Toelichting - Bijlage 7 Ecologisch werkprotocol.pdf
Tekst van het document
Ecologisch werkprotocol aan:
De heer Van Drogenbroek
van:
SAB
ons kenmerk:
LEEU/190257
datum:
10 mei 2021
betreft:
ecologisch werkprotocol Buitenplaats Ouderhoek
AANLEIDING In januari 2020 heeft een quick scan natuur plaatsgevonden aan de Rijksstraatweg 68 te Nieuwersluis ten behoeve van de voorgenomen realisatie van een buitenplaats. Uit de quick scan blijkt dat niet op voorhand is uit te sluiten dat delen van het terrein deel uitmaken van het leefgebied van de ringslang. Met maatregelen is echter te voorkomen dat een ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk is om de voorgenomen plannen uit te voeren. In dit document wordt uiteengezet hoe bepaalde werkzaamheden uitgevoerd moeten worden, zodat een mogelijke overtreding van de Wet natuurbescherming wordt voorkomen. Hierin wordt rekening gehouden met de ringslang, maar ook met algemene broedvogels.
PLANGEBIED Zie navolgende afbeelding voor de ligging van het plangebied.
Luchtfoto met de globale ligging van het plangebied (rood omkaderd). Bron: PDOK. Bewerking: SAB.
pagina 1 van 6
VOORSCHRIFTEN De werkzaamheden in het gebied moeten volgens onderstaande voorschriften uit worden gevoerd. Als de werkzaamheden niet volgens het protocol worden uitgevoerd, wordt mogelijk de Wet natuurbescherming overtreden.
KAP VAN BOMEN EN VERWIJDEREN VAN GROEN
Kap bomen buiten de broedperiode van half maart tot en met half september en indien mogelijk in de herfst. Broedende vogels zijn strikt beschermd, dus een boom kappen waarin een vogel zit te broeden is verboden. Buiten de broedperiode van vogels is de kans op de aanwezigheid van broedende vogels in de te kappen bomen klein. Als bij de aanvang van de kap nesten in de bomen te zien zijn, dient van te voren gecontroleerd te worden of eieren of jongen in het nest zitten. Vogels broeden namelijk soms ook buiten de algemene broedperiode. Als jongen of eieren aanwezig zijn, mag de boom niet gekapt worden. De leidinggevende dient dan contact op te nemen met de deskundig ecoloog om gezamenlijk tot een oplossing te komen. In de herfst broeden vrijwel nooit vogels en zijn ook alle anderen dieren (zoogdieren, amfibieën, etc.) zich niet aan het voortplanten. Ook zijn dieren dan nog niet in winterrust. De voortplantingsperiode en winterrustperiode zijn voor dieren de meest kwetsbare periodes. In de winter kunnen dieren in of onder de te kappen bomen in winterrust zijn. Als het qua planning mogelijk is, dient de kap van de bomen derhalve in de herfst plaats te vinden.
VERWIJDEREN VAN TAKKEN- EN BLADERHOPEN EN GRAAFWERKZAAMHEDEN NABIJ AFWATERINGSLOOT
Voer de werkzaamheden uit voor juni of na half september. Het leefgebied van de ringslang ligt in het plangebied alleen rondom de afwateringssloot. Dit deel van het plangebied kan functioneren als voortplantingsplaats voor de ringslang. De meest kwetsbare periode voor de ringslang het moment van ei-afzet tot en met het uitkomen van de eieren. De ei-afzet vindt plaats van begin juni tot en met half augustus en half september zijn alle eieren uitgekomen en zijn de ringslangen in staat zelfstandig het gebied te verlaten. Langs de afwateringsloot zijn op verschillende plekken bladerhopen aanwezig die geschikt zijn als broedbiotoop voor de ringslang. Door buiten de kwetsbare periode te werken kan gegarandeerd worden dat er geen eieren van de ringslang verloren gaan tijdens de werkzaamheden. De volwassen exemplaren blijven tijdens de broedperiode altijd in de buurt van de eieren. Hierbij kunnen werkzaamheden in de buurt van de broedbiotopen ook sterk verstorend werken. Het is daarom niet toegestaan om de graafwerkzaamheden nabij de afwateringsloot (zoals het realiseren van de vijver/haventje) tijdens de kwetsbare periode uit te voeren.
