CConstaterende datStichtse Vecht
Koppel je AI →
Document · PDF

TOELICHTING Bijlage 14 - Quickscan Wet natuurbescherming.pdf

Raad 18 april 2023, gemeente Stichtse VechtBij agendapunt: 8. : Vaststellen Bestemmingsplan Schepersweg Breukelen7.714 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING SCHEPERSWEG TE BREUKELEN

QUICKSCAN WET NATUURBESCHERMING SCHEPERSWEG TE BREUKELEN Kenmerk: Versie: Datum:

20211730/rap01 1 6 oktober 2021

Auteur: Projectleider: Veldwerk: Kwaliteitscontrole: Opdrachtgever:

P.J. (Peter) Schep L.R.G. (Lidia) Gerrits P.J. (Peter) Schep L.R.G. (Lidia) Gerrits Woningstichting Vecht en Omstreken

Contactpersoon:

A. (Arnoud) van der Wal

Dit rapport is digitaal gegenereerd en derhalve niet voorzien van een handtekening. De inhoud van de rapportage is aantoonbaar gecontroleerd en vrijgegeven.

© ATKB voor natuur en leefomgeving. Gebruik en overname van gegevens alleen toegestaan met volledige bronvermelding. Foto's: ATKB, Peter Schep

INHOUD Inleiding Aanleiding Wet natuurbescherming Overige gebiedenbescherming Doel Kwaliteitsborging Leeswijzer

1 1 1 3 3 4 4

Plangebied: huidige en toekomstige situatie Beschrijving huidige situatie Werkzaamheden en toekomstige situatie

5 5 5

Methode quickscan Opzet onderzoek Literatuuronderzoek Veldonderzoek

7 7 7 7

Resultaten literatuur- en veldonderzoek

10

Flora 10 Broedvogels cat. 1 t/m 4 (nesten jaarrond beschermd) 10 Broedvogels cat. 5 (nesten jaarrond beschermd als omstandigheden dit rechtvaardigen) 10 Algemene broedvogels 11 Vleermuizen 11 Grondgebonden zoogdieren 12 Amfibieën 13 Reptielen 13 Vissen 13 Vlinders, libellen en overige ongewervelden 13 Samenvatting resultaten 14 Effectenanalyse en maatregelen

15

Inleiding 15 Broedvogels cat. 1 t/m 4 15 Broedvogels cat. 5 (nesten jaarrond beschermd als omstandigheden dit rechtvaardigen) 15 Algemene broedvogels 15 Vleermuizen 16 Grondgebonden zoogdieren 17 Aanvullende maatregelen (t.a.v. zorgplicht en pioniersoorten) 17 Gebiedenbescherming Natura 2000 Planologische gebiedenbescherming

19 19 20

Conclusies en aanbevelingen Soortenbescherming

21 21

Gebiedenbescherming

23

INLEIDING AANLEIDING Woningstichting Vecht en Omstreken heeft het voornemen om drie gebouwen aan de Schepersweg (hierna: plangebied) te slopen en op deze locatie nieuwbouw te realiseren. Het betreft de huisnummers 70 t/m 78, 148 t/m 156 en 226 t/m 234. Om te bepalen of de voorgenomen plannen (mogelijk) leiden tot een overtreding van de vigerende natuurwetgeving, is een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd.

WET NATUURBESCHERMING 1.2.1 SOORTENBESCHERMING

Algemeen Via de Wet natuurbescherming (Wnb) is de bescherming van diverse inheemse planten en dieren in Nederland vastgelegd. Naast de algemeen geldende zorgplicht voor alle in het wild levende planten en dieren (artikel 1.11 van de Wnb), geldt voor een aantal soorten een aanvullend beschermingsregime. Deze aanvullend beschermde soorten zijn onderverdeeld in drie groepen, namelijk: - vogels (artikel 3.1, alle soorten uit de Europese Vogelrichtlijn); - overige strikt beschermde soorten, waaronder soorten uit de Europese Habitatrichtlijn (artikel 3.5, dit betreffen o.a. vleermuizen); - nationaal beschermde soorten, waaronder soorten uit de Rode Lijst (artikel 3.10). Het is volgens de Wnb niet toegestaan om (het leefgebied van) beschermde soorten aan te tasten. Dit is vastgelegd middels verbodsbepalingen: activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten zijn verboden1. Vrijstelling binnen provincie Utrecht Provincies hebben de bevoegdheid om middels een provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten in het kader van bestendig beheer en onderhoud en ruimtelijke ontwikkeling.

In het geval van de provincie Utrecht worden de volgende nationaal beschermde soorten vrijgesteld: bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker en bastaardkikker, aardmuis, bosmuis, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, hermelijn, huisspitsmuis, konijn, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat. (bron: Verordening Natuur en Landschap provincie Utrecht 2017, d.d. 30 december 2016) Voorzorgsmaatregelen Een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wnb is soms te voorkomen door (voorafgaand aan de werkzaamheden) voorzorgsmaatregelen te treffen. Deze voorzorgsmaatregelen zijn gericht op het behoud van de functionaliteit van de groeiplaats van flora en de voortplanting- en/of vaste rust- en verblijfplaats van

1 In artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wet natuurbescherming wordt meerdere malen gesproken over het verbod tot opzettelijke handelingen (o.a.

opzettelijke doding, verstoring en vernieling). Binnen de Wet natuurbescherming omvat de term ‘opzettelijk’ tevens voorwaardelijk opzet, waardoor (evenals onder de voormalige Flora- en faunawet) een groot aantal handelingen onder de verbodsbepalingen vallen. In verband met de leesbaarheid wordt de term ‘opzettelijk’ in voorliggende rapportage niet meer aangehaald. Uiteraard wordt dit (in de situaties waarvoor dit van toepassing is) wel bedoeld.

QuickScan Wet natuurbescherming Schepersweg te Breukelen | 1 | 20211730/rap01

1 van 23

fauna. Daarnaast voorkomen de voorzorgsmaatregelen de negatieve gevolgen van een activiteit op individuen (o.a. doding en verwonding). Ontheffingsplicht Een ontheffingsplicht (artikel 3.3, 3.8 en 3.10 uit de Wnb) is van toepassing als een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wnb niet kan worden voorkomen door het nemen van voorzorgsmaatregelen. Het is mogelijk om met een goed onderbouwd projectplan een ontheffing aan te vragen bij de desbetreffende provincie (in deze de provincie Regionale Uitvoeringsdienst Utrecht). De provincie (het bevoegd gezag) toetst de aanvraag vervolgens aan drie criteria: • Voldoet het planvoornemen aan één van de in de wet genoemde belangen? • Is een ‘andere bevredigende oplossing’ mogelijk? • Doet de ontheffing afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding van de soort? 1.2.2 BESCHERMING NATURA 2000-GEBIEDEN

Via de Wnb is tevens de bescherming van Natura 2000-gebieden vastgelegd. De Wnb stelt dat het verboden is om zonder vergunning van Gedeputeerde Staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Voor projecten die een significant negatief effect kunnen hebben op de doelstellingen van het betreffende Natura 2000-gebied, dient een passende beoordeling te worden uitgevoerd en is een vergunningaanvraag noodzakelijk. Naast plannen in of nabij Natura 2000-gebieden, kunnen ook plannen op grotere afstand van Natura 2000gebieden significant negatieve effecten op kwalificerende habitats en/of soorten tot gevolg hebben: •

Plannen kunnen (ook op relatief grote afstand van Natura 2000-gebieden) nadelige effecten hebben door toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden. Een toename van meer dan 0,00 mol N/ha/jr vraagt om een nadere ecologische beoordeling van de gevolgen.

