 ca 210 m . 2

De gemeente hanteert een compensatie eis van 10 mm per m verhard oppervlak op de riolering. Om hieraan te voldoen kan ervoor gekozen worden het hemelwater af te koppelen, zodat het hemelwater de tuin in kan stromen. Voor het gedeelte wat niet afgekoppeld kan worden kunnen regentonnen of een opslagtank gerealiseerd worden. 2 2 Vanuit het waterschap is er een bergingseis van 21 m tot 42 m aan open water. Hemelwater afkomstig van het verharde oppervlak kan in het huidige ontwerp worden 2 geborgen in het toekomstige oppervlaktewater, wat een totaal oppervlak van 4.106 m zal hebben. Verder dient er bij de herontwikkeling rekening gehouden te worden met een aantal aandachtspunten. Het gebied bevindt zich in de beschermingszone van een secundaire waterkering. Alle activiteiten in deze zone zijn vergunningplichtig op grond van de Keur AGV. Naast bouwactiviteiten zijn de typen bodem en struiken ter plaatse van de tuinen een aandachtspunt. Tevens zal het water uit de Vecht in openverbinding komen met het oppervlaktewater uit het terrein. Hiervoor dient ook een vergunning aangevraagd te worden. Een belangrijk punt is hier dat er geen gevaarlijke situaties mogen ontstaan door het vaarverkeer. Watertoets In het kader van de watertoets is in het kader van het waterhuishoudkundig plan het beleid van de diverse belanghebbenden geraadpleegd.

Tevens is contact gezocht met de gemeente en het waterschap. Dit waterhuishoudkundig plan zal in het bestemmingsplan worden opgenomen. Het bestemmingplan zal worden voorgelegd aan de gemeente en het waterschap. Vanuit het waterschap is vooraf aangegeven dat Wa-

11

Waterhuishoudkundig plan, Rijksstraatweg 68 te Nieuwersluis, Geofoxx, kenmerk:

20191177_b1RAP.docx, 6 mei 2021.

43

ternet nautisch beheerder voor rivier De Vecht is. Aangezien dit plangebied grotendeels buitendijks gebied betreft, zal een leggerwijziging niet nodig zijn bij het huidige ontwerp. Het in verbinding stellen van het oppervlaktewater met de Vecht is wel vergunningsplichting. Er zal daarom een toets gedaan dienen te worden door de vaarwegbeheerder. Uitgangspunten gemeente en het waterschap Hieronder worden de belangrijkste uitgangspunten van de gemeente en het waterschap puntsgewijs weergegeven:  Er dient een bouwpeil van aangehouden te worden van 30 cm boven het hoogste straatniveau;  Indien niet mogelijk, kunnen andere oplossing in overleg met de gemeente toegepast worden, waaronder wateroverlastbestendig bouwen;  Hemelwater dient op de locatie verwerkt te worden, op het oppervlaktewater geloosd te worden, of anders gescheiden aan aangeboden te worden aan de erfgrens;  Vuil- en schoonwaterriool dienen gescheiden te worden;  De trits vasthouden - bergen – afvoeren dient te worden toegepast; 2  Er dient per m aangesloten verhard oppervlak op de riolering een berging van 10 mm gerealiseerd te worden; 2  Er dient voor de toename van verhard oppervlak een compensatie van 21 tot 42 m gerealiseerd te worden in de vorm van open water;  De bergingsvoorziening dient altijd bereikbaar, toegankelijk en beheersbaar te zijn;  Bouwwerkzaamheden in de kern en beschermingszone van de

