toelichting bijlage 12. Archeologie onderzoek.pdf
Tekst van het document
Antea Group Archeologie 2016/95 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen Herontwikkeling Harmonieplein Maarssen (gem. Stichtse Vecht)
projectnummer 410587 definitief revisie 01 13 september 2016
Antea Group Archeologie 2016/95 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 410587 13 september 2016 revisie 01
Administratieve gegevens Projectnummer Antea Group OM-nummer Provincie Gemeente Plaats Toponiem
410587 4005971100 Utrecht Stichtse Vecht Maarssen Harmonieplein Maarssen
Kaartblad 31H Coördinaten 131185/461210 Opdrachtgever Uitvoerder Datum uitvoering Projectteam
Gemeente Stichtse Vecht Antea Group juli 2016 H. Koopmanschap (projectleider) M. Arkema (KNA-archeoloog)
Vrijgave conform KNA I. Vossen (senior KNA-archeoloog) Bevoegd gezag Gemeente Stichtse Vecht Deskundige bevoegd gezag ODRU (M. Dütting) Beheer documentatie Antea Group Vondstdepot Niet van toepassing
Afbeelding 1. Uitsnede topografische kaart 1:25.000 met ligging plangebied (niet op schaal).
Blad 1 van 21
Antea Group Archeologie 2016/95 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 410587 13 september 2016 revisie 01
Samenvatting In opdracht van de gemeente Stichtse Vecht heeft Antea Group in juli 2016 een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor het plangebied aan het Harmonieplein te Maarssen (gemeente Stichtse Vecht). Het onderzoek heeft bestaan uit een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van boringen (verkennende fase) en is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging. De aanleiding tot het archeologisch onderzoek is de herinrichting van het plangebied. Het plan voorziet in een nieuwe brede school en gevarieerde functies zoals woningen, winkels, maatschappelijke diensten en een oplossing voor de verkeersafwikkeling en genoeg fiets- en parkeerplaatsen. Voor de herontwikkeling dient het bestemmingsplan te worden gewijzigd. In het kader hiervan worden diverse deelonderzoeken uitgevoerd, waaronder archeologie. Uit het bureauonderzoek volgt dat het plangebied op (de flank) van een rivieroeverwal van de Vecht ligt. In theorie kunnen hier resten vanaf de ijzertijd worden aangetroffen. In het bureauonderzoek wordt duidelijk dat in de omgeving van het plangebied vooral sporen vanaf de middeleeuwen en nieuwe tijd zijn aangetroffen. Gezien de ligging van de oeverwal direct aan het maaiveld worden ook de archeologische resten direct onder maaiveld verwacht, hoewel waarschijnlijk sprake is van een dempingspakket binnen het plangebied.
Het is niet bekend of dit een modern dempingspakket betreft of dat er sprake is van een ouder pakket waar mogelijk nog bewoningslagen in aanwezig zijn. Vanwege de bouwactiviteiten is het plangebied waarschijnlijk reeds deels verstoord, in ieder geval ter hoogte van de recente gebouwen. Om inzicht te krijgen in de bodemopbouw en de eventuele verstoringen is het advies om een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen uit te voeren, verkennende fase. Het booronderzoek heeft vervolgens aangetoond dat de bodemopbouw bestaat uit een ophooglaag van (cunet)zand met daaronder een geroerde kleilaag met resten baksteen, metselpuin, etc. Hieronder zijn ofwel oeverafzettingen van de Vecht (noordelijk deel plangebied) of komafzettingen aangetroffen. Onder de komafzettingen is in enkele boringen fijn zand aangetroffen, mogelijk kronkelwaardafzettingen. In de boringen zijn diverse archeologische indicatoren aangetroffen (baksteenresten, metselpuin, fragment aardewerk, bot, pijpenkop) in ophooglagen of de verstoorde top van de oorspronkelijke bodem. In de boring nabij de Bolensteinsestraat 1 is een ophogingspakket met stadsafval (o.a. fosfaatvlekken) aanwezig. Er zijn hierin geen verschillende bewoningslagen in aangetroffen die wijzen op een gefaseerde opbouw van het pakket.
Gezien de bodemopbouw in het zuidelijk deel van het plangebied (komgronden) worden hier geen archeologische vindplaatsen verwacht. In het noordelijk deel komen oeverafzettingen voor (de Vecht). De top van de oeverafzettingen blijkt echter verstoord te zijn (resten baksteen, af en toe kolengruis). Hierdoor wordt de kans op het aantreffen van intacte archeologische sporen uit de ijzertijd tot en met de middeleeuwen klein geacht. Het aantreffen van archeologische sporen uit de nieuwe tijd kan met name direct ten zuiden van de Bolensteinsestraat niet worden uitgesloten. Op basis van de huidige ontwikkeling worden hier vooralsnog geen nieuwe gebouwen geplaatst; de herontwikkeling vindt met name ten zuiden van de gebouwen aan de Bolensteinsestraat plaats. Wij adviseren dan ook geen verder archeologisch onderzoek voor onderhavig plangebied op basis van de huidige plannen. Het is aan te bevelen om de hoge archeologische verwachting ter hoogte van de huidige bebouwing aan de Bolensteinsestraat (ter hoogte van het monument) te handhaven.
Blad 2 van 21
Antea Group Archeologie 2016/95 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 410587 13 september 2016 revisie 01
1
Inleiding In opdracht van de gemeente Stichtse Vecht heeft Antea Group in juli 2016 een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor het plangebied aan het Harmonieplein te Maarssen (gemeente Stichtse Vecht). Het onderzoek heeft bestaan uit een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek door middel van boringen (verkennende fase) en is uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging. De aanleiding tot het archeologisch onderzoek is de herinrichting van het plangebied. Het plan voorziet in een nieuwe brede school en gevarieerde functies zoals woningen, winkels, maatschappelijke diensten en een oplossing voor de verkeersafwikkeling en genoeg fiets- en parkeerplaatsen. Voor de herontwikkeling dient het bestemmingsplan te worden gewijzigd. In het kader hiervan worden diverse deelonderzoeken uitgevoerd, waaronder archeologie. Het plangebied ligt op de gemeentelijke archeologische beleidskaart binnen zones met een hoge, middelhoge en lage archeologische verwachting. Voor de delen van het plangebied (zuiden) die in laatst genoemde verwachtingszone valt, is geen archeologisch onderzoek verplicht. Dat geldt wel voor de rest van het plangebied, dat in zones met een hoge en middelhoge verwachting valt (ca. 2 ha).
De exacte verstoringsdiepte en -omvang zijn momenteel nog niet bekend, maar er kan worden aangenomen dat deze de voor deze verwachtingszones aangegeven ondergrenzen overschrijden (resp. 0 en 1.000 m2 ). Het bureauonderzoek en veldonderzoek zijn uitgevoerd conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 3.3.
Blad 3 van 21
Antea Group Archeologie 2016/95 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 410587 13 september 2016 revisie 01
2
Bureauonderzoek Het doel van het uitvoeren van een archeologisch bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Waar kunnen we wat verwachten? Voor het opstellen van een dergelijke verwachting wordt gebruik gemaakt van reeds bekende archeologische waarnemingen, historische kaarten, bodemkundige gegevens en informatie over de landschappelijke situatie. Een gespecificeerde verwachting gaat in op de mogelijke aanwezigheid, het karakter, de omvang, datering en eventuele (mate van) verstoring van archeologische waarden binnen het plangebied.
2.1
Beschrijving onderzoekslocatie
2.1.1
Begrenzing onderzoeks- en plangebied Het is van belang een onderscheid te maken tussen plangebied enerzijds en onderzoeksgebied anderzijds. Met het plangebied wordt het gebied bedoeld waarop de in de inleiding genoemde plannen betrekking hebben. Binnen dit gebied kunnen eventueel aanwezige archeologische resten worden verstoord. Het plangebied Harmonieplein ligt ten zuiden van de Vecht en de historische kern van Maarssen aan de Harmonieweg (zie Afbeelding 2). Ten noorden van het plangebied ligt de Bolensteinsestraat, ten westen de Bolensteinseweg. In het zuiden ligt de Gaslaan en ten oosten ligt het plangebied aan het Harmonieplein en Harmonieweg. Het plangebied beslaat circa 3 ha. Het onderzoeksgebied omvat het gebied waarover informatie verzameld is om een goed beeld te krijgen van de archeologische waarden die van belang kunnen zijn. Dit gebied is veelal groter dan het plangebied en verschilt naar gelang het te onderzoeken aspect. In dit geval wordt een zone van circa 500 m rondom het plangebied voldoende geacht om het gespecificeerd verwachtingsmodel op te kunnen stellen, omdat dit gebied landschappelijk en historisch gezien aansluit op het plangebied.
Blad 4 van 21
Antea Group Archeologie 2016/95 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 410587 13 september 2016 revisie 01
Afbeelding 2. Plangebied Harmonieplein in Maarssen (bron ondergrond: Esri Nederland/Kadaster).
Huidig gebruik plangebied Op dit moment zijn delen van het plangebied bebouwd, bestraat en in gebruik als groenstrook of als schoolmoestuin. Consequenties toekomstig gebruik In verband met de herontwikkeling van het plangebied wordt de huidige bebouwing gesloopt en wordt het gebied opnieuw ingericht met nieuwe gebouwen. Door de ondergrondse sloop en nieuwbouw kunnen eventuele archeologische resten in de ondergrond worden beschadigd dan wel vernietigd. De exacte verstoringslocaties en –diepten zijn nog niet bekend; zie Afbeelding 3 voor een globaal overzicht van het plan.
Blad 5 van 21
Antea Group Archeologie 2016/95 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 410587 13 september 2016 revisie 01
Afbeelding 3. Stedebouwkundig plan Harmonieplein te Maarssen (bron: opdrachtgever).
