Toelichting Bijl. 8 - Klompweg 74-74a-76a, Nigtevecht_V4.pdf
Tekst van het document
In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met ons erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Overbodige regels zijn geschrapt en de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het cultureel erfgoed ligt waar mogelijk bij het erfgoedveld zelf. Onderdelen van de Monumentenwet die de fysieke leefomgeving betreffen, worden overgeheveld naar de Omgevingswet. Voor deze onderdelen is een overgangsregeling in de Erfgoedwet opgenomen voor de periode 2016-2019. Het gaat daarbij om de volgende zaken: - Vergunningen tot wijziging, sloop of verwijdering van rijksmonumenten; - Verordeningen, bestemmingsplannen, vergunningen en ontheffingen op het gebied van archeologie; - Bescherming van stads- en dorpsgezichten. Besluit ruimtelijke ordening 28
Toelichting Bestemmingsplan Klompweg 74, 74a en 76a, Nigtevecht In het Besluit ruimtelijke ordening is opgenomen dat het aspect cultuurhistorie volwaardig meegewogen moet worden bij het opstellen van ruimtelijke plannen, waaronder een bestemmingsplan. Dit houdt in dat er een inventarisatie uitgevoerd moet worden naar de eventueel aanwezige cultuurhistorische elementen binnen het plangebied en in de directe omgeving daarvan. De aanwezige elementen dienen afgewogen te worden tegen de geplande ontwikkelingen. Cultuurhistorische Atlas provincie Utrecht (CHAT) / Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) Met haar ruimtelijk erfgoedbeleid wil de provincie bijdragen aan het behouden en beleefbaar maken van cultuurhistorie in de provincie Utrecht. De cultuurhistorische en archeologische waarden geven samen een beeld van de ontstaansgeschiedenis van de provincie. Deze waarden dragen in hoge mate bij aan ruimtelijke kwaliteit en versterken het historisch besef van mensen. Het ruimtelijk erfgoedbeleid kent een dubbele strategie van enerzijds het veiligstellen van cultuurhistorische waarden en anderzijds het sturen van ruimtelijke ontwikkelingen vanuit de samenhangende cultuurhistorische kwaliteiten ter plaatse. Daarbij is ‘behoud door ontwikkeling’ het uitgangspunt. De Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) vormt de basis van dit beleid.
Voor het borgen van het gehele palet aan cultuurhistorische waarden binnen de CHS werkt de provincie samen met gemeenten. Hierin richt de provincie zich vooral op gemeentelijke plannen voor grootschalige ruimtelijke ontwikkelingen. Binnen de CHS zijn vier prioritaire thema’s geselecteerd waarop de provincie actief beleid voert dat wordt geborgd in de PRV: - Historische buitenplaatszone; - Militair erfgoed; - Agrarisch cultuurlandschap; - Archeologie. De digitale cultuurhistorische atlas van de provincie Utrecht (CHAT) presenteert de ruimtelijke ontwikkeling van de provincie Utrecht van prehistorie tot heden. De cultuurhistorische waarden binnen het plangebied zijn opgenomen binnen de Provinciale Ruimtelijke Verordening en op de verbeelding van het vigerende bestemmingsplan ‘Landelijk gebied Noord’. Provinciale Ruimtelijke Verordening 2013 Provincie Utrecht (herijking 2016) Het plangebied is gelegen binnen de subvlakken: ‘Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS)’, ‘Militair erfgoed’ en ‘Historische buitenplaatsen’. Artikel 1.7 bevat regels ter bescherming van deze waarden. Artikel 1.7 Cultuurhistorische hoofdstructuur 1.
Als ‘Cultuurhistorische hoofdstructuur’ wordt aangewezen de gebieden ‘Historische buitenplaatszones’, ‘Militair erfgoed’, ‘Agrarisch cultuurlandschap’ en ‘Archeologie’ waarvan de geometrische plaatsbepaling is vastgelegd in het GML-bestand en is verbeeld op de kaart Cultuurhistorie. 2. Een ruimtelijk besluit voor gronden die zijn aangewezen als ‘Cultuurhistorische hoofdstructuur’ bevat bestemmingen en regels ter bescherming van de waarden van de Cultuurhistorische hoofdstructuur, zoals genoemd in de Bijlage Cultuurhistorie. 3. Een ruimtelijk besluit voor gronden die zijn aangewezen als ‘Cultuurhistorische hoofdstructuur’ bevat geen nieuwe bestemmingen en regels die leiden tot een onevenredige aantasting van in het plangebied voorkomende waarden van de Cultuurhistorische hoofdstructuur, zoals genoemd in de Bijlage Cultuurhistorie. 4. In afwijking van artikel 3.1 kan een ruimtelijk besluit voor gronden die zijn aangewezen als ‘Cultuurhistorische hoofdstructuur’ bestemmingen en regels bevatten die binnen de historische buitenplaatszones verstedelijking toestaan, mits dit bijdraagt aan het behoud van de cultuurhistorische waarde van de buitenplaatszone en de individuele buitenplaats. De verstedelijking is kleinschalig en wordt zorgvuldig ingepast in de omgeving. 5.
In afwijking van artikel 3.1 kan een ruimtelijk besluit voor gronden die zijn aangewezen als ‘Cultuurhistorische hoofdstructuur’ bestemmingen en regels bevatten die binnen het militair landschap bij de forten verstedelijking toestaan, mits dit bijdraagt aan het behoud van de cultuurhistorische
29
Toelichting Bestemmingsplan Klompweg 74, 74a en 76a, Nigtevecht
6.
waarde van het militair landschap. De verstedelijking is kleinschalig en wordt zorgvuldig ingepast in de omgeving. De toelichting op een ruimtelijk besluit voor gronden die zijn aangewezen als ‘Cultuurhistorische hoofdstructuur’ bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan, een beschrijving van de in het plangebied aanwezige cultuurhistorische waarden en het door de gemeente te voeren beleid ter zake en van de wijze waarop met de bescherming van deze waarden is omgegaan. Bij de beschrijving van de verschillende waarden wordt gebruik gemaakt van de bijlage Cultuurhistorie.