dijk zijn vergunningsplichtig;  Het planten van bomen en struiken op de kruin of het talud van de waterkering is niet toegestaan;  Bomen en struiken, die binnen een afstand van 9 meter uit de referentielijn (middenas van de waterkering) staan, en buiten het talud blijven, worden onderhouden op een hoogte van maximaal 5 meter;  Degene die bomen rooit in de kernzone en beschermingszone van waterkerende dijklichamen en half-verholen waterkeringen verwijdert de boomstobben tot een afstand van 5 meter uit de teen van de dijk;  Boomstobben met een diameter van meer dan 10 cm worden gefreesd, boomstobben met een diameter van maximaal 10 cm mogen worden getrokken;  Het gat wordt opgevuld en verdicht met toepassing van kleihoudende grond. Na uitvoering van de werkzaamheden wordt de bodem ingezaaid met graszaad.  Het verbinden van het oppervlaktewater met de Vecht met het oppervlaktewater is vergunningsplichtig;  Zichthoeken dienen aanwezig te zijn bij de verbinding tussen het oppervlaktewater en de Vecht;  Bij de aanleg van het oppervlaktewater dienen bij de verbinding naar de Vecht wachtrijen voorkomen te worden. In het ontwerp dient hier rekening mee gehouden te worden en nader te worden afgestemd met de vaarwegbeheerder. 4.12.2

Conclusie Het voorliggende bestemmingplan zal worden voorgelegd aan de gemeente en het waterschap ter verdere toetsing.

44

4.13

Archeologie Algemeen Door ondertekening van het verdrag van Malta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van het cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Monumentenwet 1988 is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. De Monumentenwet 1988 is op 1 juli 2016 overgegaan in de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bundelt de voorgaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet die in 2019 van kracht wordt. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de periode 20162019. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Toetsing

Uitsnede Archeologische beleidsadvieskaart voormalige gemeente Loenen, met globale aanduiding plangebied (witte stippellijn).

Vanaf 30 november 2012 zijn de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaarten van de voormalige gemeenten Maarssen, Loenen, Abcoude en Breukelen geldend verklaard voor de gemeente Stichtse Vecht. Op de beleidsadvieskaart heeft het plangebied een hoge archeologische waarde en geldt het beleid dat voor plangebieden 2 waarvan de bodemverstoring een oppervlak van meer dan 500 m beslaat en de bodem tot meer dan 0,3 m wordt geroerd, archeologisch onderzoek uitgevoerd dient te worden.

45

Het voorliggende plan omvat de verplaatsing van een woning, de verwijdering van een boomgaard en graafwerkzaamheden voor de aanleg van water. De werkzaamheden 2 hebben een oppervlakte groter dan 500 m en reiken (deels) dieper dan 0,3 m. Dit betekent dat een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Archeologisch bureauonderzoek 12 Er is een bureauonderzoek uitgevoerd om een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied op te stellen. Op basis van de landschappelijke ligging op de oeverwal van de Vecht heeft het plangebied een hoge verwachting voor de Late-Bronstijd tot en met Vroege Middeleeuwen. Het plangebied was onderdeel van de buitenplaats Ouderhoek met mogelijke voorgangers vanaf ca. 1300 in de vorm van een jachtslot. Ook kunnen resten aanwezig zijn die samenhangen met militair erfgoed. Selectieadvies In het rapport is een selectieadvies opgenomen. Na overleg met de gemeente Stichtse Vecht, geadviseerd door de OmgevingsDienst Regio Utrecht (ODRU) is het advies voor vervolgonderzoek ten aanzien van archeologie als volgt: 1. Verkennend booronderzoek: Eerst zal er een verkennend booronderzoek uitgevoerd moeten worden en daarna gekeken worden waar, welke ingreep plaatsvindt om dan gerichter vervolgonderzoek uit te voeren. Dit onderzoek is om het verwachtingsmodel uit het bureauonderzoek voor de verwachting op archeologische resten te toetsen.

Op deze wijze kan de bodemopbouw, het landschap en daarmee de archeologische potentie in kaart worden gebracht. Het verkennend booronderzoek is niet de ge-eigende methode om archeologische resten uit de WOII en tuinhistorische archeologische resten nader te onderzoeken. Zie punt 4 voor de interactie met het OCE risico. 2. Sloop: Bovengrondse sloop is mogelijk, maar het is wenselijk dat ondergrondse sloop begeleid wordt als deze zones na het verkennend booronderzoek nog een hoge verwachting hebben. Het verkennende booronderzoek zal meer duidelijkheid geven over de diepteligging van zones met een hoge verwachting, maar geen duidelijkheid geven over de diepte van de bestaande fundering / verstoring ter hoogte van de bebouwde zones. KSP Archeologie heeft in de discussie aangegeven dat de kans klein is dat informatie over de omvang van deze funderingen van deze bijgebouwen in een bouwdossier aanwezig is. Daar kan de ODRU/gemeente zich in vinden. 3. Karterend boren: De archeologische verwachting kan nader worden aangescherpt op basis van de resultaten van het vooronderzoek OCE en de resultaten van het verkennend booronderzoek. In combinatie met meer duidelijkheid in de voorgenomen plannen (duidelijkheid over waar vinden welke bodemingrepen plaats) zal per ingreep blijken of en zo ja welk type archeologische onderzoek noodzakelijk is. 4.