•

Plannen kunnen een negatief effect hebben op (leefgebied van) kwalificerende soorten buiten een Natura 2000-gebied, waardoor nadelige effecten optreden op de doelstellingen van het betreffende Natura 2000-gebied. Dit kan het geval zijn wanneer het foerageergebied van een kwalificerende soort van een Natura 2000-gebied binnen het plangebied ligt. Effecten op het foerageergebied kunnen leiden tot afname van aantallen binnen het Natura 2000-gebied (bijvoorbeeld bij bruine kiekendief, kleine zwanen, ganzen).

1.2.3 BESCHERMING HOUTOPSTANDEN

Volgens artikel 4.2 Wnb is het verboden een houtopstand buiten de bebouwde kom geheel of gedeeltelijk te vellen zonder melding bij het bevoegd gezag. Bovendien geldt een herplantplicht. Een houtopstand beslaat 10 are of meer of is een rijbeplanting van meer dan 20 bomen en moet aan een aantal voorwaarden voldoen. Voor een aantal gevallen geldt een uitzondering, bijvoorbeeld voor houtopstanden op erven, fruitbomen voor productie of grienden en hakhout (zie voor de volledige lijst art. 4.1 van de Wnb). Voor houtopstanden binnen de bebouwde kom is de Wnb niet van toepassing, maar geldt het beleid van de gemeente waarbinnen de projectlocatie gelegen is.

QuickScan Wet natuurbescherming Schepersweg te Breukelen | 1 | 20211730/rap01

2 van 23

Binnen het huidige project worden bomen gekapt. Het plangebied ligt binnen de door de gemeenteraad van de gemeente Stichtse Vecht vastgestelde grenzen in het kader van de Wet natuurbescherming. Zodoende is toetsing aan het onderdeel Houtopstanden van de Wet natuurbescherming niet van toepassing. Omdat er kapwerkzaamheden plaatsvinden is toetsing aan het gemeentelijke beleid voor dit project wel van toepassing.

OVERIGE GEBIEDENBESCHERMING Binnen het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen was dit de EHS) geldt het ‘Nee, tenzij’-beschermingsregime. Significante aantasting van de wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN (per saldo) is niet toegestaan, tenzij sprake is van een groot openbaar belang en er geen alternatieven zijn. De wezenlijke waarden en kenmerken van het NNN zijn onder andere bodemkenmerken, landschappelijke waarden en natuurwaarden. Eventuele schade moet worden gemitigeerd, of (indien mitigatie niet mogelijk is) worden gecompenseerd. Naast de bescherming van het NNN zijn in sommige provincies tevens weidevogelgebieden (ook wel belangrijke weidevogelgebieden, weidevogelleefgebieden en weidevogelkerngebieden genoemd) aangewezen. Binnen dergelijke gebieden geldt doorgaans (evenals het geval is voor het NNN) het Nee, tenzij-regime.

DOEL De quickscan is een verkennende toets om na te gaan of door uitvoering van de voorgenomen plannen mogelijk overtreding van de Wnb (soortenbescherming en bescherming Natura 2000-gebieden) of planologische gebiedenbescherming optreedt. Het doel van de quickscan is geformuleerd in enkele onderzoeksvragen: Onderzoeksvragen t.a.v. soortenbescherming: S1. Welke Wnb-beschermde soorten maken (mogelijk) gebruik van de planlocatie? S2. Wat zijn de effecten van de voorgenomen werkzaamheden op deze beschermde soorten? S3. Is aanvullend ecologisch onderzoek naar één of meerdere soorten noodzakelijk2? S4. Welke voorzorgsmaatregelen dienen te worden uitgevoerd om negatieve effecten op beschermde soorten te voorkomen? S5. Is het noodzakelijk om voor de voorgenomen werkzaamheden een ontheffing van de Wnb aan te vragen? Onderzoeksvragen t.a.v. gebiedenbescherming: G1. Ligt het plangebied in of nabij een Natura 2000-gebied of binnen het NNN? G2. Kunnen negatieve effecten op beschermde gebieden bij voorbaat worden uitgesloten? G3. Is een toetsing aan de gebiedenbescherming (voortoets, passende beoordeling en/of Nee, tenzijtoets) noodzakelijk?

2 In sommige gevallen kan de aanwezigheid van beschermde soorten op basis van een quickscan niet worden uitgesloten. Dit aangezien sommige

beschermde soorten met een eenmalig veldbezoek lastig zijn waar te nemen of enkel in een bepaalde periode van het jaar waarneembaar zijn. Als met de quickscan de aanwezigheid van deze soorten niet valt uit te sluiten, kan een aanvullend ecologisch onderzoek noodzakelijk zijn.

QuickScan Wet natuurbescherming Schepersweg te Breukelen | 1 | 20211730/rap01

3 van 23

KWALITEITSBORGING De quickscan is uitgevoerd door een ervaren ecoloog van ATKB. De ecoloog voldoet aan de definitie die Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) hanteert van een ter zake kundige voor het opstellen van toetsingen aan de Wnb. Daarnaast is ATKB aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus (NGB); een brancheorganisatie voor groene adviesbureaus.

LEESWIJZER In hoofdstuk 2 is een beschrijving van het plangebied weergegeven en de uit te voeren werkzaamheden zijn hier benoemd. In hoofdstuk 3 wordt de methode, waarop een quickscan soortenbescherming wordt uitgevoerd, beschreven. Hoofdstuk 4 gaat in op de (mogelijke) aanwezigheid van beschermde soorten. In hoofdstuk 5 worden globaal de effecten bepaald van het plan op de soorten die (mogelijk) gebruik maken van het plangebied. Hier worden ook beknopt maatregelen voorgesteld om zorgvuldig te handelen ten aanzien van beschermde soorten. In hoofdstuk 6 wordt kort beargumenteerd of een toetsing aan de gebiedenbescherming noodzakelijk is. In hoofdstuk 7 worden (middels beantwoording van de onderzoeksvragen uit paragraaf 1.4) de conclusies en aanbevelingen uit voorliggend rapport op een rij gezet.

QuickScan Wet natuurbescherming Schepersweg te Breukelen | 1 | 20211730/rap01

4 van 23

PLANGEBIED: HUIDIGE EN TOEKOMSTIGE SITUATIE BESCHRIJVING HUIDIGE SITUATIE Het plangebied betreft drie uit baksteen opgetrokken gebouwen (nr. 70 t/m 78, 148 t/m 156 en 226 t/m 234) van twee verdiepingen aan de Schepersweg te Breukelen. In de muren van de bebouwing zijn open stootvoegen aanwezig, welke toegang verlenen tot de spouwmuur. Tevens zijn er ruimtes onder de dakranden aanwezig. De gebouwen hebben een plat dak. Ten oosten van de bebouwing is een grasveld met strak gemaaid gazon aanwezig. Aan de randen van het gazon en aangrenzend aan de bebouwing zijn enkele bomen en struwelen aangeplant. Ten westen van de bebouwing is een watergang met natuurlijke oevers gelegen, waarlangs enkele bomen (waaronder schietwilg) zijn aangeplant. De oevers zijn onder andere begroeid met lisdodde en riet.

Figuur 1 Globale ligging van het plangebied (rood). Bron ondergrond: Google Maps (links) en OpenStreetMap (rechts)

WERKZAAMHEDEN EN TOEKOMSTIGE SITUATIE De geplande werkzaamheden bestaan uit het slopen van de bebouwing, waarna het plangebied bouwrijp zal worden gemaakt en er nieuwe bebouwing zal worden gerealiseerd. De naastgelegen watergang zal tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie ongemoeid blijven. Als gevolg van de geplande werkzaamheden zullen er bomen en struweel in het plangebied worden verwijderd.

