Toelichting BP Nieuwersluis 20-06-2024.pdf
Tekst van het document
De GGD hanteert een zogenaamde gezondheidseffectscreening (GES), een screeningsmethode om de blootstelling aan diverse milieuaspecten met verschillende gezondheidseffecten, ook onder grenswaarden, gezondheidskundig te kunnen beoordelen. De WHO hanteert advieswaarden voor fijn stof vanaf een bepaalde drempel waarin aantoonbare gezondheidsklachten kunnen voorkomen Grenswaarden In bijlage 2 van de Wet milieubeheer zijn de richtwaarden en de grenswaarden opgenomen voor een aantal luchtvervuilende stoffen. De belangrijkste zijn weergegeven in tabel 1. De advieswaarde van de WHO voor fijn stof is eveneens opgenomen. De concentraties van de overige stoffen benaderen de grenswaarden en richtwaarden in Nederland niet. Er hoeft daarom niet te worden getoetst aan deze richtwaarden en grenswaarden en zijn dus niet opgenomen in onderstaande tabel. Wettelijke WHOgrenswaarde advieswaarde Stof Type Norm Concentratie Concentratie Max.
overschrijdingen (µg/m3) (µg/m3) per jaar Stikstofdioxide jaargemiddelde 40 (NO2) uurgemiddelde 200 18 Fijn stof (PM10) jaargemiddelde 40 20 daggemiddelde 50 35 Fijner stof jaargemiddelde 25 10 (PM2,5) 20* Tabel 1: Grenswaarden stikstofdioxide en fijn stof van bijlage 2 Wet milieubeheer * = indicatieve grenswaarde (EU) Achtergrondinformatie luchtverontreinigende stoffen Stikstofdioxide (NO2) Een concentratie tot 10 microgram per kuub voor stikstofdioxide wordt door de landelijke GGD (handboek voor een gezonde inrichting van de leefomgeving - 2018) bestempelt als zijnde Pagina 48
Toelichting, Bestemmingsplan Nieuwersluis, Stichtse Vecht
milieugezondheidskwaliteit goed. Boven de 20 microgram wordt de kwaliteit als matig bestempelt en boven de 30 microgram onvoldoende. De wettelijke jaargemiddelde concentratie ligt met 40 microgram per kuub daar aanzienlijk boven. Fijn stof (PM10) Fijn stof draagt volgens de huidige inzichten bij aan ruim 75% van alle ziektelast van milieufactoren. Daarnaast is van fijn stof bekend dat er ook significant schadelijke effecten zijn op de gezondheid beneden de wettelijke grenswaarde van 40 microgram per kuub. De Wereld Gezondheid Organisatie hanteert daarom een advieswaarde van 20 microgram per m3. Een concentratie van boven de 20 microgram per kuub voor fijn stof wordt door de landelijke GGD bestempelt als zijnde milieugezondheidskwaliteit onvoldoende en boven de 30 microgram als zijnde zeer onvoldoende. De wettelijke jaargemiddelde concentratie ligt daar dus aanzienlijk boven. Fijner stof (PM2,5) Fijner stof (PM2,5) is een belangrijke schadelijke component van fijn stof. De Wereld Gezondheid Organisatie hanteert daarom een advieswaarde van 10 microgram per m3. Een concentratie van boven de 10 microgram per kuub voor fijner stof wordt door de landelijke GGD bestempelt als zijnde milieugezondheidskwaliteit onvoldoende en boven de 14 microgram als zijnde zeer onvoldoende. De wettelijke jaargemiddelde concentratie ligt met 25 microgram per kuub daar aanzienlijk boven.
Elementair koolstof (roet) Elementair koolstof is een maat voor de massa van roetdeeltjes in fijn stof en is daardoor een goede indicator voor te verwachten geuroverlast. Er gelden geen formele grenswaarden voor elementair koolstof. Roet is een verzamelnaam voor zwarte deeltjes in de lucht, die ontstaan bij onvolledige verbranding. De belangrijkste bronnen voor roet zijn het wegverkeer (met name uitstoot van roetdeeltjes uit dieselmotoren), industriële bronnen en huishoudens (open haarden en kachels). In steden draagt het verkeer voor circa 50% bij aan de heersende roetconcentraties. Als vuistregel wordt op dit moment voor het gezondheidseffect 6 maanden “levensjaar” winst per microgram/kuub verlaagde EC concentraties gehanteerd (Commissie voor de milieueffectrapportage). De gehanteerde advieswaarden van WHO en GGD ligt aanzienlijk lager dan de wettelijke grenswaarden. Pas als aan deze waarden wordt voldaan kan vanuit een goede motivering worden gesproken over acceptabele concentraties en goed woon- een leefklimaat. Besluit gevoelige bestemmingen Kinderen, ouderen en zieken zijn gevoeliger voor luchtvervuiling en worden daarom extra beschermd. Op basis van het Besluit gevoelige bestemmingen gelden voor gevoelige bestemmingen nabij wegen zwaardere beperkingen.
Zo mogen binnen 300 meter van rijkswegen en 50 meter vanaf provinciale wegen geen bestemmingen voor langdurig verblijf als kinderdagverblijven, scholen of verzorgingstehuizen worden gebouwd, als de wettelijke grenswaarden worden overschreden. Het Besluit verplicht overheden om onderzoek uit te voeren naar de concentraties stikstofdioxide en fijn stof. Voor gemeentelijke wegen geldt een zwaardere motiveringsplicht. Situatie plangebied De Omgevingsdienst regio Utrecht heeft de concentraties stikstofdioxide en fijn stof voor het jaar 2015 berekenend met het rekenmodel GeoMilieu, versie 4.00. In dit rekenmodel is het rekenhart STACKS geïntegreerd, welke voldoet aan de Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007. De hieruit voortgekomen concentraties zijn weergegeven in figuren 3 t/m 9.
Pagina 49
Toelichting, Bestemmingsplan Nieuwersluis, Stichtse Vecht
Planspecifiek Uit de figuren is af te leiden dat de concentraties stikstofdioxide voor 2015 uitkomt op maximaal 22 µg/m3 en voor 2025 maximaal op 16 µg/m3. De landelijke GGD classificeert de luchtkwaliteit voor NO 2 voor 2015 als zijnde matig, en 2025 als vrij matig, maar de wettelijk toegestane jaargemiddelde grenswaarde van 40 microgram per m3 wordt niet overschreden. De uurgemiddelde grenswaarde voor stikstofdioxide van 200 microgram per m3 wordt overschreden wanneer de concentraties gemiddeld op jaarbasis boven de 60 microgram per m3 uitkomen. De concentraties in het plangebied overschrijden nergens de grens van 60 microgram per m3, wat betekent dat voor het plangebied aan de uurgemiddelde grenswaarde wordt voldaan voor de jaren 2015 en 2025. Voor fijn stof (PM10) bedraagt de concentratie voor 2015 maximaal 24 µg/m3 en voor 2025 maximaal op 22 µg/m3. Ook hier wordt de wettelijk toegestane jaargemiddelde grenswaarde van 40 microgram per m3 niet overschreden voor zowel het jaar 2015 als 2025. Aan de WHO-advieswaarde van 20 microgram per m3 wordt niet voldaan. De landelijke GGD beoordeelt de concentratie als zijnde onvoldoende. Naast een jaargemiddelde grenswaarde voor fijn stof is er ook een daggemiddelde grenswaarde van 50 microgram per m3 van kracht, die per jaar 35 keer mag worden overschreden.