OCE / resten militair erfgoed: De noodzaak voor onderzoek naar archeologische resten uit de Tweede Wereldoorlog is afhankelijk van de uitkomst van het historisch vooronderzoek naar niet gesprongen explosieven. De gemeente heeft aangegeven dat schuttersputjes en loopgraven niet nader archeologisch onderzocht

12

Archeologisch bureauonderzoek Rijksstraatweg 68 en 68a te Nieuwersluis. KSP Archeologie, kenmerk: 19493, 16 maart 2021.

46

hoeven te worden, maar eventuele resten zoals een Kommandobunker van de Luftwaffe of een neergestort vliegtuig wel nader onderzoek behoeven. Op 4 maart 2021 heeft de ODRU het historisch vooronderzoek Niet-gesprongen conventionele explosieven (NGCE) beoordeeld en akkoord gegaan met het advies. De ODRU adviseert de gemeente om “Het plangebied als ‘niet verdacht’ aan te merken op het aantreffen van niet gesprongen conventionele explosieven (NGCE) en geen verder onderzoek verplicht te stellen.” Het onderzoek NCGE trekt de conclusie dat er geen locaties zijn die verdacht zijn op het aantreffen van niet gesprongen conventionele explosieven. Op basis van de luchtfoto van 8 april 1945 is een rij mangaten aangetroffen net ten noorden van het plangebied. “De functie van de mangaten in dit gebied was om bij eventuele vijandelijke luchtaanvallen dekking te bieden voor personen.” “Conform de richtlijnen van het WSCS-OCE worden mangaten niet afgebakend als verdacht gebied.” (Eeftink 2020). Dat de mangaten geen verdacht gebied zijn voor NGCE betekent nog niet automatisch dat er ook geen archeologische sporen uit de Tweede Wereld verwacht worden. De mangaten liggen echter buiten het plangebied, waardoor KSP Archeologie hiernaar geen verder archeologisch onderzoek nodig acht voor dit project. 5.

Bouwhistorische resten: De gemeente en ODRU achten het kostenefficiënter om in dit stadium tijdens het verkennend booronderzoek extra boringen te zetten op de locaties waar resten van historische bebouwing verwacht worden. Op deze manier is het waarschijnlijk niet nodig om de door KSP Archeologie voorgestelde omvang voor geofysisch onderzoek aan te houden en kan in een mogelijk opvolgende onderzoekstadium gerichter (geofysisch) onderzoek worden uitgevoerd. 6. Tuinhistorische resten. KSP Archeologie en de gemeente, geadviseerd door de ODRU, hebben een discussie gehad over de noodzaak tot nader onderzoek naar de tuinhistorische archeologische resten in het plangebied. De gemeente Stichtse Vecht heeft aangegeven dat de laatste fases van de tuinaanleg vermoedelijk nog een goede fysieke kwaliteit hebben, omdat deze nog goed herkenbaar zijn op de historische kaarten en het AHN. De voorlopige inschatting dat de tuinhistorische resten niet behoudenswaardig zijn lijkt voorbarig. De gemeente, geadviseerd door de ODRU is van mening dat hier (proefsleuven)onderzoek (i.c.m. botanisch onderzoek (cultivars)) nodig is om de tuinhistorische resten te kunnen waarderen.. Ook hier geldt dat onderzoek afhankelijk is van de plannen van de initiatiefnemer waar en hoe diep ingrepen plaatsvinden.

Dit gravend onderzoek hoeft pas plaats te vinden na het verkennend booronderzoek in combinatie met onderzoek om ook andere verwachtingen toetsen. Archeologisch vervolgonderzoek Ter plaatse van het plangebied wordt het benodigde archeologisch vervolgonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek zal voorafgaand aan het verlenen van de omgevingsvergunning uitgevoerd moeten zijn. Conclusie Ter plaatse van het plangebied is de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 3’ opgenomen. Op deze wijze is de bescherming van eventuele archeologische waarden gewaarborgd.