QuickScan Wet natuurbescherming Schepersweg te Breukelen | 1 | 20211730/rap01

5 van 23

Figuur 2 Huidige situatie plangebied

QuickScan Wet natuurbescherming Schepersweg te Breukelen | 1 | 20211730/rap01

6 van 23

METHODE QUICKSCAN OPZET ONDERZOEK Een quickscan Wet natuurbescherming (onderdeel soortenbescherming) is een eenmalige beoordeling van het plangebied, waarin globaal wordt gekeken naar aanwezige en te verwachten (beschermde) soorten. Hiertoe worden een literatuur- en veldonderzoek uitgevoerd. Er wordt tijdens de quickscan een volledige beoordeling van het plangebied als leefgebied voor beschermde soorten uitgevoerd. Een quickscan is echter geen volledig ecologisch onderzoek naar alle mogelijk voorkomende soorten, in de daarvoor geschikte perioden van het jaar. Hierdoor is een quickscan vaak niet voldoende als onderbouwing van een eventuele aanvraag voor een ontheffing op de Wet natuurbescherming. Indien uit de quickscan echter blijkt dat geen noodzaak bestaat tot nader onderzoek of een ontheffing, is een quickscan een afdoende ecologische onderbouwing voor het bevoegd gezag. Dit geldt ook als de quickscan onderdeel vormt van de ruimtelijke onderbouwing van een bestemmingsplan. De bevindingen uit de quickscan Wet natuurbescherming zijn 5 jaar geldig, tenzij het gebied in de tussentijd dermate is gewijzigd dat er ander biotoop is ontstaan. Een (nader) onderzoek naar beschermde soorten uit de Habitatrichtlijn is 3 jaar geldig.

LITERATUURONDERZOEK Het literatuuronderzoek heeft tot doel een beeld te krijgen van (eventueel) aanwezige Wnb-beschermde soorten in (de omgeving van) het plangebied. Voor het literatuuronderzoek is gebruik gemaakt van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF); dit is de meest complete databank in Nederland met verspreidingsinformatie van flora en fauna. Ten aanzien van flora is een zoekgebied van circa 5 kilometer rondom het plangebied gehanteerd. Voor fauna is een zoekgebied van circa 5 kilometer rondom het plangebied gehanteerd. De NDFF is geraadpleegd op 11 oktober 2021. Hierbij zijn waarnemingen tot 10 jaar terug ingezien. Aangezien ook de NDFF niet volledig is, is tevens gebruik gemaakt van informatie uit overige beschikbare vakliteratuur (verspreidingsatlas) en eigen soort- en gebiedskennis (expert judgement).

VELDONDERZOEK Het veldonderzoek heeft tot doel te bepalen of de beschermde soorten die in de omgeving van het plangebied (kunnen) voorkomen (deze volgen uit het literatuuronderzoek) tevens in het plangebied (kunnen) voorkomen. Op 14 oktober 2021 is het veldbezoek uitgevoerd. Het weer tijdens het veldbezoek was vrijwel geheel bewolkt, met een temperatuur van 15 °C en een windkracht van 2 Bft. Tijdens het veldbezoek is gekeken naar de geschiktheid van het plangebied als groeiplaats/verblijfplaats voor (in de omgeving aanwezige) beschermde soorten. Tevens is tijdens het veldbezoek gelet op de aanwezigheid van beschermde soorten en sporen hiervan (zoals uitwerpselen, pootafdrukken, vraatsporen en aanwezige (oude) nesten / verblijfplaatsen).

QuickScan Wet natuurbescherming Schepersweg te Breukelen | 1 | 20211730/rap01

7 van 23

De bepaling van de geschiktheid van het plangebied voor beschermde soorten is op onderstaande manier uitgevoerd: Flora Het plangebied wordt beoordeeld op geschiktheid als habitat voor beschermde plantensoorten. Tevens wordt gelet op eventuele groeiplaatsen van beschermde plantensoorten (deze zijn echter niet jaarrond zichtbaar). Broedvogels categorie 1 t/m 4 De nesten van vogelsoorten binnen categorie 1 t/m 4 zijn jaarrond beschermd. Dit geldt ook voor de directe omgeving die nodig is om de jongen succesvol groot te brengen (rust- en foerageergebied). Jaarrond beschermde nesten kunnen aanwezig zijn in bomen (bijv. roofvogelhorsten) of gebouwen (bijv. gierzwaluw en huismus). Tijdens het veldbezoek bepalen we of in het plangebied vaste nesten aanwezig (kunnen) zijn. Daarnaast wordt gezocht naar sporen van jaarrond beschermde nesten, bijvoorbeeld braakballen van uilen en roofvogels, uitwerpselen op de grond/muren en territoriale aanwezigheid van vogels met jaarrond beschermde nesten. Tenslotte wordt beoordeeld of het plangebied mogelijk essentieel rust- en foerageergebied voor vogels van categorie 1 t/m 4 vormt. Broedvogels categorie 5 Categorie 5-broedvogels betreffen broedvogels die in principe niet jaarrond beschermd zijn, maar waarvan het ministerie van EZ wel een inventarisatie verlangt.

Deze soorten zijn enkel jaarrond beschermd als de ecologische omstandigheden dit rechtvaardigen, oftewel als verwacht wordt dat uitvoering van de plannen grote nadelige effecten zouden kunnen hebben op de lokale populatie van een soort. Tijdens het veldbezoek wordt bepaald of in het plangebied nesten van categorie 5 aanwezig (kunnen) zijn. Daarnaast zoeken we ook naar sporen van deze nesten, bijvoorbeeld braakballen, uitwerpselen op de grond of muren, territoriale aanwezigheid van vogels met jaarrond beschermde nesten. Algemene broedvogels Nesten van algemene broedvogels zijn enkel tijdens het broedseizoen beschermd. Tijdens het veldbezoek wordt bepaald of binnen het plangebied broedgelegenheid is voor algemene broedvogels zoals kauw, winterkoning, heggenmus en vink. Tevens letten we op aanwijzingen voor broedgevallen, zoals territoriale en/of zingende vogels, oude nesten en uitwerpselen. Vleermuizen Van alle van nature in Nederland voorkomende vleermuizen worden zowel de verblijfplaatsen, essentiële vliegroutes en essentiële foerageerroutes beschermd. Voor vleermuizen wordt bepaald of gebouwen en/of bomen binnen de invloedssfeer van de geplande werkzaamheden geschikt (kunnen) zijn als vleermuisverblijfplaats: - Gebouwbewonende vleermuizen (o.a.

gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger en meervleermuis) gebruiken vaak spouwruimten als verblijfplaats, welke zij bijvoorbeeld via een open stootvoeg of via kieren in de buitenmuur kunnen bereiken. Ook gebruiken ze regelmatig ruimtes achter daklijsten of betimmeringen als verblijfplaats. De geschiktheid van gebouwen wordt beoordeeld op basis van de aanwezigheid van dergelijke structuren. Tijdens het veldbezoek zijn de gebouwen zelf niet betreden, maar van buiten geïnspecteerd;

QuickScan Wet natuurbescherming Schepersweg te Breukelen | 1 | 20211730/rap01

8 van 23

-

Boombewonende vleermuizen (o.a. ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis en watervleermuis) verblijven in holtes, spleten of onder loshangend schors van bomen. Bomen worden met een verrekijker vanaf de grond beoordeeld op aanwezigheid van dergelijke kenmerken.