Uit statistische vergelijkingen van TNO en het RIVM blijkt dat deze grenswaarde bij een concentratie van circa 31,3 microgram per m3 vaker dan 35 keer wordt overschreden. Aangezien de concentratie fijn stof in het plangebied niet boven de 31,3 microgram per m3 uitkomt in de jaren 2015 en 2025, wordt aan deze daggemiddelde grenswaarde voldaan. Uit figuur 3 blijkt dat de concentraties voor fijner stof (PM2,5) in 2015 uitkomt op maximaal 15 µg/m3 en voor 2025 maximaal op 13 µg/m3. Hiermee wordt voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarde (25 microgram per m3). Aan de WHO-advieswaarde van 10 microgram per m3 wordt niet voldaan. De landelijke GGD beoordeelt de concentratie in 2015 als zijnde zeer onvoldoende en 2025 als ruim onvoldoende. Uit figuur 4 is te zien dat de concentratie elementair koolstof (EC) op maximaal 0,7 µg/m 3 uitkomt. EC is een maat voor de massa van roetdeeltjes in fijn stof en is daardoor een goede indicator voor te verwachten geuroverlast. Er gelden geen formele grenswaarden voor elementair koolstof. Roet is een verzamelnaam voor zwarte deeltjes in de lucht, die ontstaan bij onvolledige verbranding. De belangrijkste bronnen voor roet zijn het wegverkeer (met name uitstoot van roetdeeltjes uit dieselmotoren), industriële bronnen en huishoudens (open haarden en kachels). In steden draagt het verkeer voor circa 50% bij aan de heersende roetconcentraties.
Voor het gehele plangebied worden de grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof (PM10 en PM2,5) niet overschreden voor zowel het peiljaar 2015 als het peiljaar 2025. Dit betekent dat er wordt voldaan aan het wetgevende kader voor luchtkwaliteit, zoals vastgelegd in hoofdstuk 5.2 van de Wet milieubeheer. Vanuit een goede ruimtelijke ordening blijkt dat aan de WHO-advieswaarden voor fijn(er) stof, in peiljaar 2015 nog niet wordt voldaan. De toekomst prognose geeft aan dat voor PM 10 de advieswaarden worden benaderd, en dat voor PM2,5 de concentratie wel daalt maar nog boven de advieswaarde uitkomt. De landelijke GGD beoordeelt de luchtkwaliteit voor NO 2 als vrij matig, fijn stof als onvoldoende en fijner stof als ruim onvoldoende tot zeer onvoldoende. In de toekomst wordt NO 2 beoordeeld als redelijk tot vrij matig, fijn stof als zeer matig tot onvoldoende en fijner stof als ruim onvoldoende.
Pagina 50
Toelichting, Bestemmingsplan Nieuwersluis, Stichtse Vecht
Figuur 3 – Concentraties stikstofdioxide in 2015 in het plangebied (18-22 microgram per m3)
Figuur 4 – Concentraties fijn stof (PM10) in 2015 in het plangebied (22-24 microgram per m3)
Pagina 51
Toelichting, Bestemmingsplan Nieuwersluis, Stichtse Vecht
Figuur 5 – Concentraties fijn stof (PM2,5) in 2015 in het plangebied (14-15 microgram per m3)
Figuur 6 – Concentraties elementair koolstof (EC) in 2015 in het plangebied (0-0,9 microgram per m3)
Pagina 52
Toelichting, Bestemmingsplan Nieuwersluis, Stichtse Vecht
Figuur 7 – Concentraties stikstofdioxide in 2025 in het plangebied (12-16 microgram per m3)
Figuur 8 – Concentraties fijn stof (PM10) in 2025 in het plangebied (20-22 microgram per m3)
Pagina 53
Toelichting, Bestemmingsplan Nieuwersluis, Stichtse Vecht
Figuur 9 – Concentraties fijn stof (PM2,5) in 2025 in het plangebied (12-13 microgram per m3)
4.4
Bodem
Wettelijk Kader Hoofdlijnen bodem(sanerings)beleid Bij het opstellen van een bestemmingsplan is de vraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van de bodem en, ingeval van de aanwezigheid van bodemverontreiniging, hoe bodemgebruik en bodemkwaliteit optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Het uitgangspunt hierbij is dat aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbare risico oplevert voor mens en milieu. Nieuwe bodemverontreiniging moet worden voorkomen en indien er toch nieuwe bodemverontreiniging ontstaat, dient deze direct te worden opgeruimd. Bij verontreinigingen die voor 1987 ontstaan zijn (zogenaamde erfenisgevallen) zal bij de sanering, naast de milieuhygiënische aspecten, ook naar de kosteneffectiviteit van de saneringsmaatregelen worden gekeken. Uitgangspunt bij de aanpak van erfenisgevallen is dat de risico’s beheersbaar worden en blijven.
Indien er geen sprake is van ontwikkelingen of indien er sprake is van ontwikkelingen die niet in het bestemmingsplan worden meegenomen is het niet noodzakelijk om de bodemkwaliteit binnen het gehele plangebied vast te stellen, maar kan volstaan worden met een conclusie over de algehele bodemkwaliteit op basis van een inventarisatie van: reeds uitgevoerde bodemonderzoeken, bekende (voormalige) bodembedreigende activiteiten en geregistreerde gevallen van (vermoedelijk) ernstige bodemverontreiniging. Als er sprake is van ontwikkelingen is het van belang om na te gaan of de bodemkwaliteit een belemmering vormt bij de beoogde ontwikkelingen. Onder ontwikkelingen kan hier verstaan worden: bouwen, aanleg van voorzieningen, infrastructuur e.d. Er kunnen hierbij verschillende wettelijke kaders aan de orde zijn. Bij bouwen is vaak de Woningwet van toepassing en bij grondverzet is vaak het Besluit bodemkwaliteit van toepassing. Bij een wijziging van de bestemming of functie van een terrein, waarbij geen sprake is van bouwactiviteiten waarvoor een bodemonderzoek vereist is, wordt een bodemonderzoek alleen noodzakelijk geacht wanneer deze wijziging tevens een gevoeligere bodemgebruiksvorm qua blootstellingsrisico’s inhoudt (bijvoorbeeld van bedrijvigheid naar wonen).
Pagina 54
Toelichting, Bestemmingsplan Nieuwersluis, Stichtse Vecht
Bouwen De Woningwet is het wettelijke instrument voor een gemeente om te regelen dat bouwwerken alleen gebouwd worden op grond die daarvoor milieuhygiënisch geschikt is. De eisen die aan een bodemonderzoek ten behoeve van een omgevingsvergunning voor het bouwen gesteld worden zijn o.a. geregeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) met bijbehorende regelingen en in de gemeentelijke bouwverordening. Bij een omgevingsvergunning voor het bouwen kan alleen een bodemonderzoek worden geëist als het gaat om een bouwwerk waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven en dat contact maakt met de grond. Asbest Voorafgaand aan de sloop van een bouwwerk dat gebouwd is voor 1 januari 1994, dient altijd een asbestinventarisatie plaats te vinden. Indien asbest op, in of aan het bouwwerk aangetroffen wordt, dient dit door een erkend asbestsaneringsbedrijf verwijderd te worden. Bij een bodemonderzoek wordt tegenwoordig altijd visueel aandacht besteed aan de aanwezigheid van asbest in de bodem. Pas als voor het te bebouwen terrein een asbest-vrij verklaring is afgegeven en het terrein ook verder vrij is van afval en andere ongewenste materialen, kan met de daadwerkelijke bouw worden begonnen. Bij de advisering omtrent de bodemgeschiktheid zullen ook de asbestinventarisatieresultaten betrokken worden.