47

4.14

Cultuurhistorie Algemeen Door de wijziging van artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Toetsing Beschermd stads- en dorpsgezicht Het plangebied ligt binnen het beschermd dorpsgezicht Nieuwersluis. Het inrichtingsplan voor buitenplaats Ouderhoek is getoetst aan de te beschermen waarden van de 13 het beschermd dorpsgezicht . Deze toets is als bijlage bij het plan gevoegd. Geconcludeerd wordt dat het plan niet in conflict is met het beschermd dorpsgezicht Nieuwersluis en zal positief bijdragen aan herkenbaarheid van de te beschermen waarden. Voormalige buitenplaats Het voorliggende plan ziet op de realisatie van een buitenplaats. In het verleden is op deze locatie ook een buitenplaats aanwezig geweest. In de tuinhistorische quick scan Ouderhoek en het voorlopig ontwerp voor buitenplaats Ouderhoek zijn de cultuurhistorische waarden van deze locatie beschreven. Deze quick scan en het voorlopig ontwerp zijn als bijlage bij het plan gevoegd. Met de inrichting van de nieuwe buitenplaats wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de kenmerken van deze historische buitenplaats. Het voorliggende plan houdt hierdoor rekening met de aanwezige cultuurhistorische waarden.

Bovendien worden door het opnieuw realiseren van een buitenplaats op deze locatie, deze cultuurhistorische waarden weer beleefbaar gemaakt. Conclusie Het aspect cultuurhistorie is geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

4.15

Verkeer en parkeren Verkeer Onderhavig plan voorziet in de realisatie van een buitenplaats, waaronder de verplaatsing van een woning. Het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied blijft gelijk. In de huidige situatie wordt de locatie met een uitrit ontsloten op de Rijksstraatweg. In de toekomstige situatie wordt gebruik gemaakt van dezelfde uitrit. In de toekomstige situatie zal het verkeer zonder problemen kunnen worden afgewikkeld op de omringende wegen.

13

Ouderhoek te Nieuwersluis, herontwikkeling voormalige buitenplaats, toetsing UNESCO Nieuwe Hollandse Waterlinie, Stichting in Arcadië, 22 oktober 2019.

48

Parkeren De gemeente Stichtse Vecht heeft het parkeerbeleid opgenomen in het Gemeentelijk Verkeer- en Vervoerplan Stichtse Vecht 2013. Voor woningen in de categorie ’koopvrijstaand’ geldt in het buitengebied een parkeernorm van 2,5 parkeerplaatsen per woning. In de toekomstige situatie is er één woning aanwezig op het perceel. Het perceel biedt voldoende ruimte om op eigen erf parkeerplaatsen te realiseren. In de regels van het voorliggende plan is bovendien geborgd dat moet worden voorzien in de aanleg van voldoende parkeerplaatsen. Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

49

5 5.1

Economische uitvoerbaarheid Inleiding Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6, eerste lid, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de financiële uitvoerbaarheid van het plan. Doorgaans is relevant de vraag of er gemeentelijke kosten zijn en hoe deze verhaald worden. Deze vraag omhelst tevens eventuele planschade.

5.2

Beoordeling plan Sinds de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) op 1 juli 2008 is het onder omstandigheden verplicht om aan het opstellen van een bestemmingsplan een exploitatieplan te koppelen. Er is sprake van een bouwplan als bedoeld in artikel 6.12, lid 1 van de Wro als onderdeel van afdeling 6.4 inzake de grondexploitatie. Een exploitatieplan is niet verplicht indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie van de in het plan opgenomen gronden op een andere wijze is verzekerd (artikel 6.12, lid 2 sub a Wro). Het project zelf wordt op particulier initiatief gerealiseerd. De kosten in verband met de realisatie van de ontwikkeling van de locatie zijn dan ook voor rekening van de initiatiefnemer. De kosten voor het volgen van de bestemmingsplanprocedure zullen via de gemeentelijke legesverordening en de anterieure exploitatieovereenkomst aan de initiatiefnemer worden doorberekend. De realisatie van het project heeft geen gevolgen voor de eigendommen, of andere zakelijke rechten van derden.