Tevens wordt tijdens het veldonderzoek bepaald of sprake is van lijnvormige landschapsstructuren die van belang kunnen zijn als vliegroute. Hierbij wordt bepaald of sprake is van doorgaande watergangen en aaneengesloten bomenrijen. Tevens wordt (om de essentie van de vliegroute te bepalen) gelet op vergelijkbare structuren in de directe omgeving van het plangebied die als alternatief kunnen fungeren. Tenslotte wordt bepaald of sprake is van landschapsstructuren (bijvoorbeeld opgaand groen) die van belang kunnen zijn als foerageergebied. Om de essentie van het foerageergebied te bepalen, wordt tijdens het veldbezoek gelet op vergelijkbare structuren in de directe omgeving van het plangebied die als alternatief kunnen fungeren. Grondgebonden zoogdieren Het gebied wordt beoordeeld op geschiktheid als leefgebied voor beschermde grondgebonden zoogdieren (o.a. eekhoorn, das, kleine marterachtigen), waarbij wordt gelet op sporen, zoals uitwerpselen, pootafdrukken, vraatsporen, wissels, looppaadjes) en aanwezige (oude) nesten / verblijfplaatsen. Tevens worden eventuele zichtwaarnemingen genoteerd. Amfibieën Tijdens het veldbezoek wordt bepaald of het plangebied geschikt voortplantingshabitat, zomerhabitat en/of overwinteringsplekken voor beschermde amfibieën biedt.

Bij aanwezigheid van een potentieel geschikt voortplantingswater voor beschermde soorten, wordt het water steekproefsgewijs met een (RAVON-)schepnet bemonsterd. Bij aanwezigheid van potentieel geschikt landhabitat wordt direct (steekproefsgewijs) gecontroleerd op de mogelijke aanwezigheid van beschermde amfibieën tussen de vegetatie en op donkere, vochtige plekken (onder stukken hout e.d.). Reptielen Tijdens het veldbezoek wordt gelet op de mogelijke aanwezigheid van geschikt habitat voor reptielen, zoals zanderige, structuurrijke plekken en schuilmogelijkheden. Indien sprake is van geschikt habitat wordt (bij uitvoering van het veldbezoek in de geschikte periode) direct (steekproefsgewijs) gecontroleerd op eventueel aanwezige individuen (onder takkenhopen e.d.). Vissen Tijdens het veldbezoek wordt bepaald of oppervlaktewater (indien aanwezig) geschikt is voor beschermde vissoorten. Hierbij wordt gelet op o.a. bodemsubstraat, helderheid, voedselrijkdom en de aanwezigheid van onderwater- en oevervegetatie. Bij ogenschijnlijke geschiktheid van de watergang voor beschermde soorten, wordt het water steekproefsgewijs met een (RAVON-)schepnet bemonsterd. Vlinders, libellen en overige ongewervelden Tijdens het veldbezoek wordt bepaald of het plangebied geschikt is als habitat voor beschermde soorten vlinders, libellen en overige ongewervelden (o.a. kevers en tweekleppigen).

Hierbij wordt o.a. gelet op de aanwezigheid van waardplanten (voor vlinders), water met geschikte ei-afzetplaatsen (voor libellen) en helder water met een rijke waterbeplanting (voor platte schijfhoren). Tijdens het veldbezoek wordt direct gelet op aanwijzingen van gebruik van het plangebied door beschermde ongewervelden (o.a. poppen, vervellingshuidjes, larven, nimfen). Bij aanwezigheid van potentieel geschikte watergang/poel (voor beschermde libellen, waterkevers en platte schijfhoren) wordt het water steekproefsgewijs met een (RAVON-)schepnet bemonsterd.

QuickScan Wet natuurbescherming Schepersweg te Breukelen | 1 | 20211730/rap01

9 van 23

RESULTATEN LITERATUUR- EN VELDONDERZOEK FLORA Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied de volgende beschermde soorten voor (kunnen) komen: blaasvaren, drijvende waterweegbree, groenknolorchis, kartuizer anjer, kluwenklokje, korensla, schubvaren, smalle raai en spits havikskruid. Het kort gemaaide gazon en de bakstenen bebouwing in het plangebied bieden geen geschikt habitat voor groenknolorchis, kartuizer anjer, kluwenklokje, korensla, smalle raai en spits havikskruid. Blaasvaren en schubvaren groeien op oude muren, rotsen en spleten. Dit habitat is niet in het projectgebied aanwezig. Waarnemingen van drijvende waterweegbree, kluwenklokje, smalle raai en spits havikskruid uit de omgeving van het plangebied betreffen adventieve exemplaren. Adventieve exemplaren zijn niet beschermd onder de Wet natuurbescherming. Het voorkomen van beschermde soorten planten binnen het plangebied is derhalve uitgesloten.

BROEDVOGELS CAT. 1 T/M 4 (NESTEN JAARROND BESCHERMD) Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied de volgende broedvogels met jaarrond beschermde nesten voorkomen: boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief en zwarte wouw. Uit het veldonderzoek blijkt dat jaarrond beschermde nestlocaties van boomvalk, buizerd, grote gele kwikstaart, havik, kerkuil, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief en zwarte wouw binnen de invloedssfeer van de geplande werkzaamheden kunnen worden uitgesloten wegens het ontbreken van potentieel jaarrond beschermde nesten of ander geschikt broedbiotoop (zoals nestkasten, nestpalen en oude schuren). In de bebouwing in het projectgebied zijn potentieel geschikte nestlocaties waargenomen voor gierzwaluw en huismus. De aanwezigheid van jaarrond beschermde nestlocaties van deze soorten kan derhalve niet op voorhand worden uitgesloten. Tijdens het veldbezoek zijn er meerdere individuen van huismus in en direct buiten het plangebied waargenomen.

BROEDVOGELS CAT. 5 (NESTEN JAARROND BESCHERMD ALS OMSTANDIGHEDEN DIT RECHTVAARDIGEN) Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied de volgende categorie 5-broedvogels voor (kunnen) komen: blauwe reiger, boerenzwaluw, boomklever, boomkruiper, bosuil, ekster, gekraagde roodstaart, glanskop, grauwe vliegenvanger, groene specht, grote bonte specht, koolmees, huiszwaluw, kleine bonte specht, oeverzwaluw, pimpelmees, spreeuw, torenvalk en zwarte kraai. Uit het veldonderzoek blijkt dat de bebouwing in het plangebied holtes (zie afbeelding 7, figuur 2) bevat die mogelijk geschikt broedbiotoop bieden voor gekraagde roodstaart, koolmees, pimpelmees en spreeuw. Tijdens de habitatscan zijn er enkele tientallen individuen van spreeuw in en direct buiten het plangebied waargenomen. Onder de dakpannen van de bebouwing naast het plangebied is tevens geschikt broedbiotoop

QuickScan Wet natuurbescherming Schepersweg te Breukelen | 1 | 20211730/rap01

10 van 23

voor spreeuw aanwezig. Nesten van overige soorten worden niet in de bebouwing verwacht door het ontbreken van geschikte nestlocaties. In de bomen binnen de invloedssfeer van de geplande werkzaamheden zijn tijdens de habitatscan geen eksternesten waargenomen. Wel zijn er twee roepende individuen van ekster waargenomen in twee Italiaanse populieren direct buiten het plangebied. Deze bomen vormen geschikt broedbiotoop voor ekster. In de bomen binnen de invloedssfeer van de geplande werkzaamheden zijn geen boomholtes aangetroffen die mogelijk geschikt broedbiotoop voor categorie 5-soorten bieden.