Gemeentelijk bodembeleid Het Besluit bodemkwaliteit vormt het kader voor het bodembeheer in Nederland. Dit besluit is sinds 1 januari 2008 van kracht en stelt eisen aan de toepassing van grond en bagger. Bij ruimtelijke ontwikkelingen wordt nagegaan of de bodemkwaliteit aansluit bij de (toekomstige) functie. Hierbij vormt het Besluit bodemkwaliteit het toetsingskader. Een gemeente kan het bodembeleid baseren op het generieke kader (dan gelden er landelijk vastgestelde Maximale Waarden bij toepassing van grond/bagger) of op een gebiedsgericht kader (dan worden er Lokale Maximale Waarden vastgesteld door de gemeenteraad). Bij bodemsaneringen wordt de vereiste terugsaneerwaarde bepaald door de geldende bodemfunctie (als geen bodemkwaliteitskaart is vastgesteld), dan wel door de achtergrondwaarde van een zone (ingeval er wel een bodemkwaliteitskaart is vastgesteld). De RUD, die namens de provincie Utrecht bevoegd gezag is voor het beoordelen van saneringsplannen en BUS-meldingen, hanteert altijd de Bodemfunctieklassenkaart om de terugsaneerwaarde te bepalen. De Omgevingsdienst regio Utrecht vindt dit echter niet in alle gevallen logisch en hanteert bij het beoordelen van plannen voor de aanpak van niet-ernstige gevallen de bodemkwaliteiteitskaart (kaartlaag: Ontgravingskaart).
De gemeente Stichtse Vecht heeft in 2015 gebiedsspecifiek grondstromenbeleid met bijbehorende bodemkwaliteitskaart vastgesteld. In de Nota Bodembeheer is het beleidskader beschreven en zijn de gebiedsspecifieke regels uitgewerkt.. Op de bodemkwaliteitskaart zijn bodemkwaliteitszones onderscheiden op basis van bodemgebruik, bodemopbouw en bebouwingshistorie. Aan de hand van deze kaart kan de verwachte ontgravingskwaliteit van de grond worden bepaald en is te zien welke kwaliteitseisen gelden bij de toepassing. Planspecifiek Op de bodemkwaliteitskaart is per bodemkwaliteitszone de gemiddelde bodemkwaliteit vastgesteld voor niet-bodemverdachte terreinen. Het onderhavig plangebied valt in meerdere bodemkwaliteitszones, waarvan de bodemkwaliteit verschilt. Voor de bovengrond betreft dit ‘Achtergrondwaarde (AW2000)’, ‘Wonen’ en ‘Industrie’. Voor de ondergrond betreft dit ‘Achtergrondwaarde (AW2000)’ en ‘Wonen’. Daar waar de bovengrond kwaliteit ‘Industrie’ heeft, heeft de ondergrond kwaliteit ‘Wonen’ en daar waar de bovengrond kwaliteit ‘Wonen of ‘Achtergrondwaarde (AW2000)’ heeft, heeft de ondergrond kwaliteit ‘Achtergrondwaarde (AW2000)’ Pagina 55
Toelichting, Bestemmingsplan Nieuwersluis, Stichtse Vecht
Lijst bekende bodemonderzoeken • Stationsweg 24-26 Nieuwersluis: verkennend onderzoek NEN 5740 20-4-1994 en verkennend onderzoek 3-11-2000 NEN 5740; • Rijksstraatweg 68 Nieuwersluis: Verkennend onderzoek NEN 5740 25-3-2003; • Grachtje 14-24 Nieuwersluis: verkennend onderzoek NEN 5740 1-5-2004 en saneringsevaluatie 8-6-2006; • Rijksstraatweg nabij 49 Nieuwersluis saneringsevaluatie 11-2-2015; • Rijksstraatweg 39 Nieuwersluis: Historisch onderzoek 18-9-1997; • Rijksstraatweg 35 Nieuwersluis: Verkennend onderzoek NEN 5740 23-6-1994 en Verkennend onderzoek NEN 5740 BOOT 15-12-1998; • Rijksstraatweg 30 Nieuwersluis: Historisch onderzoek 28-11-1998 en Verkennend onderzoek NEN 5740 7-1-1999; • Rijksstraatweg 13-17 Nieuwersluis, nader onderzoek 27-10-1988, saneringsplan 1-6-1989, saneringsevaluatie 1990, nazorgrapportages 1990-1994, saneringsevaluatie 1-6-1995; • Rijksstraatweg 7B (Fort Nieuwersluis) Nieuwersluis, diverse onderzoeken 1992-2012, saneringsevaluatie 20-2-2013; • Zandpad 17 Nieuwersluis: oriënterend onderzoek 1-1-1994; • Zandpad 14 Nieuwersluis: Verkennend onderzoek NEN 5740 6-9-1996 en verkennend onderzoek NEN 5740 27-5-2005; • Zandpad 3 Nieuwersluis: Nader onderzoek 24-10-1997, saneringsplan 18-3-1999 en saneringsevaluatie 26-4-2000; • Mijndensedijk 76 Nieuwersluis: Nul- of eindsituatieonderzoek 5-2-1997 en Verkennend onderzoek NEN 5740 24-10-1997; • Mijndensedijk 66-70
Nieuwersluis; meldingsformulier BUS saneringsplan 7-1-2015 • Mijndensedijk 64 Nieuwersluis: Naderonderzoek 28-6-1995; • Mijndensedijk 59 Nieuwersluis: Verkennend onderzoek NEN 5740 27-2-2006; • Mijndensedijk 57 Nieuwersluis: Verkennend onderzoek NEN 5740 28-4-1998; • Mijndensedijk 55 Nieuwersluis: Verkennend onderzoek NEN 5740 2-7-2004 en briefrapport (historisch onderzoek 2-11-2004; • Mijndensedijk 53 Nieuwersluis: Verkennende onderzoeken NEN 5740 28-12-2004, 22-7-2008, 29-8-2008 en 5-10-2009; aanvullend rapport 26-5-2009; • Mijndensedijk 53 Nieuwersluis (stort): Vijf onderzoeken als NAVOS locatie 1-11-1999, 1-7-2003, 2-8-2006, 9-7-2009 en 1-12-2015; • Mijndensedijk 53D Nieuwersluis: Verkennend onderzoek en aanvullen (water)bodem- en asbest bodemonderzoek 11-4-2016; • Mijndensedijk 34-36 Nieuwersluis; oriënterend onderzoek 4-8-1997; saneringsplan 4-8-1997, saneringsevaluatie 13-12-1999 en saneringsplannen 5-2-2009 en 23-11-2011 • Baggerplan Vecht en zijwateren; 23 rapporten 2007-2018 Bodembedreigende activiteiten binnen het plangebied In onderstaande figuur wordt een globaal overzicht weergegeven van de bekende bodembedreigende activiteiten binnen het plangebied. Gedempte sloten worden als bodemverdacht aangemerkt omdat de herkomst en aard van het slootdempingsmateriaal vaak niet bekend is.