Bestemmingsplan ‘Landelijk gebied Noord’ In het bestemmingsplan Landelijk gebied noord van de gemeente Stichtse Vecht is het plangebied gelegen binnen de dubbelbestemming: ‘Waarde – Cultuurhistorie 3’ en ‘Waarde – Cultuurhistorie 4’. Waarde cultuurhistorie 3 strekt tot behoud van de Stelling van Amsterdam. Waarde cultuurhistorie 4 strekt tot behoud en de versterking van de buitenplaats zone langs de Vecht. Er mag slechts worden gebouwd indien de betrokken waarden niet geschaad worden door de bouwactiviteiten. Alle andere bepalingen zijn er op gericht de waarden van het cultuurhistorisch erfgoed niet te schaden. Stelling van Amsterdam De Stelling van Amsterdam is een verdedigingslinie (kringstelling) rond de hoofdstad, aangelegd aan het eind van de negentiende eeuw. Het betreft een 135 kilometer lange gesloten ring van dijken, dammen, sluizen, forten en inundatiegebieden, ingepast in het landschap. De forten markeren de plaats van de linie in het landschap. Zij liggen in de oksel van hoofdweerstandlijn en accessen (zwakke plekken in de inundatie, veelal dijken langs rivieren en droogmakerijen). Het zuidelijke deel van de verdedigingsring ligt in de provincie Utrecht. De voormalige schootsvelden rondom de forten zijn vaak nog onbebouwd en hebben weinig opgaande begroeiing (de ‘verboden kringen’ rond de forten kenden strenge bouwbeperkingen).
De openheid van de voormalige inundatiegebieden versterkt de beleving van de linie. De Stelling van Amsterdam is een voormalig nationaal landschap. In dit kader wil men de volgende kernkwaliteiten behouden: - samenhangend stelsel van forten, dijken, kanalen en inundatiekommen; - groen en overwegend rustig karakter c.q. relatief ‘stille’ ring rond Amsterdam; - relatief grote openheid. Buitenplaatsen langs Vecht De kern van de Vechtstreek is een smalle buitenplaatszone langs de rivier, tussen Oud-Zuilen en Vreeland. In de zeventiende en vooral in de achttiende eeuw hebben Amsterdamse kooplieden hier een buitenplaats als zomerverblijf gesticht, veelal in classicistische stijl. De theekoepel aan het water werd het beeldmerk van dit luxelandschap, het smeedijzeren toegangshek het visitekaartje. Door economische neergang zijn vele buitenplaatsen rond 1800 afgebroken en werden formele tuinen omgewerkt tot landschappelijke parken. Van de oorspronkelijk ruim honderd buitenplaatsen zijn er nu nog zo’n veertig over. Ook de buitenplaatsen langs de Angstel en het Gein rekenen we tot deze zone. Hier is het agrarische karakter dominant gebleven, met hier en daar een tot buitenplaats uitgegroeide boerderij of kasteel, zoals bij Loenersloot.
Karakteristiek voor deze buitenplaatszone is het halfopen landschap met een afwisseling van besloten buitenplaatsen, open weilanden met boerderijen, en historische kernen. Het open zicht tussen jaagpad en Vecht, en de doorzichten tussen en achter de buitenplaatsen naar het open weiland, verhogen de belevingswaarde. Van hoge cultuurhistorische waarde zijn de (resten van) formele en vroeg-landschappelijke tuinaanleg en de nog aanwezige landschapsstructuren van verdwenen buitenplaatsen. Ruimtelijk kenmerkend zijn de oriëntatie van de buitenplaatsen op de rivier en op de dijkweg (met dwarsprofiel van de oude Napoleonweg), en de compacte tuinen en overplaatsen.
30
Toelichting Bestemmingsplan Klompweg 74, 74a en 76a, Nigtevecht Planspecifiek Het plangebied wordt begrenst door de cultuurhistorische elementen: dijk (Klompweg) en kanalen (vecht). Daarnaast is het gelegen binnen een inundatieveld. Deze elementen maken deel uit van de ‘Stelling van Amsterdam’. Het voorgenomen plan leidt niet tot veranderingen aan de Klompweg en/of Vecht. Beleving van het voormalige inundatiegebied en hiermee de linie wordt versterkt door openheid. In de huidige situatie is er sprake van een verdichting van het plangebied door de aanwezigheid van het agrarisch bedrijf. Door het beëindigen van het agrarisch bedrijf en hiermee de sloop van de voormalige bedrijfsgebouwen wordt de openheid van het landschap aanzienlijk versterkt. De boerderij vormde oorspronkelijk een onderdeel van de buitenplaats; de buitenplaats is ontwikkeld vanuit deze boeren hofstede. Deze hofstede is destijds aangekocht door een Amsterdamse koopman die vervolgens de buitenplaats heeft ontwikkeld en aangelegd. De opzet van het nieuwe erf sluit aan bij deze historische ontwikkeling. Met een woning die wat betreft hoofdvorm en materiaal refereert aan een schuur of werktuigenberging. De te verplaatsen woningen moeten passend zijn bij bebouwing in de directe omgeving, in dit geval bij de bebouwing van de buitenplaats.
Hierbij geldt dat de nieuwe bebouwing niet perse een historische uitstraling hoeft te hebben, maar ook een moderner en eigentijds uiterlijk kan hebben. Denk hierbij aan de moderne schuurwoningen. Het aanleggen van een hoogstam fruitboomgaard op de plek waar in het verleden ook een boomgaard stond draagt bij aan het herstel van de landschapswaarden in het gebied. Om de cultuurhistorische waarden in het gebied te waarborgen zijn de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Cultuurhistorie 3’ en ‘Waarde – Cultuurhistorie 4’ overgenomen op de verbeelding bij dit bestemmingsplan.
31
Toelichting Bestemmingsplan Klompweg 74, 74a en 76a, Nigtevecht
4.4
Landschappelijke waarde
De stroomrug/oeverwal waar het plangebied op ligt, is een landschappelijk kenmerk van de Vechtstreek. De Vecht heeft zich (periode 750 v. Chr - 1122 n. Chr.) ingesneden in het veen en lag destijds dus lager dan het omliggende land. Toen het omliggende veengebied vanaf de middeleeuwen in het kader van de ontginning werd ontwaterd trad er reliëfinversie op. De zandige en kleiige sedimenten van de Vecht klonken veel minder in dan het ontwaterde veen, waardoor de stroomgordel hoger kwam te liggen dan het omliggende gebied. Op deze manier is de oeverwal ontstaan. In de bodemopbouw is de stroomrug te herkennen als kalkloze poldervaaggrond met zware zavel en lichte klei. De landschappelijke waarde wordt vooral gevormd door de Vecht met aan weerszijden een afwisseling van openheid, vergezichten en besloten historische buitenplaatsen. In het gebied komen diverse cultuurhistorisch waardevolle gebouwen voor. Een deel hiervan is monumentaal. Op de planlocatie zelf is geen cultuurhistorische of monumentale bebouwing aanwezig.