ALGEMENE BROEDVOGELS Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied diverse algemene broedvogels voor (kunnen) komen, waaronder: houtduif, merel, roodborst, wilde eend, winterkoning en zilvermeeuw. Uit het veldonderzoek blijkt dat het dak van de bebouwing geschikt is voor dakbroedende soorten vogels als de scholekster en de zilvermeeuw. Tevens zijn er meerdere bomen en struwelen in en direct buiten het plangebied aanwezig welke geschikt broedbiotoop vormen voor soorten als merel, roodborst en winterkoning. De naastgelegen watergang biedt geschikt broedbiotoop voor meerkoet en wilde eend.

VLEERMUIZEN Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied de volgende vleermuizen voor (kunnen) komen: baardvleermuis, franjestaart, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis. 4.5.1 VERBLIJFPLAATSEN

Uit het veldonderzoek blijkt dat de bebouwing geschikte verblijfplaatsen biedt voor de gebouwbewonende soorten gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. Gezien het feit dat baardvleermuis, franjestaart, gewone grootoorvleermuis en meervleermuis gevoelig zijn voor lichtverstoring en de bebouwing in het projectgebied wordt verlicht, worden verblijfplaatsen van deze soorten niet in het plangebied verwacht. Wegens het ontbreken van boomholtes binnen de invloedssfeer van de geplande werkzaamheden, is de aanwezigheid van verblijfplaatsen van rosse vleermuis en watervleermuis uitgesloten. 4.5.2 VLIEGROUTES EN FOERAGEERGEBIED

De watergang en het Amsterdam-Rijnkanaal direct ten westen van het plangebied hebben een grote insecten aantrekkende werking en kunnen door vleermuizen als essentieel foerageergebied worden gebruikt. De lijnvormige structuren van de bebouwing langs het Amsterdam-Rijnkanaal kunnen door vleermuizen worden gebruikt als vliegroute naar ‘Bos Over Holland’, dat circa 560 meter ten noorden van de bebouwing is gelegen. Wegens geschikte alternatieve lijnvormige elementen in de vorm van bomenrijen, een watergang en bebouwing, is deze vliegroute naar verwachting niet essentieel. Ten slotte kan het Amsterdam-Rijnkanaal fungeren als essentiële vlieg- en migratieroute van vleermuizen. Het Amsterdam-Rijnkanaal is op voldoende afstand van het plangebied gesitueerd om aantasting van vlieg- en migratieroutes te voorkomen. De mogelijk aanwezige beschermde functies zijn in afbeelding 2 op kaart ingetekend.

QuickScan Wet natuurbescherming Schepersweg te Breukelen | 1 | 20211730/rap01

11 van 23

Figuur 3 Mogelijk aanwezige beschermde functies voor vleermuizen (bron ondergrond: Google Maps)

GRONDGEBONDEN ZOOGDIEREN Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied zowel vrijgestelde als niet-vrijgestelde beschermde grondgebonden zoogdieren voor (kunnen) komen. De volgende in de provincie Utrecht van bescherming vrijgestelde soorten (kunnen) voorkomen: bosmuis, bunzing, dwergspitsmuis, egel, haas, hermelijn, huisspitsmuis, konijn, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos en wezel. Voor deze soorten geldt de zorgplicht welke gewaarborgd wordt met algemene maatregelen (zie paragraaf 5.10). Om deze reden zijn hun aanwezigheid en eventuele effecten op deze soorten niet verder bekeken in deze quickscan. Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied de volgende niet-vrijgestelde beschermde grondgebonden zoogdieren voor (kunnen) komen: bever, boommarter, das, eekhoorn, otter, steenmarter en waterspitsmuis. Door de ligging middenin stedelijk gebied kunnen soorten als boommarter, das en eekhoorn op voorhand worden uitgesloten. Wegens de beschoeiing van de oevers van het Amsterdam-Rijnkanaal, zijn beschermde functies van bever en otter tevens uitgesloten. Van steenmarter is bekend dat ze in vervallen gebouwen, schuurtjes en rommelhoeken verblijfplaatsen kunnen hebben. Ze komen relatief veel voor in bebouwde gebieden, maar maken gebruik van groenstructuren als parken en tuinen om in te foerageren.

In het plangebied en in de directe omgeving is geschikt foerageergebied voor de steenmarter aanwezig. Vanwege het kleine oppervlak maakt dit echter geen onderdeel uit van essentieel foerageergebied van de steenmarter. Tijdens het veldbezoek zijn geen potentiële

QuickScan Wet natuurbescherming Schepersweg te Breukelen | 1 | 20211730/rap01

12 van 23

verblijfplaatsen van de steenmarter aangetroffen. Beschermde functies van de steenmarter in het plangebied zijn derhalve uitgesloten. Uit bronnen is bekend dat waterspitsmuis in de omgeving van het plangebied voorkomt. De waterspitsmuis komt voor in en langs ruim ontwikkelde watervegetaties en ruig begroeide oevers. In het plangebied is dit habitat niet aanwezig. De watergang direct ten westen van het plangebied biedt wel geschikt habitat voor waterspitsmuis. De waterspitsmuis is een erg schuw dier dat zich dood kan schrikken van een plotseling, hard geluid. Negatieve effecten op de waterspitsmuis zijn derhalve niet op voorhand uit te sluiten.

AMFIBIEËN Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied zowel vrijgestelde als niet-vrijgestelde beschermde amfibieën voor (kunnen) komen. De volgende in Utrecht van bescherming vrijgestelde soorten (kunnen) voorkomen: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en meerkikker. Voor deze soorten geldt de zorgplicht welke gewaarborgd wordt met algemene maatregelen (zie paragraaf 5.10). Om deze reden is hun aanwezigheid niet verder bekeken in deze quickscan. Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied de volgende beschermde amfibieën voor (kunnen) komen: rugstreeppad. In het plangebied is geen geschikt habitat voor de rugstreeppad aanwezig. De watergang direct ten westen van het plangebied is diep en niet visvrij, waardoor deze ongeschikt is als voortplantingswater voor de rugstreeppad. Derhalve kan de aanwezigheid van de rugstreeppad binnen en in de directe omgeving van het plangebied worden uitgesloten. In het plangebied kan tijdens de uitvoering van de werkzaamheden wel geschikt habitat voor rugstreeppad gaan vormen. Om vestiging van rugstreeppad te voorkomen zijn in hoofdstuk 5.7 maatregelen beschreven.

REPTIELEN Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied de ringslang voorkomt. De soort is aangetroffen in de directe omgeving van het plangebied, onder meer op circa 80 meter ten noorden van het plangebied. Door het ontbreken van ruimtes onder de fundering van de bebouwing in het plangebied, kunnen winterverblijfplaatsen van ringslang in het plangebied worden uitgesloten. De watergang direct ten westen van het plangebied is geschikt als leefgebied en verblijfplaats voor de ringslang.

VISSEN Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied de volgende beschermde vissen voor (kunnen) komen: grote modderkruiper en kwabaal. Door het ontbreken van water in het plangebied is het voorkomen van beschermde soorten vissen uitgesloten.

VLINDERS, LIBELLEN EN OVERIGE ONGEWERVELDEN Uit het literatuuronderzoek blijkt dat in de omgeving van het plangebied de volgende beschermde ongewervelden voor (kunnen) komen: groene glazenmaker en platte schijfhoren. Door het ontbreken van oppervlaktewater zijn de aanwezigheid van beschermde functies van de groene glazenmaker en de platte schijfhoren in het plangebied uitgesloten.