Naast gedempte sloten kunnen als meest voorkomende bodembedreigende activiteiten aangemerkt worden (voorbeeld): opslag van oliën, chemicaliën en afvalstoffen, ophogingen en aangebrachte verhardingsmaterialen. Op diverse delen van het oostelijke gedeelte (aan beide zijden van de Vecht) van het plangebied is sprake geweest van boomgaarden. Die delen van het plangebied zijn dan verdacht op het vóórkomen van bestrijdingsmiddelen. Op het oostelijke gedeelte van het plangebied zijn een ophooglocatie en een stortplaats op land (niet gespecificeerd) aanwezig. Op het westelijke gedeelte zijn enkele
Pagina 56
Toelichting, Bestemmingsplan Nieuwersluis, Stichtse Vecht
gedempte sloten aanwezig. Verder zijn er binnen het plangebied diverse verdachte locaties (bodembedreigende activiteiten) aanwezig. Zie overzichtskaart en lijsten van bodemonderzoeken en Wbb-locaties. Verontreinigingslocaties Op sommige locaties hebben de bodembedreigende activiteiten daadwerkelijk tot bodemverontreiniging geleid. Een overzicht van de bekende bodemverontreinigingsgevallen is opgenomen in onderstaande tabel. In de tabel is ook de gewenste vervolgactie aangegeven. Tabel: Overzicht Wbb-locaties Adres/locatienaam UT-code Nabij Rijksstraatweg UT190400060 49 te Nieuwersluis
Rijksstraatweg 13-17 te Nieuwersluis
UT032900002
Zandpad 3 te Nieuwersluis
UT032900072
Rijksstraatweg 7B (Fort Nieuwersluis)
UT032900016
Mijndensedijk 66-70
UT190400059
Mijndensedijk 64
UT032900048
Mijndensedijk 34-36
UT032900040
Mijndensedijk 53 (stort)
UT032900036
Rivier de Vecht
UT032900146
Grond sterk verontreinigd met polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK); Sanering met BUS evaluatie d.d. 8-9-2015 uitgevoerd. Nadere informatie na te vragen bij RUD Utrecht Saneringsevaluatie op 1 juni 1995. Betreft waarschijnlijk brandstoffen. Nadere informatie na te vragen bij RUD Utrecht Grond sterk verontreinigd met zware metalen, minerale olie en PAK. Sanering (evaluatierapport d.d. 7-7-2005) door volledige verwijdering en aanvullen met multifunctionele grond. Saneringslocatie bestaat uit drie deellocaties. Deze drie deellocaties bevinden zich binnen een nazorglocatie. Waarschijnlijk betreft het passieve nazorg. Dit dient te worden nagegaan bij de RUD Grond sterk verontreinigd met lood, zink en PAK; waterbodem sterk verontreinigd met zink. Diverse onderzoeken, waaronder saneringsevaluatie in 1993 en evaluatie oliesanering in 2013. Navragen bij RUD Grond sterk verontreinigd met zware metalen door ophooglaag; BUS melding van 20-1-2015 goedgekeurd (leeflaagsanering met passieve nazorg). Geen gegevens betreffende uitgevoerde sanering. Navragen bij RUD Nader bodemonderzoek 28-6-1995; Status na te vragen bij RUD Utrecht Grond sterk verontreinigd met zware metalen (ophooglaag en slib) en minerale olie. Ingestemd met saneringsplannen in 1997 en 2012 en met wijziging op saneringsplan in 2016. Nadere informatie na te vragen bij RUD.
Betreft stortplaats van divers afval op land; Diverse onderzoeken uitgevoerd in 1999 – 2015. Geen saneringsplan en saneringsevaluatie bekend. Na te vragen bij RUD Utrecht Uitvoeren actieve nazorg. Nadere informatie na te vragen bij RUD Utrecht
Pagina 57
Toelichting, Bestemmingsplan Nieuwersluis, Stichtse Vecht
Fort Nieuwersluis Voor de locatie van het fort zijn in het verleden drie bodemonderzoeken uitgevoerd aan de Rijksstraatweg 7b te Nieuwersluis (Fort Nieuwersluis). De resultaten van de drie bodemonderzoeken geven géén aanleiding voor verandering van het beeld van de bodemkwaliteit. De drie bodemonderzoeken hebben plaatsgevonden op relatief kleine deellocaties binnen een geval van ernstige bodemverontreiniging in de zin van de Wet bodembescherming (Wbb). Bij het eerstgenoemde bodemonderzoek wordt de sterke verontreiniging in de grond met polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) bevestigd, terwijl bij de andere twee bodemonderzoeken slechts lichte verontreinigingen zijn gemeten. In de tabel “Overzicht Wbb-locaties” wordt verwezen naar de locatie aan de Rijksstraatweg 7B (Fort Nieuwersluis). Het gaat om de volgende onderzoeken: – Rapport: “Verkennend bodemonderzoek Fort Nieuwersluis Ter plaatse van de toekomstige parkeervakken”, Tauw, kenmerk R001-1231724CYH-pws-V01-NL, d.d. 15 juli 2015; – Rapport: “Verkennend bodemonderzoek Fort Nieuwersluis Tijdelijke parkeerplaats”, Tauw, kenmerk R001-1236086ESM-kmi-V01-NL, d.d. 18 januari 2016; – Rapport: “Verkennend bodemonderzoek Fort Nieuwersluis”, Tauw, kenmerk R0021231724IJO-hgm-V01-NL, d.d.
27 augustus 2015; Planspecifiek Het onderhavige bestemmingsplan heeft een conserverend karakter, daarom wordt het niet nodig geacht om voor het hele plangebied middels een bodemonderzoek de algemene bodemkwaliteit vast te stellen. De bodemkwaliteit binnen het plangebied varieert van klasse Achtergrondwaarde (AW 2000) tot klasse ‘Industrie’. Op plaatsen waar nieuwe ontwikkelingen plaatsvinden dient door middel van een bodemonderzoek vastgesteld te worden of de bodemkwaliteit voor de realisatie van de beoogde ontwikkeling een belemmering vormt. Omdat de grond op veel plaatsen binnen het plangebied niet schoon is, zijn er maar beperkte hergebruiksmogelijkheden van vrijkomende grond.
Pagina 58
Toelichting, Bestemmingsplan Nieuwersluis, Stichtse Vecht
Figuur 10: Overzicht bodemverdachte locaties (bron Omgevingsdienst regio Utrecht
4.5
Externe veiligheid
Kader Algemeen Externe veiligheid is de kans om te overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Beleid en regelgeving op dit gebied is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving vanwege: a. het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen); b. het transport van gevaarlijke stoffen over wegen, waterwegen en spoorwegen; c. het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Met betrekking tot risico’s wordt onderscheid gemaakt in twee risicomaten: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Het plaatsgebonden risico is gedefinieerd als het risico op een plaats buiten een risicobron, uitgedrukt als de kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die risicobron waarbij een Pagina 59
Toelichting, Bestemmingsplan Nieuwersluis, Stichtse Vecht
gevaarlijke stof, gevaarlijke afvalstof of bestrijdingsmiddel betrokken is. Binnen de wet- en regelgeving zijn aan deze definitie grens- en richtwaarden opgehangen ten aanzien van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Het groepsrisico is gedefinieerd als cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedgebied van een risicobron en een ongewoon voorval binnen die risicobron waarbij een gevaarlijke stof, gevaarlijke afvalstof of bestrijdingsmiddel betrokken is. In wet- en regelgeving is aan het groepsrisico een oriënterende waarde toegekend als indicator voor de omvang van een ramp en een afwegingsproces gericht op zelfredzaamheid, beheersbaarheid, rampenbestrijding en resteffecten. Het beleid en de wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid biedt geen absolute veiligheid. Er is sprake van het realiseren van een verantwoorde situatie, waarbij een kleine kans op een zwaar ongeval met gevaarlijke stoffen tot het normaal maatschappelijk risico wordt gerekend. Wet- en regelgeving De regelgeving voor inrichtingen met (over het algemeen) grotere hoeveelheden gevaarlijke stoffen is samengebracht in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi).
In dit Besluit is aangegeven welke bedrijven bij het verlenen van een milieuvergunning of het nemen van een besluit op grond van de Wro nadere aandacht behoeven. In andere regelgeving dan Bevi kunnen ook risiconormen of aan te houden effectafstanden zijn opgenomen ten aanzien van inrichtingen. Te denken valt aan het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit ten aanzien van propaantanks, benzine- en aardgastankstations en gasdrukregelstations. De regelgeving met betrekking tot het transport van gevaarlijke stoffen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In het Besluit zijn risiconormen oprenomen. Externe veiligheid in relatie tot transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen is geregeld in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (AMvB Buisleidingen). In de gemeente Stichtse Vecht is een Omgevingsvisie Externe veiligheid vastgesteld. In de deze visie staat beschreven op welke wijze verantwoording van externe veiligheidsrisico’s in ruimtelijke plannen en omgevingsvergunningen plaatsvindt. De gevolgen van elektromagnetische straling worden zo veel als mogelijk beperkt met een beleidsadvies van VROM voor hoogspanningslijnen en door middel van het hanteren van blootstellingslimieten op grond van Europese regels voor antennes.
Planspecifiek Algemeen Een overzicht van eventuele risicobronnen in het plangebied is te vinden op de provinciale risicokaart.