4.5
Ecologie
Wet natuurbescherming: Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. De Wet natuurbescherming beschermt natuurgebieden, inheemse soorten en het bosopstanden in Nederland. Natura 2000: Gebiedsbescherming In de Wet natuurbescherming worden de zogenoemde Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000gebieden kennen een zogenaamde 'externe werking'. Dit betekent dat ontwikkelingen die buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden gelegen zijn, ook getoetst moeten worden of er significant negatieve effecten optreden op het betreffende gebied. In het kader van de toets aan de Wet natuurbescherming wordt bepaald of een project of plan significant negatieve effecten veroorzaakt op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000gebieden. Het uitgangspunt hierbij is dat voor nieuwe initiatieven aangetoond moet worden dat er geen significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofemissies en deposities ontstaan als gevolg van het initiatief. Het instrument waarmee de stikstof berekend kan worden is de AERIUS Calculator.
Soortbescherming: Voor ruimtelijke ingrepen die resulteren in overtreding van één of meer artikelen van de Wnb moet ontheffing worden aangevraagd. Voor een aantal soorten geldt daarenboven het beschermingsregime van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn. Voor werkzaamheden die uit een bestemmingsplan voortvloeien dient voor de start van die werkzaamheden ontheffing te worden aangevraagd indien beschermde soorten voorkomen. Bij de vaststelling van het plan dient duidelijk te zijn of en in hoeverre een ontheffing kan worden verkregen. Voor alle in de wet genoemde diersoorten (inclusief vogels) geldt dat het verboden is individuen van deze soorten (opzettelijk) te doden of te vangen. Bovendien is het verboden nesten (en eieren) en (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of te vernielen dan wel weg te nemen. Voor de in de wet genoemde plantensoorten geldt dat het verboden is exemplaren in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te 32
Toelichting Bestemmingsplan Klompweg 74, 74a en 76a, Nigtevecht snijden, te ontwortelen of te vernielen. In de Wnb worden drie beschermingsregimes onderscheiden voor beschermde soorten. Voor de eerste twee regimes gelden aanvullende verbodsbepalingen.
Het beschermingsregime Vogelrichtlijn (Vrl), dat van toepassing is op van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vrl. Met betrekking tot deze vogelsoorten geldt dat het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen - verboden is vogels opzettelijk te storen, behalve als de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Ruimtelijke inrichting of ontwikkeling en dwingende redenen van groot openbaar belang zijn geen reden om ontheffing te verlenen. Ontheffing is uitsluitend toegestaan op basis van de ontheffingsgronden die in de Vrl zijn genoemd. Overigens is het, indien geen ontheffing nodig is, volgens de huidige interpretatie van de wet wel verplicht rekening te houden met het broedseizoen van vogels. Voor sommige vogelsoorten met vaste verblijfplaatsen geldt dat deze vaste verblijfplaatsen en het essentiële leefgebied jaarrond beschermd zijn. Het beschermingsregime Habitatrichtlijn (Hrl), dat van toepassing is op soorten van bijlage IV bij de Hrl, bijlage I en II bij het Verdrag van Bern en bijlage I bij het Verdrag van Bonn. Met betrekking tot deze soorten is het - aanvullend aan de bovengenoemde verbodsbepalingen verboden dieren opzettelijk te verstoren.
Ontheffing wordt voor ruimtelijke inrichting of ontwikkeling alleen verleend indien: er geen andere bevredigende oplossing is, en geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort, en sprake is van één van de volgende (bij ruimtelijke ontwikkeling relevante) belangen: - de bescherming van wilde flora en fauna of natuurlijke habitats, of - de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten. Het beschermingsregime Andere Soorten, dat van toepassing is op soorten van de bijlage behorende bij artikel 3.10 van de Wnb. Ontheffing is alleen mogelijk indien: - er geen andere bevredigende oplossing is, en - indien geen afbreuk wordt gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort. Er is echter geen ontheffing nodig indien gewerkt wordt volgens een geldige gedragscode die van toepassing is op de betreffende soort(en). Vaak is daarnaast ecologische begeleiding en een ecologisch werkprotocol nodig bij de uitvoering van werkzaamheden. De provincies kunnen voor het beschermingsregime Andere Soorten een algemene vrijstelling verlenen voor onder meer ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. In de gemeente Stichtse Vecht is de provincie Utrecht het bevoegd gezag voor de Wnb.
De provincie handhaaft in haar Omgevingsverordening Utrecht de vrijstelling voor onder meer ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden voor de soorten die ook al vielen onder de vrijstelling in de Flora- en faunawet voor algemeen voorkomende soorten. Indien nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van soorten niet (kunnen) worden ontzien, is ontheffing noodzakelijk. Ontheffing is niet benodigd indien de functionaliteit van de nesten, (vaste) voortplantingsplaatsen of rustplaatsen gegarandeerd wordt (het beschadigen en vernielen wordt voorkomen door maatregelen of er zijn voldoende alternatieven). Ten slotte is altijd de algemene zorgplicht van toepassing, die inhoudt dat een ieder voldoende zorg in acht neemt voor alle inheemse dieren en planten en hun directe leefomgeving (artikel 1.11 van de Wnb). Concreet betekent dit dat bij ruimtelijke ontwikkeling gezorgd moet worden dat dieren niet 33
Toelichting Bestemmingsplan Klompweg 74, 74a en 76a, Nigtevecht gedood worden en dat planten verplant worden. Ook dient gelet te worden op bijvoorbeeld de voortplantingsperiode van amfibieën en de zoogperiode van zoogdieren.
Planspecifiek Gebiedsbescherming Het plangebied ligt ten noordoosten van Nigtevecht. Het plangebied is niet in of grenzend aan een Natura 2000-gebied gelegen. In de nabijheid van het plangebied ligt op ca. 800 m afstand de grens van de Oostelijke Vechtplassen ten zuidoosten van het plangebied, op ca. 2,5 km ten noordoosten de grens van het Naardermeer en natuurgebied Botshol op ca. 8 km afstand ten westen van het plangebied. Met betrekking tot de stikstofrelevantie van dit interne verbouwproject is onderscheid gemaakt in de fase waarin de grond-, en verbouwwerkzaamheden worden uitgevoerd en de fase waarin de woningen worden gebruikt. Ten behoeve van de referentie uitstoot is de berekening gemaakt op basis van feitelijke situatie 2014 en vigerende vergunning op 1 januari 2015. (Vergunning 9 april 2002). Voor de bouwfase is in de berekening gebaseerd op een realistische inschatting van het aantal voertuigen in de bouwfase bij vergelijkbare projecten. De aantallen vervoersbewegingen zijn opgeteld per jaar. Daarnaast is het gebruik van zwaar materieel dat gebruikt wordt op de bouwplaats, zoals hijskranen, bulldozers etc. ingeschat. In de Aeriuscalculator zijn de overeenkomstige voertuigen gekozen uit de standaardlijst. De geschatte bouwtijd voor dit project is een jaar. Voor de gebruikssituatie is geen berekening uitgewerkt.