QuickScan Wet natuurbescherming Schepersweg te Breukelen | 1 | 20211730/rap01

13 van 23

SAMENVATTING RESULTATEN In onderstaande tabel is een overzicht gegeven van de beschermde soorten die op basis van het literatuuren veldonderzoek (mogelijk) aanwezig zijn binnen de invloedssfeer van de geplande werkzaamheden. Tabel 1

Mogelijk aanwezige beschermde soorten binnen de invloedssfeer van de geplande werkzaamheden.

Soortgroep Flora Broedvogels categorie 1 t/m 4 Broedvogels categorie 5 Algemene broedvogels Vleermuizen Zoogdieren (grondgebonden) Amfibieën Reptielen Vissen Vlinders, libellen en overige ongewervelden

(Kans op) aanwezigheid beschermde soorten? Ja Nee x x x x x x x x x x

Bij het planvoornemen dient men rekening te houden met de (potentieel) aanwezige beschermde soorten (tabel 4-1, soorten uit kolom ‘ja’). Daarnaast dient men (in het kader van de zorgplicht) tevens rekening te houden met de (binnen de provincie Utrecht) van bescherming vrijgestelde soorten (o.a. egel en huisspitsmuis) en overige in het wild levende flora en fauna. Doordat reeds duidelijk is dat de beschermde soorten uit de soortgroepen flora, amfibieën, reptielen, vissen en ongewervelden niet aanwezig zijn binnen het plangebied, worden deze in het vervolg van voorliggende rapportage verder niet behandeld.

QuickScan Wet natuurbescherming Schepersweg te Breukelen | 1 | 20211730/rap01

14 van 23

EFFECTENANALYSE EN MAATREGELEN INLEIDING De onderstaande effectenanalyse en de beschrijving van de maatregelen richten zich op de verbodsbepalingen ten aanzien van de beschermde soorten (Wnb-artikelen, 3.1, 3.5 en 3.10) die mogelijk hun leefgebied hebben binnen het plangebied en de algemeen geldende zorgplicht voor alle in het wild levende planten en dieren (Wnb-artikel 1.11) die mogelijk binnen het plangebied voorkomen. In paragrafen 5.2 t/m 5.6 worden per (mogelijk) aanwezige soortgroep (zie paragraaf 4.11) de mogelijke effecten op beschermde soorten en benodigde maatregelen besproken. In paragraaf 5.7 worden enkele aanvullende maatregelen (ten aanzien van de zorgplicht én het voorkomen van tussentijdse vestiging van beschermde soorten) beschreven.

BROEDVOGELS CAT. 1 T/M 4 5.2.1 EFFECTEN

In het plangebied zijn mogelijk jaarrond beschermde nestlocaties van gierzwaluw en huismus aanwezig. Als gevolg van de werkzaamheden kunnen vogels worden gedood, kunnen broedgevallen worden verstoord en kunnen jaarrond beschermde nestlocaties worden vernietigd. 5.2.2 MAATREGELEN

Alvorens de werkzaamheden plaats kunnen vinden is nader onderzoek naar de aanwezigheid van jaarrond beschermde nestlocaties van gierzwaluw en huismus noodzakelijk. Na aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van jaarrond beschermde nestlocaties zullen indien nestlocaties aanwezig zijn, nader te specificeren maatregelen getroffen dienen te worden. Voor het uitvoeren van maatregelen kan een ontheffing in het kader van de Wnb noodzakelijk zijn.

BROEDVOGELS CAT. 5 (NESTEN JAARROND BESCHERMD ALS OMSTANDIGHEDEN DIT RECHTVAARDIGEN) In het plangebied is geschikt broedbiotoop voor categorie 5-soorten gekraagde roodstaart, koolmees, pimpelmees en spreeuw aanwezig. Onder de dakranden zijn ruimtes aanwezig die toegang verlenen tot potentieel geschikte nestlocaties. De bomen direct buiten het projectgebied bieden geschikt broedbiotoop voor ekster. Het plangebied is voor de potentieel aanwezige categorie 5-soorten niet van ecologisch belang, omdat de soorten veelvuldig in de directe omgeving van het plangebied voorkomen en er in de directe omgeving van het plangebied voldoende uitwijkmogelijkheden zijn. De mogelijke effecten en benodigde maatregelen ten aanzien van categorie 5-broedvogels worden derhalve (tezamen met de algemene broedvogels) besproken in paragraaf 5.3.

ALGEMENE BROEDVOGELS 5.4.1 EFFECTEN

Binnen de invloedssfeer van de geplande werkzaamheden is geschikt broedbiotoop voor algemene soorten broedvogels aanwezig, zoals merel, roodborst, scholekster, wilde eend en zilvermeeuw. Tevens vormen de oevers van de watergang direct ten westen van het projectgebied geschikt broedbiotoop voor meerkoet en

QuickScan Wet natuurbescherming Schepersweg te Breukelen | 1 | 20211730/rap01

15 van 23

wilde eend. Zonder voldoende voorzorg kunnen nesten van bovengenoemde soorten worden verstoord en/of vernield en kunnen vogels worden gedood. Hiermee worden verbodsbepalingen uit artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming overtreden. 5.4.2 MAATREGELEN

Elk broedgeval is beschermd; ook broedgevallen buiten deze periode mogen niet dusdanig worden verstoord of aangetast dat het broedgeval wordt afgebroken. Voor verstoring of aantasting van broedgevallen kan geen ontheffing in het kader van de Wnb worden verkregen. Middels onderstaande voorzorgsmaatregelen kan overtreding van de Wnb (als gevolg van vernieling van vogelnesten) worden voorkomen en kunnen de werkzaamheden doorgang vinden: Werkzaamheden buiten het reguliere broedseizoen (15 maart t/m 31 augustus) uitvoeren. Indien de werkzaamheden plaatsvinden in het broedseizoen, is een controleronde op broedvogels voorafgaand aan de werkzaamheden noodzakelijk. Broedgevallen worden tijdens deze controle gemarkeerd en tijdens de werkzaamheden ontzien. Het kan noodzakelijk zijn om gedurende de werkzaamheden periodiek controles uit te voeren op broedgevallen van vogels in plaats van een éénmalige controle. Dit is vooral van toepassing als langdurig werkzaamheden in het reguliere broedseizoen worden uitgevoerd. Voorafgaand aan de werkzaamheden en buiten het broedseizoen de bomen, struiken en andere beplanting rooien.

Voorafgaand aan het rooien/ontoegankelijk maken dient men contact op te nemen met een ecoloog om te bepalen of er kans is op broedgevallen; - vanaf het begin van het broedseizoen de daken broedvrij houden; - als de bomen, struiken en andere beplanting niet kunnen worden gerooid buiten het broedseizoen en/of regelmatig betreden van de daken niet mogelijk is: voorafgaande aan het werk een broedvogelcontrole uitvoeren en een gebied van 20 meter rondom de nesten tijdens de werkzaamheden ontzien.

VLEERMUIZEN 5.5.1 EFFECTEN

Het plangebied biedt geschikte verblijfplaatsen voor gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. De watergang direct buiten het projectgebied kan fungeren als essentieel foerageergebied van vleermuizen. 5.5.2 EFFECTEN

Verblijfplaatsen Door de voorgenomen sloop van het gebouw zijn negatieve effecten op verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis niet uitgesloten. Onder de dakranden en in de spouwmuur kunnen de vleermuizen hun verblijfplaats hebben. Als gevolg van de sloopwerkzaamheden treedt er mogelijk verstoring van vleermuizen op, kunnen vleermuizen worden gedood en kunnen verblijfplaatsen worden vernietigd. Essentieel foerageergebied Indien er in de actieve periode van vleermuizen (globaal: april t/m oktober) gebruik wordt gemaakt van nachtelijk rondschijnend licht, kan dit leiden tot verstoring van potentieel aanwezig essentieel foerageergebied van vleermuizen.