Figuur 11 - Uitsnede provinciale risicokaart Pagina 60
Toelichting, Bestemmingsplan Nieuwersluis, Stichtse Vecht
Inrichtingen In het plangebied zijn geen bedrijven gevestigd die vallen onder het Bevi. Het plan maakt deze bedrijven ook niet mogelijk. Daarnaast zijn in de nabijheid van het plangebied geen bedrijven gelegen waarvan de plaatsgebonden risicocontouren of het (groepsrisico) invloedgebied over het plangebied reikt. Bedrijven die vallen onder overige veiligheidswetgeving In het plangebied zijn geen bedrijven aanwezig met een overig veiligheidsrisico. Propaantanks Propaantanks zijn in dit gedeelte van de gemeente Stichtse Vecht bekend in het bedrijvenbestand van de Omgevingsdienst. Er kan reeds voldaan worden aan specifieke veiligheidswetgeving (in dit geval de afstanden volgens het Activiteitenbesluit). Er worden geen bestemmingen toegestaan die belemmeringen oproepen voor de veiligheidsafstanden van de propaantanks. Ruimtelijke regulering vanwege risico’s is dan niet nodig. Transport van gevaarlijke stoffen Wegen, spoorwegen en waterwegen met structureel en grootschalig transport van gevaarlijke stoffen liggen in de buurt van het plangebied. Zowel het Amsterdam Rijnkanaal, de spoorlijn UtrechtAmsterdam/Schiphol als de rijksweg A2 zijn transportroutes voor gevaarlijke stoffen. Er liggen geen plaatsgebonden risicocontouren over gevoelige woonbestemmingen in het plan.
Vanwege het transport van (zeer) brandbare stoffen over het Amsterdam Rijnkanaal en (zeer) toxische stoffen over de spoorlijn Utrecht-Amsterdam/Schiphol en rijksweg A2 ishet plangebied wel gelegen binnen het (groepsrisico) invloedsgebied van deze risicobronnen. In een enkel geval (bestemming aan de Stationsweg 26) bedraagt de afstand tot deze transportroutes minder dan 200 m. Gezien het consoliderende karakter van het planvoornemen zal dit plan niet leiden tot een toename van het groepsrisico. Een berekening van de hoogte van het groepsrisico is niet vereist (artikel 8 lid 2, Besluit externe veiligheid transportroutes).Een beschouwing van de aspecten ‘bestrijdbaarheid’ en ‘zelfredzaamheid’, alsmede het inwinnen van advies van de Veiligheidsregio hieromtrent, is wel vereist (artikel 7 en 9, Besluit externe veiligheid transportroutes). Gemeentelijke route voor transport van gevaarlijke stoffen Voor de gemeentelijke en provinciale wegen die aansluiten op de rijksweg A2 is in de gemeente Stichtse Vecht een routering voor gevaarlijke stoffen ingesteld. Deze lopen niet door het plangebied. Over de vastgestelde route mag uitsluitend bestemmingsverkeer rijden. Doorgaand verkeer door de gemeente Stichtse Vecht is daarmee niet (meer) toegestaan.
Het risico als gevolg van dit transport ten behoeve van bestemmingsverkeer (in dit plan) wordt daarmee dermate laag dat nader onderzoek naar plaatsgebonden risico en groepsrisico als gevolg van provinciale en gemeentelijke wegen niet noodzakelijk is. Voor noodzakelijk transport ten behoeve van laden en/of lossen van gevaarlijke stoffen buiten de vastgestelde routes is een ontheffing nodig. Aan deze ontheffing kunnen voorwaarden worden verbonden om een veiligere leefomgeving te realiseren. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Er moet rekening worden gehouden met transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Volgens de risicokaart (risicokaart.nl) ligt er geen buisleiding voor transport van gevaarlijke stoffen in het plangebied waarop het Besluit externe veiligheid buisleidingen van toepassing is. Het lokale gasnet voor huishoudens en bedrijven valt niet binnen het kader van externe veiligheid. Daarnaast zijn er in de omgeving van het plangebied ook geen buisleidingen gelegen waarvan de plaatsgebonden risicocontouren of het (groepsrisico) invloedsgebied over het plangebied reikt.
Pagina 61
Toelichting, Bestemmingsplan Nieuwersluis, Stichtse Vecht
Figuur 12: In het plangebied is een zendmast aanwezig (bron antenneregister.nl) Elektromagnetische straling Uit de gegevens op de website van het antenneregister (www.antenneregister.nl) blijkt dat in het plangebied een zendmast aanwezig is. Een straalverbinding, ook wel vaste verbinding of point-topoint-straalverbinding genoemd, is een communicatieverbinding die gebruikmaakt van radiogolven. Een vaste verbinding wordt altijd opgezet tussen twee vaste punten: een zend- en ontvangstantenne. Deze zijn bevestigd aan een mast of op een gebouw. Omroepen en providers maken vooral gebruik van deze verbindingen. In het bestemmingsplan is de vaste verbinding gelijk als in de bestaande situatie mogelijk gemaakt in de planregels. Er gelden geen overige randvoorwaarden of risico’s die van toepassing zijn op het plan. Bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid Uit bovenstaande inventarisatie blijkt dat bij de Veiligheidsregio om advies moet worden ingewonnen inzake de aspecten ‘bestrijdbaarheid’ en ‘zelfredzaamheid’ in relatie tot het transport van gevaarlijke stoffen over het Amsterdam-Rijnkanaal, de spoorlijn Utrecht-Amsterdam/Schiphol en rijksweg A2. De Veiligheidsregio heeft haar advies beschreven in de brief met kenmerk 52497 en d.d. 13-8-2019 aan de gemeente Stichtse Vecht.
Gezien het consoliderende karakter van het planvoornemen ziet de Veiligheidsregio geen aanleiding te adviseren over eventuele aanvullende maatregelen op het thema ‘bestrijdbaarheid’. Op het thema ‘zelfredzaamheid’ adviseert de Veiligheidsregio: - In, in de toekomst te verlenen omgevingsvergunningen voor de activiteit bouwen, voorschriften op te nemen dat gebouwen waar mensen verblijven, indien uitgerust met een mechanisch ventilatiesysteem, deze eenvoudig uit te schakelen is; - In, in de toekomst te verlenen omgevingsvergunningen voor de activiteit bouwen, voorschriften op te nemen dat ten tijde van een plasbrand of (dreigende) BLEVE van het gebouw weggevlucht kan worden in de richting van de stralingsluwe zijde (veelal oostelijke richting) en dat aan de zijde van de risicobron zo weinig mogelijk glas wordt toegepast; - Toekomstige bewoners te informeren over de mogelijke scenario’s en de handelsperspectieven daarbij. Conclusie Externe veiligheid vormt geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.
Pagina 62
Toelichting, Bestemmingsplan Nieuwersluis, Stichtse Vecht
4.6
Ecologie
Juridisch kader Voor het thema ecologie wordt onderscheid gemaakt tussen gebieds- en soortenbescherming. Gebiedsbescherming ziet toe op bescherming van waardevolle gebieden met een nationaal of internationaal bijzondere natuur. De soortenbescherming ziet toe op het beschermen van planten en dieren. Deze bescherming geldt voor geheel Nederland en is niet gekoppeld aan beschermde natuurgebieden. Wet Natuurbescherming Vanaf 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Met 1 wet en minder regels wordt het makkelijker om de wet toe te passen. Gebiedsbescherming Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. In het NNN liggen: • bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken; • gebieden waar nieuwe natuur wordt aangelegd; • landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer; • grote wateren: meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee; • Natura 2000-gebieden. Ook gebieden die voorheen werden aangeduid als Ecologische hoofdstructuur vallen onder het NNN.