Nieuwe woningen worden sinds 1 juli 2018 gasvrij gebouwd waardoor geen stikstof vrijkomt. De verkeersgeneratie van de twee nieuwe woningen staat op geen enkele wijze inhouding tot de stikstof uitstoot van vrachtwagen en trekker bewegingen in de voormalig agrarische bedrijfsvoering. Uit de berekeningen met Aerius-calculator (bijlage 4) blijkt dat er, uitgaande van de geschetste benadering, ter hoogte van kwetsbare habitattypen in de Natura-2000, ten gevolge van de stikstofuitstoot binnen dit planproject sprake is van vermindering van depositie in stikstof gevoelige natuurgebieden. Daarmee staat op voorhand vast dat de activiteiten, nodig voor de realisatie van het gewenste plan, geen nadelig effect hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van de omliggende beschermde Natura-2000 gebieden. De stikstofdepositie ten gevolge van de activiteiten ter realisatie van het plan vormt daarmee geen belemmering voor het uitvoeren van het gewenste plan.
Soortbescherming Binnen de grenzen van het plangebied is door Van Bommel Faunawerk een quickscan Flora en fauna uitgevoerd om de invloed van de ontwikkeling te toetsen aan gebiedsbescherming en soortenbescherming. De quickscan is separaat als bijlage 3 toegevoegd. Hier wordt volstaan met de conclusies.
34
Toelichting Bestemmingsplan Klompweg 74, 74a en 76a, Nigtevecht
Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000 gebied. De Oostelijke Vechtplassen, het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied, ligt op circa 800 meter afstand. Gezien de aard, de omvang van voorgenomen werkzaamheden en de ligging ten opzichte van Natura 2000 gebieden is er geen sprake van externe werking op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000 gebieden. Nader onderzoek naar effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van omliggende Natura 2000 gebieden is niet aan de orde. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland, maar grenst wel aan het Vechtvallei, dat hier onderdeel van uit maakt. De beoogde ontwikkelingen zullen niet tot negatieve effecten leiden op het aangrenzende natuurgebied Vechtvallei. De landschappelijke inpassing en met name de verwijdering van agrarische bedrijfsbebouwing en erfverharding draagt bij aan een kwaliteitsverbetering van de omgeving van het NNN gebied. Nader onderzoek naar effecten op de kernkwaliteiten en de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland is niet aan de orde. Om verstoring van broedende vogels uit te sluiten, dient de eventuele verwijdering van houtige beplanting en de sloop van de bebouwing buiten de periode van 15 maart tot 15 juli te worden uitgevoerd.
Mocht echter tijdens de uitvoering van werkzaamheden onverhoopt op broedende vogels gestuit worden, dan dienen de werkzaamheden te worden stilgelegd en naar een later tijdstip te worden opgeschort. Nader onderzoek naar vogels waarvan de nesten jaarrond beschermd is niet aan de orde. Bij de uitvoering van de werkzaamheden hoeft geen rekening gehouden te worden met beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Voor de geplande ingreep bestaat een vrijstelling voor de mogelijk aanwezige soorten. Nader onderzoek binnen het geschikte seizoen en conform het vleermuisprotocol dient uit te wijzen of vleermuizen de te slopen gebouwen gebruiken als verblijfplaats. Er worden geen beschermde soorten reptielen, vissen, insecten of planten verwacht, waarvoor een ontheffing van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming vereist is. Ondanks dat voor een aantal soorten bij de ingreep een vrijstelling geldt, dient men rekening te houden met de zorgplicht, deze geldt altijd en voor alle planten en dieren, onafhankelijk van beschermingsstatus en/of ontheffing of vrijstelling is verleend.
Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoering van het bestemmingsplan. Hierbij geldt wel dat voor werkzaamheden in het kader van sloop en het verwijderen van houtige beplanting buiten het broedseizoen dient plaats te vinden. Daarnaast geldt dat voorafgaand aan de sloop van de bedrijfsgebouwen bekeken moet worden of de gebouwen gebruikt worden als verblijfplaats voor vleermuizen. Om bovenstaande te waarborgen is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels van dit bestemmingsplan.
4.6
Luchtkwaliteit
Het wettelijk kader met betrekking tot de luchtkwaliteit is sinds 2007 vastgelegd in hoofdstuk 5 van de Wet milieubeheer (Wm) en in de algemene maatregel van bestuur: 'Niet in betekenende mate bijdragen' (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM). In titel 5.2 van de Wm is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) geregeld. In dit programma staat onder andere beschreven wanneer en hoe overschrijding van luchtkwaliteitsnormen moet worden aangepakt. In het programma wordt rekening gehouden met nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Ontwikkelingen die binnen het programma passen hoeven niet te worden getoetst aan de 35
Toelichting Bestemmingsplan Klompweg 74, 74a en 76a, Nigtevecht luchtkwaliteitsnormen. Voor projecten die niet in betekende mate bijdragen aan luchtverontreiniging, hoeft geen onderzoek te worden gedaan naar de luchtkwaliteit. Het realiseren van twee woningen zal niet tot gevolg hebben dat de luchtkwaliteit in betekenende mate verslechtert. Er zijn geen drukke wegen op nabije afstand gelegen waardoor inzage in concentraties voor luchtkwaliteit niet noodzakelijk is. Een nader onderzoek naar luchtkwaliteit wordt daarom niet noodzakelijk geacht.
4.7
Geluid
De geluidssituatie binnen het plangebied moet voldoen aan de voorwaarden uit de Wet geluidhinder (Wgh). In het kader van de Wet geluidhinder liggen er zones rond wegen, spoorlijnen en gezoneerde industrieterreinen. Binnen een zone moet voor het realiseren van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen, zoals woningen, onderzoek worden gedaan naar de geluidbelasting. Wegen op een woonerf of met een maximumsnelheid van 30 km/uur hebben geen zone. Voor dit plan is het aspect wegverkeer relevant. Binnen de geluidszone geldt een voorkeurswaarde voor de geluidsbelasting bij nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen. Hierbij geldt een toetsing per afzonderlijke weg. Een weg binnen de bebouwde kom heeft een zonebreedte van 200 meter indien de weg 1 of 2 rijbanen bevat. Een weg buiten de bebouwde kom met 1 of 2 rijbanen heeft een zonebreedte van 250 meter. Bij overschrijding van de voorkeurswaarde moet worden onderzocht of geluidsreducerende maatregelen getroffen kunnen worden, waarbij de volgorde bron- overdracht- en ontvangermaatregelen de voorkeur geniet. Er moet dan ook worden getoetst aan het hogere waarde beleid van de gemeente. De te realiseren woningen zijn geluidgevoelige bestemmingen en moeten worden getoetst aan de Wet geluidhinder. Het plangebied ligt binnen de geluidzone van de Klompweg. De rijksweg A2 is vanwege zijn grote afstand akoestisch niet relevant.