pagina 2 van 6
Geef eventueel aanwezige ringslangen de kans het plangebied tijdelijk te verlaten. Als buiten de kwetsbare periode van de ringslang gewerkt wordt, kan gegarandeerd worden dat er geen eieren verloren gaan. Het is echter wel mogelijk dat buiten deze periode nog volwassen exemplaren in het plangebied aanwezig zijn in en rondom de bladerhopen en takkenhopen. Dit is voornamelijk waar als er gewerkt wordt in april/mei of half september t/m oktober, aangezien de ringslang dan nog niet in winterrust is. In deze perioden zijn de ringslangen echter goed is staat zelfstandig het plangebied te verlaten als ze hiervoor de kans krijgen. Voorafgaand aan het verwijderen van takkenhopen en bladerhopen dienen deze daarom voorzichtig uitgespreid te worden zodat ze niet meer als schuilplaats kunnen dienen. Dit kan met de hand of met een kleine graafmachine. Door de verstoring van de schuilmogelijkheid zullen ze het plangebied verlaten en is er geen risico dat er individuen verwond of gedood worden tijdens de werkzaamheden.
GESCHIKT MAKEN/HOUDEN VAN HET PLANGEBIED IN DE NIEUWE SITUATIE Met de voorgenomen plannen worden veel werkzaamheden uitgevoerd die tijdelijk verstorend kunnen werken voor de ringslang. Het is echter goed mogelijk om het plangebied in de nieuwe situatie geschikt te houden voor de ringslang. Ondanks de werkzaamheden zal dus te allen tijde voldoende leefgebied aanwezig zijn en gaat er geen essentieel leefgebied verloren. Er dienen hiervoor echter wel een aantal onderdelen van het leefgebied behouden te blijven en waar mogelijk extra landschapselementen toegevoegd worden die de kwaliteit van het leefgebied van de ringslang kunnen verbeteren. Behoud zo veel mogelijk van de potentiële voortplantingsplaatsen van de ringslang De ringslang legt zijn eieren op beschutte plaatsen die relatief vochtig en warm blijven. Dit is waarom de bladerhopen nabij de afwateringsloot ideaal zijn om de eieren af te zetten. Deze blijven altijd enigszins vochtig en gaan broeien, waardoor het relatief warm blijft. Bij de werkzaamheden zullen een aantal van deze bladerhopen verwijderd moeten worden om ruimte te maken voor de voorgenomen plannen. De afwateringsloot blijft echter wel bestaan en niet over de hele lengte zullen werkzaamheden noodzakelijk zijn. Op de plekken waar geen werkzaamheden plaats hoeven te vinden moeten zo veel mogelijk van de potentiële verblijfplaatsen behouden blijven.
Realiseer nieuwe geschikte voortplantingsplaatsen voor de ringslang Zoals hierboven beschreven zullen een aantal potentiële voortplantingsplaatsen verwijderd moeten worden. Het is daarom belangrijk om minstens zo veel geschikte voortplantingsplaatsen terug te brengen in het plangebied. Dit kan door nieuwe bladerhopen nabij de afwateringssloot neer te leggen. In plaats daarvan kunnen ook mesthopen of composthopen geplaatst worden. (optioneel) realiseer overwinteringsplaatsen voor de ringslang In de huidige situatie is alleen potentieel voortplantingshabitat voor de ringslang aanwezig. Winterverblijfplaatsen ontbreken omdat er in het droge deel van het plangebied weinig schuilmogelijkheden zijn. Er zijn bijvoorbeeld geen grote houtstapels of holen aanwezig. Het is daarom in het kader van de Wet natuurbescherming niet verplicht dit in de nieuwe situatie
pagina 3 van 6
in het plangebied te hebben. In de nieuwe situatie zal het plangebied echter als buitengebied ingericht worden, waardoor wel ruimte is om dergelijk leefgebied te creëren. Hierdoor zou een completer leefgebied voor de ringslang ontstaan wat een grote meerwaarde voor de soort kan hebben. Dit kan het eenvoudigst gerealiseerd worden door op de drogere delen van het plangebied enkele houtstapels neer te leggen van bijvoorbeeld het resthout van de gekapte bomen uit de voormalige boomgaard. Daarnaast kan dicht struikgewas ook als winterverblijfplaats voor de ringslang dienen.
COMMUNICATIE Dit werkprotocol dient, op de uitvoeringslocatie aanwezig te zijn. De inhoud moet besproken worden met alle betrokken werknemers. Indien arbeiders op de locatie vragen hebben over het protocol of over een situatie die zich voordoet (er wordt bijvoorbeeld een broedende vogel of een ringslang aangetroffen), moeten ze die vraag stellen aan hun leidinggevende. Indien de leidinggevende de situatie niet zelf op de juiste manier kan oplossen, dient de leidinggevende contact op te nemen met de deskundige.