Soortenbescherming De Wnb kent drie algemene beschermingsregimes waarin de voorschriften van de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn en twee verdragen (Bern en Bonn) zijn geïmplementeerd en waarin aanvullende voorschriften zijn gesteld voor de dier- en plantensoorten die niet onder die specifieke voorschriften vallen, maar wel bescherming krijgen. De Wnb deelt soorten in drie beschermingsregimes in: 1. Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn. Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de Bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. 3. Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland. Situatie plangebied: bestaand gebruik Bescherming Natura 2000-gebied Hoofdstuk 2 van de Wnb heeft betrekking op Natura 2000-gebied. Circa 1,5 km van het plangebied liggen de als Natura-2000 gebied aangewezen Oostelijke Vechtplassen.
In die zin is het relevant conform hoofdstuk 2 van de Wet (en meer specifiek artikelen 2.7 - 2.9) te bepalen of het voorliggend bestemmingsplan significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Met andere woorden, maakt dit bestemmingsplan projecten of “andere handelingen” mogelijk die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen Pagina 63
Toelichting, Bestemmingsplan Nieuwersluis, Stichtse Vecht
hebben? Het voorliggend bestemmingsplan is echter consoliderend van aard en maakt geen ontwikkelingen mogelijk die een aantasting van beschermde gebieden als gevolg kunnen hebben. Dit is in lijn met het thans vigerende en tevens consoliderende bestemmingsplan uit 2009. Om die reden is uitgangspunt dat geen passende beoordeling nodig is om dit bestemmingsplan mogelijk te maken.
Figuur 13: Uitsnede PRV, hoofdstuk 5.4 (Natuur): donkergroen NNN-gebieden, lichtgroen gebieden Groene Contour Natuurnetwerk Nederland en groene contour Het plangebied ligt deels binnen het NNN en deels binnen de provinciale groene contour. Dit is weergegeven op de bijgevoegde uitsnede van de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV). Er wordt geen wezenlijke nieuwe ontwikkelruimte mogelijk gemaakt binnen de begrenzing van het NNN, daarom kan aantasting van de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN worden uitgesloten. De groene contour betreft (agrarische) gebieden waar de provincie de mogelijkheid open wil houden nieuwe natuur te ontwikkelen die deel gaat uitmaken van het NNN. In deze gebieden liggen kansen voor het realiseren van duurzame ecologische kwaliteiten, die het functioneren van het NNN kunnen versterken. De gebieden maken nog geen onderdeel uit van het NNN. Gezien de conserverende aard van het bestemmingsplan kunnen negatieve effecten c.q. aantastingen van beschermde natuurwaarden worden uitgesloten. Het plan levert geen belemmeringen op voor de instandhoudingsdoelstellingen van de natuurwaarden. Alle agrarische gebieden zijn in het voorliggend bestemmingsplan bestemd als agrarisch met landschapswaarden en waar van toepassing voorzien van de dubbelbestemming Waarde - Natuur Netwerk Nederland.
Soortenbescherming In het voorliggend bestemmingsplan zijn geen ontwikkelingen voorzien, anders dan waar reeds een vergunning voor verstrekt is, die nadelige effecten kunnen inhouden voor eventueel aanwezig beschermde soorten.
Pagina 64
Toelichting, Bestemmingsplan Nieuwersluis, Stichtse Vecht
Conclusie Vanwege de consoliderende aard van het bestemmingsplan (er worden geen ontwikkelingen mogelijk gemaakt die aantasting van beschermde gebieden of nadelige effect op eventueel aanwezige beschermde soorten kunnen hebben), is nader ecologisch onderzoek niet noodzakelijk.
4.7
Waterhuishouding
Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Voor het stroomgebied van de Vecht is het beleid van het Hoogheemraadschap van belang. 4.7.1.Europees en nationaal beleid Europees De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden. De richtlijn heeft tot doel de chemische en ecologische kwaliteit van al het oppervlakte- en grondwater in Europa te verbeteren. De richtlijn stelt daartoe eisen aan het waterbeheer in alle lidstaten. De Europese Kaderrichtlijn heeft, waar het gemeenten betreft, consequenties voor riolering, afkoppelen, toepassing van bouwmaterialen en het ruimtelijke beleid (inrichting van watergangen en oevers). Waterbeleid voor de 21e eeuw In de rijksnota ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw’ (WB21) is als kernpunt aangegeven dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt.
In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: • vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd. • schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan het bod. Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels.
Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016-2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen Pagina 65
Toelichting, Bestemmingsplan Nieuwersluis, Stichtse Vecht
overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. In het Nationaal Waterplan staan 5 ambities centraal. Nederland moet de veiligste delta in de wereld blijven. Deze ambitie wordt vooral ingevuld door onze veiligheidsnormen tegen overstromingen te vernieuwen. Het kabinet kiest voor een grotere inzet op verbetering van de waterkwaliteit (meststoffen, bestrijdingsmiddelen, medicijnresten, microplastics), zodat de Nederlandse wateren schoon en gezond zijn en er genoeg zoet water is. Verder wil het kabinet dat Nederland klimaatbestendig en waterrobuust wordt ingericht, dat Nederland een gidsland is en blijft voor watermanagement en innovaties. Dat is gunstig voor onze economie en ons verdienvermogen. Tot slot wil het kabinet stimuleren dat Nederlanders waterbewust leven. 4.7.2. Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht De betrokken waterbeheerder bij het plangebied is het Hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV). De waterbeheerder is verantwoordelijk voor het stedelijke waterbeheer. Het Hoogheemraadschap heeft een waterbeheersplan opgesteld. Water, plassen, vaarten, sloten en rivieren moeten geschikt zijn om in en bij te kunnen wonen, werken en recreëren. Daarnaast speelt water een belangrijke rol bij natuur- en milieuontwikkeling.
Om dit te bereiken moet water gezond zijn, goed worden beheerd en onderhouden en niet worden belast met vervuilende stoffen. Het waterpeil moet in orde zijn en water moet een thuisbasis zijn voor verschillende planten en dieren. Al deze onderdelen zijn verwerkt in het Waterbeheerplan 2016-2021.Het uitgangspunt van het Waterbeheerplan is meer ruimte voor water om steden en land in te richten, natuur te ontwikkelen en te recreëren. Andere uitgangspunten zijn samenwerken aan gezond en veilig water (dat ook voor volgende generaties beschikbaar is), water kunnen aan- en afvoeren én kunnen bergen en wateroverlast tegengaan. Waterschapbeleid: Keur 2019 Naast het bestemmingsplan is het gestelde in de Keur van het Hoogheemraadschap AGV van toepassing. Voor het keurgebied gelden bepalingen tot het onderhoud en gebruik van wateren, oevers en waterkeringen zowel bovengrond als in de grond. De uitvoering van de beheerstaken zijn in het plangebied door het Hoogheemraadschap AGV neergelegd bij Waternet. Dit is een zelfstandige beheersorganisatie. De taak van het waterschap is om te zorgen voor een veilig en gezond watersysteem.