Via het Geoloket van de Omgevingsdienst regio Utrecht (ODRU) zijn de geluidskaarten geraadpleegd. Voor de Klompweg geldt ten aanzien van wegverkeer een geluidscontour (2025 wegverkeer) van minder dan 38 dB. Dit is beneden de voorkeursgrenswaarde van 48 dB.
Figuur 10: Kaart geluidzone wegverkeer Klompweg (bron: Geoloket/ODRU)
36
Toelichting Bestemmingsplan Klompweg 74, 74a en 76a, Nigtevecht Voor de planlocatie geldt ten aanzien van railverkeer een geluidscontour (railverkeer 2025) van minder dan 45 dB. Dit is beneden de voorkeursgrenswaarde van 55 dB die geldt ten aanzien van de hoogst toelaatbare geluidsbelasting vanwege een spoorweg op de gevel van een woning.
Figuur 11: Kaart geluidzone railverkeer (bron: Geoloket/ODRU)
Hiermee wordt voldaan aan de voorwaarden vanuit de Wet geluidhinder en is nader akoestisch onderzoek niet nodig. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het plan.
4.8
Externe veiligheid
Externe Veiligheid gaat over het beheersen van risico's die mensen lopen door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen in hun omgeving. Externe veiligheid kan op twee manieren ingedeeld worden: Transportrisico behandelt de externe veiligheid langs transportassen waarover of waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd, zoals spoorlijnen, buisleidingen en snelwegen. Risico bij inrichtingen gaat over externe veiligheid rond bedrijven waar met gevaarlijke stoffen wordt gewerkt, bijvoorbeeld tankstations met LPG-verkoop. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) verplicht gemeenten om afstand te houden tussen gevoelige objecten en risicovolle bedrijven. Hierdoor wordt het aantal personen in de omgeving van een risicovol bedrijf beperkt. Er wordt daarbij gebruik gemaakt van een kansberekening. Het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) is vanaf 1 januari 2011 het toetsingskader bij planontwikkeling in de nabijheid van hogedrukaardgasleidingen en overige leidingen met gevaarlijke stoffen. De afweging van de externe veiligheidssituatie van buisleidingen heeft grondslag in de Wet Milieubeheer (Wm) en in de Wro. Uit de Risicokaart van de provincie Utrecht blijkt dat in de directe omgeving van het plangebied geen buisleidingen zijn gelegen. Dit aspect vormt geen risico voor het plangebied.
Op het agrarisch bedrijf ten noordoosten van de planlocatie (Klompweg 78) is een bovengrondse tank van 3.300 L (propaan of ander vloeibaar gemaakt brandbaar gas) aanwezig met een risicocontour van 15 meter. Het plangebied (rand van bouwvlak) ligt op veel grotere afstand van deze propaangastank, te weten circa 180 meter, waardoor de tank niet van invloed is op de veiligheid ter plaatse van het plangebied. 37
Toelichting Bestemmingsplan Klompweg 74, 74a en 76a, Nigtevecht
Er zijn in de omgeving van het plangebied geen bedrijven bekend welke op basis van andere milieuwetgeving een afstandsnorm voor veiligheid bezitten. De N236, rijksweg A2, en vaarwegen worden tevens gebruikt voor het transport van gevaarlijke stoffen. De afstand van de genoemde transportaders tot de planlocatie is dermate groot dat deze geen risico vormen voor het plangebied. Omdat de ontwikkeling plaatsvindt op een afstand van meer dan 200 meter van de spoorlijn Amsterdam – Breukelen kan worden volstaan met een beknopte verantwoording van het groepsrisico. Voor de gemeentelijke en provinciale wegen is in de gemeente Stichtse Vecht een routering voor gevaarlijke stoffen vastgesteld. Over de vastgestelde route mag uitsluitend bestemmingsverkeer rijden. Voor noodzakelijk transport ten behoeve van laden en/of lossen van gevaarlijke stoffen buiten de vastgestelde routes is een ontheffing nodig. Aan deze ontheffing kunnen voorwaarden worden verbonden om een veiligere leefomgeving te realiseren. Er kan langs het plangebied dus wel transport van gevaarlijke stoffen plaatsvinden van de niet-routeplichtige stoffen (zoals benzine) en routeplichtige stoffen (zoals propaan), maar de frequentie daarvan is (door het lokale karakter van het transport) dermate laag dat daardoor geen risico's ontstaan die ruimtelijk relevant zijn.
Op de Klompweg kan desondanks een ongeval plaatsvinden waarbij brandbare gassen een explosie kunnen veroorzaken. De effecten van een explosie kunnen tot op een afstand van 355 meter dodelijk zijn. Omdat het plangebied binnen 200 meter van de weg ligt, dient het groepsrisico conform het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) verantwoord te worden. In hoeverre er sprake is van een beperkte of volledige verantwoording hangt af van de hoogte van het groepsrisico en de invloed van het plan op het groepsrisico. Gezien de beperkte ontwikkeling, de omgeving van het plangebied en het aantal transporten gevaarlijke stoffen over de Klompweg is de verwachting dat het groepsrisico kleiner dan 0.1 keer de oriëntatiewaarde is. Hiermee volstaat een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Ten aanzien van (elektromagnetische straling) hoogspanningslijnen zijn deze op voldoende afstand gelegen om geen negatieve invloed te hebben op het plangebied. Uit de gegevens op de website www.antenneregister.nl blijkt dat in de omgeving van het plangebied geen zendmasten aanwezig zijn die overschrijdingen van de geldende blootstellingslimieten voor elektrische en magnetische veldsterkten veroorzaken.