50

6 6.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid Omgevingsdialoog Ten einde direct omwonenden en belanghebbenden te informeren over de herontwikkeling van Rijksstraatweg 68 in Nieuwersluis, heeft een omgevingsdialoog plaatsgevonden. Dit plan is op 2 manieren gepresenteerd aan omwonenden en belanghebbenden: 1. Publicatie planvoornemen in Huis aan Huis Blad het Nieuwersluiszertje; 2. Persoonlijke gesprekken met omwonenden. Het verslag van de omgevingsdialoog is als bijlage bij het plan gevoegd (zie bijlage 14).

6.2

Overleg Conform artikel 3.1.1. van het Bro dienen burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In dit kader is het bestemmingsplan voor advies toegezonden aan de provincie Utrecht en Waterschap Amstel, Gooi en Vecht. Hieronder volgt een samenvatting van de reactie en een beantwoording daarop. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht Het waterschap heeft een opmerking gemaakt over de bestaande natuurvriendelijke oever naast het plangebied en het planten van bomen op de waterkering. Verder bestond er enige onduidelijkheid over de bestaande steiger. Reactie De toelichting en de bijlage waterhuishouding zijn hierop aangepast en op de verbeelding en in de regels is een aanduiding steiger opgenomen. Provincie Utrecht De provincie heeft ingestemd met het bestemmingsplan. Ter versterking van het plan hebben zij een aantal opmerkingen gemaakt met het advies deze mee te nemen. Woonhuis De provincie adviseert de maximale bouwhoogte te beperken tot 11 of 12 meter om de samenhang van de Historische Buitenplaatsenzone (CHS) niet te verstoren.

Uit omliggende bestemmingsplannen blijkt dat er steeds een maximale hoogte is aangegeven van 11 m. Buitenplaatsen langs de Vecht bestaan daarnaast uit twee lagen met een kap. Reactie Uit een vergelijking van omliggende buitenplaatsen en bestemmingsplannen blijkt een verscheidenheid aan bouwhoogten mogelijk te zijn gemaakt. De toegestane bouwhoogten varieert van 11 tot 16 meter. In het bestemmingpslan is een bouwhoogte van 15 m toegestaan. Dit past binnen de omgeving. Deze hoogte is dan ook niet aangepast. 51

Vijverpartij Het advies is de vijverpartij aan de zuidoostzijde te versmallen. Dit doet meer recht aan de referentie naar de oorspronkelijke formele tuinaanleg in de vorm van de nieuwe omheinde boomgaard. Reactie Dit advies is niet verwerkt. De vorm van de vijverpartij is het resultaat van een zorgvuldig ontwerpproces. Er is bewust gekozen om de 'wereld' van de formele tuinaanleg en landschapsstijl op deze manier te combineren. Accent op assen De belangrijkste langs-as (evenwijdig aan de Vecht) kan worden versterkt door niet een ovaal voorplein te maken voor de nieuwe woning, maar te kiezen voor een rond accent op de kruising van beide assen (dwars-as en langs-as). Reactie Dit advies is verwerkt en het ontwerp is aangepast waarbij de het voorplein ronder is gemaakt. Archeologie Er geldt een bestemming Waarde Archeologie 3, met ondergrenzen van 500 m2 en 0,3 m onder maaiveld. De provincie vindt deze ondergrens te ruim op een terrein waarvan bekend is dat er archeologische resten van een buitenplaats en tuininrichting aanwezig zijn. Reactie Dit advies is niet overgenomen. Waarde Archeologie 3 is reeds van kracht op basis van het huidige bestemmingsplan. Daarnaast is archeologisch vooronderzoek uitgevoerd en wordt het archeologisch vervolgonderzoek afgestemd met de gemeente.