DESKUNDIGE Een deskundige is in dit geval iemand met aantoonbare kennis van en ervaring met Nederlandse flora en fauna (specifiek de ringslang). Deze kennis en ervaring is opgedaan omdat de deskundige: een HBO of universitaire opleiding heeft genoten met als zwaartepunt de Nederlandse ecologie; of een MBO opleiding met als zwaartepunt natuurwetgeving, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van soorten; of als ecoloog werkzaam is bij een ecologisch adviesbureau; of zich aantoonbaar inzet op het gebied van de soortenbescherming of soortenmonitoring en is aangesloten bij bijvoorbeeld de Vogelbescherming of KNNV. Deskundige van SAB: Tim Leeuwis tim.leeuwis@sab.nl 026-3576911
ACHTERGRONDINFORMATIE RINGSLANG De ringslang is sterk gebonden aan waterrijke habitats. De soort komt voor ten noorden van de grote rivieren en wordt vooral aangetroffen in laagveengebieden, natte heideterreinen en waterrijke zandgronden. Maar de soort komt ook voor op verhoogde terreinen zoals dijken, spoorbanen of struwelen. Belangrijk hierbij is de aanwezigheid van natuurlijke oevers met open plekken en ruigte zodat deze zowel zongelegenheid als schuilplaatsen bieden. Veel meer dan andere in Nederland levende reptielen wordt de soort ook in bebouwde omgeving en in agrarisch gebied aangetroffen. Leefgebieden van de ringslang hebben meestal veel ruimtelijke variatie en kleinschaligheid. Voor de voortplanting is de ringslang afhankelijk van warme, vochtige plekken zoals composterende bladhopen of andere rottende boomresten. In pagina 4 van 6
cultuurlandschap wordt intensief gebruik gemaakt van door de mens aangelegde mest-, zaagsel- en composthopen of speciaal voor de ringslang aangelegde broeihopen. Ringslangen overwinteren op vorstvrije plaatsen onder takkenbossen, struiken, in oude konijnenholen of in kelders (Creemers & van Delft 2009).
De Ringslang (foto: Tim Leeuwis, SAB).
ACHTERGRONDINFORMATIE WET NATUURBESCHERMING
ZORGPLICHT
Op basis van artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming geldt voor al de in het wild levende soorten altijd de zorgplicht. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. Dit houdt onder meer in dat men negatieve gevolgen voor aanwezige soorten zoveel mogelijk beperkt door het nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden verwacht. Naast de zorgplicht is voor een aantal soorten door middel van verboden een aanvullend beschermingsregime opgenomen. Er is een apart beschermingsregime voor vogelrichtlijnsoorten (artikelen 3.1-3.4), voor habitatrichtlijnsoorten (artikelen 3.5-3.9) en voor andere soorten (artikelen 3.10 en 3.11).
BESCHERMING RINGSLANG
Naast de zorgplicht, is voor vleermuizen in de Wet natuurbescherming een aanvullend beschermingsregime opgenomen. Ringslangen zijn opgenomen in de Wet natuurbescherming onder ‘andere soorten’. De bescherming van ringslangen is uitgewerkt in artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming. Conform artikel 3.10 is het verboden: - de ringslang opzettelijk te doden of te vangen (lid 1a);
pagina 5 van 6
-
vaste voortplantings- of rustplaatsen van vleermuizen te beschadigen of te vernielen (lid 1b).
De bescherming van de voortplantings- en rustplaatsen van artikel 3.10 lid 3, is gericht op het waarborgen van de ecologische functionaliteit van deze plaatsen, zo blijkt uit uitspraken van de Raad van State en toelichtende documentatie bij de Habitatrichtlijn. Het waarborgen van dit ecologisch functioneren, leidt ertoe dat ook foerageergebied schuilmogelijkheid die essentieel zijn voor het functioneren van dergelijke verblijfplaatsen bescherming genieten.
OPZETVEREISTE
Bij veel van de hierboven genoemde verboden is er sprake van een opzetvereiste. Zo is het verboden om vogelnesten opzettelijk te beschadigen. In de wet wordt bij deze opzet uitgegaan van ‘voorwaardelijke opzet’. Bij voorwaardelijke opzet is men zich bij het handelen bewust van de mogelijke negatieve consequenties, terwijl men de handeling toch uitvoert. Een voorbeeld van voorwaardelijke opzet is iemand die in het voorjaar een boom omzaagt en daarbij ‘per ongeluk’ een vogelnest beschadigt. De persoon had niet de opzet dit nest te beschadigen. Maar in de broedtijd van vogels is er wel een aanzienlijke kans dat er in een boom een vogel nestelt. Er kan daarom toch sprake zijn van opzettelijke beschadiging van het nest; voorwaardelijke opzet.
pagina 6 van 6