Uit bovenstaande volgt dat de gewenste ontwikkeling niet wordt belemmerd door veiligheidsaspecten. Beperkte verantwoording van het groepsrisico. Bereikbaarheid Het is van belang dat de hulpdiensten tijdens een brand, ramp of zwaar ongeval voldoende snel kunnen optreden. Een goede bereikbaarheid van de te bouwen woning is hierbij van essentieel belang. Aangezien het gaat om beperkte ontwikkelingen, acht ik de bestaande bereikbaarheid voldoende. Bluswatervoorzieningen Daarnaast dient de brandweer snel te kunnen beschikken over voldoende bluswater om een incident adequaat te kunnen bestrijden. De locatie dient te voldoen aan art. 6.30 van het Bouwbesluit 2012. Dit artikel eist dat op maximaal 40 m van het bouwwerk bluswater onttrokken kan worden met een capaciteit tussen de 30m3/h. Het plan voldoet hieraan. Zelfredzaamheid 38
Toelichting Bestemmingsplan Klompweg 74, 74a en 76a, Nigtevecht Toxische wolk (spoorlijn Amsterdam-Breukelen) Aangezien de ontwikkeling ingaat op het mogelijk maken van een woning, kan verwacht worden dat de zelfredzaamheid van de toekomstige aanwezigen voldoende is om zichzelf, eventueel met hulp van anderen, in geval van aan ramp in veiligheid te kunnen brengen. Een aandachtspunt is de vluchtmogelijkheden en de risicocommunicatie. Bij een toxische wolk is het advies om binnen te blijven. Het is daarom belangrijk om de aanwezigen te informeren over eventuele risico’s en hoe te handelen bij een toxische wolk. Klompweg De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bij een explosie op Klompweg is beperkt. Dit komt omdat het een scenario is met weinig tot geen ontwikkeltijd. Bij een explosie is het beste advies om te vluchten van de bron af.
Figuur 12: Uitsnede Antennekaart (bron: www.antenneregister.nl)
4.9
Bedrijven en milieuzonering
De milieubelasting van (agrarische) bedrijven die rondom een milieugevoelig object (zoals een woning) zijn gesitueerd, mag een goed woon- en leefklimaat niet onevenredig negatief belemmeren. Tegelijkertijd mag het niet zo zijn dat door het realiseren van milieuhindergevoelige objecten (zoals een woning) binnen een hinderzone van een bedrijf de bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf belemmerd wordt. Het dichtstbijzijnde bedrijf betreft in dit geval een agrarisch bedrijf: de rundveehouderij aan de Klompweg 78. Deze bevindt zich op een afstand van circa 128 m ten noordoosten van de planlocatie. In de directe nabijheid van het plangebied zijn verder geen voorzieningen of bedrijven aanwezig die een belemmering vormen voor het wijzigen van de agrarische bestemming naar woonbestemming. Rundveehouderij Klompweg 78 Dit betreft een grondgebonden veehouderij (bestemmingsplan) ten behoeve van het fokken en houden van melkvee. Het bedrijf valt sinds 1 januari 2013 onder de algemene regels van het Activiteitenbesluit milieubeheer.
39
Toelichting Bestemmingsplan Klompweg 74, 74a en 76a, Nigtevecht Hiervoor zijn in het Activiteitenbesluit vaste minimale afstanden vastgesteld: 50 m van het emissiepunt van een dierverblijf tot de buitenzijde van een ruimte-voor-ruimtewoning (en soortgelijke geurgevoelige objecten). Deze minimale afstand geldt voor alle diercategorieën (met en zonder geuremissiefactor). De werkelijke afstand van de rand van het bouwvlak van Klompweg 78 tot aan de rand van het bestaande bouwvlak van Klompweg 74, 74a en 76 bedraagt circa 128 m. Dit is meer dan de vaste minimumafstand van 50 meter.
Figuur 13: Afstand tot dichtstbijzijnde agrarisch bedrijf aan de Klompweg 78 bedraagt circa 128 m
De VNG publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009) geeft per type bedrijf (indicatieve) afstanden tot gevoelige objecten. Het agrarisch bedrijf aan de Klompweg 78 valt onder het type ‘Fokken en houden van rundvee’ (SBI-2008: 0141-0142). Hiervoor wordt een grootste richtafstand gegeven van 100 m. Gezien het feit dat de bestaande afstand groter is dan 100 m wordt het plan hierdoor niet belemmerd. Conclusie Op basis van voorgaande kan worden geconcludeerd dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat voor de woningen binnen de planlocatie. En dat het agrarisch bedrijf aan de Klompweg 78 niet in zijn belangen wordt geschaad door de planontwikkeling. Het onderdeel 'Bedrijven en milieuzonering' vormt geen belemmering.
4.10
Mobiliteit
Mobiliteit Het beëindigen van het veehouderijbedrijf leidt tot een aanzienlijke afname van het aantal verkeerbewegingen. Het plan heeft geen directe invloed op de lokale infrastructuur. Parkeren Parkeren dient op eigen terrein plaats te vinden. Op de percelen is voldoende ruimte beschikbaar. Het aspect parkeren zal geen belemmeringen opleveren.
40
Toelichting Bestemmingsplan Klompweg 74, 74a en 76a, Nigtevecht
4.11
Watertoets
Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden. In de Waterwet zijn alle vergunningen betreffende 'water' opgenomen. Onderdeel van het Rijksbeleid is de invoering van de watertoets. De watertoets dient te worden toegepast op nieuwe ruimtelijke plannen, zoals bestemmingsplannen, inpassingsplannen, projectbesluiten en buitentoepassingsverklaringen. Als een gemeente een ruimtelijk plan wil opstellen, stelt zij de waterbeheerder vroegtijdig op de hoogte van dit voornemen. De waterbeheerders stellen dan een zogenaamd wateradvies op. Het ruimtelijk plan geeft in de waterparagraaf aan hoe is omgegaan met dit wateradvies. Het Watertoetsproces is verankerd in het Besluit op de ruimtelijke ordening (2003). Toetsingscriteria in de watertoets zijn: veiligheid, regionale- en lokale wateroverlast, rioleringssysteem, watervoorziening, volksgezondheid, bodemdaling, grondwateroverlast, oppervlaktewaterkwaliteit, grondwaterkwaliteit, verdroging en natte natuur (Handreiking watertoets2, 2003). Aetsveldse Polder Oost De planlocatie bevindt zich in de Aetsveldse Polder Oost. Deze polder heeft een oppervlakte van 856 ha en ligt centraal in het beheergebied van het waterschap Amstel, Gooi en Vecht. De polder valt deels binnen de gemeente Weesp, provincie Noord-Holland (ca. 75%), en deels binnen de gemeente Stichtse Vecht, provincie Utrecht (ca. 25%).
De polder ligt ingeklemd tussen de Vecht (aan de oost en zuid kant) en het Amsterdam-Rijnkanaal (aan de westkant). In het noorden wordt de polder begrensd door het Smal Weesp en het centrum van Weesp. De polder omvat een deel van het stedelijk gebied van Weesp (inclusief de wijk Aetsveld) en Nigtevecht. De bodem van de Aetsveldse Polder Oost bestaat hoofdzakelijk uit lichte klei. Daarnaast komt er veengrond, klei op veen en zware klei voor. Afzettingen van zware klei vinden we vooral aan de noord-oost en zuidkant langs de oevers van de Vecht, zo ook ter plaatse van de planlocatie.