6.3

Zienswijzen Op de bestemmingsplanprocedure is afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht van toepassing. In navolging hiervan heeft het ontwerpbestemmingsplan van vrijdag 1 oktober tot en met donderdag 11 november ter inzage gelegen. Gedurende deze periode is iedereen in de gelegenheid gesteld met een zienswijze te reageren op de inhoud van het ontwerpbestemmingsplan. Er is één zienswijze ingediend. In de Nota zienswijzen is deze zienswijze samengevat en van een antwoord voorzien. Daarnaast zijn hierin de verwerkte ambtshalve aanpassingen aangegeven. De Nota zienswijzen is als bijlage bij het voorliggende plan gevoegd (bijlage 15).

52

7 7.1

Wijze van bestemmen Inleiding Dit bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, de planregels en een verbeelding. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijbehorende regels worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld:  Via een aanduiding. Een aanduiding is een teken op de verbeelding, bestaande uit een lijn, een figuur, een lettercode etc.. Via een aanduiding wordt in de planregels iets specifieks geregeld. Dit kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook eigen regels hebben;  Via een dubbelbestemming. Een dubbelbestemming betekent dat voor gronden meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één ‘enkel’ bestemming en soms gelden er een of meerdere dubbelbestemmingen.

In de regels van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra regels in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan.

7.2

Algemene methodiek Verbeelding Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen worden opgenomen. Deze aanduidingen hebben alleen een juridische betekenis als in de planregels aan de betreffende aanduiding een gevolg wordt verbonden. Een aantal aanduidingen heeft juridisch gezien geen betekenis en is uitsluitend opgenomen ten behoeve van de leesbaarheid van de verbeelding (bijvoorbeeld topografische gegevens). Planregels De planregels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: 1 Inleidende regels: in dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de planregels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de planregels te waarborgen. Ook is de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de planregels (artikel 2) bepaald; 53

2 Bestemmingsregels: in dit tweede hoofdstuk zijn de regels van de bestemmingen opgenomen. Het betreft regels voor het toegestane gebruik en bouwregels. Als er dubbelbestemmingen zijn worden die ook in dit hoofdstuk opgenomen, achter de bestemmingsregels. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moeten worden. Alleen zo ontstaat een volledig beeld; 3 Algemene regels: in dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Het zijn achtereenvolgens een antidubbeltelregel en algemene bouw-, gebruiks-, afwijkings-, wijzigings-, procedureen overige regels; 4 Overgangs- en slotregels: in het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk overgangsregels en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.

7.3

Specifieke regeling in dit bestemmingsplan De planregels in dit bestemmingsplan zijn opgezet aan de hand van hetgeen in voorgaande paragraaf beschreven is. Dit bestemmingsplan maakt de vormverandering van een agrarisch bouwvlak mogelijk. Er is in de regeling zoveel mogelijk aangesloten bij de uniforme regelingen uit planregels van overige bestemmingsplannen van Stichtse Vecht, in het bijzonder de bestemmingsplannen ‘Rondom de Vecht’ en het bestemmingsplan ‘Nieuwersluis’ waarvan op 1 juli 2019 het voorontwerp in procedure is gebracht. De nieuwe aanGebruiksmogelijkheden en bebouwingsmogelijkheden sluiten dus zo veel mogelijk aan bij bestaande gemeentelijke regelingen.

7.3.1

Beschrijving van de hoofdbestemmingen Het bestemmingsplan kent de volgende bestemmingen:  Buitenplaats  Groen  Tuin  Verkeer  Water  Wonen ‘Buitenplaats’ De bestemming ‘Buitenplaats’ bestrijkt het grootse gedeelte van het plangebied. Binnen deze bestemming zijn functies toegestaan die zien op het behoud, herstel en beheer van landschappelijke-, cultuurhistorische- en natuurwaarden in de vorm van tuinen, parken, bossen, waterpartijen. Daarnaast kunnen gronden binnen deze bestemming gebruikt worden ten dienste van de aanwezige hoofdgebouwen binnen de bestemming ‘wonen’. Verder is ter plaatse van de aanduiding ‘bed & breakfast’ een bed & breakfast toegestaan. Bouwwerken zijn binnen de bestemming ‘buitenplaats’ alleen toegestaan ten dienste van de bestemming ‘Wonen’. Voor bijbehorende bouwwerken geldt een maximale op2 pervlakte van 400 m .