Volgens de Waterwet gaat het daarbij om drie hoofddoelstellingen: • Voorkomen van overstroming, wateroverlast en waterschaarste • Beschermen en verbeteren van de waterkwaliteit en ecologische kwaliteit van watersystemen • Vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen. Om deze doelen te kunnen realiseren beschikken de waterschappen over een eigen verordening, die van oudsher de Keur heet. De Keur kent ‘verboden' en ‘geboden' voor de manier van inrichten, gebruik en onderhoud van waterkeringen, oevers en wateren. De Keur is een belangrijk instrument voor het waterschap om activiteiten in en rond het watersysteem in goede banen te leiden en te zorgen dat ze geen gevaar op kunnen leveren voor het watersysteem. Dit maakt het mogelijk om het watersysteem en de keringen voor méér te gebruiken dan alleen voor bescherming tegen wateroverlast en het creëren van een ecologisch gezond watersysteem. Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV) beschikt over een Keur, een Keurbesluit vrijstellingen, met daarin voorwaarden voor vrijstelling, en de Beleidsregel keurvergunningen, waarin de
Pagina 66
Toelichting, Bestemmingsplan Nieuwersluis, Stichtse Vecht
vergunningsvoorwaarden staan waaraan activiteiten moeten voldoen die niet passen binnen de vrijstellingen uit het Keurbesluit vrijstellingen. Overgangsbepalingen In de overgangsbepalingen van de Keur is opgenomen dat voor werken, woonschepen en drijvende inrichtingen in, boven of onder wateren en/of de beschermingszones die aantoonbaar vóór 1 januari 2002 zijn aangebracht of afgemeerd op de betreffende locatie, in strijd met het bepaalde in deze Keur, wordt geacht vergunning te zijn verleend. De enige uitzondering op deze bepaling is wanneer het bestuur van oordeel is dat er een onacceptabele belemmering ontstaat voor het onderhoud of de aanen afvoer van water, of voor het scheepvaartverkeer, of wanneer het object langs een rode oeverzone ligt. De rode oeverzones, die nader zijn afgebakend in het 'Verkeersbesluit Vaarwegen AGV-1 2016' zijn overgenomen op de verbeelding en voorzien van de aanduiding 'vrijwaringszone - rode oeverzone'. De meeste van deze rode oeverzones bevinden zich nabij bruggen en sluizen. Dit geldt ook voor de Nieuwe Wetering in Nieuwersluis. Ter plaatse is het innemen van ligplaatsen uitgesloten. Uiteraard mag er wel aangelegd worden aan speciaal daarvoor aangebrachte wachtsteigers.
Figuur 14: afbeelding rode - oeverzone Onderhoudsplichtigen en onderhoudsverplichtingen in oppervlaktewaterlichamen In artikel 2.22 van de Keur staat dat het hoogheemraadschap in principe verantwoordelijk is voor het op diepte houden (baggeren) en het vrijhouden van plantengroei (maaien) van het stromingsprofiel van primaire wateren. In de praktijk onderhoudt het hoogheemraadschap vaak het gehele 'natte' profiel, voor zover gelegen beneden het hoogste streefpeil, inclusief het natte deel van natuurvriendelijke oevers. Maar niet onder woonschepen en steigers en dergelijke en ook niet in bredere en grotere wateren zoals havenbassins, plassen en vijvers. (Afwijkende) afspraken over het onderhoud van wateren binnen stedelijk gebied tussen gemeente en hoogheemraadschap worden doorgaans vastgelegd in een beheerovereenkomst en kunnen uiteindelijk worden vastgelegd in de legger. Binnen stedelijk gebied zijn de gemeenten verantwoordelijk voor het schoon houden van de openbare ruimte. Daar hoort ook het water bij. Daarom is het verwijderen van vuil uit de primaire (niet particuliere) wateren in stedelijk gebied een taak van de gemeente. Dit geldt ook wanneer met een gemeente is afgesproken dat AGV het 'schouwonderhoud' overneemt. Het schouwonderhoud betreft immers geen dagelijks onderhoud, waaronder het verwijderen van vuil wél valt.
Pagina 67
Toelichting, Bestemmingsplan Nieuwersluis, Stichtse Vecht
Het onderhoud van het water onder woonschepen en steigers, is een verantwoordelijkheid van de gerechtigde van de ligplaats. De verplichting van de gerechtigde heeft prioriteit boven de verplichting van het hoogheemraadschap: dus bijzonder vóór algemeen. De reden hiervoor is dat de ligplaats in gebruik is bij de gerechtigde daarvan. In artikel 2.24 en artikel 2.37 is opgenomen dat voor gerechtigden van ligplaatsen van woonschepen en drijvende inrichtingen specifieke onderhoudsverplichtingen gelden voor de ligplaats, waaronder uitdrukkelijk ook het water tussen wal en schip moet worden verstaan. Ook dit artikel bevat een algemene regeling die voor het gehele beheergebied van het hoogheemraadschap geldt. In onderhavig bestemmingsplan zijn geen specifieke bepalingen opgenomen over deze verplichtingen uit de Keur, anders dan dat altijd aan de bepalingen uit de Keur voldaan moet worden.
Figuur 15: uitsnede leggerkaart Amstel, Gooi en Vechtstreken Verboden handelingen in en nabij waterkerende dijklichamen en oppervlaktewaterlichamen Het is op basis van artikel 2.17 lid 1 tot en met 3 onder andere verboden zonder vergunning van het bestuur in de kernzone, in de beschermingszone en in de buitenbeschermingszone van een waterkerend dijklichaam om: • te graven, grond te verwijdere of de bodem op te hogen in de kernzone en beschermingszone van een waterkerend dijklichaam; • kabels, buizen, draden of leidingen aan te leggen, te hebben, geheel of gedeeltelijk te vernieuwen of te verwijderen; • bodemenergiesystemen aan te brengen, te hebben of te verwijderen; • bodemonderzoek te verrichten; • zich op te houden op door het bestuur aangegeven plaatsen, met uitzondering van rechthebbenden; • explosiegevaarlijke stoffen of explosiegevaarlijke installaties te plaatsen, te hebben of te vervangen; • bouwwerken of andere werken aan te brengen, te hebben, te wijzigen of te verwijderen; • ligplaats te nemen, te meren of te ankeren, met een (woon)schip, drijvend voorwerp of drijvende inrichting. Redenen voor dit verbod zijn het zo min mogelijk beperken van de doorstroming; en daarnaast water en oevers, en de ruimte onder en achter de steiger, zoveel mogelijk toegankelijk houden voor onderhoud en voor de bestrijding van calamiteiten, ook met behulp van vaartuigen.
Het aanbrengen van steigers of afmeerpalen kan ook de waterkering verzwakken. Tenslotte speelt ook de ecologische Pagina 68
Toelichting, Bestemmingsplan Nieuwersluis, Stichtse Vecht
toestand van water en oever een belangrijke rol. Onderhoud van de steiger wordt niet gezien als een wijziging. Het vervangen van de hele steiger, of een gedeelte dat zich in het water bevindt, zoals een of meerdere palen van de steiger, wordt beschouwd als wijziging. Een uitbreiding van de steiger is altijd een wijziging. Wanneer een schip langs een waterkering is afgemeerd dient onder meer voldoende ruimte tussen het schip en de wal over te blijven voor inspectie en onderhoud van de waterkering of de beschoeiing van de oever om er zeker van te zijn dat de stabiliteit van de achtergelegen waterkering niet in gevaar komt. Ook mogen in het water of langs de oever gelegen zaken niet dusdanig in de waterkering of beschermingszone verankerd zijn dat ze schade aan de waterkering kunnen veroorzaken of de stabiliteit daarvan kunnen aantasten. De doorstroming, de waterbeheersing of het onderhoud van het water mag ook niet gehinderd of geblokkeerd raken door het nemen van ligplaats. Planspecifiek In voorliggend plangebied zijn diverse watergangen gelegen. Het Amsterdam-Rijnkanaal en de Vecht liggen zelf niet in het bestemmingsplangebied. Het Amsterdam-Rijnkanaal is in eigendom en beheer van Rijkswaterstaat. Deze grote watergangen zijn in andere bestemmingsplannen opgenomen.
Wel zijn de dubbelbestemmingen die voortkomen uit die bestemmingsplannen overgenomen in voorliggend bestemmingsplan. Het gaat hier om de dubbelbestemmingen zoals Waterstaat – waterkering. In voorliggend bestemmingsplan worden de watergangen op dezelfde wijze bestemd als in het vigerende bestemmingsplan. Rondom het Fort is de bestemming Natuur die over het water lag omgezet naar water. Dit komt meer overeen met het feitelijk gebruik zoals dat voorgeschreven is in de richtlijn voor bestemmingsplannen (SVBP). De bescherming van het water en de natuurfunctie is op een gelijkwaardige wijze vastgelegd. Omdat het plan geen fysieke wijzigingen inhoud van watergangen en of van het gebruik vloeien vanuit het waterbeleid geen nieuwe randvoorwaarden of belemmering voort ten aanzien van het plan.