41
Toelichting Bestemmingsplan Klompweg 74, 74a en 76a, Nigtevecht
Figuur 14: Aetveldse polder oost
Midden in de polder, tegen het Amsterdam-Rijnkanaal aan ligt een gebied met een meer venige bodem. De maaiveldhoogte in de polder varieert tussen NAP -0,50 m en NAP -1,90 m. De oude stroomrug door de polder, waarover nu het Aetsveldse weggetje loopt, is duidelijk als een hoger gelegen zone herkenbaar. Ook de gronden langs de Vecht, aan de randen van de polder liggen duidelijk hoger. De planlocatie ligt op een gemiddelde hoogte van NAP -0,7 m. De polder wordt omringd door secundaire keringen langs het Amsterdam-Rijnkanaal (Oostkanaaldijk) en langs de Vecht en het Smal Weesp. In het centrum van Weesp loopt de (verholen) kering over de Achtergracht. De kering langs het Amsterdam-Rijnkanaal is van Rijkswaterstaat, de overige keringen vallen onder het beheer van AGV. Nieuwe provinciale normen voor stabiliteit en hoogte van de regionale waterkeringen waren voor het waterschap aanleiding voor een omvangrijk dijkverbeteringsprogramma. In het kader daarvan zijn in 2015-2016 op verschillende plekken de keringen rondom de Aetsveldse Polder Oost verbeterd; waaronder ook de dijk bij de planlocatie aan de Klompweg. Veel sloten in Aetsveld Oost zijn erg ondiep. Voor een goede sloot-ecologie is een minimale diepte van circa 50 cm nodig. Op veel locaties (meer dan 60% in 2014) waar vegetatieopnamen zijn gedaan is de waterdiepte minder dan 30 cm; sommige sloten zijn minder dan 20 cm diep.
Deze sloten kunnen in de zomerperiode dichtgroeien met emergente (boven het water uitgroeiende) waterplanten zoals riet en lisdodde. Er is dan vrijwel geen ruimte meer voor planten en dieren die open water nodig hebben. Het water warmt in ondiepe sloten sneller op waardoor algen al vroeg in het jaar uitbundig kunnen groeien. Ook sterke schommelingen in temperatuur, zuurstof en zuurgraad zorgen ervoor dat gevoelige soorten verdwijnen. Daarnaast is er in veel sloten weinig ruimte voor een goed ontwikkelde oever met een geleidelijke overgang van oever- naar waterplanten.
42
Toelichting Bestemmingsplan Klompweg 74, 74a en 76a, Nigtevecht Ontwikkelingen planlocatie De planontwikkeling (sloop diverse agrarische opstallen, mestsilo’s en (kuil)platen, nieuwbouw twee woningen en herstellen slotenstructuur) is getoetst aan het gemeentelijk waterbeleid en het beleid van Waterschap Amstel Gooi en Vecht. Het algemene uitgangspunt is dat de ontwikkeling geen negatieve gevolgen voor de waterhuishouding mag hebben. Onder waterhuishouding vallen alle vormen van water: hemelwater, oppervlaktewater, grondwater en afvalwater. Belangrijk is dat er geen afwenteling van de waterafvoer op de directe omgeving (en in de tijd) plaatsvindt. Grondwater De geohydrologische bodemopbouw in polder Aetsveld Oost kan worden geschematiseerd door een dik watervoerend pakket met daarop een slecht doorlatende deklaag. Het watervoerend pakket bestaat uit matig fijn en grof zand van de afzettingen van de Formatie van Boxtel, Kreftenheye, Urk en Sterksel. De dikte van de deklaag bedraagt circa 6,5 m en bestaat uit veenlagen van de Formatie van Nieuwkoop en kleilagen van de Formatie van Echteld die afgewisseld worden met zandige geulafzettingen van de Formatie van Echteld. In het grootste gedeelte van de polder komt lichte kwel voor. In de Horn en in de omgeving van gemaal Aetsveld-oost is sprake van wegzijging. De hoeveelheden zijn gering.
De planlocatie ligt globaal op 0,7 meter -NAP. Regionaal is sprake van een slecht doorlatende deklaag (kalkarme poldervaaggrond met klei) van circa 4 meter dikte. Hieronder bevindt zich het aaneengesloten eerste en tweede watervoerende pakket, opgebouwd uit grove grindhoudende zanden. De dikte van het eerste en tweede watervoerende pakket is circa 66 meter. Het freatisch grondwater bevindt zich op circa 2,0 meter -NAP. De bovengrond van de planlocatie bestaat afwisselend uit zand en klei. De onderliggende laag bestaat uit klei en veen. De ondergrond vanaf de grondwaterstand bestaat hoofdzakelijk uit zand. Voor de planlocatie geldt dat de afwateringsrichting richting het noord-westen is. Er wordt aan de voorzijde van het perceel water ingelaten uit de Vecht. De planlocatie ligt niet in een grondwaterbeschermingsgebied. Binnen een straal van 1.000 meter bevinden zich voor zover bekend geen kwetsbare objecten met betrekking tot de grondwaterkwaliteit. Hemelwater Door een flinke afname van afvoerend verhard oppervlak op de locatie treedt bij neerslag een langzamer afstroming van het hemelwater naar de omliggende watergangen op. Het hemelwater dat op het verharde oppervlak (daken en/of terreinen) valt, mag niet op de drukriolering worden aangesloten.
Ten aanzien van de twee nieuw te bouwen woningen geldt dat het hemelwater niet op de drukriolering wordt aangesloten maar afgekoppeld wordt. Omdat de locatie gelegen is in het buitengebied en er in de directe omgeving weinig verharding en veel weiland aanwezig is en het plangebied omgeven wordt door sloten zal het regenwater wegvloeien over het maaiveld of naar de sloten waar het infiltreert in de bodem. Tenslotte zullen er geen uitlogende (of gecoate) bouwmaterialen (zoals zink, koper, lood en PAKhoudende materialen) gebruikt worden bij de bouw van de twee nieuwe woningen.