2.1.2
Archeologisch beleid In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is de verantwoordelijkheid voor archeologie(beleid) grotendeels bij de gemeentelijke overheid neergelegd. Gemeenten dienen archeologie te borgen in hun ruimtelijk beleid, bijvoorbeeld door dubbelbestemmingen voor archeologie op te nemen in bestemmingsplannen. Om dat te kunnen doen hebben veel gemeenten een archeologische beleidskaart opgesteld. Op basis van deze kaart kan archeologie in bestemmingsplannen zijn verwerkt. De gemeente Stichtse Vecht heeft een eigen beleid opgesteld om het archeologisch bodemarchief te beschermen.1 Op de archeologische beleidsadvieskaart liggen binnen het plangebied zones met een hoge, middelhoge en lage verwachting (zie Afbeelding 4). Voor het deel van het plangebied (zuiden) dat in de laatst genoemde verwachtingszone valt, is geen archeologisch onderzoek verplicht. Dat geldt wel voor de rest van het plangebied, dat in zones met een hoge en middelhoge verwachting valt (ca. 2 ha). Voor de zone in het noorden (in paars, historische kern) geldt dat bij bodemingrepen dieper dan 0,3 m onder maaiveld en groter dan 50 m2 archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Voor de zone met een middelhoge verwachting (in geel-oranje) is archeologisch onderzoek nodig bij bodemingrepen vanaf 0,3 m onder maaiveld en groter dan 1000 m2.
De exacte verstoringsdiepte en -omvang zijn momenteel nog niet bekend, maar er kan worden aangenomen dat deze de voor deze verwachtingszones aangegeven ondergrenzen overschrijden (resp. 0 en 1.000 m2 ). De zwarte stippen op de kaart geven 1
Zie decentrale.regelgeving.overheid,nl, vanaf 2012 in werking getreden.
Blad 6 van 21
Antea Group Archeologie 2016/95 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 410587 13 september 2016 revisie 01
archeologische waarnemingen aan, wanneer in het plan gebied of een zone van 100 m daar om heen een vondstmelding bekend is, geldt een vrijstellingsgrens van 100 m 2.
Afbeelding 4. Beleidsadvieskaart Maarssen met plangebied in blauw kader (Bron: Heritage-rapport H032, kaartbijlage 23)
2.1.3
Landschappelijke situatie Het plangebied bevindt zich op de overgang van het rivierengebied naar het westelijk veengebied. Tijdens de laatste ijstijd (Weichselien) heerste een droog toendraklimaat waarbij de wind vrij spel had en in grote delen van Nederland dekzanden afzette. 2 Zo ook in het onderzoeksgebied. De dekzanden worden op verschillende dieptes in de omgeving aangetroffen. In het plangebied ligt het pleistocene zand op meer dan 3 m onder maaiveld. 3 Aan het begin van het Holoceen (laat-paleolithicum en mesolithicum) steeg de gemiddelde temperatuur waardoor ijskappen smolten en de zeespiegel steeg. De kustlijn verplaatste zich naar de huidige kustlijn (deze lag eerst westelijker) en de monding van de grote rivieren verplaatste zich eveneens, maar dan naar het oosten. Door de zeespiegelstijging steeg de grondwaterspiegel waardoor vernatting optrad. Tevens ontstonden strandwallen, waardoor een gesloten kustlijn ontstond met daarachter een gebied waar het water moeilijk kon wegstromen. Door de vernatting van het gebied ontstond er op grote schaal veen. Dit gebeurde ook in het 2 3
Berendsen, 2004. De Boer et al., 2010 (kaartbijlage 5)
Blad 7 van 21
Antea Group Archeologie 2016/95 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 410587 13 september 2016 revisie 01
onderzoeksgebied vanaf circa 3600 voor Chr. Het veen wordt tot de formatie van Nieuwkoop gerekend.4 Door het veengebied liepen rivieren die veelal meanderend van aard waren. De sterk kronkelende rivierbedding verlegde zich regelmatig waardoor zich nieuwe stroomgordels ontwikkelden. De oude stroomgordels werden overdekt met veen. Stroomgordels van rivieren worden lithostratigrafisch onderverdeeld in kom-, oever-, (rest)geul-, bedding- en crevasseafzettingen. Laatstgenoemde afzettingen worden gevormd na doorbraken van oeverwallen bij hoogwaterstanden. Wanneer de erosiegeulen van crevassencomplexen zo groot werden dat ze de functie van de hoofdrivier gedeeltelijk of geheel overnamen, wordt dit een avulsie genoemd. De stroomgordels worden tot de Formatie van Echteld gerekend. Het plangebied ligt op de stroomgordel van de Vecht-Angstel en hoort bij het Utrechtse stroomstelsel. De huidige Vecht, gelegen ten noorden van het plangebied, is ontstaan door verschillende avulsies bij Breukelen en Loenen. Tussen Utrecht en Breukelen heeft de Vecht smalle, maar wel vrij hoge oeverwallen gevormd. Ter hoogte van Maarssen wordt geen crevassecomplex verwacht.5 Op de stroomgordelkaart van Cohen en Stouthamer is te zien dat het plangebied in de huidige Vecht stroomgordel ligt.6 De sedimentatie vanuit deze stroomgordel vindt plaats vanaf circa 1200 voor Chr. tot circa 100 na Chr.
Nabij Baambrugge en Abcoude zijn sporen uit de ijzertijd op deze stroomgordel aangetroffen. Veel resten aangetroffen op de stroomgordel van de Vecht dateren uit de late middeleeuwen.
Afbeelding 5. Plangebied (in rood kader) op kaart Cohen en Stouthamer (bron: Cohen & Stouthamer 2012). 4
De Boer et al., 2010. De Boer et al., 2010. 6 Cohen & Stouthamer, 2012: no. 129. 5
Blad 8 van 21
Antea Group Archeologie 2016/95 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 410587 13 september 2016 revisie 01
Geomorfologie en AHN Op de geomorfologische kaart is het plangebied niet gekarteerd vanwege de ligging binnen de bebouwde kom. Op basis van extrapolatie van de geomorfologische eenheden in de omgeving kan verondersteld worden dat het plangebied op een rivier inversierug ligt (code 3K26). Op het Actueel hoogtebestand Nederland (AHN) zijn de hoger gelegen oeverwallen langs de Vecht waar te nemen. Meer ingezoomd op het plangebied zijn door de bebouwing in het gebied geen bijzonderheden te zien. Het plangebied ligt op circa 1,3 tot 1,6 m + NAP. Bodem en grondwater Op de bodemkaart is het plangebied niet gekarteerd vanwege de ligging binnen de bebouwde kom. Ten zuidwesten van het plangebied komen kalkloze poldervaaggronden met zavel en lichte klei met profielverloop 3 voor (code Rn67C, GWT III). Het is aan te nemen dat deze bodem zich ook in het plangebied bevindt gezien de ligging van deze bodemeenheid langs de oevers van de Vecht. Onder een laag van zavel of lichte klei ligt vaak zware tot zeer zware klei. Binnen 1,2 m gaat de zware klei over in lichter, kalkrijk materiaal (profielverloop 3). Deze gronden liggen meestal op de overgang van de hoger gelegen stroomruggen naar de lager gelegen kommen. Ten noordoosten van het plangebied komen kalkhoudende poldervaaggronden met lichte zavel en profielverloop 5 voor (code Rn15A).
In hoeverre deze bodem zich ook in het plangebied bevindt is de vraag. Het zijn gronden waar op meer dan 1,2 m onder maaiveld meestal kalkrijk grof zand wordt aangetroffen. Het zijn verder gronden zijn veelal afgegraven ten behoeve van de steenfabrieken. Dit zijn vooral de gronden ten oosten noorden van de Vecht. Grondwatertrap III houdt in dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) zich minder dan 0,6 m onder maaiveld bevindt en de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) zich tussen de 0,8 en 1,2 m onder maaiveld bevindt.7
Afbeelding 6. Uitsnede bodemkaart met plangebied ter hoogte van de ster (bron: Archis3 / Alterra).
7
www.maps.bodemdata.nl, STIBOKA 1970
Blad 9 van 21
Antea Group Archeologie 2016/95 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 410587 13 september 2016 revisie 01
2.1.4
Historische situatie en mogelijke verstoringen Historische situatie De kadastrale minuut 1811-1832 is het plangebied grotendeels in gebruik als boomgaard. Het noordoostelijk deel is reeds bebouwd (Bolensteinsestraat 1, zie ook paragraaf 2.2.2). 8 Ook op latere historische kaarten is de noordoostelijke hoek van het plangebied bebouwd (zie Afbeelding 7). Meer bebouwing ontstaat daarna in het noordelijk deel langs de Bolensteinsestraat en in het zuiden langs de Gaslaan. Het grootste deel van het plangebied blijft lange tijd in gebruik als weiland. In de jaren 1980 tot 1990 wordt het middendeel van het plangebied bebouwd.
Afbeelding 7. Bonneblad topografische kaart rond 1900, met plangebied in rode cirkel (bron: topotijdreis.nl).
Mogelijke verstoringen Door de bebouwing en inrichting van het plangebied is de bodem waarschijnlijk geroerd. Ter hoogte van de gebouwen uit de jaren ’80 en ’90 van de vorige eeuw wordt geen intacte bodem meer verwacht gezien de wijze van bouwen (machinaal uitgraven bouwvlakken). Het is niet bekend tot hoe diep of wat de omvang van de verstoringen in de rest van het plangebied betreft. Wel blijkt uit de geoloketkaart van de ODRU dat in het gebied dempingen voorkomen. Of dit recente dempingen betreft of dempingen die in de loop de tijd (gefaseerd) zijn ontstaan is niet bekend. De voormalige sloten van de verkaveling zijn inmiddels eveneens gedempt.