QuickScan Wet natuurbescherming Schepersweg te Breukelen | 1 | 20211730/rap01

16 van 23

5.5.3 MAATREGELEN

Alvorens de geplande werkzaamheden gestart kunnen worden is nader onderzoek naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen noodzakelijk. Na aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen zullen indien verblijfplaatsen aanwezig zijn, nader te specificeren maatregelen getroffen dienen te worden. Voor het uitvoeren van maatregelen kan een ontheffing in het kader van de Wnb noodzakelijk zijn. Om verstoring van potentieel aanwezig essentieel foerageergebied van vleermuizen te voorkomen is het noodzakelijk om nachtelijk rondschijnend licht in de actieve periode van vleermuizen (globaal: april t/m oktober) te voorkomen. Gerichte armaturen die van het water en groenstructuren afgericht zijn, zijn wel toegestaan.

GRONDGEBONDEN ZOOGDIEREN 5.6.1 EFFECTEN

De watergang direct buiten het plangebied biedt geschikt habitat voor de waterspitsmuis. Als gevolg van harde geluiden (heiwerkzaamheden) kunnen individuen van de waterspitsmuis worden gedood. Wanneer gebruik wordt gemaakt van een hei-techniek waarbij plotselinge, harde geluiden worden gemaakt, kunnen negatieve effecten op de waterspitsmuis niet worden uitgesloten. 5.6.2 MAATREGELEN

Indien er heiwerkzaamheden plaatsvinden is het noodzakelijk dat er van een techniek gebruik gemaakt wordt waarmee harde, plotselinge geluiden worden voorkomen (bijvoorbeeld door het gebruik van schroefpalen). Indien harde, plotselinge geluiden niet kunnen worden voorkomen is onderzoek naar de aanwezigheid van waterspitsmuis in de oevers van de watergang direct buiten het plangebied noodzakelijk. Na aanvullend onderzoek naar de aanwezigheid van waterspitsmuis zullen (indien blijkt dat waterspitsmuis aanwezig is) nader te specificeren maatregelen getroffen dienen te worden. Voor het uitvoeren van maatregelen kan een ontheffing in het kader van de Wnb noodzakelijk zijn.

AANVULLENDE MAATREGELEN (T.A.V. ZORGPLICHT EN PIONIERSOORTEN) Om een zorgvuldige omgang met alle in het wild levende soorten (zorgplicht) te garanderen, zijn de volgende maatregelen geformuleerd: • • • •

aanwezige beplanting binnen het plangebied (met name bomen en struiken) zoveel mogelijk behouden; werken van één kant af om fauna de kans te geven zelfstandig te vluchten; in mogelijk leefgebied: egels met rust laten en wachten tot deze zelfstandig het plangebied hebben verlaten; kunstmatige verlichting gedurende de nacht kan verstoring geven aan nacht actieve dieren als vleermuizen. Werk daarom zonder extra kunstmatige verlichting. Indien dit niet mogelijk is, dient er gewerkt te worden met gerichte armaturen die van het water en groenstructuren afgericht zijn.

Om tussentijdse vestiging van beschermde (pionier)soorten te voorkomen, zijn nog enkele aanvullende voorzorgsmaatregelen geformuleerd:

QuickScan Wet natuurbescherming Schepersweg te Breukelen | 1 | 20211730/rap01

17 van 23

•

• •

• •

•

ontstaan van ondiepe poelen (bijvoorbeeld als gevolg van spoorvorming) in de periode van april t/m augustus voorkomen, dergelijke poelen vormen namelijk geschikt voortplantingsbiotoop voor rugstreeppad; het ontstaan van zand- en puinhopen voorkomen, deze vormen namelijk geschikte verblijfplaatsen voor rugstreeppad; indien het ontstaan van ondiepe poelen en zand- en puinhopen in de actieve periode van rugstreeppad (globaal april – november) niet voorkomen kan worden, is het aan te bevelen om het plangebied af te rasteren met een amfibieënkerend scherm; indien zandopslag aanwezig is, dienen steile kanten van een helling van meer dan 45⁰ te worden voorkomen om geschikt broedbiotoop voor oeverzwaluw te voorkomen; hopen puin en snoeiafval direct afvoeren of in een container plaatsen, deze hopen vormen geschikte verblijf- en broedplaatsen voor diverse soorten als rugstreeppad en (algemene)broedvogels; voorkomen dat er ten tijde van de werkzaamheden flora en fauna van pionier situaties zich in het plangebied vestigen. Hiertoe dient bij voorkeur buiten het broedseizoen te worden gewerkt of in ieder geval met de werkzaamheden worden gestart, en dient het terrein regelmatig betreden te worden.

QuickScan Wet natuurbescherming Schepersweg te Breukelen | 1 | 20211730/rap01

18 van 23

GEBIEDENBESCHERMING NATURA 2000 Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied (zie figuur 4), waardoor bij voorbaat kan worden uitgesloten dat sprake is van een direct negatief effect op beschermde natuurgebieden. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling op voldoende afstand (circa 1,9 kilometer ten oosten) van beschermde natuurgebieden plaatsvindt worden tevens geen negatieve effecten als gevolg van externe werking (middels visuele verstoring en verstoring door geluid, trilling en licht) verwacht.

Figuur 4 Ligging plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden (bron: https://www.natura2000.nl/gebieden)

Projecten kunnen (ook op relatief grote afstand van Natura 2000-gebieden) nadelige effecten hebben door toename van stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden. Hierbij is van belang dat vanaf 1 juli 2021 de nieuwe Wet stikstofreductie en natuurverbetering (Wsn) van kracht is. In deze nieuwe wet is een partiële vrijstelling voor de bouwsector van de natuurvergunningsplicht als bedoeld in artikel 2.7 van de Wnb opgenomen. Deze vrijstelling is partieel, omdat deze alleen geldt voor tijdelijke stikstofdemissies tijdens de bouw, sloop en aanleg (“aanlegfase”) en niet voor de structurele stikstofemissies in de gebruiksfase van het bouwwerk of werk (“gebruiksfase”). Bovenstaande betekent dat voor aanlegfases die wél stikstofdepositie veroorzaken op een Natura 2000-gebied een beroep gedaan kan worden op de partiële vrijstelling en geen vergunning meer nodig is. Dit betekent dat een stikstofdepositieberekening van de aanlegfase onder de Wsn niet verplicht is. Een berekening van de gebruiksfase is (bij stikstofemitterende

QuickScan Wet natuurbescherming Schepersweg te Breukelen | 1 | 20211730/rap01

19 van 23

bronnen in de gebruiksfase) te allen tijde noodzakelijk. Een toename van meer dan 0,00 mol N/ha/jr in de gebruiksfase vraagt om een nadere ecologische beoordeling van de gevolgen. De kans op een stikstofdepositie van meer dan 0,00 mol/ha/j in Natura 2000-gebieden wordt zeer klein geacht. Dit gezien de nieuwe bebouwing in het plangebied van vergelijkbare grootte is als de huidige situatie en de verkeersaantrekkende werking derhalve gelijk blijft. Tevens worden de woningen niet aangesloten op het gas. De huidige woningen zijn momenteel wel voorzien van een gasaansluiting. Derhalve zal de uitstoot in de nieuwe situatie lager zijn dan in de huidige situatie. Het oordeel van het al dan niet noodzakelijk zijn van een stikstofberekening ligt echter bij de provincie Utrecht.