54

Voor bouwwerken geldt een maximum goothoogte van 3 m en een maximum bouwhoogte van 6 m, tenzij de bestaande goot- of bouwhoogte hoger is. ‘Groen’ De gronden binnen de bestemming ‘Groen’ kunnen hoofdzakelijk worden gebruikt voor groenvoorzieningen, bermen en beplantingen, dagrecreatief medegebruik, speelvoorzieningen, in- en uitritten en water en watergangen. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van groen - jaagpad’ is een jaagpad toegestaan. Binnen deze bestemming zijn geen bouwwerken toegestaan. Bouwwerken geen gebouw zijnde, zijn uitsluitend toegestaan ten dienste van de bestemming. ‘Tuin’ De gronden deze bestemming zijn bestemd voor gebruik als tuin. Daarnaast zijn er ter plaatse van de aanduiding ‘erf’ tevens erven toegestaan ten behoeve van op aangrenzende gronden gelegen woonschepen; Gebouwen zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak. De goot- en bouwhoogte mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding ‘maximum goothoogte m, maximum bouwhoogte m’ is aangegeven. ‘Verkeer’ De gronden binnen de bestemming ‘Verkeer’ zijn bestemd voor wegen, parkeervoorzieningen en reclameborden. Gebouwen zijn uitsluitend toegestaan ten behoeve van nutsvoorzieningen. Bijbehorende bouwwerken zijn niet toegestaan. ‘Water’ De gronden binnen de bestemming ‘Water’ zijn hoofdzakelijk bestemd voor water en waterlopen.

Daarnaast kunnen de gronden worden gebruikt als bewonersligplaats, bezoekersligplaats voor recreatievaartuigen en halte- en wachtligplaats passagiersschepen. Binnen de bestemming zijn geen gebouwen toegestaan. Ter plaatse van de aanduiding ‘Steiger’ is de aanleg van een steiger toegestaan. Hiervoor gelden aanvullende bouwregels. De steiger moet evenwijdig aan de oever worden gebouwd. De breedte en diepte mogen maximaal 10,5 respectievelijk 1,1 m bedragen. De bouwhoogte mag de hoogte van het streefpeil niet overschrijden, met een maximum van 0,45 m boven de waterlijn ‘Wonen’ De bestemming ‘Wonen’ voorziet in een gebruik van de aangewezen gronden voor wonen op een buitenplaats of landgoed. Daarnaast bestaat er de mogelijkheid voor een aan-huis-verbonden beroep, kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten of kleinschalige verblijfsrecreatie. Ter plaatse van de aanduiding ‘specifieke vorm van wonenlandhuis’ is een hoofdgebouw toegestaan en ter plaatse van de aanduiding ‘wonen’ is een woning toegestaan.

55

Hoofdgebouwen zijn binnen deze bestemming uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak, waarbij slecht één wooneenheid is toegestaan. Een hoofdgebouw heeft een 2 3 maximale oppervlakte van 250 m en een maximale inhoud van 2500 m . De bouwhoogte van een hoofdgebouw bedraagt maximaal 15 m. 7.3.2

Beschrijving van de dubbelbestemmingen Het bestemmingsplan bevat de volgende dubbelbestemmingen:  Waarde - Archeologie 3  Waarde - Beschermd stads- en dorpsgezicht  Waarde - Cultuurhistorie  Waarde - Ecologie  Waterstaat - Natuurvriendelijke oever  Waterstaat - Oeverzone  Waterstaat - Waterkering Deze dubbelbestemmingen zijn opgenomen ter bescherming van de genoemde waarden en waterstaatkundige belangen. De dubbelbestemmingen hebben een beperkende werking op de gebruiks- en bouwmogelijkheden van de betrokken hoofdbestemmingen. Op de verbeelding is aangegeven op welke gronden een of meer dubbelbestemmingen van toepassing zijn.

7.3.3

Voorwaardelijke verplichting In artikel 16.3 van de planregels van het bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Deze voorwaardelijke verplichting houdt in dat bouwwerken binnen het plangebied uitsluitend in gebruik mogen worden genomen, indien de landschappelijke inpassing is aangelegd conform het bij de regels opgenomen voorlopig ontwerp.

56

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raadsinformatie.stichtsevecht.nl/api/v1/meetings/1790/documents/39143