2.2
Bekende waarden
2.2.1
Archeologische waarden In de gemeente Stichtse Vecht zijn aanwijzingen voor de aanwezigheid van mensen tijdens het mesolithicum. Archeologische resten hiervan worden aangetroffen op de top van het dekzandpakket. In het neolithicum en de bronstijd was het gebied te nat voor bewoning. Vanaf de ijzertijd ontstond de Vecht (door een avulsie vanuit de Rijn). Op oeverwallen en crevassencomplexen (deze laatste liggen niet nabij plangebied) zijn sporen uit de ijzertijd bekend. 8
www.hisgis.nl
Blad 10 van 21
Antea Group Archeologie 2016/95 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 410587 13 september 2016 revisie 01
De Vecht kreeg de huidige loop in de Romeinse tijd. Er zijn uit deze periode echter geen nederzettingen bekend, wel losse vondsten. Door vernatting was het gebied in de middeleeuwen lange tijd niet aantrekkelijk om te wonen. Vanaf de 11e eeuw is het veengebied ontgonnen vanuit de westelijke zijde van de Vecht. De oostzijde van de Vecht is vanaf de 12e eeuw ontgonnen.9 Gegevens uit ARCHIS: AMK-terreinen Binnen het plangebied liggen geen AMK-terreinen. In het onderzoeksgebied zijn vier AMKterreinen aanwezig. Direct ten westen ligt een terrein van zeer hoge archeologische waarde (AMK-nummer 11473). Het betreft de Havezathe/ridderhofstad Bolensteinseweg. Het is een terrein met resten van een versterkt huis dat vanaf de 14e is ontstaan op de oeverwal van de Vecht. Het huis is sindsdien verder is uitgebreid. Alle gebouwde delen vanaf circa 1500 zijn nog aanwezig. Vanaf de 17e eeuw werd het een landhuis. Ten noorden van het plangebied ligt het historisch centrum van Maarssen, waarvan de grenzen zijn vastgesteld op basis van historische kaarten uit de tweede helft 19e eeuw (AMK-terrein 12012). Op circa 350 m ten noordoosten ligt een terrein met sporen van een versterkt huis (havezathe / ridderhofstad) aan de huidige Emmaweg/Parkweg (AMK-nummer 11471). Het versterkte huis lag in een binnenbocht van de Vecht. Er zijn onder de huidige bebouwing nog funderingen aanwezig.
Het gebouw is in de 11e eeuw gebouwd en in 1672 verwoest. In de 18e eeuw is het verbouwd tot landhuis dat aan het begin van de 20e eeuw is afgebroken. Op circa 350 m ten zuidoosten van het plangebied ligt aan de Kerkweg een AMK-terrein met resten van een middeleeuwse kerk (AMK-nummer 11472). De nog bestaande tufstenen toren behoort tot de oorspronkelijke bouw. AMKnr
Waarde
Complex
Van
Tot
1985 hoge archeologische waarde
Borg/stins/versterkt huis Middeleeuwen laat: 1050 1500 nC
Nieuwe tijd: 1500 - 1950
12012 hoge archeologische waarde
Nederzetting, onbepaald Middeleeuwen laat: 1050 1500 nC
Nieuwe tijd: 1500 - 1950
11471 archeologische waarde
Havezathe/ridderhofstad Middeleeuwen laat: 1050 1500 nC
Nieuwe tijd: 1500 - 1950
11472 hoge archeologische waarde
Kerk
11473 zeer hoge archeologische waarde
Havezathe/ridderhofstad Middeleeuwen laat: 1050 1500 nC
Middeleeuwen: 450 - 1500 nC Middeleeuwen: 450 1500 nC Nieuwe tijd: 1500 - 1950
Tabel 1. AMK-terreinen binnen onderzoeksgebied (bron: ARCHIS).
Gegevens uit ARCHIS: archeologische waarnemingen Binnen het plangebied zijn geen waarnemingen bekend. In het onderzoeksgebied zijn met name waarnemingen gedaan die te maken hebben met bewoningssporen in het dorp Maarssen in de middeleeuwen en nieuwe tijd. Aan de Parkweg zijn diverse sporen aangetroffen van bewoning die aanvangt in de vroege middeleeuwen (waarnemingen 411359 en 412443). Waarnr
Complex
Begin
Eind
26249 Nederzetting, onbepaald Middeleeuwen laat A: 1050 - 1250 nC Nieuwe tijd: 1500 - heden 26983 Onbekend
Middeleeuwen laat A: 1050 - 1250 nC Middeleeuwen laat: 1050 - 1500 nC
31939 Kerk
Middeleeuwen laat A: 1050 - 1250 nC Nieuwe tijd A: 1500 - 1650 nC
43169 Nederzetting, onbepaald Middeleeuwen laat A: 1050 - 1250 nC Nieuwe tijd C: 1850 - heden 43175 Nederzetting, onbepaald Nieuwe tijd B: 1650 - 1850 nC 9
De Boer et al., 2010.
Blad 11 van 21
Nieuwe tijd B: 1650 - 1850 nC
Antea Group Archeologie 2016/95 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 410587 13 september 2016 revisie 01
Waarnr
Complex
Begin
Eind
45097 Nederzetting, onbepaald Nieuwe tijd B: 1650 - 1850 nC
Nieuwe tijd B: 1650 - 1850 nC
45471 Onbekend
Nieuwe tijd: 1500 - heden
Nieuwe tijd: 1500 - heden
411359 Nederzetting, onbepaald Middeleeuwen laat A: 1050 - 1250 nC Nieuwe tijd: 1500 - heden 412443 Nederzetting, onbepaald Middeleeuwen laat A: 1050 - 1250 nC Middeleeuwen vroeg D: 900 - 1050 nC
Tabel 2. Archeologische waarnemingen binnen onderzoeksgebied (bron: ARCHIS)
Gegevens uit ARCHIS: eerdere onderzoeken Rondom het plangebied zijn diverse onderzoeken uitgevoerd. Op 350 m ten oosten aan de Parkweg is na een proefsleuvenonderzoek vastgesteld dat hier bewoning heeft plaatsgevonden vanaf de 10e eeuw (onderzoeksmeldingen 25907, 28068, 64938). De resultaten van de opgraving zijn nog niet in Archis bekend. Ter hoogte van de Parkweg 49-67 is eveneens een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd. Ook hier zijn sporen en vondsten uit de 11e tot 13e eeuw aangetroffen. In de oude rivierbedding is een houten constructie aangetroffen, mogelijk een steiger of een constructie voor landwinning/grondverbetering. Gezien de ligging nabij het iets ten noorden gelegen onderzoek aan de Parkweg gaat het hoogstwaarschijnlijk om dezelfde vindplaats. 10 Op een terrein aan de Binnenweg (450 m ten oosten van het plangebied) zijn bij een booronderzoek onder een antropogeen ophogingspakket stroomgordelafzettingen van de Vecht aangetroffen (onderzoeksmelding 27341). Op basis hiervan is een vervolgonderzoek aanbevolen; hiervan zijn geen resultaten bekend in Archis. Verschillende onderzoekers hebben geen vervolgonderzoek geadviseerd vanwege een verstoorde bodemopbouw of het ontbreken van archeologische sporen (onderzoeksmeldingen 10572 en 10574 (zelfde melding), 25413, 28333, 35673, 45801, 49031, 50096). OMnr
Uitvoerder
Type onderzoek
Jaar uitvoering
10572 RAAP Archeologisch Adviesbureau
Archeologisch: booronderzoek
1999
10574 RAAP Archeologisch Adviesbureau
Archeologisch: booronderzoek
1999
25413 RAAP Archeologisch Adviesbureau
Archeologisch: booronderzoek
2007
25907 RAAP Archeologisch Adviesbureau
Archeologisch: booronderzoek
2007
27341 Jacobs & Burnier
Archeologisch: booronderzoek
2008
28068 RAAP Archeologisch Adviesbureau
Archeologisch: proefputten/proefsleuven
2008
28333 Becker en Van de Graaf
Archeologisch: booronderzoek
2008
35673 Becker en Van de Graaf
Archeologisch: booronderzoek
2009
35673 Becker en Van de Graaf
Archeologisch: booronderzoek
2009
45801 ADC ArcheoProjecten
Archeologisch: bureauonderzoek
2011
45922 RAAP Archeologisch Adviesbureau
Archeologisch: booronderzoek
2011
49031 Synthegra BV
Archeologisch: bureauonderzoek
2011
50096 De Steekproef, Archeologisch Onderzoeks- en Adviesbureau
Archeologisch: begeleiding
2012
62382 ADC ArcheoProjecten
Archeologisch: proefputten/proefsleuven
2014
Tabel 3. Eerder uitgevoerde onderzoeken binnen onderzoeksgebied (bron: ARCHIS).
10
Informatie via ODRU, M. Dütting.
Blad 12 van 21
Antea Group Archeologie 2016/95 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 410587 13 september 2016 revisie 01
2.2.2
Ondergrondse bouwhistorische waarden Binnen het plangebied ligt een beschermd rijksmonument. Het betreft de bebouwing aan de Bolensteinsestraat 1 (monumentnummer 26341). 11 Het betreft een woonhuis uit de 18e eeuw. In het plan is voorzien dat dit monument gehandhaafd blijft in de huidige vorm. Direct ten zuiden van het plangebied ligt aan de Gaslaan 1 een monument uit de 19e eeuw (monumentnummer 26385). Er worden verder geen ondergrondse bouwhistorische waarden binnen het plangebied verwacht.
2.3
Archeologische verwachting
2.3.1
Bestaande verwachtingskaarten Provinciale verwachtingskaart Op de digitale Cultuurhistorische Atlas van de provincie Utrecht (CHAT) ligt alleen het noordoostelijke puntje in de zone die tot speerpunt voor archeologie is benoemd. Het betreft het rijksmonument aan de Bolensteinsestraat. Het plangebied wordt verder omzoomd door deze speerpuntzone (in westen, noorden en oosten). Het betreft de oude bewoningskern van Maarsen, met enkele kastelen/versterkte huizen en landhuizen op de oeverwal van de Vecht.12 Gemeentelijke verwachtingskaart Op de detailverwachtingskaart van de historische bewoningskernen van Maarssen ligt het noordelijke deel van het plangebied in een zone met bebouwing vanaf de 17 e eeuw, mogelijk eerder (paars op Afbeelding 8) en de daarmee samenhangende achtererven in felgeel. Hier geldt een hoge verwachting op het aantreffen van archeologische resten. Ten zuiden hiervan, in de oranje zone, geldt een middelhoge verwachting op het aantreffen van resten vanaf de ijzertijd (middelhoge verwachting) en de zuidelijke rand heeft een lage archeologische verwachting voor alle perioden.