43
Toelichting Bestemmingsplan Klompweg 74, 74a en 76a, Nigtevecht Oppervlaktewater AGV schrijft voor dat de wateroppervlakte niet mag afnemen ten opzichte van de legger. Het plan voorziet in het herstel van de sloten structuur en het aanleggen van een nieuwe dwarssloot. Waar mogelijk worden de sloten iets verbreed en worden natuurvriendelijke oevers aangelegd. De oppervlakte verharding zal afnemen ten opzichte van de bestaande situatie. Huishoudelijk afvalwater Door de planontwikkeling komt huishoudelijk afvalwater vrij. Dit wordt aangesloten op de drukriolering. Voor elk van beide woningen geldt dat een eigen aansluiting op een pompput van de drukriolering gebracht wordt. Het advies van Waternet is om contact met het Waterschap op te nemen op het moment dat de plannen concreet worden.
4.12
Duurzaam bouwen
Nederland wil in 2050 volledig duurzaam zijn en heeft ook het klimaatakkoord van Parijs getekend. Een van de maatregelen om volledig duurzaam te worden is te stoppen met het gebruik van aardgas. De gemeente Stichtse Vecht stimuleert samen met inwoners, bedrijven en organisaties duurzame ontwikkeling. De gemeente heeft de doelstelling om in 2030 volledig klimaatneutraal te zijn. In de actualisatie van de woonvisie in de gemeente Stichtse Vecht 2017 – 2022 is duurzaamheid (aardgasvrij en energieneutraal wonen) dan ook als belangrijk uitgangspunt vastgelegd. Energie (BENG) Bij de herontwikkeling wordt voldaan aan de wettelijke vereisten. Nieuwe woningen worden gasloos en all-electric. De energieprestatie van de nieuwe woningen sluit aan op de wettelijke eisen van Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG) en de geldende milieuprestatie eisen gebouwen (MPG). Dit sluit aan op de ambities van de gemeente Stichtse vecht. Bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen moet worden aangetoond dat aan het wettelijk kader wordt voldaan. Conclusie Bij de realisatie van de nieuw woningen zal worden voldaan aan de duurzaamheidseisen conform de gemeentelijke ambities en de landelijke regelgeving.
44
Toelichting Bestemmingsplan Klompweg 74, 74a en 76a, Nigtevecht
Hoofdstuk 5 Juridische aspecten en planverantwoording 5.1
Opzet van de regels
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De regels geven inhoud aan de op de verbeelding (plankaart) aangegeven bestemmingen. Ze geven aan waarvoor gronden en opstallen al dan niet gebruikt mogen worden en wat en hoe er gebouwd kan of mag worden. Bij de opzet van de regels is getracht het aantal bepalingen zo beperkt mogelijk te houden en slechts datgene te regelen wat daadwerkelijk van noodzaak is. Hiervoor is een aantal standaarden ontwikkeld door het Ministerie van VROM. Deze zijn o.a. de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012), de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten (STRI2012) en de Praktijkrichtlijn bestemmingsplannen (PRBBP2012). In dit bestemmingsplan wordt gebruik gemaakt van deze standaarden. Het juridische bindende deel van het plan bestaat uit de verbeelding en regels. Deze worden digitaal en analoog verbeeld. De verbeelding en regels dienen in samenhang te worden bekeken. In het onderhavige bestemmingsplan zijn de regels uit het ‘moederplan’ Landelijk Gebied Noord waar relevant van toepassing. De regels zijn onderverdeeld in 4 hoofdstukken namelijk: 1. Inleidende regels 2. Bestemmingsregels 3. Algemene regels 4. Overgangs- en slotregels
5.2
Verantwoording van de regels
Hoofdstuk 1 Inleidende regels Dit hoofdstuk bevat twee artikelen: Artikel 1 Begrippen In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd, die in de regels worden gehanteerd voor zover deze begrippen van het 'normale' spraakgebruik afwijken of een specifiek juridische betekenis hebben. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan zal moeten worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Artikel 2 Wijze van meten Het onderhavige artikel geeft aan hoe hoogte- en andere maten die bij het bouwen in acht genomen dienen te worden, gemeten moeten worden. Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels De regels bepalen de gebruiksmogelijkheden van de gronden binnen het plangebied en geven tevens de bouw- en gebruiksmogelijkheden met betrekking tot bouwwerken aan. Hoofdstuk 2 bestaat uit een beschrijving van de (dubbel)bestemmingen. -
Agrarisch met waarden Tuin-1 Wonen-3 Waarde Archeologie 4 Waarde – Cultuurhistorie 3 45
Toelichting Bestemmingsplan Klompweg 74, 74a en 76a, Nigtevecht -
Waarde – Cultuurhistorie 4 Waarde landschap I Waarde landschap II
Hoofdstuk 3 Algemene regels Deze regels zijn algemene regels die voor het gehele bestemmingsplan gelden. Vaak zijn ze van toepassing op meerdere bestemmingen: -
Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels 16 Algemene procedureregels
Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotbepalingen. In de overgangsbepalingen is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregels wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd. -
Overgangsrecht: In de overgangsregels zijn de juridische consequenties aangegeven betreffende bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan.
-
Slotregel: Dit artikel geeft aan onder welke naam dit plan kan worden aangehaald.
46
Toelichting Bestemmingsplan Klompweg 74, 74a en 76a, Nigtevecht
Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1
Ruimtelijke uitvoerbaarheid
In voorgaande hoofdstukken is beschreven hoe het voorgenomen project past binnen het van toepassing zijnde overheidsbeleid. Er wordt geconstateerd dat er geen waarden aangetast worden in het plangebied en in de directe omgeving. Verder zijn er geen milieukundige belemmeringen geconstateerd (zie hoofdstuk 4). Ruimtelijk is de voorgenomen ontwikkeling daarmee uitvoerbaar.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.2.1 Vooroverleg Het concept-ontwerpbestemmingsplan is conform artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening in vooroverleg verzonden naar de betreffende personen en instanties. Met als doel een eerste reactie te geven op het voorontwerp. Het plan heeft tot vooroverlegreacties van de Omgevingsdienst regio Utrecht (ODRU), Veiligheidsregio Utrecht (VRU), Waternet en de Provincie Utrecht geleid. In de bijlage van deze toelichting is de Nota Overlegreacties opgenomen. Hierin is opgenomen hoe met de vooroverlegreacties is omgegaan in het ontwerpbestemmingsplan.
6.3
Economische uitvoerbaarheid
In beginsel is de gemeenteraad verplicht een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop een bouwplan is voorgenomen. In een exploitatieplan wordt opgenomen welke kosten met de uitvoering van het bouwplan gemoeid zijn en wie welke kosten voor zijn of haar rekening gaat nemen. Dit is opgenomen in artikel 6.12 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening. Deze verplichting geldt niet als het 'verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd zijn', aldus lid 2 van dit artikel. In onderhavig geval zijn de kosten anderszins verzekerd middels een anterieure overeenkomst. De volledige plankosten zijn voor rekening van de initiatiefnemer.
47