4.8
Duurzaamheid
Provinciaal beleid De provincie stelt in de provinciale verordening: Wij streven bij gebiedsontwikkelingen naar zelfvoorzienendheid voor energie. Wij nemen bij uitleglocaties en transformatieopgaven de voorwaarde op dat gemeenten en initiatiefnemers in ruimtelijke plannen dienen te beschrijven op welke wijze invulling wordt gegeven aan energiebesparing en de inzet van duurzame energie, waarbij onder meer wordt gedacht aan toepassing van restwarmte, warmte- en koudeopslag, aardwarmte, zonne-energie en biomassa. Wij hebben de ambitie om in 2040 het grondgebied van de provincie Utrecht klimaatneutraal georganiseerd te hebben. Het gaat hierbij niet alleen om CO2 -reductie, maar ook om het onafhankelijk zijn van beperkt beschikbare fossiele brandstoffen. De opgaven voor klimaatneutraliteit zijn: • het energiegebruik sterk verminderen door besparingen en innovaties; • de energie die we nog nodig hebben duurzaam opwekken; • energie- of warmte vragende en energie- of warmte leverende functies bij elkaar brengen. Ambitie gemeente In de Voorjaarsnota 2016 is de ambitie vastgelegd om in 2030 klimaatneutraal te zijn. De ambitie is als volgt ingevuld: Op het grondgebied van de gemeente Stichtse Vecht wordt in 2030 evenveel energie duurzaam opgewekt als aan energie wordt verbruikt. Pagina 69
Toelichting, Bestemmingsplan Nieuwersluis, Stichtse Vecht
Woonvisie 2017-2022 • In de Woonvisie betekent duurzaamheid aandacht voor duurzaam bouwen door het verminderen van de milieubelasting van de woning (energiebesparing), zowel tijdens het bouwproces als daarna. • De gemeente Stichtse Vecht heeft de ambitie bij nieuwbouw NOM-woningen te realiseren. Dit houdt in dat over het hele jaar de opwekking van energie gelijk is aan het totale energieverbruik van een woning. • Wanneer de gemeente zelf geen eigenaar is van de grond, worden ontwikkelaars gestimuleerd duurzame (NOM) ontwikkelingen te initiëren. De gemeente laat de ambitie zwaar wegen bij haar keuze voor een projectontwikkelaar. Afspraken hierover worden vastgelegd in anterieure overeenkomsten. • Met behulp van GPR gebouw wordt de duurzaamheidsambitie vertaald in een concrete prestatiescore voor duurzaam bouwen. GPR Gebouw is een online programma dat duurzaam bouwen concretiseert door op vijf thema’s een rapportcijfer te geven. De gemeente Stichtse Vecht heeft haar beleid rond duurzaam bouwen verankerd in een GPR score.
De inzet binnen de 5 thema’s van de tool GPR gebouw zijn vastgesteld op: o Thema energie (gemeente heeft geen grondeigendom): 10 o Thema energie (gemeente heeft wel grondeigendom): 10+ o Thema toekomstwaarde: 8 o Overige thema’s (Milieu, Gezondheid en Gebruikskwaliteit): gemiddeld 8 Opties voor verduurzaming: • Zongericht bouwen: Met zongericht bouwen kan de zon optimaal worden benut door vergrote glasgeveldelen een oriëntatie te geven tussen het zuidoosten en zuidwesten. Op deze manier kan de zon in de winter worden gebruikt voor verwarming en kunnen zonnepanelen maximaal opwekken. Om oververhitting te voorkomen door de invloed van de zon, wordt aan geraden een vaste overstek (zonwering) toe te passen. • Extra isolatie en een uitstekende naad- en kierdichting boven de wettelijke eis. Door in de gehele woning extra isolatie en verbeterde naad- en kierdichting toe te passen, kunnen energieverliezen worden beperkt. Let hierbij vooral op dat gekozen wordt voor beide, aangezien het rendement van beide stijgt bij gezamenlijke toepassing. • Een (collectieve) bodemwarmtepomp: Een warmtepomp kan als bron gebruik maken van lucht of bodem. Bodem als energiebron heeft een beter rendement. In combinatie met PV-panelen kan de benodigde energie van externe bronnen tot een minimum beperkt worden.
Door een collectieve bodemwarmtepomp worden schaalvoordelen benut en kan gebruik worden gemaakt van zonnewarmte waardoor de warmtepomp alleen bij te onvoldoende zonneenergie zal functioneren. • Zonnecollector: Een zonnewarmte systeem kan optimaal jaarlijks circa 50% van de warmtapwater behoefte verzorgen. Een combinatie van de zonnecollector met een warmtepomp is ideaal door de structurele verhoging van het rendement van de warmtepomp en hiermee de energiebehoefte van de warmtepomp. • PV-panelen: Door elektriciteit duurzaam op de eigen woning op te wekken kan worden bespaard op inkoop en elektriciteit en de energiebelasting. Planspecifiek Het uitgangspunt van de gemeente is dat duurzaamheid gestimuleerd moet worden. Bij het vereenvoudigen en standaardiseren van de planregels wordt ernaar gestreefd om veel voortkomende maatregelen ten behoeve van duurzaamheid (zonnepanelen, laadpalen in de openbare ruimte, kleine overschrijdingen van bouwhoogte ten behoeve van isolatie etc) niet onnodig te beperken. Omdat het een consoliderend bestemmingsplan betreft worden geen concrete bouwmaatregelen voorgesteld en daarmee ook geen concrete uitvoerbare duurzaamheidsmaatregelen toegepast. Pagina 70
Toelichting, Bestemmingsplan Nieuwersluis, Stichtse Vecht
5. Juridisch opzet van het plan 5.1
Inleiding
Ingevolge de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en de daarbij behorende ministeriële regelingen, dienen bestemmingsplannen op vergelijkbare wijze opgebouwd, gepresenteerd en tevens digitaal uitwisselbaar gemaakt te worden. De regeling is afgestemd op de Wro, Bro en daarbij behorende ministeriële regelingen. Hiermee wordt de rechtsgelijkheid en de uniformiteit binnen de gemeentelijke c.q. landelijke bestemmingsplannen gediend. Het bestemmingsplan is tevens afgestemd op de terminologie en regelgeving zoals opgenomen in de op 1 oktober 2010 in werking getreden Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.
5.2
Opbouw regels
De planregels behorende bij voorliggend plan, zijn opgebouwd in vier hoofdstukken. De definities van begrippen en de wijze van meten zijn opgenomen in hoofdstuk 1. Hoofdstuk 2 beschrijft de bestemmingen en het daarbij toegestane gebruik. Het derde hoofdstuk bevat de algemene regels. Hoofdstuk 4 beschrijft tot slot de overgangs- en slotbepalingen.
5.3
Begrippen en wijze van meten
De begrippen van het bestemmingsplan zijn grotendeels gelijk aan de bestaande begrippen. Begrippen worden af en toe geactualiseerd naar aanleiding van jurisprudentie zodat het begrip goed aansluit bij de ontstane regelgeving. Voor het bestemmingsplan Nieuwersluis betekent het dat een aantal begrippen is toegevoegd, overeenkomend met de Wabo. Het gaat hier bijvoorbeeld om: reclamemast, opslag, mantelzorg etc. Daarnaast is in het plan Nieuwersluis een aantal begrippen toegevoegd aangaande cultuurhistorische en archeologische waarden. Deze begrippen zijn ter verduidelijking opgenomen. De wijze van meten is uitgebreid met een aantal begrippen zoals dat nu in de standaard regels van de gemeente opgenomen is. Het gaat hier om de definiëring van oppervlakten en peilhoogten. Dit heeft als doel om discussie te voorkomen over begrippen gehanteerd in het bestemmingsplan.