11 12
www.atlasleefomgeving.nl Webkaart.provincie-utrecht.nl
Blad 13 van 21
Antea Group Archeologie 2016/95 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 410587 13 september 2016 revisie 01
Afbeelding 8. Uitsnede detailverwachtingskaart van de bewoningskern Maarssen (bron: Heritage-rapport H032, kaartbijlage).
2.3.2
Gespecificeerde archeologische verwachting Uit de verzamelde gegevens van het bureauonderzoek kan de volgend gespecificeerde archeologische verwachting worden opgesteld: Datering Het plangebied ligt op de westelijke oeverwal van de Vecht. Op basis van de datering van de stroomgordel worden resten vanaf de ijzertijd verwacht. In het onderzoeksgebied zijn vooral archeologische resten uit de middeleeuwen en nieuwe tijd bekend. Complextype Vanaf de ijzertijd kunnen resten van huizen en/of nederzettingen worden aangetroffen. Verder kunnen sporen van agrarische activiteit worden aangetroffen, zoals perceleringsgreppels. Daarnaast kunnen ook menselijke begravingen/crematies worden aangetroffen. Aangezien de locatie net buiten de historische kern van Maarssen valt is de verwachting op het aantreffen van bewoningsresten uit de nieuwe tijd laag, met uitzondering van het noordelijke deel van het plangebied. Hier is al in de 18e eeuw bebouwing aanwezig (ter hoogte van Bolensteinsestraat 1). Verder kunnen in het plangebied sporen van agrarische activiteiten uit de nieuwe tijd worden verwacht. Omvang De omvang van eventuele vindplaatsen varieert, van puntvondsten tot oppervlakten die de begrenzing van het plangebied ruimschoots overschrijden. Diepteligging
Blad 14 van 21
Antea Group Archeologie 2016/95 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 410587 13 september 2016 revisie 01
Er is sprake van een dempingspakket. Hoe dik dit pakket is, wanneer het is opgebracht en of dat gefaseerd is gebeurd is niet bekend. Eventuele archeologische resten worden (eventueel in) of onder het dempingspakket en oude maaiveld in de oeverafzettingen van de Vecht verwacht. Locatie In het noordelijk deel van het plangebied (langs de Bolensteinsestraat) worden met name resten van bebouwing uit de nieuwe tijd verwacht. Oudere resten kunnen binnen het gehele plangebied worden aangetroffen, maar de kans daarop wordt hoger geacht in het noordelijk deel, aangezien dit hoger op de oeverwal ligt (dichter bij de Vecht). Uiterlijke kenmerken Nederzettingsterreinen kenmerken zich door een vondstlaag en sporen (paalkuilen, (erf- of perceels)greppels, waterputten, (afval)kuilen etc.). Gezien de archeologische resten direct onder (of in) een dempingspakket verwacht kunnen worden, kunnen artefacten van nietvergankelijk materiaal worden verwacht (aardewerk, huttenleem, bewerkt natuursteen, metalen voorwerpen, glas). Resten van vergankelijk materiaal (hout, houtskool, bot, etc.) kunnen in de diepere sporen worden verwacht (waterputten, diepe afvalkuilen). Mogelijke verstoringen De resten kunnen direct onder maaiveld worden verwacht, ter plaatse van de bebouwing zijn deze waarschijnlijk verstoord, dan wel vernietigd.
Voor de overige delen van het terrein is het niet bekend of de bodem verstoord is, of dat de verstoringen beperkt blijven tot het dempingspakket.
2.4
Conclusies en advies voor vervolgonderzoek Het plangebied ligt op (de flank) van een rivieroeverwal van de Vecht. In theorie kunnen hier resten vanaf de ijzertijd worden aangetroffen. In het bureauonderzoek wordt duidelijk dat in de omgeving van het plangebied vooral sporen vanaf de middeleeuwen en nieuwe tijd zijn aangetroffen. Gezien de ligging van de oeverwal direct aan het maaiveld worden ook de archeologische resten direct onder maaiveld verwacht, hoewel waarschijnlijk sprake is van een dempingspakket binnen het plangebied. Het is niet bekend of dit een modern dempingspakket betreft of dat er sprake is van een ouder pakket waar mogelijk nog bewoningslagen in aanwezig zijn. Vanwege de bouwactiviteiten is het plangebied waarschijnlijk reeds deels verstoord, in ieder geval ter hoogte van de recente gebouwen. Om inzicht te krijgen in de bodemopbouw en de eventuele verstoringen is het advies om een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen uit te voeren, verkennende fase. Gezien de grootte van het plangebied waar een hoge tot middelhoge verwachting geldt (2 ha) worden 12 boringen gezet, zoveel mogelijk verspreid over het terrein. Dit moet voldoende zijn om inzicht in de bodemopbouw te verkrijgen en eventuele verstoringen voldoende in kaart te brengen.
Blad 15 van 21
Antea Group Archeologie 2016/95 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 410587 13 september 2016 revisie 01
3
Veldonderzoek
3.1
Doel- en vraagstelling Het doel van het inventariserend veldonderzoek is het toetsen van de archeologische verwachting, zoals deze op basis van het uitgevoerde bureauonderzoek is opgesteld. Het uitgevoerde onderzoek betreft een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen, verkennende fase. Een verkennend onderzoek heeft als doel het in kaart brengen van eventuele verstoringen in de bodem, het verkrijgen van enig inzicht in de bodemopbouw van het gebied en aldus het in kaart brengen van kansrijke en kansarme zones wat betreft archeologie. Het onderzoek dient antwoord te geven op de volgende vragen: x Wat is de bodemopbouw en zijn er aanwijzingen voor bodemverstoringen? En zo ja, wat is hiervan de begrenzing (horizontaal en verticaal)? x Bevinden zich archeologisch relevante afzettingen in het plangebied en, zo ja, op welke diepte ten opzichte van maaiveld en NAP? x Indien archeologische lagen aanwezig zijn; op welke diepte (ten opzichte van maaiveld en NAP) bevinden deze zich en wat is de maximale diepte? x Waaruit bestaat of bestaan deze archeologische laag of lagen? x Is er binnen het plangebied een vindplaats aanwezig en/of zijn er archeologische indicatoren aangetroffen die hierop kunnen wijzen? Zo ja, wat is de aard, conserveringstoestand en datering van deze indicatoren/vindplaats?13 x In welke mate wordt een eventueel aanwezige vindplaats verstoord door
realisatie van geplande bodemingrepen? x Hoe kan deze verstoring door planaanpassing tot een minimum worden beperkt? x In welke mate stemmen de resultaten van het veldwerk overeen met de verwachtingen van de bureaustudie? x Wat zijn de aanbevelingen? Is nader onderzoek noodzakelijk? En zo ja, waaruit kan deze bestaan?
3.2
Onderzoeksopzet en werkwijze Datum uitvoering
7 juli 2016
Veldteam Weersomstandigheden
M. Arkema (KNA-archeoloog), M. van Bergen (milieukundig veldmedewerker) Half bewolkt, circa 24o
Boortype
Edelman 10 cm en eenmaal zuigerboor
Methode conform Leidraad SIKB14
Niet van toepassing, verkennende fase
13
In principe hoort deze vraag bij een karterend onderzoek, maar omdat het niet is uitgesloten dat er tijdens een verkennend booronderzoek toch een vindplaats wordt aangetroffen, is deze vraag toch opgenomen.
14
Tol e.a. 2012
Blad 16 van 21
Antea Group Archeologie 2016/95 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 410587 13 september 2016 revisie 01
3.3
Aantal boringen
12
Oriëntatie grid t.o.v. geomorfologie/paleolandschap Wijze inmeten boringen
Zoveel mogelijk verspreid over het terrein, rekening houdend met bebouwing, kabels en leidingen.
Overige toegepaste methoden Wijze onderzoek / beschrijving boorkolom Verzamelwijze archeologische indicatoren Bemonstering
Niet van toepassing
Vondstzichtbaarheid aan oppervlak Omschrijving oppervlaktekartering
Nihil vanwege bestrating en gras / begroeiing
GPS
Conform NEN 5104 / ASB Verbrokkelen / doorwoelen Niet van toepassing
Niet van toepassing
Resultaten Voor een overzicht van de boringen wordt verwezen naar de boorprofielen in Bijlage 3 en de situatiekaart in de kaartenbijlage. De boringen zijn tegelijkertijd gezet met het milieukundig onderzoek. Een boring is gestaakt op een ondoordringbare laag (boring 107).
Afbeelding 9. Overzicht van een deel van het plangebied aan het Harmonieplein in Maarssen (gemeente Stichtse Vecht)
3.3.1
Bodemopbouw Binnen het plangebied is in alle boringen een laag geel tot grijsbruin ophoogzand aangetroffen, variërend van 0,2 tot 0,8 m dikte. Onder het ophoogzand is in de meeste boringen een kleilaag aanwezig met resten baksteen, metselpuin, een enkel fragment bot (boring 103) en pijpenkop
Blad 17 van 21
Antea Group Archeologie 2016/95 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 410587 13 september 2016 revisie 01
(boring 104). Deze verrommelde laag varieert van 0,1 tot 1,2 m dikte. Onder deze laag is in zeven boringen zwak tot matig siltige klei aangetroffen (103, 104, 108-110, 112); dit betreffen komafzettingen. Deze laag wordt naar beneden toe veelal roestig. In vier boringen is onder de komafzettingen fijn zand aanwezig, vanaf circa 1,3 tot 1,8 m onder maaiveld. In de andere zes boringen is zwak tot sterk zandige klei of kleiig zand aanwezig dat op oeverafzettingen van de Vecht duidt. Deze boringen liggen in het noordelijk deel van het plangebied (boringen 102, 105, 106, 111). Interpretatie Onder de zandige ophooglagen en geroerde kleilaag zijn oever- en komafzettingen van de Vecht aangetroffen. Het fijne zand dat onder de komafzettingen is aangetroffen duidt waarschijnlijk op kronkelwaardafzettingen. In de boringen nabij de Bolensteinsestraat (boring 102 en 105) is veel (baksteen)puin aanwezig. Met name in boring 102 is een duidelijk ophogingspakket met stadsafval en fosfaatvlekken aanwezig. Aangezien er ook kolengruis in is aangetroffen is het ophoogpakket waarschijnlijk niet ouder dan de 19e eeuw, wat overeenkomt met de bebouwing aan de Bolensteinsestraat die vanaf die periode ontstaat. Onder het geroerde pakket zijn in beide boringen oeverafzettingen aanwezig, waarbij de top verstoord is (aanwezigheid baksteen). Ook in boring 108 is door een sterk puinhoudende laag geboord.