PLANOLOGISCHE GEBIEDENBESCHERMING Het plangebied ligt niet in het NNN. Op 550 meter ten oosten van het plangebied ligt de dichtstbijzijnde begrenzing van het NNN (zie figuur 5). Doordat het plangebied buiten deze gebieden ligt en de provincie Utrecht geen externe werking kent, is toetsing aan de planologische gebiedsbescherming niet van toepassing.

Figuur 5 Ligging plangebied ten opzichte van NNN (bron: webkaart.provincie-utrecht.nl/viewer)

QuickScan Wet natuurbescherming Schepersweg te Breukelen | 1 | 20211730/rap01

20 van 23

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN SOORTENBESCHERMING Op basis van de uitgevoerde quickscan kunnen de onderzoeksvragen t.a.v. soortenbescherming worden beantwoord. S1. Welke Wnb-beschermde soorten maken (mogelijk) gebruik van de planlocatie? Gierzwaluw, huismus, vleermuizen, broedvogels cat. 5 en diverse algemene broedvogels maken mogelijk gebruik van de planlocatie. S2. Wat zijn de effecten van de voorgenomen werkzaamheden op deze beschermde soorten? Al gevolg van de geplande werkzaamheden kan niet uitgesloten worden dat verblijfplaatsen van vleermuizen worden vernietigd en vleermuizen worden verstoord, verwond en gedood. Tevens kan niet uitgesloten worden dat jaarrond beschermde nestlocaties (van gierzwaluw en huismus) en broedgevallen van algemene vogels worden vernietigd, broedgevallen worden verstoord en vogels worden gedood. Ten slotte kan niet worden uitgesloten dat individuen van de waterspitsmuis worden gedood als plotselinge harde geluiden niet kunnen worden voorkomen. S3. Is aanvullend ecologisch onderzoek naar één of meerdere soorten noodzakelijk? Ja, er is aanvullend onderzoek naar gierzwaluw, huismus en vleermuizen (gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis) nodig.

Indien er heiwerkzaamheden plaatsvinden en harde, plotselinge geluiden niet voorkomen kunnen worden, is onderzoek naar de aanwezigheid van waterspitsmuis noodzakelijk alvorens de werkzaamheden plaats kunnen vinden. S4. Welke voorzorgsmaatregelen dienen te worden uitgevoerd om negatieve effecten op beschermde soorten te voorkomen? In Tabel 2 zijn de benodigde voorzorgsmaatregelen opgenomen. Voor de volledigheid is aan deze tabel tevens de eventuele noodzaak van aanvullend ecologisch onderzoek opgenomen. S5. Is het noodzakelijk om voor de voorgenomen werkzaamheden een ontheffing van de Wnb aan te vragen? Afhankelijk van of er beschermde functies tijdens nader onderzoek worden aangetroffen, kan een ontheffing op de Wet natuurbescherming noodzakelijk zijn.

QuickScan Wet natuurbescherming Schepersweg te Breukelen | 1 | 20211730/rap01

21 van 23

Tabel 2

Overzicht benodigde voorzorgsmaatregelen.

(Mogelijk) aanwezige soort(groep)en Broedvogels categorie 1 t/m 4 (jaarrond beschermd)

Benodigde voorzorgsmaatregelen t.a.v. soorten met aanvullend beschermingsregime (art. 3.1, 3.5 en 3.10) Alvorens de werkzaamheden plaats kunnen vinden is nader onderzoek naar de aanwezigheid van jaarrond beschermde nestlocaties van gierzwaluw en huismus noodzakelijk. Blijken er nestlocaties aanwezig te zijn, dan is mitigatie nodig en dient mogelijk een ontheffing in het kader van de Wnb verkregen te worden.

Werkzaamheden buiten het broedseizoen uitvoeren of in ieder geval opstarten. Indien de werkzaamheden in het globale broedseizoen uitgevoerd dienen te worden: o voorafgaand aan de werkzaamheden en buiten het broedseizoen de bomen, struiken en andere beplanting rooien. Voorafgaand aan het rooien/ontoegankelijk maken dient men contact op te nemen met een ecoloog om te bepalen of er kans is op broedgevallen; o vanaf het begin van het broedseizoen de daken broedvrij houden; Categorie 5 en algemene o als de bomen, struiken en andere beplanting niet kunnen worden gerooid broedvogels buiten het broedseizoen en/of regelmatig betreden van de daken niet mogelijk is: voorafgaande aan het werk een broedvogelcontrole uitvoeren en een gebied van 20 meter rondom de nesten tijdens de werkzaamheden ontzien. Het kan noodzakelijk zijn om gedurende de werkzaamheden periodiek controles uit te voeren op broedgevallen van vogels in plaats van een éénmalige controle. Hopen snoeiafval en puin meteen verwijderen of in een container plaatsen om te voorkomen dat vogels hierin nesten gaan bouwen. Er is nader onderzoek naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen noodzakelijk. Blijken er verblijfplaatsen aanwezig te zijn, dan is mitigatie nodig en dient mogelijk een ontheffing in het kader van de Wnb verkregen Vleermuizen te worden. Werk zonder extra kunstmatige verlichting.

Indien dit niet mogelijk is, dient er gewerkt te worden met gerichte armaturen die van het water en groenstructuren afgericht zijn. Indien er heiwerkzaamheden plaatsvinden is het noodzakelijk plotselinge, harde geluiden worden voorkomen (bijvoorbeeld door het gebruik van schroefpalen). Indien Grondgebonden zoogdieren dit niet kan worden voorkomen is onderzoek naar de aanwezigheid van waterspitsmuis noodzakelijk. Blijkt er leefgebied aanwezig te zijn, dan is mitigatie nodig en dient mogelijk een ontheffing in het kader van de Wnb verkregen te worden. Aanvullende voorzorgsmaatregelen (t.a.v. zorgplicht en pioniersoorten) Aanwezige beplanting binnen het plangebied zoveel mogelijk behouden; Werken van één kant af naar een veilige vluchtrichting om fauna de kans te geven zelfstandig te vluchten; Werk zonder extra kunstmatige verlichting. Indien dit niet mogelijk is, dient er gewerkt te worden met gerichte armaturen die van het water en groenstructuren afgericht zijn; In mogelijk leefgebied: egels met rust laten en wachten tot deze zelfstandig het plangebied hebben verlaten; Vorming van grote zandhopen voor meer dan een week voorkomen; Hopen puin en snoeiafval direct afvoeren of in een container plaatsen; Voorkomen dat er ten tijde van de werkzaamheden flora en fauna van pionier situaties zich kunnen vestigen. -

QuickScan Wet natuurbescherming Schepersweg te Breukelen | 1 | 20211730/rap01

22 van 23

GEBIEDENBESCHERMING Op basis van de uitgevoerde quickscan kunnen de onderzoeksvragen t.a.v. gebiedenbescherming worden beantwoord: G1. Ligt het plangebied in of nabij een Natura 2000-gebied of binnen het NNN? Nee, het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt op circa 1,9 kilometer ten oosten van het plangebied. Het dichtstbijzijnde NNN-gebied ligt op circa 550 meter ten oosten van het plangebied. G2. Kunnen negatieve effecten op beschermde gebieden bij voorbaat worden uitgesloten? Ja, negatieve effecten op beschermde gebieden kunnen bij voorbaat worden uitgesloten. De nieuwe woningen worden niet aangesloten op het gas. Derhalve zal de uitstoot in de nieuwe situatie lager zijn dan in de huidige situatie. G3. Is een toetsing aan de gebiedenbescherming noodzakelijk? Nee.

QuickScan Wet natuurbescherming Schepersweg te Breukelen | 1 | 20211730/rap01

23 van 23

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://raadsinformatie.stichtsevecht.nl/api/v1/meetings/2238/documents/46352