Het is niet waarschijnlijk dat het bebouwing betreft aangezien de boring ten zuiden van de achtererven van de Bolensteinsestraat ligt en tevens niet meer op de oeverafzettingen. Of het een restant muurwerk of een afvalkuil met puin betreft is op basis van een boring niet aan te geven.
3.3.2
Archeologie Er zijn tijdens het veldonderzoek verschillende archeologische indicatoren aangetroffen. Het betreft echter vooral resten baksteen, metselpuin en een enkel fragment bot, pijpenkop of aardewerk dat in de ophooglagen of verstoorde top van oeverafzettingen is aangetroffen. Het fragment aardewerk kan in de 19e of begin 20e eeuw gedateerd worden. Op basis van de aanwezige indicatoren is het duidelijk dat de (top van de) oorspronkelijke bodem geroerd is en vervolgens opgehoogd.
Blad 18 van 21
Antea Group Archeologie 2016/95 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 410587 13 september 2016 revisie 01
4
Conclusies en advies
4.1
Conclusies x In welke mate wordt een eventueel aanwezige vindplaats verstoord door realisatie van geplande bodemingrepen? x Hoe kan deze verstoring door planaanpassing tot een minimum worden beperkt? x In welke mate stemmen de resultaten van het veldwerk overeen met de verwachtingen van de bureaustudie? x Wat zijn de aanbevelingen? Is nader onderzoek noodzakelijk? En zo ja, waaruit kan deze bestaan? x
Wat is de bodemopbouw en zijn er aanwijzingen voor bodemverstoringen? En zo ja, wat is hiervan de begrenzing (horizontaal en verticaal)? De bodemopbouw bestaat uit een ophooglaag van (cunet)zand met daaronder een geroerde kleilaag met resten baksteen, metselpuin, etc. Hieronder zijn ofwel oeverafzettingen van de Vecht (noordelijk deel plangebied) of komafzettingen aangetroffen. Onder de komafzettingen is in enkele boringen fijn zand aangetroffen, mogelijk kronkelwaardafzettingen.
x
Indien archeologische lagen aanwezig zijn; op welke diepte (ten opzichte van maaiveld en NAP) bevinden deze zich en wat is de maximale diepte? Niet van toepassing, er zijn geen archeologisch relevante lagen aangetroffen.
x
Waaruit bestaat of bestaan deze archeologische laag of lagen? Niet van toepassing, er zijn geen archeologisch relevante lagen aangetroffen.
x
Is er binnen het plangebied een vindplaats aanwezig en/of zijn er archeologische indicatoren aangetroffen die hierop kunnen wijzen? Zo ja, wat is de aard, conserveringstoestand en datering van deze indicatoren/vindplaats?15 In de boringen zijn diverse archeologische indicatoren aangetroffen (baksteenresten, metselpuin, fragment aardewerk, bot, pijpenkop) in ophooglagen of de verstoorde top van de oorspronkelijke bodem. In de boring nabij de Bolensteinsestraat 1 is een ophogingspakket met stadsafval (o.a. fosfaatvlekken) aanwezig. Er zijn hierin geen verschillende bewoningslagen in aangetroffen die wijzen op een gefaseerde opbouw van het pakket.
x
In welke mate wordt een eventueel aanwezige vindplaats verstoord door realisatie van geplande bodemingrepen? Vooralsnog is de kans op het aantreffen van archeologische sporen het grootste ter hoogte van de Bolensteinsestraat (rondom het monument). Het kan gaan om voorgaande bebouwing of bestrating (datering nieuwe tijd). Het aangetroffen ophogingspakket laat geen gefaseerde opbouw zien en is waarschijnlijk te dateren in de 19 e eeuw. Ter hoogte van
15
In principe hoort deze vraag bij een karterend onderzoek, maar omdat het niet is uitgesloten dat er tijdens een verkennend booronderzoek toch een vindplaats wordt aangetroffen, is deze vraag toch opgenomen.
Blad 19 van 21
Antea Group Archeologie 2016/95 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 410587 13 september 2016 revisie 01
de Bolensteinsestraat worden vooralsnog geen graafwerkzaamheden gepland, de huidige bebouwing (zoals het monument) blijft gehandhaafd. Voor het overige deel van het plangebied wordt op basis van het uitgevoerde booronderzoek geen vindplaats verwacht aangezien een deel van de bodemopbouw verstoord is (top van de oeverafzettingen in noordelijk deel ) en er komafzettingen aanwezig zijn in het zuidelijk deel. Dit waren de lager gelegen delen in het landschap die in het verleden vrij nat waren en niet gunstig voor bewoning.
4.2
x
Hoe kan deze verstoring door planaanpassing tot een minimum worden beperkt? Niet van toepassing (zie ook vorige vraag).
x
In welke mate stemmen de resultaten van het veldwerk overeen met de verwachtingen van de bureaustudie? Op basis van het archeologisch bureauonderzoek werd verwacht dat het plangebied op (de flank van) een rivieroeverwal zou liggen. Dit is inderdaad deels het geval. De rivieroeverwal is in het noordelijk deel aangetroffen. In het zuiden zijn komgronden aanwezig.
x
Wat zijn de aanbevelingen? Is nader onderzoek noodzakelijk? En zo ja, waaruit kan deze bestaan? Zie paragraaf 4.2.
(Selectie)advies Gezien de bodemopbouw in het zuidelijk deel van het plangebied (komgronden) worden hier geen archeologische vindplaatsen verwacht. In het noordelijk deel komen oeverafzettingen voor (de Vecht). De top van de oeverafzettingen blijkt echter verstoord te zijn (resten baksteen, af en toe kolengruis). Hierdoor wordt de kans op het aantreffen van intacte archeologische sporen uit de ijzertijd tot en met de middeleeuwen klein geacht. Het aantreffen van archeologische sporen uit de nieuwe tijd kan met name direct ten zuiden van de Bolensteinsestraat niet worden uitgesloten. Op basis van de huidige ontwikkeling worden hier vooralsnog geen nieuwe gebouwen geplaatst; de herontwikkeling vindt met name ten zuiden van de gebouwen aan de Bolensteinsestraat plaats. Wij adviseren dan ook geen verder archeologisch onderzoek voor onderhavig plangebied op basis van de huidige plannen. Het is aan te bevelen om de hoge archeologische verwachting ter hoogte van de huidige bebouwing aan de Bolensteinsestraat (ter hoogte van het monument) te handhaven. Ook voor vrijgegeven (delen van) plangebieden bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Het betreft dan vaak kleine sporen of resten die niet door middel van een booronderzoek kunnen worden opgespoord.
Op grond van artikel 53 van de Monumentenwet 1988 dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de Minister (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed: telefoon 033-4217456). Een vondstmelding bij de gemeentelijk of provinciaal archeoloog kan ook.
Antea Group Almere/Oosterhout, juli 2016
Blad 20 van 21
Antea Group Archeologie 2016/95 Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek d.m.v. boringen projectnummer 410587 13 september 2016 revisie 01
Literatuur en geraadpleegde bronnen Barends et al., 1986: Het Nederlandse landschap. Een historisch-geografische benadering. Uitgeverij Matrijs, Utrecht. Boer, A. de, et al., 2010: Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart gemeenten Maarssen, Loenen, Abcoude en Breukelen, Amersfoort. Berendsen, H.J.A., 2004 (4e druk): De vorming van het land. Inleiding in de geologie en geomorfologie. Van Gorcum, Assen. Cohen, K., E. Stouthamer, 2012: Vernieuwd digitaal basisbestand paleografie van de Rijn-Maas delta, Utrecht. Tol, A., P. Verhagen & M. Verbruggen, 2012: Leidraad inventariserend veldonderzoek. Deel: karterend booronderzoek. SIKB. Kaarten x Bodemkaart van Nederland, 1:50.000, STIBOKA/Alterra, Wageningen x Grote Historische Atlas (1830-1855), Wolters Noordhoff, Groningen x Geomorfologische kaart 1:50.000, Alterra, Wageningen x Kadastrale kaarten 1811-1832 (http://beeldbank.cultureelerfgoed.nl) x Topografische kaart 1:25000 (http://kadata.kadaster.nl) Internet x ahn.maps.arcgis.com x beeldbank.cultureelerfgoed.nl x www.aardeopdekaart.nl x www.archis.cultureelerfgoed.nl x www.atlasleefomgeving.nl x www.pdok.nl x www.ruimtelijkeplannen.nl x www.topotijdreis.nl
Blad 21 van 21
Bijlage 1: Archeologische perioden
Bijlage 1: Archeologische perioden Als bijlage op de resultaten en verzamelde gegevens wordt hieronder een algemene ontwikkeling van de bewonersgeschiedenis in Nederland geschetst. Gedurende het paleolithicum (300.000-8800 voor Chr.) hebben moderne mensen (homo sapiens) onze streken tijdens de warmere perioden wel bezocht, doch sporen uit deze periode zijn zeldzaam en vaak door latere omstandigheden verstoord. De mensen trokken als jager-verzamelaars rond in kleine groepen en maakten gebruik van tijdelijke kampementen. De verschillende groepen jager-verzamelaars exploiteerden kleine territoria, maar verbleven, afhankelijk van het seizoen, steeds op andere locaties. In het mesolithicum (8800-4900 voor Chr.) zette aan het begin van het Holoceen een langdurige klimaatsverbetering in. De gemiddelde temperatuur steeg, waardoor geleidelijk een bosvegetatie tot ontwikkeling kwam en de variatie in flora en fauna toenam. Ook in deze periode trokken de mensen als jager-verzamelaars rond. Voorwerpen uit deze periode bestaan voornamelijk uit voor de jacht ontworpen vuurstenen spitsjes. De hierop volgende periode, het neolithicum (5300-2000 voor Chr.), wordt gekenmerkt door een overschakeling van jager-verzamelaars naar sedentaire bewoners, met een volledig agrarische levenswijze.
Deze omwenteling ging gepaard met een aantal technische en sociale vernieuwingen, zoals huizen, geslepen bijlen en het gebruik van aardewerk. Door de productie van overschot kon de bevolking gaan groeien en die bevolkingsgroei had tot gevolg dat de samenleving steeds complexer werd. Uit het neolithicum zijn verschillende grafmonumenten bekend, zoals hunebedden en grafheuvels. Het begin van de bronstijd (2000-800 voor Chr.) valt samen met het eerste gebruik van bronzen voorwerpen, zoals bijlen. Het gebruik van vuursteen was hiermee niet direct afgelopen. Vuursteenmateriaal uit de bronstijd is meestal niet goed te onderscheiden van dat uit andere perioden. Het aardewerk is over het algemeen zeldzaam. De grafheuveltraditie die tijdens het neolithicum haar intrede deed werd in eerste instantie voortgezet, maar rond 1200 voor Chr. vervangen door begravingen in urnenvelden. Het gaat hier om ingegraven urnen met crematieresten waar overheen kleine heuveltjes werden opgeworpen, eventueel omgeven door een greppel. In de ijzertijd (800-12 voor Chr.) werden de eerste ijzeren voorwerpen gemaakt. Ten opzichte van de bronstijd traden er in de aardewerktraditie en in het gebruik van vuursteen geen radicale veranderingen op. De mensen woonden in verspreid liggende hoeven of in nederzettingen van enkele huizen.
Op de hogere zandgronden ontstonden uitgebreide omwalde akkercomplexen (celtic fields). In deze periode werden de kleigebieden ook in gebruik genomen door mensen afkomstig van de zandgebieden. Opvallend zijn de verschillen in materiële welstand. Er zijn zogenaamde vorstengraven bekend in Zuid-Nederland, maar de meeste begravingen vonden plaats in urnenvelden. Met de Romeinse tijd (12 voor Chr. tot 450 na Chr.) eindigt de prehistorie en begint de geschreven geschiedenis. In 47 na Chr. werd de Rijn definitief als rijksgrens van het Romeinse Rijk ingesteld. Ter controle van deze zogenaamde limes werden langs de Rijn castella (militaire forten) gebouwd. De inheems leefwijze handhaafde zich wel, ook al werd de invloed van de Romeinen steeds duidelijker in soorten aardewerk (o.a. gedraaid) en een betere infrastructuur. Onder meer ten gevolge van invallen van Germaanse stammen ontstond er instabiliteit wat uiteindelijk leidde tot het instorten van de grensverdediging langs de Rijn. Over de middeleeuwen (450-1500 na Chr.), en met name de vroege middeleeuwen (450-1000 na Chr.), zijn nog veel zaken onbekend. Archeologische overblijfselen zijn betrekkelijk schaars. De politieke macht was na het wegvallen e van de Romeinen in handen gekomen van regionale en lokale hoofdlieden. Vanaf de 10 eeuw ontstaat er weer enige stabiliteit en is een toenemende feodalisering zichtbaar.
Door bevolkingsgroei en gunstige klimatologische omstandigheden werd in deze periode een begin gemaakt met het ontginnen van bos, heide en veen. Veel van onze huidige steden en dorpen dateren uit deze periode. De hierop volgende periode 1500 – heden wordt aangeduid als nieuwe tijd.
Bijlage2:ArcheologischeMonumentenzorg(AMZ) x x
schematischoverzichtAMZ verklarendewoordenlijstAMZ
Schema Archeologische Monumentenzorg (AMZ)
Schema Archeologische Monumentenzorg (AMZ) Verklarende woordenlijst Archeologische Monumentenzorg (AMZ) Archeologische begeleiding (STAP 5c) Een archeologische begeleiding wordt uitgevoerd wanneer proefsleuven of en opgraving niet mogelijk zijn door bijvoorbeeld civieltechnische beperkingen. Archeologische indicatoren Hiermee worden aanwijzingen in de bodem bedoeld die duiden op menselijke activiteiten in het verleden, zoals aardewerkscherven, houtskool, botmateriaal, vondstlagen, etc. Archis Archeologisch informatiesysteem voor Nederland. Een digitale databank met gegevens over archeologische vindplaatsen en terreinen. Bureauonderzoek (STAP 1) Het bureauonderzoek is een rapportage waarin een gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel wordt opgesteld aan de hand van geomorfologische en bodemkaarten, de Archeologische Monumentenkaart (AMK), het Archeologisch Informatiesysteem (ARCHIS), historische kaarten en archeologische publicaties. Fysiek beschermen (STAP 4c) De archeologische resten blijven in de bodem behouden door bijvoorbeeld planaanpassingen. Geofysisch onderzoek Meetapparatuur brengt archeologische verschijnselen in de bodem driedimensionaal in kaart zonder te boren of te graven. Dit kan bijvoorbeeld door radar-, weerstandsonderzoek of elektromagnetische metingen.
Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel Dit model geeft op detailniveau voor het plangebied aan wat aan archeologische vindplaatsen aanwezig kan zijn. Op basis van dit verwachtingsmodel wordt bepaald of een inventariserend veldonderzoek nodig is en wat de juiste methode is om eventueel aanwezige archeologische resten aan te tonen. Inventariserend veldonderzoek (IVO) (STAP 2) Tijdens een inventariserend veldonderzoek worden archeologische waarden in het veld geïnventariseerd en gedocumenteerd. Waar is wat in de bodem aanwezig? De inventarisatie kan bestaan uit een inventariserend veldonderzoekoverig (door middel van een booronderzoek, veldkartering en/of geofysisch onderzoek) en/of een inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven. Wat de beste methode is, hangt sterk af van de omstandigheden en de aard van de vindplaats. Inventariserend veldonderzoek - overig (IVO-o) (STAP 2b of 2c) Bij een Inventariserend veldonderzoek - overig door middel van boringen (IVOo) worden boringen gezet door middel van een handboor of guts. Inventariserend veldonderzoek -proefsleuven (IVO-p) (STAP 2f) Proefsleuven zijn lange sleuven van twee tot vijf meter breed die worden aangelegd in de zones waar aanwijzingen zijn voor het aantreffen van archeologische vindplaatsen.
Inventariserend veldonderzoek (IVO) - Verkennende fase (STAP 2b) Wanneer bij het bureauonderzoek onvoldoende gegevens beschikbaar zijn om een gespecificeerd verwachtingsmodel op te stellen, wordt een inventariserend veldonderzoek - verkennende fase uitgevoerd. In deze fase wordt onderzocht of de bodem nog intact is, wat de bodemopbouw is en hoe deze invloed heeft gehad op de locatiekeuze van de mens in het verleden. Het onderzoek is bedoeld om kansarme zones om archeologische resten aan te treffen uit te sluiten en kansrijke zones te selecteren voor vervolgonderzoek. Een verkennend onderzoek kent een relatief lage onderzoeksintensiteit en wordt meestal uitgevoerd door middel van boringen. Inventariserend veldonderzoek (IVO) - Karterende fase (STAP 2c of 2f)
Tijdens een inventariserend veldonderzoek - karterende fase wordt het plangebied systematisch onderzocht op de aanwezigheid van archeologische sporen en/of vondsten. De intensiteit van onderzoek is groter dan in de verkennende fase, bijvoorbeeld door een groter aantal boringen per hectare of door het aanleggen van proefsleuven. Inventariserend veldonderzoek (IVO) - Waarderende fase (STAP 2f) Tijdens de waarderende fase wordt aangegeven of de aangetroffen archeologische vindplaatsen behoudenswaardig zijn. Dat betekent dat de aard, omvang, datering, conservering en inhoudelijke kwaliteit van de vindplaats(en) wordt vastgesteld. Wanneer de waardering van de archeologische resten laag is, hoeft geen verder archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Het plangebied wordt 'vrijgegeven'. Wanneer de resten behoudenswaardig zijn, wordt in eerste instantie behoud in situ (ter plekke in de bodem) nagestreefd. Wanneer dit door de voorgenomen ontwikkelingen niet mogelijk is, wordt vervolgonderzoek uitgevoerd in de vorm van een opgraving of archeologische begeleiding. Vaak wordt deze fase gecombineerd uitgevoerd met het inventariserend veldonderzoek karterende fase. Opgraving (STAP 5c) Wanneer door de toekomstige ontwikkelingen aanwezige archeologische resten in de bodem niet behouden kunnen worden, wordt een opgraving uitgevoerd.
Tijdens de opgraving worden archeologische resten gedocumenteerd, gefotografeerd en bestudeerd. Hierdoor wordt informatie over het verleden zo goed mogelijk vastgelegd en behouden. Plan van Aanpak (PvA) (STAP 2a) Voor een booronderzoek is een Plan van Aanpak (PvA) noodzakelijk. Het PvA beschrijft hoe het veldwerk wordt uitgevoerd en uitgewerkt. Programma van Eisen (PvE) (STAP 2d of 5a) Voor het uitvoeren van een inventariserend veldonderzoek proefsleuven, archeologische begeleiding of opgraving is een Programma van Eisen (PvE) noodzakelijk. Het PvE beschrijft het doel, vraagstelling en uitvoeringsmethode van het archeologisch onderzoek. Dit document wordt beschouwd als basisdocument voor archeologisch veldonderzoek waarmee de inhoudelijke kwaliteit gewaarborgd wordt. Het PvE wordt goedgekeurd door het bevoegd gezag (gemeente, provincie of het rijk). Quickscan In een quickscan wordt geïnventariseerd of en waar archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Selectieadvies (STAP 3) In het selectieadvies wordt op archeologisch inhoudelijke argumenten het advies gegeven welke delen van het plangebied vrijgegeven kunnen worden voor verdere ontwikkeling en welke delen behouden of opgegraven moeten worden. Selectiebesluit (STAP 4) De bevoegde overheid (gemeente, provincie of soms het rijk) geeft op basis van het selectieadvies aan welke maatregelen genomen worden.
De bevoegde overheid kan van het selectieadvies afwijken indien zij dat nodig acht. Veldkartering Bij een veldkartering wordt het plangebied systematisch belopen om archeologische oppervlaktevondsten te verzamelen.
Bijlage 3: Boorprofielen
Legenda (NEN 5104 en ASB)
laaggrens (wordt bepaald voor de ondergrens van de beschreven laag) < 0,3 cm
scherpe overgang
D 0,3 - < 3 cm E > 3 cm
diffuse overgang
overgang geleidelijk
amorfiteit veen (veraardheid)
? zwak amorf A matig amorf @ sterk amorf
niet tot zwak veraarde resten structuur nog zichtbaar sterk veraard, structuurloos
gezeefd traject
WƌŽũĞĐƚŶƌ͗͘ ϰϭϬϱϴϳ͘ϬϮZ,DĂĂƌƐƐĞŶ,ĂƌŵŽŶŝĞƉůĞŝŶ
ŝũůĂŐĞϯ͗WƌŽĨŝĞůďĞƐĐŚƌŝũǀŝŶŐĞŶŵĞƚǁĂĂƌŶĞŵŝŶŐĞŶ ŽƌŝŶŐ͗ ϭϬϭ
ŽƌŝŶŐ͗ ϭϬϮ
ŽƂƌĚŝŶĂƚĞŶ͗ ϭϯϭϭϯϳ͕ϳϭ ͬ ϰϲϭϮϮϰ͕ϳϰ
ŽƂƌĚŝŶĂƚĞŶ͗ ϭϯϭϭϴϬ͕ϮϬ ͬ ϰϲϭϯϱϰ͕Ϯϭ
Ϭ
Ϭ ϱ
ͲϮϱ
ϯϬ
ŬůŝŶŬĞƌ
Ϭ
Ϭ ϱ
ĂŶĚ͕ŵĂƚŝŐĨŝũŶ͕ŵĂƚŝŐƐŝůƚŝŐ͕ njǁĂŬŐƌŝŶĚŚŽƵĚĞŶĚ͕ ďƌŽŬŬĞŶŬůĞŝ͕ŐĞĞůďĞŝŐĞ͕ ŽƉŚŽŽŐnjĂŶĚ
ͲϮϱ
ϯϬ
ͲϱϬ
ϱϱ
<ůĞŝ͕ŵĂƚŝŐƐŝůƚŝŐ͕ƐƉŽƌĞŶ ďĂŬƐƚĞĞŶ͕ƐƉŽƌĞŶƌŽĞƐƚ͕ njǁĂŬŚŽƵƚŚŽƵĚĞŶĚ͕ ďƌƵŝŶŐƌŝũƐ
Ͳϳϱ
hŝƚĞƌƐƚŬůŝŶŬĞƌƐ
ͲϱϬ Ͳϳϱ ͲϭϬϬ
ϵϱ ϭϬϱ
ͲϭϮϱ
ϭϯϬ
ͲϭϱϬ
ŽƌŝŶŐ͗ ϭϬϯ
ͲϭϬϬ
sŽůůĞĚŝŐŬůŝŶŬĞƌƐ
ϭϭϬ
ĂŶĚ͕ŵĂƚŝŐĨŝũŶ͕ŬůĞŝŢŐ͕njǁĂŬ ͲϭϮϱ ƌŽĞƐƚŚŽƵĚĞŶĚ͕ŐƌŝũƐ͕ ŽĞǀĞƌĂĨnjĞƚƚŝŶŐ͍ <ůĞŝ͕ŵĂƚŝŐƐŝůƚŝŐ͕ƐƚĞƌŬ ƌŽĞƐƚŚŽƵĚĞŶĚ͕ŶĞƵƚƌĂĂůŐƌŝũƐ͕ Ͳϭϳϱ ŐĞůĞŝĚĞůŝũŬ ĂŶĚ͕ŵĂƚŝŐĨŝũŶ͕ŵĂƚŝŐƐŝůƚŝŐ͕ ͲϮϬϬ ŶĞƵƚƌĂĂůŐƌŝũƐ͕ ŬƌŽŶŬĞůǁĂĂƌĚĂĨnjĞƚƚŝŶŐ
ͲϮϬϬ ͲϮϮϱ
ĂŶĚ͕ŵĂƚŝŐĨŝũŶ͕ŵĂƚŝŐƐŝůƚŝŐ͕ ůŝĐŚƚŐĞĞůŐƌŝũƐ͕ŽƉŚŽŽŐ ĐƵŶĞƚnjĂŶĚ ĂŶĚ͕ŵĂƚŝŐĨŝũŶ͕ŵĂƚŝŐƐŝůƚŝŐ͕ ŵĂƚŝŐŚƵŵĞƵƐ͕ĚŽŶŬĞƌ ŐƌŝũƐďƌƵŝŶ͕ŽƉŚŽŽŐ
ͲϭϱϬ
Ͳϭϳϱ
ŬůŝŶŬĞƌ
ϭϴϬ ϮϬϬ
ͲϮϱϬ
ϮϵϬ
<ůĞŝ͕njǁĂŬnjĂŶĚŝŐ͕njǁĂŬ ŚƵŵĞƵƐ͕njǁĂŬ ƐĐŚĞůƉŚŽƵĚĞŶĚ͕ŵĂƚŝŐ ďĂŬƐƚĞĞŶŚŽƵĚĞŶĚ͕njǁĂŬ ŬŽůĞŶŐƌƵŝƐŚŽƵĚĞŶĚ͕ĚŽŶŬĞƌ ďƌƵŝŶŐƌŝũƐ͕ƐƚĂĚƐĂĨǀĂů ŽƉŚŽŽŐŵĞƚĨŽƐĨĂĂƚǀůĞŬŬĞŶ
ŽƌŝŶŐ͗ ϭϬϱ
ŽƂƌĚŝŶĂƚĞŶ͗ ϭϯϭϭϰϳ͕Ϭϲ ͬ ϰϲϭϮϱϳ͕Ϯϭ
ŽƂƌĚŝŶĂƚĞŶ͗ ϭϯϭϭϮϭ͕Ϯϴ ͬ ϰϲϭϯϱϮ͕ϴϰ
ͲϮϱ ͲϱϬ
ϱϬ
ͲϭϬϬ ϭϮϬ
ͲϭϮϱ
sŽůůĞĚŝŐŬůŝŶŬĞƌƐ ĂŶĚ͕ŵĂƚŝŐĨŝũŶ͕ŵĂƚŝŐƐŝůƚŝŐ͕ ůŝĐŚƚďĞŝŐĞŐƌŝũƐ͕ŽƉŚŽŽŐ ĐƵŶĞƚnjĂŶĚ
ĂŶĚ͕ŵĂƚŝŐŐƌŽĨ͕ŵĂƚŝŐ ƐŝůƚŝŐ͕ŶĞƵƚƌĂĂůŐƌŝũƐŐĞĞů͕ ŽƉŚŽŽŐĐƵŶĞƚnjĂŶĚ
Ϭ
Ͳϭϳϱ ϭϵϱ ϮϬϱ
ͲϱϬ
hŝƚĞƌƐƚŬůŝŶŬĞƌƐ ĂŶĚ͕ŵĂƚŝŐĨŝũŶ͕ŵĂƚŝŐƐŝůƚŝŐ͕ ŐĞĞůŐƌŝũƐ͕ŽƉŚŽŽŐĐƵŶĞƚnjĂŶĚ ϱϱ ϳϬ
<ůĞŝ͕njǁĂŬnjĂŶĚŝŐ͕ƐƚĞƌŬ ŚƵŵĞƵƐ͕ŵĂƚŝŐ ďĂŬƐƚĞĞŶŚŽƵĚĞŶĚ͕ŵĂƚŝŐ ŬŽŽůĂƐŚŽƵĚĞŶĚ͕njǁĂŬ ŐƌŝŶĚŚŽƵĚĞŶĚ͕ĚŽŶŬĞƌ ďƌƵŝŶŐƌŝũƐ
ϭϰϬ
<ůĞŝ͕ŵĂƚŝŐƐŝůƚŝŐ͕ŵĂƚŝŐ ŚƵŵĞƵƐ͕ƐƉŽƌĞŶďĂŬƐƚĞĞŶ͕ njǁĂŬďŽƚŚŽƵĚĞŶĚ͕ŶĞƵƚƌĂĂů ďƌƵŝŶŐƌŝũƐ
ϭϵϬ ϮϬϬ
<ůĞŝ͕ŵĂƚŝŐƐŝůƚŝŐ͕ŵĂƚŝŐ ƌŽĞƐƚŚŽƵĚĞŶĚ͕ĚŽŶŬĞƌ ŐƌŝũƐŐĞĞů͕ŬŽŵĂĨnjĞƚƚŝŶŐĞŶ
Ͳϳϱ
Ͳϭϳϱ ͲϮϬϬ
ŬůŝŶŬĞƌ
ĂŶĚ͕njĞĞƌĨŝũŶ͕ŵĂƚŝŐƐŝůƚŝŐ͕ ŐĞĞůŐƌŝũƐ
<ůĞŝ͕ŵĂƚŝŐƐŝůƚŝŐ͕ŵĂƚŝŐ ƌŽĞƐƚŚŽƵĚĞŶĚ͕ŐĞĞůŐƌŝũƐ ĂŶĚ͕njĞĞƌĨŝũŶ͕ŵĂƚŝŐƐŝůƚŝŐ͕ ŐĞĞůŐƌŝũƐ
ŽƌŝŶŐ͗ ϭϬϲ Ϭ ϱ ϭϬ
ͲϱϬ Ͳϳϱ
ϴϬ
ͲϭϬϬ ͲϭϮϱ
ŬůŝŶŬĞƌ sŽůůĞĚŝŐŬůŝŶŬĞƌƐ ĂŶĚ͕ŵĂƚŝŐĨŝũŶ͕ŵĂƚŝŐƐŝůƚŝŐ͕ ůŝĐŚƚŐĞĞůŐƌŝũƐ͕ŽƉŚŽŽŐ ĐƵŶĞƚnjĂŶĚ
ͲϮϱ
<ůĞŝ͕ŵĂƚŝŐƐŝůƚŝŐ͕njǁĂŬ ͲϭϱϬ ŚƵŵĞƵƐ͕ƐƉŽƌĞŶďĂŬƐƚĞĞŶ͕ ďƌƵŝŶŐƌŝũƐ͕ĨƌĂŐŵĞŶƚƉŝũƉĞŬŽƉ
ͲϭϱϬ
ͲϮϬϬ
ŬůŝŶŬĞƌ
ĂŶĚ͕ŵĂƚŝŐĨŝũŶ͕ŵĂƚŝŐƐŝůƚŝŐ͕ ŵĂƚŝŐŚƵŵĞƵƐ͕njǁĂŬ ŐƌŝŶĚŚŽƵĚĞŶĚ͕ĚŽŶŬĞƌ ŐƌŝũƐďƌƵŝŶ͕ŽƉŚŽŽŐ
Ͳϳϱ
Ϭ ϱ
ͲϮϱ
ĂŶĚ͕ŵĂƚŝŐĨŝũŶ͕ƐƚĞƌŬƐŝůƚŝŐ͕ ͲϭϬϬ njǁĂŬŚƵŵĞƵƐ͕ƐƚĞƌŬ ďĂŬƐƚĞĞŶŚŽƵĚĞŶĚ͕njǁĂŬ ͲϭϮϱ ŬŽŽůŚŽƵĚĞŶĚ͕ŵĂƚŝŐ ŵĞƚƐĞůƉƵŝŶŚŽƵĚĞŶĚ͕ĚŽŶŬĞƌ ͲϭϱϬ ŐƌŝũƐďƌƵŝŶ͕ŽƉŚŽŽŐ
ŽƌŝŶŐ͗ ϭϬϰ Ϭ ϱ ϭϱ Ϯϱ
Ϭ
ĂŶĚ͕njĞĞƌĨŝũŶ͕ƵŝƚĞƌƐƚƐŝůƚŝŐ͕ njǁĂŬƌŽĞƐƚŚŽƵĚĞŶĚ͕njǁĂŬ ǁŽƌƚĞůŚŽƵĚĞŶĚ͕ůŝĐŚƚ ďĞŝŐĞŐƌŝũƐ͕ŽĞǀĞƌĂĨnjĞƚƚŝŶŐ ĨŝŶŝŶŐƵƉǁĂƌĚƐ
ͲϮϳϱ
Ϭ
ŽƂƌĚŝŶĂƚĞŶ͗ ϭϯϭϭϴϮ͕Ϭϴ ͬ ϰϲϭϮϴϰ͕ϴϴ
ϭϮϬ ϭϯϬ ϭϱϬ ϭϲϱ
ŽƂƌĚŝŶĂƚĞŶ͗ ϭϯϭϭϯϬ͕ϰϵ ͬ ϰϲϭϯϰϬ͕Ϯϭ
Ϭ
Ϭ ϱ ϮϬ
ŬůŝŶŬĞƌ sŽůůĞĚŝŐŬůŝŶŬĞƌƐ
ͲϮϱ
ĂŶĚ͕ŵĂƚŝŐĨŝũŶ͕ŵĂƚŝŐƐŝůƚŝŐ͕ ŐĞĞůŐƌŝũƐ͕ŽƉŚŽŽŐĐƵŶĞƚnjĂŶĚ
ͲϱϬ
<ůĞŝ͕ŵĂƚŝŐnjĂŶĚŝŐ͕ ŐƌŝũƐďƌƵŝŶ͕ŽƉŚŽŽŐ
ĂŶĚ͕ŵĂƚŝŐĨŝũŶ͕ŬůĞŝŢŐ͕njǁĂŬ ŚƵŵĞƵƐ͕ŵĂƚŝŐ Ͳϳϱ ďĂŬƐƚĞĞŶŚŽƵĚĞŶĚ͕njǁĂŬ ŐƌŝŶĚŚŽƵĚĞŶĚ͕njǁĂŬ ͲϭϬϬ ŐůĂƐŚŽƵĚĞŶĚ͕njǁĂŬ ŬŽůĞŶŐƌƵŝƐŚŽƵĚĞŶĚ͕ ŐƌŝũƐďƌƵŝŶ͕ǀĞƌƐƚŽŽƌĚŐƐƚĂĂŬƚ ͲϭϮϱ ŽƉŽŶĚŽŽƌĚƌŝŶŐďĂƌĞůĂĂŐ͘ ĂŶĚ͕ŵĂƚŝŐĨŝũŶ͕ŬůĞŝŢŐ͕njǁĂŬ ͲϭϱϬ ŚƵŵĞƵƐ͕ŵĂƚŝŐ ďĂŬƐƚĞĞŶŚŽƵĚĞŶĚ͕ƐƚĞƌŬ ŐƌŝŶĚŚŽƵĚĞŶĚ͕ĚŽŶŬĞƌ ďƌƵŝŶŐƌŝũƐ
ϴϱ
ϭϯϬ ϭϰϬ ϭϲϬ
<ůĞŝ͕ƐƚĞƌŬƐŝůƚŝŐ͕ŵĂƚŝŐ ďĂŬƐƚĞĞŶŚŽƵĚĞŶĚ͕njǁĂŬ ŐƌŝŶĚŚŽƵĚĞŶĚ͕ĚŽŶŬĞƌŐƌŝũƐ͕ ŽĞǀĞƌĂĨnjĞƚƚŝŶŐ <ůĞŝ͕ƵŝƚĞƌƐƚƐŝůƚŝŐ͕ŐƌŝũƐ ĂŶĚ͕njĞĞƌĨŝũŶ͕ŵĂƚŝŐƐŝůƚŝŐ͕ ŐƌŝũƐ͕ĨŝŶŝŶŐƵƉǁĂƌĚƐ
<ůĞŝ͕njǁĂŬnjĂŶĚŝŐ͕njǁĂŬ ŚƵŵĞƵƐ͕ƐƚĞƌŬ ďĂŬƐƚĞĞŶŚŽƵĚĞŶĚ͕ĚŽŶŬĞƌ ďƌƵŝŶŐƌŝũƐ͕ƚŽƉŽĞǀĞƌĂĨnjĞƚƚŝŶŐ <ůĞŝ͕ƐƚĞƌŬnjĂŶĚŝŐ͕ďƌƵŝŶŐƌŝũƐ͕ ĨƌĂŐŵĞŶƚŐƌŽĞŶĚƵďďĞů ŐĞŐůĂnjƵƵƌĚĂĂƌĚĞǁĞƌŬ ĂŶĚ͕njĞĞƌĨŝũŶ͕ƐƚĞƌŬƐŝůƚŝŐ͕ ůŝĐŚƚŐƌŝũƐ͕ŽĞǀĞƌĂĨnjĞƚƚŝŶŐ ĨŝŶŝŶŐƵƉǁĂƌĚƐ
^ĐŚĂĂů (FUFLFOEWPMHFOT/&/
WƌŽũĞĐƚŶƌ͗͘ ϰϭϬϱϴϳ͘ϬϮZ,DĂĂƌƐƐĞŶ,ĂƌŵŽŶŝĞƉůĞŝŶ
ŝũůĂŐĞϯ͗WƌŽĨŝĞůďĞƐĐŚƌŝũǀŝŶŐĞŶŵĞƚǁĂĂƌŶĞŵŝŶŐĞŶ ŽƌŝŶŐ͗ ϭϬϳ
ŽƌŝŶŐ͗ ϭϬϴ
ŽƂƌĚŝŶĂƚĞŶ͗ ϭϯϭϭϭϮ͕ϳϬ ͬ ϰϲϭϯϮϲ͕ϱϳ
ŽƂƌĚŝŶĂƚĞŶ͗ ϭϯϭϭϯϮ͕ϲϮ ͬ ϰϲϭϮϴϵ͕ϵϳ
Ϭ
Ϭ ϱ
hŝƚĞƌƐƚŬůŝŶŬĞƌƐ ĂŶĚ͕ŵĂƚŝŐĨŝũŶ͕ŵĂƚŝŐƐŝůƚŝŐ͕ ďĞŝŐĞŐƌŝũƐ͕ĐƵŶĞƚnjĂŶĚŽƉŚŽŽŐ
ͲϮϱ ͲϱϬ
ŬůŝŶŬĞƌ
ϱϬ ϳϬ
<ůĞŝ͕ƐƚĞƌŬƐŝůƚŝŐ͕ƐƉŽƌĞŶ ďĂŬƐƚĞĞŶ͕ĚŽŶŬĞƌďƌƵŝŶŐƌŝũƐ͕ ǀĞƌƐƚŽŽƌĚŐĞƐƚĂĂŬƚŽƉ ŽŶĚŽŽƌĚƌŝŶŐďĂƌĞůĂĂŐ
Ϭ
ŽƌŝŶŐ͗ ϭϬϵ Ϭ ϱ ϮϬ
ŬůŝŶŬĞƌ sŽůůĞĚŝŐŬůŝŶŬĞƌƐ
ŽƂƌĚŝŶĂƚĞŶ͗ ϭϯϭϬϲϮ͕ϯϳ ͬ ϰϲϭϮϲϱ͕Ϭϱ
Ϭ
ͲϮϱ
ĂŶĚ͕ŵĂƚŝŐĨŝũŶ͕ŵĂƚŝŐƐŝůƚŝŐ͕ ůŝĐŚƚŐĞĞů͕ŽƉŚŽŽŐĐƵŶĞƚnjĂŶĚ